Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ7636

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-06-2011
Datum publicatie
09-06-2011
Zaaknummer
HD 200.044.917
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ5661, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ5661
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijs samenwerkingsovereenkomst.

Toepasselijkheid art. 6:119 of 5:119a BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.044.917

arrest van de eerste kamer van 7 juni 2011

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma AUTOPRIDE V.O.F.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [X.],

3. [Y.],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

advocaat mr. A.J.G. Bisscheroux,

tegen:

AAA GROEP B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

advocaat mr S.H. Boogaard,

op het bij exploot van dagvaarding van 29 september 2009 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht op 9 september 2009 gewezen vonnis tussen appellanten - nader gezamenlijk in enkelvoud te noemen Autopride - als gedaagden in conventie, eisers in reconventie, en geïntimeerde - nader te noemen AAA Groep - als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 126277 / HA ZA 08-78)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven tevens houdende incidentele vordering tot schorsing ex artikel 351 Rv heeft Autopride onder overlegging van producties acht grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog toewijzing van de in eerste aanleg ingestelde vordering in conventie van Autopride en het alsnog afwijzen van de vordering in reconventie van AAA Groep. In het incident heeft zij geconcludeerd tot schorsing van de executie van het bestreden vonnis.

2.2. Bij memorie van antwoord in het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging heeft AAA Groep geconcludeerd tot afwijzing van de vordering in het incident.

2.3. Bij arrest van 9 februari 2010 heeft het hof de incidentele vordering afgewezen met veroordeling van Autopride in de kosten van het incident.

2.4. Bij akte van depot heeft Autopride een stempel gedeponeerd ter griffie.

2.5. Bij memorie van antwoord in het principaal beroep tevens houdende memorie van grieven in het incidenteel beroep heeft AAA Groep in het principaal appel onder overlegging van producties de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank en veroordeling van Autopride in de kosten van het hoger beroep. In incidenteel appel heeft AAA Groep één grief aangevoerd en geconcludeerd tot alsnog toewijzing van wettelijke handelsrente over het door Autopride verschuldigde bedrag.

2.6. Autopride heeft vervolgens een memorie van antwoord in incidenteel appel genomen en daarna een akte overlegging producties, waarbij zij producties heeft overgelegd.

2.7. AAA Groep heeft daarna een antwoordakte genomen waarbij een productie is overgelegd.

2.8. Partijen hebben daarna hun zaak doen bepleiten, Autopride door mr. Bisscheroux en AAA Groep door mr. Boogaard. Voorafgaand aan het pleidooi hebben partijen nog producties overgelegd en heeft AAA Groep een akte aanvulling grondslag van eis genomen.

2.9. Na het pleidooi heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor het overleggen van complete processtukken.

2.10.Partijen hebben ter rolle de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

2.11.Op verzoek van Autopride is bij beschikking van de zevende kamer van dit hof d.d. 3 maart 2010 een voorlopig getuigenverhoor gelast. In dit verhoor zijn vervolgens op 12 mei, 21 oktober en 7 december 2010 getuigen gehoord ten overstaan van een lid van deze kamer. De processen-verbaal daarvan zijn door partijen in het geding gebracht.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de grieven verwijst het hof naar de memories van grieven.

3.De beoordeling in principaal en incidenteel appel

In principaal en incidenteel appel:

4.1.De grieven richten zich niet tegen de door de rechtbank onder 3.2.1. van het bestreden vonnis vastgestelde feiten. Het hof gaat van dezelfde feiten uit, en zal die hierna opnieuw relateren.

4.2.Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

(a)Autopride heeft een bedrijf waar auto's worden verkocht en onderhouden; AAA Groep verkoopt auto's. De bedrijven van partijen liggen tegenover elkaar.

(b)Partijen hebben in de loop van 2006 gesproken over een mogelijke samenwerking tussen AAA Groep en Autopride.

(c)Op 30 november 2006 heeft AAA Groep een bedrag van € 20.000,00 aan Autopride overgemaakt en op 12 januari 2007 nog een bedrag van € 105.000,00, zulks met betrekking tot een aankoop van 27 nader gespecificeerde auto’s door AAA Groep van Autopride.

(d)Autopride heeft de voornoemde 27 auto’s niet aan AAA Groep geleverd; de auto's zijn op het terrein van Autopride blijven staan en de sleutels zijn niet aan AAA Groep afgegeven.

(e)Op 10 juli 2007 heeft tussen partijen een bespreking plaatsgevonden. Onderwerp van deze bespreking waren de tegengestelde standpunten van partijen over de vraag of wel of niet een samenwerking tot stand gekomen was.

