Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ9030

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-03-2011
Datum publicatie
23-06-2011
Zaaknummer
10-00448
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BX7158, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In 2001 is de echtgenote van belanghebbende overleden. Belanghebbende is voor één/duizendste deel tot erfgenaam benoemd en zijn zoon voor het restant. Het testament bevat voorts een ouderlijke boedelverdeling en een vruchtgebruiklegaat ten behoeve van belanghebbende. De zoon van belanghebbende heeft tegen de aan hem opgelegde aanslag bezwaar gemaakt en zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende het recht van vruchtgebruik heeft van de onderbedelingsvordering die de zoon op belanghebbende heeft. Uiteindelijk wordt in 2009 het bezwaar van de zoon gegrond verklaard en diens aanslag verminderd. In dat verband heeft de inspecteur op grond van art. 52 SW een navorderingsaanslag aan belanghebbende opgelegd. Het hof oordeelt dat deze binnen de wettelijke termijn is opgelegd, nu die termijn pas is gaan lopen nadat de aanslag van de zoon is verminderd. Voorts verwerpt het hof het standpunt van belanghebbende dat, als gevolg van de lange termijn die verliep tussen het moment van opleggen van de aanslag aan de zoon en het moment van opleggen van de navorderingsaanslag aan belanghebbende, bij hem het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat de inspecteur zich met de aangifte kon verenigen dan wel definitief afzag van correcties. De inspecteur heeft op geen enkel moment een dergelijke indruk gewekt en voorts blijkt uit correspondentie dat ook bij belanghebbende het besef leefde dat een navorderingsaanslag zou worden opgelegd. Van gewekt vertrouwen is dan ook geen sprake. Het gelijk is aan de inspecteur.

(Hoger beroep ongegrond.)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/1680
V-N 2011/38.1.4
FutD 2011-1520
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 10/00448

Uitspraak op het hoger beroep namens

de heer X,

wonende te Y (België),

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 3 mei 2010, nummer AWB 09/3982, in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Oost-Brabant van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is een navorderingsaanslag opgelegd in het recht van successie wegens een verkrijging in het jaar 2001. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 111.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 10 februari 2011 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende heeft vóór de zitting per faxbericht een pleitnota aan het Hof gezonden. Belanghebbende heeft ter zitting de pleitnota voorgedragen en een exemplaar daarvan overgelegd aan de wederpartij.

1.6. Belanghebbende heeft ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, een kopie overgelegd van het in 2.1 nader te noemen testament.

1.7. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.8. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Op 20 februari 2001 is de echtgenote van belanghebbende overleden. Tot erfgenamen zijn benoemd belanghebbende voor één/duizendste gedeelte en zijn zoon voor het restant. Het testament bevat voorts een ouderlijke boedelverdeling in de zin van artikel 1167 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek ten behoeve van belanghebbende. Tevens bevat het een vruchtgebruiklegaat ten behoeve van belanghebbende.

2.2. Belanghebbende en zijn zoon hebben aangifte gedaan voor het recht van successie. De Inspecteur heeft, overeenkomstig de aangifte, aanslagen opgelegd. Aan belanghebbende is een aanslag over een verkrijging van f 5.433 opgelegd. In verband met de vrijstelling bedroeg de aanslag nihil.

2.3. De zoon van belanghebbende heeft tegen de aan hem opgelegde aanslag bezwaar gemaakt. De zoon heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende het recht van vruchtgebruik heeft van de onderbedelingsvordering die de zoon op belanghebbende heeft.

2.4. Op 11 november 2004 heeft de Inspecteur telefonisch overleg gevoerd met de gemachtigde van belanghebbende.

2.5. Bij brief van 10 februari 2006 schrijft de gemachtigde van de zoon, die tevens gemachtigde van belanghebbende is, dat over de uitleg van het testament met de Inspecteur reeds overeenstemming is bereikt en voorts dat wanneer de Inspecteur tegemoet komt aan het bezwaar, de waarden van de verkrijgingen van de erfgenamen veranderen.

