Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ6872

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
20-001473-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot gevangenisstraf en maximale werkstraf in verband met handelen in strijd met artikel 3 van de Opiumwet, wapenbezit en deelname aan een criminele organisatie in softdrugs. Verdachte is (onder meer) betrokken geweest bij het opbouwen en afbreken van hennepkwekerijen en het leveren van hennepstekken ten behoeve van de organisatie. Met deze werkzaamheden leverde verdachte, als lid van de organisatie, een wezenlijk aandeel aan, dan wel ondersteunde hij in belangrijke mate, gedragingen die rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 11a van de Opiumwet bedoelde oogmerk tot het plegen van misdrijven. Geen sprake van onrechtmatige doorzoeking woning van verdachte. Vrijspraak van medeplegen diefstal van stroom, nu enkele aanname dat het een feit van algemene bekendheid is dat bij grootschalige hennepkwekerijen bijna altijd stroom wordt gestolen onvoldoende is om tot bewezenverklaring te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-001473-09

Uitspraak : 1 juni 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 april 2009 in de strafzaak met parketnummer 01-889020-08 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1973],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken ter zake van hetgeen aan de verdachte

onder 4 is ten laste gelegd voor zover het ten laste gelegde betrekking heeft op het voorhanden hebben van munitie van categorie III.

Deze vrijspraak betreft een onderdeel van de tenlastelegging, zoals die in eerste aanleg ter beoordeling voor lag, dat als zelfstandig strafrechtelijk verwijt moet worden geduid zodat die vrijspraak in hoger beroep, nu alleen de verdachte hoger beroep heeft ingesteld, als beschermd dient te worden beschouwd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep moet het hoger beroep zijn begrepen als niet tegen deze vrijspraak gericht. Dit gedeelte van het beroepen vonnis is derhalve niet aan het oordeel van het hof onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

Namens verdachte is bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het op onderdelen niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover thans nog van belang – ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 15 juli 2007 tot en met 09 januari 2008 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, in perceel [adres] aldaar een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1300, althans een groot aantal, hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, zulks terwijl hij,verdachte, en/of zijn mededader(s) voormeld opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken heeft/hebben gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf;

2.

hij in of omstreeks de periode van 15 juli 2007 tot en met 09 januari 2008 te Eindhoven, locatie: perceel [adres], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s);

3.

hij op of omstreeks 11 februari 2008 te Oost-West en Middelbeers tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad in perceel [adres] aldaar 15, in elk geval een aantal, vuilniszakken met hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, met een totaalgewicht van (ongeveer) 18653 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij op of omstreeks 11 februari 2008 te Oost-West en Middelbeers een wapen van categorie III, te weten een gas-alarmpistool, voorhanden heeft gehad;

5.

hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2007 tot en met 11 februari 2008 te Eindhoven en/of een of meer andere plaatsen in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit een samenwerkingsverband van een of meer natuurlijke perso(o)n(en), te weten:

[betrokkene] en/of

[medeverdachte 1] en/of

[medeverdachte 2] en/of

[medeverdachte 3] en/of

[medeverdachte 4] en/of

[medeverdachte 5] en/of

[medeverdachte 6] en/of

[medeverdachte 7]en/of

een of meer andere perso(o)n(en) en/of een of meer rechtsperso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, terwijl dit betrekking had op een of meer grote hoeveelhe(i)d(en) hennep;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

A1

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

A2

Het hof overweegt hiertoe dat het enkele feit dat verdachte, zoals hierna zal worden overwogen, betrokken was bij de in de [adres] te Eindhoven aangetroffen hennepkwekerij onvoldoende is om de betrokkenheid van verdachte bij de illegale afname van stroom in dat pand vast te stellen. De enkele aanname dat het een feit van algemene bekendheid is dat bij grootschalige hennepkwekerijen bijna altijd stroom wordt gestolen is onvoldoende om tot bewezenverklaring te komen en nu ook uit de overige bewijsmiddelen in het dossier niet blijkt dat verdachte zelfs maar op de hoogte was van de illegale stroomafname in het pand [adres] te Eindhoven, kan niet worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) diefstal van stroom zoals onder 2 ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, onder 3, onder 4 en onder 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij in de periode van 15 juli 2007 tot en met 09 januari 2008 te Eindhoven tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld, in perceel [adres] aldaar een hoeveelheid van ongeveer 1300 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, zulks terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders voormeld opzettelijk telen hebben gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf;

3.

hij op 11 februari 2008 te Oost-West en Middelbeers opzettelijk aanwezig heeft gehad in perceel [adres] aldaar een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, met een totaalgewicht van ongeveer 18653 gram, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

hij op 11 februari 2008 te Oost-West en Middelbeers een wapen van categorie III, te weten een gas-alarmpistool, voorhanden heeft gehad;

5.

hij in de periode van 01 juli 2007 tot en met 11 februari 2008 te Eindhoven en andere plaatsen in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten:

[betrokkene] en

[medeverdachte 1] en

[medeverdachte 2] en

[medeverdachte 3] en

[medeverdachte 4] en

[medeverdachte 5] en

[medeverdachte 7],

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en bewerken van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

B1

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

B2

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

B3

De raadsman heeft namens verdachte bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu – kort gezegd – het dossier onvoldoende bewijs bevat om verdachte als medepleger van de hennepteelt in de [adres] te Eindhoven aan te merken.