4.3. In eerste aanleg heeft AAA Groep in conventie gevorderd Autopride hoofdelijk, des dat de een betaalt, de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van een in deze te wijzen veroordelend vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan AAA Groep te betalen:

1.een bedrag groot € 125.000,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

2.een vergoeding ter zake buitengerechtelijke incassokosten ex artikel 6:96 lid 2 sub c BW, ter hoogte van € 2.535,54;

3.de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW, althans artikel 6:119 BW over de onder (1) genoemde hoofdsom ad € 125.000,00 vanaf het intreden van het verzuim op 9 september 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

4.de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW, althans artikel 6:119 BW over de onder (2) genoemde buitengerechtelijke kosten, vanaf het intreden van het verzuim op 9 september 2007 tot aan dag der algehele voldoening;

5.de kosten van dit geding, waaronder mede begrepen de kosten van de ter verzekering van de vordering van AAA Groep ten laste van Autopride op 2 januari 2008 gelegde conservatoire beslagen ad € 641,10 alsmede het salaris van de advocaat van AAA Groep en de verplichte verschotten alsmede alle kosten op de tenuitvoerlegging vallende.

Autopride heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd:

primair

te verklaren voor recht dat er tussen partijen een overeenkomst van koop en samenwerking tot stand kwam, die AAA Groep verplichtte om aan Autopride te betalen en - kort gezegd - AAA Groep te veroordelen deze overeenkomst na te komen en aan Autopride de in de vordering nader gespecificeerde bedragen te betalen;

subsidiair

te verklaren voor recht dat een koopovereenkomst inzake 27 auto's tot stand is gekomen met verplichting tot betaling van de koopsom.

zulks met veroordeling van AAA Groep in de proceskosten.

4.4. De rechtbank heeft Autopride hoofdelijk veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van haar vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan AAA Groep een bedrag groot € 125.000,00 te betalen alsmede een vergoeding ter zake buitengerechtelijke incassokosten ex artikel 6:96 lid 2 sub c BW ter hoogte van € 2.535,54; alles met wettelijke rente en kosten.

In reconventie heeft zij het door Autopride gevorderde afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat tussen partijen geen overeenkomst tot samenwerking tot stand is gekomen en dat Autopride daartegen slechts de niet nader onderbouwde stelling heeft ingebracht dat partijen omstreeks november 2006 mondeling overeenstemming hadden bereikt. De door Autopride overgelegde schriftelijke getuigenverklaringen heeft de rechtbank onvoldoende geoordeeld ter ondersteuning van het standpunt van Autopride. Uit de verdere, door de rechtbank in het vonnis gerelateerde, omstandigheden volgt naar het oordeel van de rechtbank dat ervan moet worden uitgegaan dat tussen partijen geen mondelinge overeenkomst tot samenwerking tot stand is gekomen omstreeks november 2006, en dat het verweer daartegen van Autopride faalt, nu daartoe onvoldoende is gesteld en dit verweer onvoldoende is onderbouwd. Als gevolg daarvan faalt ook de vordering van Autopride in reconventie omdat Autopride in reconventie hetzelfde heeft aangevoerd als een conventie en daarmee niet heeft voldaan aan haar stelplicht. Daardoor komt de rechtbank ook niet toe aan het door Autopride gedane bewijsaanbod in reconventie.

4.5.In hoger beroep vordert Autopride in principaal appel vernietiging van het vonnis van de rechtbank en alsnog toewijzing van hetgeen zij in eerste aanleg heeft gevorderd, zoals hiervoor weergegeven.

AAA Groep heeft in het principaal appel geconcludeerd tot bekrachtiging. In het incidenteel appel heeft zij gevorderd het vonnis van de rechtbank te vernietigen voor zover het betreft de beslissing tot afwijzing van de gevorderde wettelijke (handels)rente, en aan AAA Groep alsnog wettelijke rente toe te wijzen als bedoeld in artikel 6:119a BW althans 6:119 BW over de hoofdsom van € 125.000 vanaf 9 september 2007 tot aan de dag der algehele voldoening.

