Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ9079

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-06-2011
Datum publicatie
23-06-2011
Zaaknummer
20-003227-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2010:BN3930, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BY5685
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

282a Sr. Gijzeling van een veertienjarige jongen. Het slachtoffer is in een gangetje door twee vermomde mannen van zijn fiets getrokken en vervolgens in een busje geduwd. Een van die mannen heeft daarbij een vuurwapen op zijn hoofd gezet en de ander heeft hem met een stroomstootwapen stroomstoten gegeven. Zijn handen werden op zijn rug vastgetapet en over zijn hoofd werden achtereenvolgens een panty en een bivakmuts getrokken. De twee mannen hebben het slachtoffer vervoerd naar een bosperceel en daar achtergelaten bij een derde man. Het slachtoffer heeft daar met hem een hele avond en nacht doorgebracht, maar wist uiteindelijk te ontsnappen. Op grond van de verklaringen van de broer van de verdachte, de stemherkenning van het slachtoffer, de aangetroffen tas van de verdachte en de resultaten van het telecommunicatieonderzoek acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de gijzelnemer is die uiteindelijk met het slachtoffer in het bos is (achter)gebleven. Het hof is van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking wordt gebracht in de door de advocaat-generaal gevorderde en door de rechtbank opgelegde straf, en veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003227-10

Uitspraak : 23 juni 2011

TEGENSPRAAK | PROMIS

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 13 augustus 2010 (LJN BN3930) met parketnummer 01/849860-09 in de strafzaak tegen de verdachte,

[naam van de verdachte],

geboren te [geboorteplaats] [in het jaar 1960],

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Arnhem,

in huis van bewaring, locatie Arnhem Zuid te Arnhem,

bij welk vonnis:

- de verdachte ter zake van “medeplegen van gijzeling” werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren en 6 maanden met aftrek van voorarrest;

- de vordering van de benadeelde partij [A] werd toegewezen tot een bedrag van EUR 2.500,00 en voor het overige niet-ontvankelijk werd verklaard;

- de verdachte in de rechtsbijstandskosten van de benadeelde partij [A] werd veroordeeld tot een bedrag van EUR 470,60;

- ten behoeve van [A] een schadevergoedingsmaatregel van EUR 2.500,00 (subsidiair 35 dagen hechtenis) aan de verdachte werd opgelegd;

- de vordering van de benadeelde partij [B] werd toegewezen tot een bedrag van EUR 1.000,00 en voor het overige niet-ontvankelijk werd verklaard;

- de verdachte in de rechtsbijstandskosten van de benadeelde partij [B] werd veroordeeld tot een bedrag van EUR 470,60;

- ten behoeve van [B] een schadevergoedingsmaatregel van EUR 1.000,00 (subsidiair 20 dagen hechtenis) aan de verdachte werd opgelegd;

- de benadeelde partijen [C], [D] en [E] in hun vorderingen niet-ontvankelijk werden verklaard.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep is bij akte intrekking beroep van 20 januari 2011 ingetrokken.

Omvang van het hoger beroep

De benadeelde partijen [A], [B], [C], [D] en [E] hebben zich in hoger beroep niet opnieuw in het strafproces gevoegd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep berusten zij in de beslissingen die de rechtbank omtrent hun vorderingen heeft genomen.

Dat houdt in dat in hoger beroep slechts nog de vorderingen van de benadeelde partijen [A] en [B] aan de orde zijn, met dien verstande dat die vorderingen naar beneden zijn bijgesteld tot de door de rechtbank toegewezen bedragen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 2 februari 2011, 20 april 2011, 25 mei 2011 en 9 juni 2011, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 3 mei 2010 en 30 juli 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van advocaat-generaal mr. M.J.M. de Vries en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. T. Kemper naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman heeft bepleit dat het hof de verdachte integraal van de tenlastelegging zal vrijspreken. In subsidiaire zin heeft hij verweer gevoerd ten aanzien van de strafmaat en de vordering van de benadeelde partij [B].

Vonnis waarvan beroep

Naar het oordeel van het hof kunnen de bewezenverklaring en de (promis) bewijsvoering van de rechtbank niet in stand blijven. In het bijzonder kleven aan de bewijsvoering verschillende gebreken. Immers, nog daargelaten dat de rechtbank een omstandigheid heeft vastgesteld zonder daaraan een bewijsmiddel ten grondslag te leggen (namelijk dat de inmiddels onherroepelijk veroordeelde broer van de verdachte degene is geweest die het “dreigtelefoontje heeft uitgevoerd”), is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Uit de door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden kan namelijk niet worden afgeleid dat “Oirschot” een van de pleegplaatsen was, dat [A] “bij zijn jas en het stuur van zijn fiets” is vastgepakt, dat een op een vuurwapen gelijkend voorwerp “op het hoofd” van die [A] is gezet, dat hij “met kracht is meegetrokken”, dat hem “meerdere malen” met een stroomstootwapen stroomstoten zijn gegeven, dat hij een auto is “ingeduwd”, dat “een panty” over zijn hoofd is getrokken en dat hij “op meerdere plaatsen” in het bosperceel heeft moeten plaatsnemen, zoals wel bewezen is verklaard. Het hof zal het vonnis waarvan beroep dan ook vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 19 november 2009 tot en met 20 november 2009 te Boxtel en/of Oirschot, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer pers(o)on(en), genaamd [A] (geboren [in het jaar 1995]), wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk (een) ander(en), te weten [B], te dwingen iets te doen of niet te doen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s)

- voornoemde [A] bij zijn jas en/of het stuur van zijn fiets vastgepakt en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd van die [A] gezet en/of voorgehouden en/of

- (vervolgens) die [A] (met kracht) meegetrokken en/of meegeduwd en/of

- meerdere malen, althans eenmaal, een stroomstootwapen/teasergun tegen het lichaam van die [A] gehouden en/of daarmee [A] een of meerdere stroomsto(o)t(en) gegeven en/of

- die [A] een auto/busje ingeduwd en/of in een auto/busje doen plaatsnemen en/of

- bij die [A] een panty en/of een (bivak)muts over zijn hoofd getrokken en/of

- de handen van die [A] (op zijn rug) vastgeplakt/vastgebonden en/of

- die [A] vervoerd naar een bos(perceel) en/of

- die [A] (op meerdere plaatsen) in het bos(perceel) doen plaatsnemen en/of

- (vervolgens) [B] gebeld met de mededeling dat zijn zoon, te weten voornoemde [A], is ontvoerd en/of dat zij zijn zoon [A] hebben en dat het hem 1,5 miljoen euro zou kosten, althans woorden van gelijke strekking;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 19 november 2009 tot en met 20 november 2009 te Boxtel en/of Oirschot, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [A] (geboren [in het jaar 1995]) wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door tezamen en in vereniging met die ander(en), althans alleen, toen en daar voornoemde [A] opzettelijk en wederrechtelijk

- bij zijn jas en/of het stuur van zijn fiets vast te pakken en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd te zetten en/of voor te houden en/of

- (met kracht) met zich mee te trekken en/of te duwen en/of

- meerdere malen, althans eenmaal, een stroomstootwapen/teasergun tegen het lichaam te houden en/of een of meerdere stroomsto(o)t(en) te geven en/of

- in een auto/busje te duwen en/of te doen plaatsnemen en/of

- een panty en/of een (bivak)muts over het hoofd te trekken en/of

- de handen (op diens rug) vast te plakken/binden en/of

- te vervoeren naar een bos(perceel) en/of

- (op meerdere plaatsen) in het bos(perceel) te doen plaatsnemen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijs: de vastgestelde feiten en omstandigheden

• Toedracht van de gijzeling

Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten bij dit arrest wordt verwezen, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

I. Aangifte: van de brandgang tot aan het bosperceel

Op 20 november 2009 heeft de veertienjarige [A] aangifte gedaan van gijzeling. Bij die gelegenheid heeft hij onder meer verklaard dat hij op 19 november 2009, omstreeks 18.45 uur, met de fiets van zijn (ouderlijke) woning in Boxtel is vertrokken naar skatebaan ‘De Ramp’. Onderweg werd hij in een gangetje door twee met bivakmutsen vermomde mannen vastgepakt bij zijn jas en bij het stuur van zijn fiets en meegetrokken. Een van die mannen heeft daarbij een vuurwapen op zijn hoofd gezet en de ander heeft hem met een stroomstootwapen stroomstoten gegeven. Op een nabijgelegen parkeerplaats werd hij in een busje geduwd. Vervolgens werden zijn handen op zijn rug vastgetapet en er werden over zijn hoofd achtereenvolgens een muts met een knoop en een bivakmuts getrokken. De twee mannen reden naar een zandpad toe en hebben [A] daar achtergelaten bij een derde man. Deze omstandigheden komen naar voren in het hierna weergegeven deel van de aangifte.