Het hof overweegt hiertoe het volgende.

B4

In de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats], werd bij een ter zake ingesteld politieonderzoek op 10 januari 2008, verdeeld over de gehele woning (woonkamer, slaapkamers, badkamer en zolder) een professioneel ingerichte hennepkwekerij aangetroffen met ruim 1300 volgroeide hennepplanten.

(dossierpagina’s 712-713).

In de woning werd verder een half opgerookte joint aangetroffen. Uit DNA-onderzoek bleek dat mag worden aangenomen dat het celmateriaal op de joint van verdachte afkomstig was.

(dossierpagina 1731)

De aangetroffen hennepkwekerij bleek te zijn voorzien van een draadloos alarmsysteem dat werd geactiveerd door een bewegingsmelder. Bij onderzoek bleek dit alarmsysteem op

9 januari 2008 te zijn geactiveerd. Door het alarmsysteem bleek die avond het gsm-nummer van [betrokkene] te zijn aangebeld. Na onderzoek bleek dat [betrokkene] als reactie op het alarmsignaal gebeld heeft naar het gsm-nummer van verdachte en naar de gsm-nummers van[medeverdachte 5] en medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte]. (dossierpagina’s 18-19)

Verdachte verklaarde dat hij wist dat er op de [adres] een kwekerij zat. Hij wist dat [betrokkene] in de hennepteelt zat en is met [betrokkene] meerdere malen in het pand [adres] geweest en heeft daar spulletjes binnen gezet. Verdachte verklaart verder dat hij klusjes deed voor [betrokkene] en dat het best zou kunnen dat hij stekjes binnen heeft gezet bij de [adres].

(dossierpagina’s 148-149)

B5

Het hof leidt uit het vorenstaande af dat verdachte op de hoogte was van het feit dat er een hennepkwekerij in het pand aan de [adres] was, dat hij er meerdere malen (met [betrokkene]) is geweest en dat hij daar ook spulletjes (hennepstekken) heeft neergezet. Verdachte deed in dat kader ook vaker klusjes voor [betrokkene]. Deze gedragingen geven naar het oordeel van het hof blijk van een zo nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de andere bij de hennepkwekerij in het pand aan de [adres] te Eindhoven betrokken personen ([betrokkene],

[medeverdachte 4] en [medeverdachte 5]) dat de rol van verdachte bij die kwekerij aan te merken is als die van medepleger. Gelet op de omvang en de professionaliteit van de hennepkwekerij is het hof van oordeel dat verdachte en zijn medeverdachten de hennep hebben geteeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

Het verweer wordt in zoverre verworpen.

Ten aanzien van het onder 3 en onder 4 ten laste gelegde

B6

De raadsman heeft in hoger beroep aangevoerd dat in het onderhavige geval de doorzoeking in de woning van verdachte ([adres] te [woonplaats]) op 11 februari 2008 onrechtmatig is geweest, dat het daarbij aangetroffen bewijsmateriaal (18653 gram hennep en een vuurwapen) dus onrechtmatig is verkregen, dat dit materiaal daarom dient te worden uitgesloten van het bewijs en dat vrijspraak van het onder 3 en onder 4 ten laste gelegde moet volgen. Immers de informatie die diende als grondslag voor de doorzoeking levert – aldus de verdediging – onvoldoende grond op om tot doorzoeking over te gaan.. Voor zover de resultaten van de telecommunicatie dienden als grondslag voor de doorzoeking dan dienen deze resultaten als onrechtmatig verkregen ter zijde te worden geschoven.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

B7

Op 9 januari 2008 heeft er op het adres [adres] te [woonplaats] een schietincident plaatsgevonden waarbij ter plaatse [betrokkene] is overleden. Naar aanleiding van deze schietpartij vond op 10 januari 2008 een doorzoeking plaats in genoemde woning. De woning bleek te zijn ingericht als hennepkwekerij en er werden ruim 1300 volgroeide hennepplanten aangetroffen. (Zie hiervoor onder B4)

De aangetroffen hennepkwekerij bleek te zijn voorzien van een draadloos alarmsysteem. Bij onderzoek bleek dat het alarmsysteem op 9 januari 2008 was geactiveerd en het GSM-nummer van genoemde [betrokkene] heeft aangebeld. Als reactie hierop bleek

[betrokkene] naar een aantal GSM-nummers te hebben gebeld, waaronder het nummer van verdachte.

