Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ8567

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-06-2011
Datum publicatie
20-06-2011
Zaaknummer
20-000480-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2011:BP3030, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 588 en 588a Sv; wet biedt geen ruimte voor een rechtsgeldige uitreiking van een dagvaarding of oproeping per elektronische post.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-000480-11

Uitspraak : 20 juni 2011

VERSTEK (dnip)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van

2 februari 2011 in de strafzaak met parketnummer 03-703737-09 tegen:

[verdachte B],

geboren te [geboorteplaats] op [datum] 1958,

wonende te [postcode] [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De meervoudige kamer van de Rechtbank Maastricht heeft bij vonnis d.d. 2 februari 2011 de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de stafvervolging van de verdachte.

De rechtbank is tot deze beslissing gekomen omdat het openbaar ministerie, ook na herhaalde opdracht van de rechtbank daartoe, heeft geweigerd om de verdachte per e-mail op de hoogte te brengen van de inhoud van de tenlastelegging, zijn rechten als verdachte en de dag, het tijdstip en de plaats van de terechtzitting. Ter terechtzitting van

23 augustus 2010 heeft de rechtbank geconstateerd dat de niet verschenen verdachte weliswaar geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, maar dat hij tijdens zijn eerste verhoor bij de politie wel een e-mail adres heeft genoemd. Op pagina 5 van het proces-verbaal van politie d.d. 7 oktober 2009 (nummer 2008126576) is vermeld dat de verdachte zonder vaste woon- of verblijfplaats is, maar dat hij wel een e-mail adres heeft waar hij regelmatig de ingekomen post van bekijkt. Uit deze vermelding heeft de rechtbank afgeleid dat de verdachte op de hoogte wenst te worden gehouden van zijn zaak. De rechtbank heeft om die reden herhaaldelijk aan de officier van justitie opgedragen om de niet verschenen verdachte per e-mail op de hoogte te brengen van de beschuldiging, zijn rechten en de nadere zittingsdatum. Omdat de officier van justitie bij herhaling niet aan deze opdracht heeft voldaan heeft de rechtbank hem niet-ontvankelijk verklaard.

De grieven van het openbaar ministerie richten zich tegen deze niet-ontvankelijk verklaring.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de rechtbank niet om bovenstaande reden tot de verstrekkende beslissing heeft kunnen komen dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Het hof stelt voorop dat artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat strafvordering alleen plaats heeft op de wijze bij de wet voorzien.

Artikel 586, eerste lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat dagvaardingen worden betekend, tenzij de wet anders bepaalt of toelaat. Artikel 588, eerste lid, onder b, sub 3°, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat wanneer de verdachte niet is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, de uitreiking van de dagvaarding plaatsvindt aan de griffier van de rechtbank. Artikel 588a, eerste lid, sub a van het Wetboek van Strafvordering schrijft daarnaast onder meer voor dat indien de verdachte bij zijn eerste verhoor in de desbetreffende strafzaak aan de verhorende ambtenaar een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden, een afschrift van de dagvaarding dan wel oproeping naar dat adres wordt verstuurd.

Het bovenstaande komt er kort gezegd op neer dat de wetgever niet heeft voorzien in de mogelijkheid om dagvaardingen in een strafzaak per e-mail aan de verdachte te doen toekomen. Artikel 588, vierde lid en artikel 588a, vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering vermelden weliswaar dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de toepassing van deze artikelen. Evenwel voorziet het daarop gebaseerde Besluit kennisgeving gerechtelijke mededelingen d.d. 17 oktober 2005 thans niet in een wijze van toezending van dagvaardingen per e-mail.

Gelet op het bovenstaande, mede gelet op het in artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering bepaalde, ziet het hof geen andere rechtsgeldige mogelijkheden om een verdachte in kennis te stellen van een zitting dan via de betekening van dagvaardingen en oproepingen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 588 en 588a van het Wetboek van Strafvordering en de nadere regels in voornoemd Besluit.

Voor een ‘rechtsgeldige uitreiking’ per elektronische post ziet het hof op basis van voornoemde bepalingen derhalve geen ruimte.

Naar het oordeel van het hof heeft de officier van justitie op goede gronden geweigerd de dagvaarding dan wel de informatie daaruit per e-mail toe te zenden aan het door de verdachte opgegeven e-mail adres.

Gelet op het bovenstaande behoeven naar het oordeel van het hof de overige grieven van het openbaar ministerie geen nadere bespreking.

Terugwijzing

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het hof de behandeling van de zaak aan zich dient te houden. Daartoe heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat de politie de verdachte per e-mail heeft verzocht om contact op te nemen. In een daaropvolgend telefonisch contact is de verdachte op de hoogte gesteld van de omstandigheid dat het openbaar ministerie hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis van de rechtbank. Desondanks blijft de verdachte er voor kiezen om zonder vaste woon- of verblijfplaats door het leven te gaan, aldus de advocaat-generaal. Dat hij mogelijk niet op de hoogte is van de datum van de terechtzitting in hoger beroep komt volgens de advocaat-generaal om die reden voor rekening en risico van de verdachte.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Het hof heeft vastgesteld dat verdachte niet ter terechtzitting is verschenen en heeft vervolgens verstek verleend, nu de dagvaarding weliswaar rechtsgeldig maar niet in persoon is uitgereikt.

Artikel 423, tweede lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het hof de zaak ook dient terug te wijzen zonder uitdrukkelijk verlangen van de verdachte, indien de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig is en de dagvaarding om op de terechtzitting in hoger beroep te verschijnen niet in persoon is betekend en zich geen andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.

Weliswaar volgt uit de mededeling van de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep dat de verdachte op de hoogte is gebracht van een hoger beroep, maar hieruit volgt nog niet dat hij tevens bekend is geworden met de concrete dag van de terechtzitting. Derhalve is niet voldaan aan de in art. 423, tweede lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering genoemde voorwaarde dat ‘de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was’.

Gelet op het bovenstaande ziet het hof geen andere mogelijkheid dan de zaak terug te wijzen naar de rechtbank.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Wijst de zaak terug naar de rechtbank Maastricht, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.

Aldus gewezen door

mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,

mr. E.A.A.M. Pfeil en mr. H.P. Vonhögen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos, griffier,

en op 20 juni 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. H.P. Vonhögen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.