“Op 20 november 2009 verscheen voor ons (verbalisanten) een persoon die opgaf te zijn: [A], geboren [in het jaar 1995], wonende aan [adres 1] te Boxtel. Hij deed aangifte terzake gijzeling/ontvoering en verklaarde het volgende. [...] Op 19 november 2009 […] [ben ik] rond 18.45 uur […] [thuis] weggegaan. [Ik woon aan [adres 1] in Boxtel.] Ik had mijn fiets gepakt omdat [F] belde. […] Wij hadden bij de [skatebaan ‘De Ramp’ in Boxtel] afgesproken. […] Ik pakte de fiets uit de voortuin. […]

[In een gangetje werd ik tegengehouden.] Daar kwamen twee mannen […] met bivakmuts op, uit het gangetje gesprongen. Zij pakten mij vast bij het stuur en bij mijn jas. Een hield al meteen een geweer bij mijn hoofd. Ik kon niet heel het geweer zien, het was zwart, en er zat een extra stuk op. Ik denk dat dat een geluidsdemper was. […] Toen ze me net het gangetje introkken, kreeg ik een stroomstoot bij mijn linkerschouder. De tweede kreeg ik toen ze wilden dat ik meeliep naar het busje en [dat] was in mijn rechterzij. De stroomstoot deed wel pijn. […] [Een van de twee mannen sprak Engels en] […] riep iets van ‘Shut up en follow me’. Zij duwden mij naar onder en ik voelde iets op mijn hoofd. Ik dacht dat dat het geweer was. […] Ze hielden me bij mijn nek […] en onderrug [vast]. Het gangetje kwam uit bij een parkeerplaats. […] We liepen daar naar toe en ik werd een busje ingeduwd. […]

Ze hebben mij achter de bestuurdersstoel bij de voetruimte neergelegd. Ik was daartussen gevallen. Toen ze de auto starten en wegreden […], zat [de Engelse (het hof begrijpt: Engelssprekende) man] op de bank, achterin. Hij hield mij met mijn hoofd naar beneden met zijn hand. Een knie leunde op mijn rug. Hij vroeg mij in het Engels waar mijn telefoon was. Ik antwoordde dat die in mijn zak was, ook in het Engels. Ik wees hem ook in welke zak. Daarna pakte hij de telefoon uit mijn zak en vroeg hij mij de pincode. […] De Engelse man zegt dan dat ik mijn handen op mijn rug moet doen en hij tapete ze vast. […] Toen we nog rondreden heeft de Engelsman mij een muts met een knoop opgezet, daarna deed hij er een bivakmuts overheen. Vervolgens reden we over een hobbelig pad […]. Ik voelde dat het een zandpad was. De bus stopte, de deur gaat open. […] Dat was een schuifdeur. Die Engelsman duwt mij zachtjes zodat ik uit de bus.

Ik moest […] op mijn knieën gaan zitten. […] Ik zag vaag een auto naast het busje staan. Ik hoorde dat zij iets zeiden over foto’s en filmpjes die ze naar mijn vader gingen sturen. […] Nadat ik was uitgestapt, hoorde ik twee verschillende Nederlandse stemmen. Die hadden het over die filmpjes sturen. Naast mij stond een man, [de] derde man, die lachte een beetje gemeen. […] De man naast mij houdt mijn schouder vast en mijn nek. De andere mensen stappen in en rijden weg.”

II. De eis om losgeld per telefoon en de vermissing van [A]

Die bewuste avond is de vader van [A] omstreeks 19.35 uur gebeld door een van de gijzelnemers. In dat telefoongesprek werd hem medegedeeld dat zij zijn zoon [A] hadden en dat het hem anderhalf miljoen euro zou kosten. Dat blijkt uit de inhoud van de hierna opgenomen verklaring van [B].

“Mijn gezin bestaat uit 5 personen. Ik, mijn vrouw, zoon [E], dochter [C] en [A] van 14 jaar. Op 19 november 2009 zag ik onze [A] rond half zeven of kwart voor zeven voor de deur. Hij had skatekleren aan. Hij had zijn fiets bij zich. Hij vertelde dat hij had afgesproken op de ramp. Ik ben naar binnen gegaan en [A] is op de fiets vertrokken. […]

Om 19.35 uur werd ik gebeld op mijn mobiele telefoon, door een privé-nummer. Ik nam op en toen werd er gezegd: ‘Wie bende gij’ of ‘Wie heb ik hier’. Ik zei toen: ‘Dat zul jij wel weten, want jij belt mij’. Toen zei hij: ‘We hebben jullie [A] en dat kost anderhalf miljoen’. Ik zei toen: ‘Kan dat ook in maandelijkse termijnen?’. Toen werd erop gegooid. […]We hebben [A] geprobeerd te bellen. Later hebben we allebei nog een paar keer geprobeerd [A] te bellen, maar ook toen konden we hem niet te pakken krijgen. Rond 22.00 uur ben ik begonnen met zoeken. Uiteindelijk was ik rond 23.00 uur of 23.15 uur terug en hebben we toen al de politie gebeld. Er is de hele nacht gezocht.”

III. Aangifte: in het bosperceel

[A] was op dat moment bij de derde gijzelnemer achtergelaten in een bosperceel. De gijzelnemer had hem daar meegenomen naar een plaats waar hij een tas met een aantal goederen had verborgen. Een van die goederen was een cassetterecorder. Het was de bedoeling om daarmee iets op te nemen voor de vader van [A]. Kennelijk mislukte dat, want de gijzelnemer begon te schelden, vertelde dat de cassetterecorder moest worden gerepareerd en verstuurde een sms-bericht. [A] moest vervolgens meelopen naar een andere plaats. Rond middernacht werd hem opgedragen om in de doornstruiken te gaan liggen, omdat er iemand aan kwam. Daarna zijn zij doorgelopen in de richting van de plaats waar hij met het busje was afgezet. Daar zou volgens de gijzelnemer omstreeks 05.00 uur een auto komen. [A] moest plaatsnemen in een droge sloot met doornen. Er werd hem verteld dat hij mogelijk in een kamertje opgesloten moest worden, als de auto nog langer op zich zou laten wachten. Op een moment dat het alweer licht was en de gijzelnemer was weggelopen, heeft [A] de mogelijkheid gezien om zich te ontdoen van de bivakmuts en de duct tape. Vervolgens is hij weggelopen uit het bosperceel. Op een bepaald moment herkende hij de woning van de familie [G]. Dat blijkt uit het volgende gedeelte van het proces-verbaal van aangifte.

“Toen [de andere mannen] weg waren, moest ik meekomen. De man met het gemene lachje zei dat ik niks raars moest doen, omdat hij anders moest schieten. Hij was de enige man die nog over was. […] De man had een beetje een lompe stem, een beetje boers, alsof hij uit de buurt van Boxtel komt. Hij praatte ruig […] hij sprak met een dialect. […] Hij hield mij de hele tijd vast. […] Hij liet mij drie keer tegen bomen aanlopen en tegen takken, maar ik weet niet of hij dat expres deed. […] We liepen [naar] een verharde weg. […] Hij zei dat we even moesten rennen, omdat anders mensen ons kunnen zien. We renden toen […] langs de weg. […] Ik had toen nog de bivakmuts op. […] [Vanaf de verharde weg kwamen] […] we weer in het bos. [Daar] […] moest ik gaan zitten. Ik zat met mijn rug tegen een boom. Ik heb daar ongeveer anderhalf of twee uur gezeten, dat gok ik tenminste.