In principaal appel voorts:

4.6.In grief 1 stelt Autopride dat zij wel degelijk aan haar stelplicht heeft voldaan. Volgens grief 2 heeft de rechtbank de stellingen van Autopride onjuist geïnterpreteerd. Volgens grief 3 heeft de rechtbank het verweer van Autopride niet goed gelezen of willen lezen, en heeft Autopride haar verweer en haar eis in reconventie wel degelijk voldoende feitelijk onderbouwd. Ook heeft – aldus grief 4 – Autopride met het overleggen van schriftelijke verklaringen haar stellingen voldoende ondersteund. Daarom vindt – aldus grief 5 – de beslissing van de rechtbank onvoldoende steun in de door partijen gestelde feiten. De rechtbank had dan ook Autopride moeten toelaten tot bewijslevering, wordt in grief 6 aangevoerd. In grief 7 wordt in dat verband nog een aantal feiten en omstandigheden genoemd die de rechtbank tot een ander oordeel hadden moeten leiden. Ook heeft volgens deze grief de rechtbank een onjuiste beslissing gegeven inzake de bespreking van 10 juli 2007; de rechtbank had, nu zij haar bevreemding uitsprak over het gesprek tussen partijen in juli 2007, aan partijen nadere opheldering moeten vragen tijdens de comparitie.

Grief 8 (op bladzijde 16 en 17 van de memorie van grieven) houdt in dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan de subsidiair aan de reconventionele vordering grondslag gelegde feiten en stellingen.

4.7.Het hof kan de grieven gezamenlijk behandelen.

Het is van oordeel dat Autopride er terecht over grieft dat de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat Autopride niet aan haar stelplicht had voldaan met betrekking tot de vraag of er een overeenkomst tot stand was gekomen, en haar stellingen dat er een overeenkomst tot stand was gekomen onvoldoende had onderbouwd. Uit hetgeen door Autopride wordt aangevoerd blijkt immers voldoende dat zij haar vordering er (primair) op baseerde dat tussen partijen een overeenkomst inzake samenwerking was tot stand gekomen. Zij heeft ook voldoende duidelijk gemaakt wat de inhoud van die overeenkomst was, en zij heeft voorts voldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit, indien die juist zouden zijn, de conclusie zou kunnen worden getrokken dat er een overeenkomst zoals door haar gesteld was tot stand gekomen. De rechtbank had dan ook het verweer van Autopride in conventie en haar vordering in reconventie niet mogen afwijzen zonder Autopride eerst in de gelegenheid te stellen haar stellingen te bewijzen.

Derhalve slagen de grieven, en zal het hof het verweer en de vorderingen van Autopride opnieuw beoordelen. Hoewel dat in beginsel zou betekenen dat Autopride alsnog het bewijs zou mogen leveren dat zij reeds in eerste aanleg heeft aangeboden is dat thans niet meer nodig. Er zijn immers reeds in het door Autopride verzochte voorlopig getuigenverhoor ten overstaan van een van de leden van deze kamer bij dit hof verklaringen afgelegd inzake hetgeen Autopride wenste te bewijzen, op welke verklaringen Autopride zich thans beroept. Autopride heeft wat dit betreft ook geen aanvullend bewijs aangeboden.

4.8.Het hof zal eerst oordelen inzake de vordering in conventie van AAA Groep, en het in dat verband door Autopride gevoerde verweer dat er tussen partijen een overeenkomst tot stand was gekomen, zodat de vordering van AAA Groep tot terugbetaling van € 125.000 diende te worden afgewezen. Tevens is dan de primaire vordering in reconventie van Autopride aan de orde.

Het hof overweegt daarover als volgt.

4.9. Gezien de overgelegde stukken en gelet op hetgeen door partijen, ook tijdens het pleidooi in hoger beroep, is aangevoerd, alsmede op de verklaringen afgelegd tijdens het voorlopige getuigenverhoor, is het hof van oordeel dat tussen partijen – die zich beiden onder meer bezighielden met de handel in auto's – serieuze onderhandelingen zijn gevoerd over het aangaan van een overeenkomst met een looptijd van één jaar. Daarbij ging het kennelijk om met elkaar samenhangende afspraken, te weten de verkoop van 27 auto's alsmede auto-onderdelen door Autopride aan AAA Groep, waarna AAA Groep zich met de handel in auto's zou blijven bezighouden terwijl Autopride zich zou gaan bezighouden met het tegen vergoeding faciliteren van die handel en met het onderhoud van de auto's, en waarbij Autopride ook zou delen in de winst die op verkochte auto's werd gemaakt.

Er werd derhalve een samenwerking tussen partijen beoogd, waartoe een (gemengde) overeenkomst inhoudende een complex van samenhangende afspraken - in de conceptstukken ook als één "overeenkomst" aangeduid - moest worden gesloten, waaronder een koop van auto's en auto-onderdelen en het ter beschikking stellen van het bedrijf van Autopride ten behoeve van diensten te verrichten voor AAA Groep.