2.6. Op 4 juli 2007 heeft er een gesprek ter inspectie plaatsgevonden waarbij zowel belanghebbende als zijn zoon aanwezig waren.

2.7. Bij brief van 9 december 2008 schrijft de Inspecteur dat hij akkoord gaat met de waarde van de tot de nalatenschap behorende aandelen zoals gemachtigde die in de brief van 10 februari 2006 heeft opgenomen. Tevens geeft de Inspecteur aan wat voor gevolgen dit heeft voor zowel de heffing van successie van de zoon als van belanghebbende.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Is de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd binnen de

wettelijke termijn?

2. Heeft de Inspecteur bij belanghebbende het gerechtvaardigde

vertrouwen gewekt dat hij afziet van het opleggen van een

navorderingsaanslag?

Belanghebbende is van mening dat de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting heeft belanghebbende zijn stelling dat aan een navorderingsaanslag altijd een primitieve aanslag dient te zijn voorafgegaan, laten varen.

Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en vernietiging van de navorderingsaanslag.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Gronden

Termijn voor het opleggen van de navorderingsaanslag

4.1. Op grond van artikel 52 van de Successiewet 1956 (hierna: SW) kan navordering op de voet van hoofdstuk III van de Algemene wet inzake rijksbelastingen mede plaatsvinden in gevallen waarin van een verkrijger te weinig belasting is geheven doordat een aan een andere verkrijger opgelegde aanslag, anders dan ingevolge artikel 53 van de SW, is verminderd.

4.2. Het Hof is van oordeel dat de definitieve omvang van de verkrijging van belanghebbende niet eerder kon worden vastgesteld dan nadat duidelijkheid bestond omtrent de omvang van de verkrijging van de zoon van belanghebbende. Het Hof acht het in overeenstemming met doel en strekking en met het systeem van de wet dat de navorderingstermijn in gevallen waarin met toepassing van artikel 52 van de SW wordt nagevorderd, aanvangt op het tijdstip waarop de vermindering van de aanslag van de andere erfgenaam is verleend (vgl. Hoge Raad 15 september 1993, nr. 28 445, BNB 1993/326c). De vermindering van de aanslag van de zoon van belanghebbende heeft plaatsgevonden op 2 januari 2009, zodat de onderhavige navorderingsaanslag tijdig is opgelegd.

Vertrouwensbeginsel

4.3. Belanghebbende verdedigt voorts het standpunt dat als gevolg van de lange termijn die verliep tussen het tijdstip waarop de aanslag aan de zoon is opgelegd en het tijdstip waarop de onderhavige navorderingsaanslag is opgelegd, bij hem het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat de Inspecteur zich met de aangifte kon verenigen dan wel definitief afzag van correcties.

4.4. Het Hof verwerpt belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel. De Inspecteur heeft op geen enkel moment de indruk gewekt dat hij zou afzien van het opleggen van een navorderingsaanslag aan belanghebbende. Uit de brief van 10 februari 2006 van de gemachtigde van belanghebbende aan de Inspecteur blijkt voorts dat ook bij belanghebbende het besef leefde dat een navorderingsaanslag zou worden opgelegd. De gemachtigde maakt immers melding van het feit dat over de gewijzigde uitleg van het testament overeenstemming was bereikt en voorts dat het tegemoet komen aan het bezwaar van de zoon zou betekenen dat de waarden van de verkrijgingen van de erfgenamen, waaronder belanghebbende, zouden wijzigen. De Inspecteur heeft voorts gesteld, hetgeen het Hof aannemelijk acht, dat de consequenties van de door belanghebbende verdedigde lezing van het testament tijdens de bespreking op 4 juli 2007 aan de orde zijn geweest. Ten slotte heeft de Inspecteur aan belanghebbende de gevolgen voor de heffing voorgerekend in de brief van 9 december 2008.

4.5. Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat de Rechtbank - met aanvulling van de gronden - een juiste beslissing heeft genomen.

4.6. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

4.7. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 25 maart 2011 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, T.A. Gladpootjes en F. Sonneveldt, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH

's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.