De man moest iets pakken. Hij zei dat hij een tasje ging zoeken. Hij vertelde dat daar een cassetterecorder in zat, omdat hij iets wilde opnemen voor mijn vader. […] Hij had die spullen daar verstopt. Hij had ook drinken en eten bij zich. Ik hoorde klikken en hij begon te schelden. Hij zei dat hij de cassetterecorder moest maken. Hij probeerde 10 minuten wat. Daarna […] was [hij] aan het sms’en. Ik hoorde die toetsen.

Later moesten we verder lopen. Hij hield mij weer vast en hij zegt dat hij iemand aan zag komen. Ik kon zelf ook lampjes zien. […] Ik dacht dat het een fietser was. […] Ik moest plat in de doornstruiken gaan liggen. Hij bleef rustig staan. Het was toen ongeveer 12 uur (het hof begrijpt: 00.00 uur). Hij heeft namelijk twee keer gezegd hoe laat het was. Hij zei dat iets over 12 uur en om half 5. Toen de fietser weg was, moesten we weer verder lopen. Dat moest van die man. We gingen weer richting de plaats waar het busje had gestaan. De man dacht dat we daar moesten wachten. […] De man zei toen dat we nog wat verder moesten lopen, omdat we niet op de goede plaats waren. Hij helpt mij overeind, mijn handen waren nog steeds vastgebonden. […] Toen zei de man dat het half 5 ’s nachts was en dat de auto om 5 uur zou komen. […] Ik lag in een droge sloot met doornen, dat moest van die man, en hij stond er naast. […] De man zegt dat hij weer een sms’je gaat sturen en dat hij over een uur terugkomt. […] Hij gaat dan ook in de sloot zitten, om te rusten. […] Dan vraag ik of die auto nog terugkomt, er was alweer een uur voorbij. […] Ik heb de hele tijd gezegd dat ik naar huis wilde. [...]

Hij loopt dan weer weg, waarschijnlijk om te bellen. Dan is hij ongeveer 10 minuten weg. Ik kan de bivakmuts een beetje wegdraaien, zodat ik wat kan zien. Ik deed dat via een boom, door met mijn hoofd langs de boom te schuren. De plakband rond mijn armen, dat was zilveren duct tape vol met zand, kon ik zo los maken. […] Het was toen alweer licht en ik ben weggegaan. Ik liep naar de verharde weg. […] Op de verharde weg ben ik linksaf gegaan en daarna twee keer rechts. Daar herkende ik waar ik was. De familie [G] (het hof begrijpt: [G]) woont daar. Daar woont een vriend van mijn vader.

Ik ben vergeten te vertellen dat [ik] een bandje op moest nemen. Maar die was kapot. Die man die de hele avond bij mij is geweest, vertelde dat ik een bandje op moest nemen om mijn vader te overtuigen dat hij 1,5 miljoen moest komen brengen.[…] Hij heeft mij verteld dat hij mij in een kamertje zou opsluiten als het nog lang ging duren. Hij zei dat nadat ik hem gevraagd had of hij mij nog lang in het bos zou houden.”

IV. De aankomst bij de familie [G] en de terugkeer van [A].

[A] is op 20 november 2009, omstreeks 08.45 uur, bij de familie [G] te Boxtel aangekomen. Volgens de getuige [G], die hem heeft opgevangen, was hij helemaal van streek. Nadat zijn vader en moeder waren gebeld, haalde [A] een muts en zwarte doek uit zijn linkerzak en brede zilveren stukken plakband uit zijn rechterzak. Zijn vader heeft de muts en het plakband, toen hij ter plaatse was gekomen, in een doek gewikkeld. Dat blijkt uit de hierna weergegeven getuigenverklaring.

“Ik was vanochtend, vrijdag 20 november 2009, omstreeks 08.45 uur, in mijn woning, gelegen aan [adres 2] te Boxtel. […] Ik zag toen een meisje binnenkomen [dat] ik niet herkende. Pas later begreep ik dat het een jongen was, daarom vertel ik nu steeds over een hij. Ik zag dat hij helemaal overstuur was en dat hij er een beetje verwaarloosd uitzag, hij was continu aan het huilen. […]

Het eerste wat hij zei was: ‘Er zijn problemen, mag ik even bellen’. […] Met het toestel van [mijn zoon] [H], belde de jongen naar zijn vader. […] Ik hoorde hem een keer of tien ‘papa’ zeggen en verder niets. Volgens mij nam zijn vader niet op. En toen zag ik dat de jongen het toestel uitdrukte.

Ik vroeg hem wie zijn vader was. Hij zei dat ik zijn vader wel kende. […] Toen zei hij dat zijn vader [B] is. Die ken ik wel. Ik belde toen met het toestel van [mijn zoon H] naar [B]. […] Meteen nam [B] op. Ik vertelde hem dat zijn dochter hier was. Ik hoorde [B] zeggen: ‘Hoe kan dat nou’. Ik verbrak de verbinding en toen hoorde ik dat de jongen zei dat hij geen meisje was, maar [A] heette.

Ik heb toen weer gebeld en toen kreeg ik [D] aan de lijn. Dit is de vrouw van [B]. Ik zei toen dat het niet hun dochter, maar hun zoon was die bij mij zat. [D] heeft dezelfde achternaam als ik, [G]. Toen zei ze dat ze [A] zouden komen halen binnen tien minuten. […]

Ik zag dat [A] een muts uit zijn zak haalde. Ook haalde hij brede stukken zilveren plakband uit zijn zakken. Uit zijn linkerzak haalde hij de muts en uit de rechterzak het zilveren plakband. Ik hoorde [A] zeggen dat het een bivakmuts was.. Ook zag ik dat die nog een zwarte doek uit zijn linkerzak had gehaald. […] Hij zei tegen mij dat die bivakmuts over zijn kop was getrokken, zodat hij niets meer kon zien. Hij zei tegen mij dat die zwarte doek onder die muts gezeten had. […] Hij zei dat hij die nacht in de bossen van Oirschot was geweest. Hij zei dat die dan weer moest lopen en dan weer stil moest zitten. Hij zei dat zijn rechterarm zeer deed, hij zei dat dit kwam door stroomstoten. Hij zei ook dat die een geweer tegen zijn kop had gehad. Ik zag ook dat zijn rechterarm zeer deed. Ik zag dat toen hij het plakband uit zijn jaszak pakte. Dit duurde langer dan toen hij de muts uit de andere jaszak haalde met zijn linkerarm. Rechts was trager dan links. Ik begreep uit zijn verhaal dat hij zijn fiets en mobiel kwijt was. Hij vertelde mij ook dat zijn hoofd omlaag werd geduwd zodat die niet naar buiten kon kijken. Ik hoorde hem zeggen dat die in een auto was geduwd. Hij had het over meerdere personen. In het bos was die op een gegeven moment met maar een persoon.

Daarna kwamen zijn vader en moeder. […] Ook zijn zusje was hierbij. […] Hij liet toen ook aan zijn vader de muts en de tape zien. Hij zei nog tegen zijn vader dat hij die tape vaak had vastgepakt. Zijn vader zei dat het niets gaf en deed de tape en muts toen in een doek. Ze wilden naar het politiebureau.”

Ook de vader van [A] heeft met betrekking tot de terugkeer van [A] een verklaring afgelegd en wel de volgende.

“Om 9.00 uur ging mijn telefoon. […] Ik hoorde dat ik [G] aan de lijn had. […] [G], de moeder van mijn vriend [I]. Ik ben met mijn vrouw en dochter er naartoe gereden. Wij gingen naar binnen. [A] huilde en begon nog harder te huilen. Hij vertelde: ‘papa, ze hebben me gepakt’.[…] Hij had het erover dat hij stroom had gehad, een pistool op zijn kop en een kous over zijn hoofd. Ook zou hij getapet zijn met grijze tape. Ik heb de tape gezien, die lag op tafel. [A] had de tape losgemaakt. Ik heb de tape met een handdoek ingepakt en afgegeven, samen met de kous […] [A] zei dat ze hem onder stroom zetten om hem rustig te houden toen hij mee moest gaan. [A] zei tegen mij: ‘zo’n stroomding, een taser’.[…] Hij zei dat het een paar keer was gebeurd. Hij vertelde ook dat hij achter in zijn nek werd vastgehouden. Hij werd zo begeleid.”