Ook blijkt uit de overgelegde stukken en de afgelegde getuigenverklaringen dat partijen, kennelijk in de veronderstelling dat de overeenkomst daadwerkelijk tot stand zou komen, reeds handelingen hebben verricht ter uitvoering van die overeenkomst. Daarbij gaat het onder andere om het door AAA Groep betalen van de koopsom voor de auto's en om wijzigingen in de inrichting van het bedrijf van Autopride ten behoeve van de samenwerking die tussen partijen werd beoogd.

4.10.Dat partijen daadwerkelijk in concreto volledige overeenstemming hebben bereikt over dit geheel van afspraken is echter niet bewezen. Weliswaar hadden partijen mogelijk voorlopig overeenstemming bereikt over hun intenties ter zake die overeenkomst, maar ook staat vast dat die overeenkomst nader moest worden uitgewerkt in een schriftelijk stuk, waarbij de diensten nodig waren van de (fiscale) adviseurs van partijen. Daarbij is echter geen overeenstemming bereikt over de uiteindelijke inhoud van deze overeenkomst. Van het stuk waarin deze overeenkomst moesten worden vastgelegd zijn immers twee verschillende versies in het geding gebracht (onder meer overgelegd bij de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie als productie 3 en 4), waarvan de ene alleen is getekend door Autopride en de andere alleen door AAA Groep. Tussen deze versies bestaan naar het oordeel van het hof wezenlijke verschillen.

In de eerste plaats gaat het daarbij om de vraag of over de geleverde auto's en de daarvoor verschuldigde koopsom van € 125.000 al dan niet btw verschuldigd was. In de door Autopride ondertekende overeenkomst (productie 3), gedateerd 11 januari 2007, wordt in artikel 4 ter zake van de verkochte auto's opgemerkt dat geen btw verschuldigd is; in de door AAA Groep ondertekende overeenkomst (productie 4) staat in datzelfde artikel dat de koopsom € 125.000 inclusief btw is.

Daarnaast bevat artikel 4 in de versie getekend door Autopride de clausule dat de auto-onderdelen en accessoires door AAA Groep worden gekocht in vier termijnen van € 12.500 exclusief btw, welke clausule ontbreekt in de versie getekend door AAA Groep.

Tijdens het voorlopig getuigenverhoor gehouden op 7 december 2010 bij dit hof is door de toen gehoorde getuige Timmermans, adviseur van AAA Groep, nog een derde versie overgelegd, welke versie gehecht is aan het proces-verbaal van dit verhoor. In deze versie wordt in artikel 3 de vergoeding voor de door Autopride te leveren faciliteiten bepaald op € 10.535 exclusief btw, terwijl in de hiervoor genoemde varianten een bedrag van € 9.000 exclusief btw wordt genoemd.

4.11.Naar het oordeel van het hof is met de afgelegde getuigenverklaringen niet bewezen dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een van deze versies, en kan daaruit slechts worden opgemaakt dat de onderhandelingen zijn blijven steken in de voorbereidende fase zonder dat het tot definitieve overeenstemming is gekomen, zulks omdat partijen het er niet over eens zijn geworden voor wiens rekening de btw zou komen. De getuigen spreken elkaar tegen wat betreft de vraag of hieromtrent iets zou zijn overeengekomen en de overgelegde stukken ondersteunen de stellingen van Autopride dat daadwerkelijk overeenstemming is bereikt niet.

Het voorgaande wordt bevestigd doordat tijdens het pleidooi in hoger beroep uit de verklaringen van de vertegenwoordigers van Autopride ([X.]) en AAA Groep ([Z.]) is gebleken dat partijen nog steeds van mening verschillen over de koopprijs die zou moeten worden betaald. Dat een van beide partijen tijdens de onderhandelingen zijn standpunt zou hebben opgegeven en derhalve overeenstemming is verkregen over een van beide koopsommen (dus inclusief dan wel exclusief btw) is niet gebleken, en dus ook niet bewezen.

Derhalve is er geen overeenstemming bereikt over de prijs die voor de te leveren auto's zou moeten worden betaald, hetgeen voor partijen kennelijk een essentieel onderdeel was van hun (beoogde) afspraken. De stelling van Autopride dat partijen overeenstemming hebben bereikt wordt dus niet bevestigd door hetgeen door Autopride is aangevoerd en ook overigens is dat niet bewezen of gebleken.

Er is dus geen overeenkomst tot stand gekomen. Het verweer van Autopride in conventie (dat op het bestaan van een dergelijke overeenkomst is gebaseerd) faalt dus terwijl ook de primaire vordering in reconventie van Autopride moet worden afgewezen.

4.12.Ten aanzien van de subsidiaire vordering in reconventie komt het hof tot dezelfde slotsom.