V. Duct tape, panty(kous) en bivakmuts

[A] is vervolgens met zijn vader naar het politiebureau gegaan. Daar werd vastgesteld dat de in de doek gewikkelde goederen duct tape, een panty(kous) en een bivakmuts waren. Dat blijkt uit het volgende proces-verbaal.

“Toen [A] en zijn vader op het politiebureau kwamen, hadden zij een theedoek bij zich waarin enkele goederen waren gewikkeld. Deze goederen, uitgezonderd de theedoek, kwamen uit de zakken van de kleding van [A]. […]

De goederen welke in de theedoek waren gewikkeld, betroffen:

- stukken zilver/grijskleurige duct tape.

- zwarte pantykous met een knoop daarin.

- zwarte bivakmuts.”

VI. De plaats van het bosperceel

Op aanwijzing van [A] is vastgesteld dat het bosperceel, waar hij de avond en nacht had doorgebracht, in de gemeente Oirschot is gelegen. Dit werd als volgt gerelateerd.

“Op […] aanwijzing van [A] werd [het bosperceel] aangegeven. Het desbetreffende bosperceel is gelegen in de gemeente Oirschot tussen [adres 3], [adres 4] en de niet met name genoemde verbindingsweg tussen deze wegen.”

VII. De in het bosperceel aangetroffen plastic zak

Bij onderzoek werd in het bosperceel een plastic zak gevonden met het opschrift ‘www.ikkandelandmachtaan.nl, geschikt ongeschikt’, waarin op zijn beurt weer een plastic zak zat met daarin onder meer een cassetterecorder, een potje transparante vloeistof, een doek, kabelbinders, een pak melk en een rol duct tape. Dat blijkt uit het hierna weergegeven sporenonderzoek.

“Op 21 november 2009 […] werd door […] de tactische recherche een onderzoek ingesteld […] in een bosperceel, gelegen tussen de openbare wegen [adres 3], [adres 4] en [adres 5] te Oirschot. […]

In het bos bevonden zich geen kunstmatige aangelegde paden. Gezien vanaf de splitsing [adres 3]/[adres 4] bevond zich circa 50 meter van die splitsing aan de rechterzijde een parkeerplaats. Deze picknickplaats was middels een sloot met daarachter bosschages, gescheiden van de openbare weg en was toegankelijk via een pad/open plek. […]

Op verzoek van de tactische recherche werd door ons, [verbalisant 1] en [verbalisant 2], op 21 november 2009, omstreeks 12.00 uur, een onderzoek op genoemde locatie ingesteld. […]

Vanaf het pad/open plek, na circa 300 [meter] rechtdoor, bevonden zich twee greppels, waarvan een greppel in het verlengde van het pad/open plek lag in de greppel welke haaks op de andere greppel lag, werd een plastic zak aangetrokken. Op deze plastic zak stond het opschrift ‘www.ikkandelandmachtaan.nl, geschikt ongeschikt’. In deze plastic zak bevonden zich 2 kabelbinders en nog een plastic zak, welke bedrukt was met afbeeldingen van uit elkaar spattend vuurwerk. Op deze plastic zak stond o.a. het opschrift ‘[naam van bedrijf]’. In deze zak waren de volgende goederen aanwezig:

- een cassetterecorder, merk Sony, kleur zwart;

- een pak melk, merk Milsani;

- een aansteker (vorm GSM);

- een stuk blauwe stof;

- drie kabelbinders, kleur zwart;

- een rol plakband (duct tape), kleur grijs;

- een balpen;

- een stuk touw, kleur zwart;

- een potje inhoudende transparante vloeistof, verpakt in een plastic zakje.

Uit nader onderzoek van het pak melk bleek het volgende: het melkpak was half leeg en was kennelijk niet bedorven. […]

Tijdens het latere onderzoek werd in de cassetterecorder een cassettebandje, merk Maxell, en vier batterijen, merk Topcraft, aangetroffen. […]

Aan het cassettebandje werd een onderzoek verricht. Hieruit bleek het volgende. […] Tijdens het afspelen van het cassettebandje hoorden wij een geluid wat paste bij het geluid van een motorvoertuig (auto). Verder werden geen andere geluidsfragmenten gehoord.”

• Betrokkenheid van de verdachte

VIII. De verklaringen van [P]

De broer van de verdachte, [P], heeft tijdens tegenover de politie verklaard dat hij de gijzeling samen met de verdachte en een Marokkaan heeft begaan. Uit zijn verklaringen kan worden opgemaakt dat de verdachte op de (eerste) dag van de gijzeling aan [P], terwijl deze met de Marokkaan stond te wachten, een sms-bericht heeft verzonden om te zeggen dat ‘hij eraan kwam’. [P] was in de veronderstelling dat daarmee werd gedoeld op [B], maar al snel realiseerde hij zich dat het een van diens kinderen was. Voor [P] maakte dat weinig verschil: hij ging er gewoon voor. De handen van [A] werden vastgetapet en over zijn hoofd werd een panty getrokken. Zij, dat wil zeggen [P], de Marokkaan en [A] zijn vervolgens richting Oirschot gereden. De verdachte is met de auto van [P] daar naar toe gereden en [A] werd vervolgens bij de verdachte achtergelaten. Nadat de Amerikaanse auto, waarin [A] was vervoerd, even verderop in brand was gestoken, zijn [P] en de Marokkaan terug naar Boxtel gereden. Daar heeft [P] gebeld naar [B] om hem mede te delen dat [A] was ontvoerd en dat het anderhalf miljoen euro kostte. De Marokkaan is uitgestapt en [P] is naar zijn woning gereden. Later hoorde [P] van de verdachte dat de cassetterecorder kapot was gegaan, dat de Marokkaan hem ’s nachts niet meer kon vinden en dat hij daarom maar naar huis is gegaan. Zijn verklaringen houden met betrekking tot het voorgaande het volgende in.

“Op 19 november 2009 […] ben ik naar Boxtel gegaan. […] Ik ben toen naar die Marokkaan gegaan. Hij sms’te toen naar [de verdachte] (het hof begrijpt: [de verdachte]) dat ik er was. Wij zijn toen naar [adres 6] gegaan. Zij wisten dat [B] (het hof begrijpt: [B]) weleens tussen 18.30 uur en 19.00 uur op de fiets wegging. Wij zijn daar omstreeks 18.15 uur naar [adres 6] gegaan. Ik parkeerde de auto vlakbij de brandgang, met de schuifdeur naar de kant van de brandgang.[…]

Op een gegeven moment kreeg ik een sms’je van [de verdachte] dat hij eraan kwam. Wij zijn toen snel de auto uitgegaan. Wij zijn toen naar het einde van de brandgang gegaan. Ik ben achter de Marokkaan gaan staan. […] Ik hoorde dat die Marokkaan zei: ‘Daar is hij’. Ik zag dat die Marokkaan gelijk de persoon op de fiets pakte. […] Ik zag dat die persoon een capuchon over zijn hoofd had. Ik had een teasergun in mijn handen. Die Marokkaan had een pistool in zijn handen. Ik heb in de brandgang de teasergun op de rug bij [A] (het hof begrijpt: [A]) gedaan. Ik was in de veronderstelling dat het [B] was. Hij ging nog op zijn fiets een stuk mee, met zijn hoofd naar beneden. Ik hoorde dat de Marokkaan nog zei: ‘Shut up, shut up’ en hij liet hierbij het vuurwapen zien aan [A]. […] Op het einde van de brandgang, viel de fiets en pakten wij [A] beet en zetten hem in de auto.

Wij legden [A] tussen de voorstoelen en de bank. […] Ik was […] de chauffeur. […] In de auto pakte de Marokkaan de telefoon van [A] af. Op het einde van de brandgang wist ik dat het niet [B] was, die we te pakken hadden. Het maakte mij op dat moment ook niet uit, wie het was. Ik ging er gewoon voor. […] Ik ging ervan uit dat het dan een van zijn kinderen was, omdat [de verdachte] had doorgegeven dat [B] eraan kwam. Ik vroeg zachtjes aan die Marokkaan de pincode van de telefoon van [A]. Ik kreeg de telefoon van die Marokkaan in mijn handen. […] [A] gaf het telefoonnummer van zijn vader. […] [A] is ook nog vastgebonden (gelet op de aangifte en de in beslag genomen tape begrijpt het hof: vastgetapet) door die Marokkaan. Met zijn handen op zijn rug, tape om zijn jas, ter hoogte van zijn polsen op zijn jas, op zijn rug. Op het moment dat wij bijna op de plek waren waar wij naar toe moesten, lag [A] op zijn buik, met een panty op zijn hoofd en zijn handen vastgebonden met tape op zijn rug. […] Ik hoorde dat er op zijn Engels gesproken werd door de Marokkaan en volgens mij antwoordde [A] op zijn Engels terug.”

“We [zijn] […] richting Oirschot gereden. […] We hebben een sms’je gestuurd naar [de verdachte] en die heeft toen mijn auto gehaald, mijn Citroen, en die is daar [ook] naar toe gereden.”

“Op de plaats van bestemming […] [ben ik] meteen uitgetapt en ik zag dat die Marokkaan met [A] er ook al uit was. Ze zijn er door de schuifdeur uitgekomen. Ik zag dat [A] een panty op zijn hoofd had.[…] [A] zat op zijn knieën langs de auto. […] [de verdachte] […] zou een bandje opnemen. Ik had van het bandje en de cassetterecorder al eerder tijdens een bespreking in het schuurtje gehoord. Dat hadden die Marokkaan en [de verdachte] al besproken en ik kreeg dat dus te horen. […]

Ik denk dat ik binnen een paar minuten [ben] weggegaan. Ik ben in mijn eigen auto gestapt en die Marokkaan is in de Amerikaan (het hof begrijpt: de Amerikaanse auto) gestapt. We zijn toen rechtsaf gereden, eerste links en daar stopten we. […] Die Marokkaan heeft benzine in de auto gegooid en een lange lijn gemaakt en deze in brand gestoken. […] Die Marokkaan is toen bij mij ingestapt en ik reed […] terug. […]

Op de hoek van [adres 1] en [adres 7] te Boxtel, moest ik die Marokkaan afzetten. Er was afgesproken dat we naar [B] zijn huis moesten bellen. Toen wij daar in de straat waren, heb ik mijn telefoon aangezet en ben ik gaan bellen met de vader van [A]. Ik had het nummer opgeslagen. Het gesprek met [B] was kort. Ik hoorde dat hij opnam met ‘ja hallo’. Ik vroeg hem wie ik aan de lijn had en ik hoorde dat hij zei van ‘ja je belt mij toch’. Ik zei hem dat ik zijn zoon had ontvoerd en dat kost anderhalf miljoen. Hij maakte toen een opmerking of hij in maandelijkse termijnen kon betalen. Toen heb ik de verbinding verbroken en de telefoon uitgezet. […] Die Marokkaan is uitgestapt en ik ben naar Geldrop gereden. […]

Na het weekeinde hoorde ik van [de verdachte] wat er gebeurd was. […] Ik hoorde van [de verdachte] dat de cassette kapot was gegaan. Ik hoorde dat [de verdachte] met die Marokkaan had afgesproken dat ze het bandje over zouden geven.”

“Die Marokkaan zou nog terugkomen. […] Maar omdat [de verdachte] naar een andere plaats was gelopen, als dat wij hem (het hof begrijpt: [A]) af hadden gezet, wist die Marokkaan niet precies waar hij moest zijn en is hij daar een keer rond gereden. […] En ’s morgens is hij naar huis toe gegaan, [de verdachte], en die heeft [A] daar achtergelaten.”

IX. De stemherkenning door [A]

Bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting van de rechtbank van 30 juli 2010 heeft [A] de stem van de verdachte herkend als de stem van de persoon die met hem in het bosperceel was. Bij de rechter-commissaris heeft hij over deze herkenning de volgende verklaring afgelegd.

“U houdt mij voor dat ik ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 30 juli 2010 het volgende heb gezegd: ‘Ik heb een nacht lang in het bos verbleven met een van de verdachten. Ik heb hier de stem van [de verdachte] herkend als een van die verdachten. Ik weet dat hij die nacht met mij in het bos was.’ […] Ik heb die stem herkend toen ik [de verdachte] op de zitting hoorde praten. Ik kreeg toen ene schok toen ik die stem hoorde. Ik kende [de verdachte] niet, maar toen ik zijn stem op zitting hoorde, wist ik dat hij de man was met wie ik die bewuste nacht in het bos heb verbleven. Ik heb namelijk die bewuste nacht de hele nacht met hem gepraat. […]

Ik herkende hem aan het plat Boxtels accent, hij sprak lomp en een beetje fel. Het was de manier waarop hij praatte, hoe hij op dingen reageerde. Toen ik in de rechtszaal zat en de stem van [verdachte] hoorde, wist ik meteen dat hij het was.

U vraagt mij uit te leggen wat ik bedoel met de woorden ‘hoe hij op dingen reageerde’. […] In het bos moest ik iets opnemen en dat lukte niet. Hij werd toen boos en dan verheft hij zijn stem een beetje. Dat was in de rechtszaal ook toen zijn verklaring onderuit werd gehaald.”

X. De verklaring van de verdachte over de gevonden tas met inhoud

De verdachte heeft op 20 januari 2010 tegenover de politie verklaard dat hij in het bosperceel een plastic tas, met daarin een cassetterecorder, een potje met water, een doekje, tierips en een pak melk, heeft achtergelaten. Zijn eerste verklaring hieromtrent luidt als volgt.

“Ik heb gisteren bij mijn inverzekeringstelling gezegd dat ik geen uitzending op de televisie had gezien over de ontvoering. Ik wil nu alvast zeggen dat ik dit wel heb gezien. […] In de uitzending zag ik dat er een cassetterecorder was gevonden. […] Ik heb [een] cassetterecorder in het bos achtergelaten. Ik heb de cassetterecorder in een plastic tas gedaan samen met een potje met water erin, een doekje, […] tierips en een […] pak melk. […] Het pak melk is halfvolle melk. Ik heb de tas met inhoud weggegooid in het bosgebied bij de [naam straat] (het hof begrijpt: [adres 4]).”

XI. Het onderzoek telecommunicatie

Nader onderzoek heeft uitgewezen dat de vader van [A] op 19 november 2009 omstreeks 19:34 uur (het tijdstip waarop de eis om losgeld ter sprake is gebracht) is gebeld door telefoonnummer [telefoonnummer 1]. Aangezien [P] heeft verklaard dat hij dit telefoongesprek heeft gevoerd, kan worden vastgesteld dat het nummer op dat moment bij hem in gebruik was. Uit de tapgegevens blijkt dat naar dat nummer een sms-bericht is verzonden door het telefoonnummer [telefoonnummer 2] met als inhoud: “Probleem casete werkt niet wat nu”. Dat telefoonnummer is, zij het op indirecte wijze, terug te voeren tot de verdachte. Immers, de simkaart van dat nummer is na 20 november 2010 te 01.56 uur uit een bepaald telefoontoestel verwijderd en diezelfde dag te 19:36 uur is een andere simkaart daarin geplaatst, terwijl die simkaart weer met een ander telefoontoestel is gebruikt om na 24 november 2009 te 14:50 uur te worden vervangen door de simkaart van een telefoonnummer dat in gebruik is bij de verdachte.

De historische printgegevens van het telefoonnummer maken voorts nog duidelijk dat het bewuste sms-bericht op 19 november 2009 omstreeks 21:28 uur is verzonden, maar niet kon worden afgeleverd. Met het nummer zijn vervolgens sms-berichten verzonden op 19 november 2009 omstreeks 21:29 uur en op 20 november 2009 omstreeks 01:56 uur en wel naar een telefoonnummer waarmee ook de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 1] ([P]) contact heeft gehad. Op de tijdstippen van die drie sms-berichten is telkens de zendmastlocatie van [adres 4] te Oirschot aangestraald. Op eerdere tijdstippen werd gebruik gemaakt van de zendmastlocatie [adres 8] te Boxtel, zoals omstreeks 18:50 uur toen een sms-bericht is verzonden naar het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en omstreeks 18:55 uur toen van datzelfde nummer een sms-bericht werd ontvangen. Dit telecommunicatieonderzoek is bij proces-verbaal als volgt verwoord.