Deze subsidiaire vordering houdt immers in dat, als er geen overeenkomst als door Autopride gesteld is gesloten en Autopride dat niet weet te bewijzen, zij zich op het standpunt stelt dat er slechts overeenstemming werd bereikt over de verkoop van 27 auto's, dat die auto's in principe door Autopride aan AAA Groep moest worden afgegeven en dat Autopride die afgifte mocht weigeren met een beroep op haar recht van opschorting, en dat in dat geval Autopride recht heeft op toewijzing van het subsidiair gevorderde.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt immers dat naar het oordeel van het hof niet is bewezen dat partijen over de verkoop van de 27 auto's wel overeenstemming hebben bereikt. Er is immers geen overeenstemming bereikt over de prijs, nu partijen erover van mening zijn blijven verschillen wie van beide partijen de btw zou dienen te betalen.

4.13.Op die grond kunnen de grieven in principaal appel niet tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank leiden.

Het vonnis van de rechtbank zal worden bekrachtigd. Als in het ongelijk gestelde partij zal Autopride in de kosten van het geding in principaal appel worden veroordeeld.

In incidenteel appel voorts:

4.14.Grief A in het incidenteel appel richt zich tegen de beslissing van de rechtbank dat AAA Groep niets heeft gesteld over de wettelijke (handels)rente en het verzuim. AAA Groep vordert alsnog de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 125.000 vanaf 9 september 2007, gelet op de brief van 7 september 2007 (productie 1 bij dagvaarding in eerste aanleg) waarbij Autopride is gesommeerd en per 9 september 2007 in gebreke is gesteld inzake de levering van de 27 auto's. In ieder geval in hoger beroep stelt AAA Groep dat deze brief mede betrekking heeft op de subsidiair grondslag van het gevorderde in conventie (de onverschuldigde betaling).

4.15.Bij genoemde brief van 7 september 2007 is Autopride gesommeerd binnen 48 uur de 27 auto's aan AAA Groep te leveren terwijl AAA Groep in deze brief voorts stelt dat zij bij gebreke van levering zal overgaan tot ontbinding van de overeenkomst tot koop en verkoop van de auto's en gerechtigd is het dan onverschuldigd betaalde bedrag van € 125.000 terug te vorderen. Naar het oordeel van het hof bevat de brief van 7 september 2007 niet alleen een uitdrukkelijke ingebrekestelling inzake de levering van de auto's, maar kan, nu wordt aangezegd dat vervangend terugbetaling van de koopsom zal worden verlangd, deze brief in redelijkheid ook ten aanzien van de terugbetaling van de € 125.000 als ingebrekestelling worden beschouwd indien levering van de auto's zou uitblijven.

Nu het hier gaat om een geldsom verschuldigd uit onverschuldigde betaling en niet om een geldsom verschuldigd op grond van een handelsovereenkomst is Autopride de schadevergoeding verschuldigd bedoeld in artikel 6:119 BW. Blijkens paragraaf 13 van de considerans van de richtlijn 2000/35, waarop artikel 6:119a aan is gebaseerd, heeft die richtlijn immers alleen betrekking op betalingen tot vergoeding van handelstransacties, en niet op (onder meer) betalingen bij wijze van schadeloosstelling, waaronder naar het oordeel van het hof terugbetaling van hetgeen onverschuldigd is betaald moet worden begrepen, temeer nu vaststaat dat tussen partijen geen (handels)overeenkomst is gesloten. Artikel 6:119a mist dus toepassing in dit geval.

Het hof zal dus de gevorderde rente toewijzen met ingang van 9 september 2007.

4.16. Ook in incidenteel appel wordt Autopride in de kosten veroordeeld. Het pleidooi had alleen betrekking op het principaal appel en wordt dus in incidenteel appel niet meegerekend.

5. De uitspraak

Het hof:

in principaal appel:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Maastricht van 9 september 2009 onder aanvulling van gronden;

veroordeelt Autopride in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van AAA Groep begroot op € 3.845 aan verschotten en € 7.896 voor salaris advocaat;

in incidenteel appel:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Maastricht van 9 september 2009 voor zover daarbij de vordering van AAA Groep tot vergoeding van rente over de hoofdsom is afgewezen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Autopride tot betaling over de aan AAA Groep in eerste aanleg toegewezen hoofdsom van rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 9 september 2007 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Autopride in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van AAA Groep begroot op nihil aan verschotten en € 1316 voor salaris advocaat;

in principaal en incidenteel appel:

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, S. Riemens en J.W.P.M. van der Velden en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 juni 2011.