“Uit de tap van [telefoonnummer 1] [- het nummer waarmee naar de vader van het slachtoffer gebeld op 19 november 2009 te 19:34:43 uur is gebeld -] blijkt dat er een sms werd verstuurd door het nummer [telefoonnummer 2] naar [telefoonnummer 1], met als tekst “Probleem casete werkt niet wat nu”. […]

Aan de hand van de historische printgegevens van het nummer [telefoonnummer 2] blijkt dat er op 19 november 2009 te 21:28:33 uur een sms werd verstuurd door het nummer [telefoonnummer 2] naar het nummer [telefoonnummer 1]. Onbekend is wanneer betreffend sms’je werd verstuurd, maar omdat de telefoon [telefoonnummer 1] was uitgeschakeld, probeert de provider op geregelde tijden om het verstuurde sms-bericht alsnog af te leveren. […]

Vervolgens wordt direct hierna te 21:29:11 uur een sms verstuurd naar het nummer [telefoonnummer 3]. Tevens wordt op 20 november 2009 te 01:56:00 uur weer een sms verstuurd naar nummer [telefoonnummer 3] . Betreffende telefoonnummer [telefoonnummer 2] kiest op dat moment een mastlocatie aan op het adres [adres 4] te [woonplaats] aan. Het bosperceel alwaar [A] werd vastgehouden valt binnen het bereik van deze mastlocatie.”

“Overzicht contacten van het nummer [telefoonnummer 2] op 19 en 20 november 2009

Overzicht

“Aan de hand van de aangeleverde printgegevens van [telefoonnummer 2] werd vastgesteld dat dit nummer gebruik maakt van een gsm toestel met het I-Mei nummer [I-Mei nummer 1]. Van het betreffend I-Mei nummer werden eveneens de printgegevens aangevraagd waarblij bleek dat binnen de bevraagde periode er nog een drietal nummers gebruik hebben gemaakt van [dat] gsm toestel. […]

Het telefoonnummer [telefoonnummer 2] komt op 22 juni 2009 te 16:38 uur in het gsm toestel […] en heeft op 26 juni 2009 te 23:22 uur de laatste keer in het toestel gezeten. Het telefoonnummer [telefoonnummer 2] [komt] op 20 juli 2009 weer in het gsm toestel […] en heeft op 20 november 2009 te 01:56 uur de laatste keer in het toestel gezeten. Diezelfde dag te 19:36 uur komt het telefoonnummer [telefoonnummer 4] in het gsm toestel […] te zitten. Met dit nummer is slechts één contact geweest. […] Daarna komt [het telefoonnummer [telefoonnummer 4]] in een gsm toestel met het I-mei nummer [I-Mei nummer 2] en heeft op 24 november 2009 te 14:50 uur de laatste keer in [dat] toestel gezeten. Hierna komt het telefoonnummer [telefoonnummer 5] in [laatstgenoemd] gsm toestel […]. [Dit] telefoonnummer is in gebruik bij [de verdachte].”

“Uit de historische printgegevens van [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] blijkt dat het nummer [telefoonnummer 3] een gemeenschappelijk contact is van beide nummers.”

Nadere bewijsoverwegingen

• Verweer van de raadsman

De raadsman heeft - op de gronden als vervat in zijn pleitnota - bepleit dat de verdachte integraal van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken. In de kern komt het verweer erop neer dat de verklaringen van [P] en de stemherkenning door [A] als ongeloofwaardig en onbetrouwbaar terzijde dienen te worden gesteld, terwijl de overige aanwijzingen, zoals de gevonden plastic tas en het telecommunicatieonderzoek, onvoldoende zijn om de betrokkenheid van de verdachte bij de gijzeling te kunnen vaststellen. Er wordt dan ook niet voldaan aan het wettelijk bewijsminimum, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

• Verklaringen van [P]

Evenals de raadsman heeft het hof geconstateerd dat [P] in de onder VIII. bedoelde verklaringen op bepaalde onderdelen van standpunt is gewisseld. Het hof zal daarom de vraag dienen te beantwoorden in hoeverre die verschillen de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen aantasten.

Bij nadere bestudering is het hof gebleken dat met beide verklaringen in essentie steeds de volgende lezing naar voren is gebracht.

De aanleiding voor de gijzeling was een mislukte ripdeal. De verdachte heeft hem namelijk verteld dat hij in 2008 een wietplantage van [B] had willen rippen, maar dat dit mislukt was. Het plan is toen opgevat om [B] te ontvoeren en de verdachte had [P] gevraagd of hij mee wilde doen en zo wat geld wilde verdienen.

[P] is op enig moment met de verdachte meegegaan naar een garagebedrijf in de buurt van Waalwijk om daar een auto op te halen. Voor een bedrag van EUR 175,00 kon de auto op naam van een katvanger worden gezet. Omdat de katvanger er toen niet was, kon de auto niet worden meegenomen en heeft [P] die op een later tijdstip met de Marokkaan opgehaald. De Marokkaan is met de gekochte auto (een Amerikaans auto) naar Boxtel gereden, terwijl [P] met zijn eigen auto naar huis is gereden.

[P], de Marokkaan en de verdachte hebben meerdere keren bij de woning van [B] gepost. Op die momenten kwamen zij bij elkaar in de schuur van de Marokkaan om te spreken over de wijze waarop de ontvoering zou moeten plaatsvinden.

Op 19 november 2009 was het de verdachte die bij de woning van [B] stond te posten, terwijl [P] en de Marokkaan zich hadden opgesteld aan het einde van de brandgang. De verdachte had [P] wel eens verteld dat [B] vaak met de fiets wegging. Nadat [P] van de verdachte een sms-bericht had ontvangen met daarin de tekst ‘Hij komt eraan’, hebben hij en de Marokkaan de fietser in de brandgang overmeesterd. Hij heeft daarbij een teasergun gebruikt en de Marokkaan heeft een pistool getoond. Hij merkte toen wel dat het in plaats van [B] een jongen was, maar dat maakte hem niet veel uit. In opdracht van de verdachte werd de jongen, die [A] bleek te zijn, naar een bosperceel gebracht. De verdachte is eveneens naar dat bosperceel gereden en wel met de auto van [P]. Na [A] bij de verdachte te hebben achtergelaten, is [P] met zijn eigen auto en de Marokkaan met de Amerikaanse auto naar een plaats iets verderop gereden. Daar heeft de Marokkaan de Amerikaanse auto in brand gestoken. [P] heeft de Marokkaan vervolgens terug naar Boxtel gebracht. Daar heeft [P] naar [B] gebeld om hem te zeggen dat zijn zoon was ontvoerd en dat het anderhalf miljoen euro zou gaan kosten. Daarna is hij naar zijn woning in Geldrop gereden. Volgens [P] was vooraf besproken dat zijn rol daartoe beperkt zou blijven. De overige handelingen zouden door de Marokkaan en de verdachte worden verricht.

De verdachte zou een bandje opnemen en dat op een later tijdstip aan de Marokkaan meegeven. De verdachte had ook gerekend op een houten hok dat in het bosperceel aanwezig zou zijn en waarin hij met de gegijzelde kon verblijven, maar dat bleek er naderhand niet meer te zijn. Voor het ophalen van het losgeld had de verdachte bovendien een brommertje geregeld en een route uitgestippeld. [P] hoorde achteraf van de verdachte dat hij naar huis was gelopen en [A] in het bos heeft achtergelaten.

Verdere bijzonderheden, zoals die door het hof als bewijs zijn gebezigd, bevreemden het hof niet. De verschillen tussen de verklaringen zijn naar het oordeel van het hof van ondergeschikte aard. Daarbij merkt het hof op dat de leugen, zoals [P] dat zelf ter terechtzitting van de rechtbank noemde, dat er vier personen bij de gijzeling betrokken waren, beperkt is gebleven tot de voorbereidingen van de gijzeling. Met betrekking tot de uitvoering van de gijzeling heeft hij immers steeds over drie personen gesproken, te weten over zichzelf, de Marokkaan en de verdachte. Op de vraag op welke wijze de vierde persoon daaraan heeft deelgenomen, verklaarde [P] zonder omhaal van woorden dat die persoon er die avond niet bij was. Voor de omstandigheid dat [P] geen glasheldere verklaring over de identiteit van de Marokkaan heeft afgelegd, zijn allerlei redenen denkbaar. De rol van deze derde gijzelnemer heeft [P] echter, anders dan de raadsman meent, uitvoerig in zijn verklaringen beschreven. Wat daar ook van zij, het hof is van oordeel dat de wijze waarop [P] zijn verklaringen tegenover de politie heeft afgelegd, niet maakt dat die verklaringen als onbetrouwbaar of ongeloofwaardig moeten worden aangemerkt.

Het feit dat hij die verklaringen bij de rechter-commissaris heeft ingetrokken voor zover het de betrokkenheid van de verdachte aangaat, kan dat niet anders maken. Bij de behandeling van het onderzoek in eerste aanleg heeft hij immers onder ede verklaard dat hij in het huis van bewaring werd bedreigd en van de verdachte een brief had gekregen om op die wijze te verklaren. Daarom had hij bij de rechter-commissaris niet naar waarheid verklaard. Enkele dagen na het afleggen van deze verklaring, heeft hij die brief ook aan de politie overgedragen. Daar komt bij dat het hof de raadsman niet volgt in zijn stelling dat de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring op gelijke wijze bevestiging vindt in de bewijsmiddelen als de tegenover de politie afgelegde verklaringen. Die stelling gaat immers mank, nu de hierna te bespreken bewijsmiddelen over de betrokkenheid van de verdachte daarmee onverenigbaar zijn.

• Stemherkenning door [A]

Een van die bewijsmiddelen is de onder IX. weergegeven herkenning van de stem van de verdachte door [A]. Het enkele feit dat [A] daarvoor geen opleiding heeft gevolgd, betekent naar het oordeel van het hof nog niet dat de stemherkenning niet voor het bewijs kan worden gebruikt. Er bestaat namelijk geen rechtsregel die zich daartegen verzet. Bij de waardering van de bewijskracht van een dergelijke stemherkenning moet wel - mede gelet op de in de wetenschap geplaatste kanttekeningen - de nodige behoedzaamheid worden betracht.

In dat verband merkt het hof het volgende op. De verklaring van [A], dat hij zich tweeënhalve week na de gijzeling minder wist te herinneren dan ten tijde van de aangifte, en het tijdsverloop sindsdien (ruim 7 maanden) zijn, anders dan de raadsman meent, wel degelijk te rijmen met de stemherkenning. Dat bepaalde details van een traumatische gebeurtenis als deze door tijdsverloop vervagen, neemt niet weg dat er ten aanzien van bepaalde aspecten een diepgewortelde herinnering aanwezig kan blijven. [A] heeft verklaard dat hij ter terechtzitting van de rechtbank een schok kreeg toen hij de verdachte hoorde praten, omdat hij zijn stem herkende als de stem van de gijzelnemer die met hem in het bosperceel is gebleven. Daarbij heeft hij gemotiveerd uitgelegd waaraan hij de stem van de verdachte heeft herkend, terwijl hij ook bij de politie al over specifieke kenmerken van de spreekwijze van de gijzelnemer in het bosperceel heeft verteld. Uit dat laatste blijkt tevens dat hij zich op de spreekwijze van de gijzelnemer tijdens de gijzeling heeft geconcentreerd. Het hof deelt niet het standpunt van de raadsman dat de genoemde kenmerken te algemeen van aard zijn. Evenmin deelt het hof zijn standpunt dat de verklaringen dat de stem hem bekend voorkwam (aangifte) en dat hij de verdachte niet kende (rechter-commissaris) tegenstrijdig zijn. Het hof is van oordeel dat die verklaringen passen bij het zich hier voordoende geval dat de verdachte enerzijds een bekende van de vader van [A] is, terwijl anderzijds dat contact jaren geleden is verbroken.

Voor de bruikbaarheid van de stemherkenning acht het hof van belang in hoeverre de stemherkenning in andere bewijsmiddelen bevestiging vindt. In dit geval ondersteunen de overige bewijsmiddelen de stemherkenning in afdoende mate, wanneer daarbij in aanmerking wordt genomen dat die betrekking heeft op de stem van de gijzelnemer die in het bosperceel is achtergebleven en derhalve niet op die van een van de andere gijzelnemers. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn het hof geen feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan aan de stemherkenning zou moeten worden getwijfeld. Gelet daarop acht het hof de stemherkenning betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

• De gevonden tas

Daags na de gijzeling, op 21 november 2009, is in het bosperceel een plastic tas aangetroffen met als inhoud onder meer een cassetterecorder, een pak melk, een stuk blauwe stof, drie kabelbinders, een rol duct tape en een potje met transparante vloeistof. Op 20 januari 2010 heeft de verdachte tijdens zijn eerste politieverhoor, zoals in overweging X is weergegeven, direct en uit zichzelf verklaard dat hij een plastic tas in het bosperceel te Oirschot heeft achtergelaten, met daarin een cassetterecorder, een potje met water, een doekje, tierips en een pak melk. Het hof leidt daaruit af dat de in het bosperceel aangetroffen tas aan de verdachte toebehoort.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de toelichting die de verdachte heeft gegeven voor de aanwezigheid van die tas met voorwerpen in het bosperceel, iedere geloofwaardigheid mist. Die toelichting bestond er aanvankelijk in dat hij de voorwerpen in het verleden voor het vangen van vogels heeft gebruikt, maar deze in juni 2009 in het bosperceel heeft achtergelaten omdat de cassetterecorder stuk was gegaan. In aanvulling daarop heeft hij verklaard dat hij na augustus 2009 niet meer in het bosperceel aanwezig is geweest. Deels werd deze toelichting weerlegd door de resultaten van het politieonderzoek. Het hof wijst er in dat verband op dat de plastic tas in het bosperceel op de gevallen bladeren werd aangetroffen, dat de voorwerpen niet door weersinvloeden waren aangetast, dat het pak melk half leeg en niet bedorven was, dat navraag bij de producent van die melk heeft uitgewezen dat de melk medio september 2009 is geproduceerd en dat er op het cassettebandje geen vogelgeluiden stonden. Nadat de verdachte daarmee werd geconfronteerd, heeft hij zijn verklaring aangepast en verklaard dat de tas wellicht door een wandelaar zou kunnen zijn verplaatst en dat hij zich mogelijk heeft vergist en het bosperceel tot eind augustus, half september 2009 zou kunnen hebben bezocht. Ook die verklaring heeft de verdachte weer aangepast. Zijn volgende verklaring hield immers in dat hij tot en met december 2009 in het bosperceel is geweest en aanvankelijk anders heeft verklaard op verzoek van zijn broer [P]. Het hof trekt uit deze gang van zaken het gevolg dat de verdachte zijn verklaring noodgedwongen aan de resultaten van het politieonderzoek heeft willen aanpassen. Daar komt nog bij dat uit het onderzoek ter terechtzitting nog niet in het minst aannemelijk is geworden dat de verdachte als hobby vogels vangen had, zoals hij bij herhaling is blijven beweren.

Het voorgaande brengt naar het oordeel van het hof met zich dat de vaststelling dat de in het bosperceel aangetroffen tas aan de verdachte toebehoort, zeker in het licht van de overige bewijsmiddelen, steunbewijs oplevert voor de betrokkenheid van de verdachte bij de gijzeling.

• Telefoon

De indirecte manier waarop het telefoonnummer [telefoonnummer 2] tot de verdachte is te herleiden, acht het hof niet alleen opvallend, zoals de raadsman dat heeft genoemd, maar ook redengevend voor de conclusie dat de verdachte een van de gijzelnemers is. De korte duur tussen de wisselingen van de simkaarten en de telefoons (vier dagen) in combinatie met de naadloze aansluiting op de hiervoor besproken bewijsmiddelen maakt naar het oordeel van het hof dat het telefoonnummer aan de verdachte kan worden toegeschreven.

• Conclusie

Het hof oordeelt aldus dat gezien het onderlinge verband van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de verdachte de gijzelnemer is die uiteindelijk met het slachtoffer in het bos is (achter)gebleven. In dat oordeel ligt besloten dat aan het wettelijk bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering voldaan is. Hetgeen door de verdediging overigens naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer in al zijn onderdelen.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden, de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling (tijds)verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 19 november 2009 tot en met 20 november 2009 te Boxtel en Oirschot tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een persoon, genaamd [A] (geboren [in het jaar 1995]), wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, met het oogmerk een ander, te weten [B], te dwingen iets te doen, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders

- voornoemde [A] bij zijn jas en het stuur van zijn fiets vastgepakt en

- een vuurwapen op het hoofd van die [A] gezet en voorgehouden en

- vervolgens die [A] meegetrokken en/of meegeduwd en

- meerdere malen een stroomstootwapen/teasergun tegen het lichaam van die [A] gehouden en daarmee [A] meerdere stroomstoten gegeven en

- die [A] een auto/busje ingeduwd en

- bij die [A] een panty en een bivakmuts over zijn hoofd getrokken en

- de handen van die [A] op zijn rug vastgeplakt en

- die [A] vervoerd naar een bosperceel en

- die [A] op meerdere plaatsen in het bosperceel doen plaatsnemen en

- [B] gebeld met de mededeling dat zijn zoon, te weten voornoemde [A], is ontvoerd en dat zij zijn zoon [A] hebben en dat het hem 1,5 miljoen euro zou kosten, althans woorden van gelijke strekking.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 282a, eerste lid, juncto artikel 47, eerste lid en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof oordeelt dat het bewezen verklaarde als volgt behoort te worden gekwalificeerd:

Medeplegen van gijzeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gijzeling.

De rechtbank heeft de verdachte ter zake daarvan veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren en 6 maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep, ook voor wat betreft de strafoplegging, zal bevestigen.

De raadsman heeft bij wijze van een subsidiair standpunt bepleit dat een lagere gevangenisstraf aangewezen is. De duur van die gevangenisstraf mag gelet op straffen in soortgelijke zaken de vijf jaren niet overschrijden, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Gijzeling is, gelet op het daarop gestelde strafmaximum (15 jaren gevangenisstraf), een van de zwaarste misdrijven die de Nederlandse strafwetgeving kent. Het is een misdrijf waarmee niet alleen geweld wordt aangedaan aan het recht om zich veilig en vrij te voelen, maar ook geprobeerd wordt munt te slaan uit de angsten van naasten van het slachtoffer. Het is bovendien een feit waardoor de rechtsorde wordt geschokt en dat bijdraagt aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. In de regel kan daarom niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van geruime duur met zich brengt.

In het onderhavige geval geldt dat naar het oordeel van het hof des te meer, nu het gaat om de gijzeling van een veertienjarige jongen waarbij niet is geschuwd om een vuurwapen te trekken en een stroomstootwapen te gebruiken. De jongen heeft bovendien een hele avond en nacht in een bosperceel doorgebracht, terwijl hij een panty en een bivakmuts over zijn hoofd had en zijn handen vastgetapet waren. Zodoende is het bewezen verklaarde een misdrijf dat niet alleen naar haar aard, maar zeker ook in feitelijke zin, een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de geestelijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Het argument van de raadsman dat de gijzeling relatief kort heeft geduurd, maakt dat niet anders en is bovendien in het geheel niet aan de verdachte te danken. De gijzeling werd namelijk pas afgebroken toen de cassetterecorder niet werkte, de verdachte en de Marokkaan elkaar niet meer wisten te bereiken en de verdachte het (houten) hokje niet meer wist te vinden; aldus door omstandigheden die niet van de wil van verdachte afhankelijk waren.

De verdachte heeft bij de volvoering van het bewezen verklaarde een initiërende en meerledige rol gehad. Bovendien heeft hij, zo is voor het hof uit het onderzoek ter terechtzitting duidelijk geworden, niet alleen als uitvoerder, maar ook als intellectuele dader van de gijzeling te gelden. Uit de verklaringen van zijn broer [P], kan immers worden afgeleid dat het plan voor de gijzeling door de verdachte is bedacht.

Het hof merkt in dat verband op dat de stelling van de advocaat-generaal dat ervan uit dient te worden gegaan dat de verdachte en zijn mededaders van meet af aan van plan waren om [A] te gijzelen, geen steun vindt in het procesdossier. Uit het bewijs volgt juist een ander scenario: het plan was aanvankelijk om [B] te gijzelen. Dat maakt de ernst van het bewezen verklaarde naar het oordeel van het hof overigens niet minder. De verdachte heeft de gijzeling immers zonder aarzelen doorgezet toen hij merkte dat niet [B], maar diens veertienjarige zoon, was meegenomen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op het hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 20 april 2011, waaruit onder meer blijkt dat de verdachte eerder, zij het lang geleden, ter zake van geweldsmisdrijven (diefstal met geweld en poging tot doodslag) is veroordeeld.

Anders dan de raadsman ziet het hof in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, geen aanleiding om een lagere straf op te leggen dan die door de advocaat-generaal is gevorderd en door de rechtbank is opgelegd. Integendeel zelfs, het hof is van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde daarin onvoldoende tot uitdrukking wordt gebracht. Alles in ogenschouw genomen oordeelt het hof dat in het onderhavige geval een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren aangewezen is.

Maatregelen ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [A] als gevolg van het bewezen verklaarde schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 2.500,00.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts gebleken dat [B] als gevolg van het bewezen verklaarde schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 1.000,00.

De verdachte en zijn mededaders zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hierna te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partijen telkens de verplichting opleggen aan de Staat om ten behoeve van het slachtoffer het vastgestelde schadebedrag te betalen, met bepaling dat indien en voor zover een mededader van de verdachte aan de verplichting heeft voldaan, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Vordering benadeelde partij [A]

De benadeelde partij [A] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 5.000,00 en vergoeding van kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van EUR 470,60.

De rechtbank heeft de vordering bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 2.500,00 en de verdachte in de door de benadeelde partij gevorderde kosten van rechtsbijstand veroordeeld.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw in het strafproces gevoegd. Zijn wettelijk vertegenwoordiger heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard te berusten in het door de rechtbank toegewezen gedeelte.

Naar het oordeel van het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het in hoger beroep gevorderde bedrag. De verdachte en zijn mededaders zijn tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

De proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op EUR 470,60, worden ten laste van de verdachte gebracht.

Vordering benadeelde partij [B]

De benadeelde partij [B] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 1.500,00 en vergoeding van kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van EUR 470,60.

De rechtbank heeft de vordering bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 1.000,00 en de verdachte in de door de benadeelde partij gevorderde kosten van rechtsbijstand veroordeeld.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw in het strafproces gevoegd en ter terechtzitting in hoger beroep verklaard te berusten in het door de rechtbank toegewezen gedeelte.

Anders dan de raadsman heeft bepleit, is naar het oordeel van het hof uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het in hoger beroep gevorderde bedrag. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de benadeelde partij degene is geweest die de verdachte en zijn mededaders hadden willen dwingen tot het betalen van anderhalf miljoen euro aan losgeld. De verdachte en zijn mededaders zijn tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

De proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op EUR 470,60, worden ten laste van de verdachte gebracht.

Overweging betreffende schadevergoedingsmaatregelen en vorderingen benadeelde partijen

Het hof zal ten aanzien van elk van evenvermelde schadevergoedingsmaatregelen en vorderingen bepalen dat indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen en zulks vice versa (dat wil zeggen: indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, komt daarmede zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre te vervallen).

Het hof zal voorts bepalen dat indien en voor zover een mededader van de verdachte het slachtoffer schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 47 en 282a van het Wetboek van Strafrecht, zoals die bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dat als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [A] een bedrag te betalen van EUR 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen, indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [B], een bedrag te betalen van EUR 1.000,00 (duizend euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen, indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [A], ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op EUR 470,60 (vierhonderd zeventig euro en zestig cent).

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, de verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [B] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 1.000,00 (duizend euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op EUR 470,60 (vierhonderd zeventig euro en zestig cent).

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, de verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. J.M.W.M. van den Elzen en mr. J.F. Dekking, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,

en op 23 juni 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.