In het verlengde van het onderzoek naar dit schietincident is op 11 februari 2008 door de rechter-commissaris een doorzoeking ter inbeslagneming verricht in de woning van verdachte gelegen aan [adres] te [woonplaats].

Aan de doorzoeking van deze woning heeft (onder meer) ten grondslag gelegen een

proces-verbaal van aanvraag doorzoeking woning d.d. 4 februari 2008 van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Divisie Recherche. Uit dit proces-verbaal blijkt het volgende:

- Verdachte werd gehoord in het kader van genoemde schietpartij en verklaarde bevriend te zijn met [betrokkene] en gebruik te maken van een tweetal bedrijfsbussen in eigendom toebehorend aan het bedrijf van [betrokkene]. Deze bedrijfsbussen werden doorzocht en er werden hennepgerelateerde voorwerpen in aangetroffen;

- Bij een nader verhoor van verdachte werd hij bij zijn woonhuis benaderd en bleek zijn voortuin te zijn opgehoogd met potgrond waarin resten/delen van hennepplanten;

- Uit de voorlopige resultaten van het telecommunicatieonderzoek van het telefoonnummer in gebruik bij verdachte bleek dat er tussen verdachte en

[medeverdachte 3] contact is in samenhang met de teelt van hennep;

- Raadpleging van het Bedrijfsprocessen-systeem Brabant Zuid-Oost leert dat verdachte in 2003, 2006 en 2007 is aangehouden in verband met hennepteelt / bezit van hennep;

B8

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de rechter-commissaris, in het licht van de hem op dat moment beschikbare informatie zoals hiervoor onder B7 weergegeven, in redelijkheid tot doorzoeking van de woning van verdachte aan [adres] te [woonplaats] heeft kunnen overgaan, teneinde de in die woning eventueel aanwezige voorwerpen of bescheiden te vinden die verdachte in verband konden brengen met de hennepkwekerij aan de [adres] te [woonplaats] en/of hennepkwekerijen in het algemeen. Anders dan door de raadsman is betoogd, is het hof van oordeel dat de resultaten uit het telecommunicatieonderzoek als hiervoor bedoeld niet onrechtmatig zijn verkregen.

Gelet op hetgeen is opgenomen in het proces-verbaal aanvraag verlenging onderzoek van telecommunicatie d.d. 1 februari 2008 (pagina’s 57 en 58 van het dossier “overzicht toegepaste bevoegdheden Wet BOB’), is het hof van oordeel dat de rechter-commissaris in redelijkheid kon beslissen tot verlenging van het bevel onderzoek telecommunicatie als bedoeld in artikel 126m/n van het Wetboek van Strafvordering, zodat de resultaten uit dit (verlengde) onderzoek ten grondslag mochten liggen aan het verzoek tot doorzoeking van de woning van verdachte en de daarop gevolgde beslissing van de rechter-commissaris.

Mitsdien is het hof van oordeel dat de doorzoeking van de woning aan [adres] te [woonplaats] rechtmatig is geweest en dat de resultaten van deze doorzoeking tot het bewijs kunnen worden gebezigd.

Het hof verwerpt het verweer.

B9

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde subsidiair bepleit dat onvoldoende kan worden vastgesteld dat de bij verdachte aangetroffen planten(resten) hennepplanten betroffen zodat niet bewezen kan worden dat verdachte hennep aanwezig heeft gehad zoals onder 3 ten laste gelegd.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

B10

Bij de doorzoeking in de woning van verdachte aan [adres] te [woonplaats] werd een hoeveelheid van ruim 18 kilogram plantenmateriaal aangetroffen. Dat aangetroffen materiaal werd onderworpen aan een MMC-test. De test reageerde positief op de aanwezigheid van hennep. De betreffende verbalisanten herkenden het plantenmateriaal als hennep en zagen en roken dat het hennep was.

(dossierpagina’s 826-829).

B11

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat op grond van het vorenstaande voldoende vaststaat dat ten aanzien van het plantenmateriaal met een gewicht van 18653 gram dat bij verdachte in de woning is aangetroffen, sprake is van hennep, zijnde een stof genoemd op lijst II van de Opiumwet.

Het hof verwerpt het verweer.

B12

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde subsidiair bepleit dat onvoldoende blijkt dat het bij verdachte in de woning aangetroffen (vuur)wapen een in de Wet Wapens en Munitie strafbaar gesteld (vuur)wapen is.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

B13

Bij de doorzoeking in de woning van verdachte aan [adres] te [woonplaats] werd een alarm- c.q. startpistool aangetroffen. Uit het proces-verbaal Juridische Omschrijving Alarm / Startpistool d.d. 15 februari 2008 dat ten aanzien van dit bij verdachte aangetroffen pistool is opgemaakt blijkt dat sprake is van een alarm- c.q. startpistool dat gelet op de kenmerken kan worden aangemerkt als een wapen in de zin van artikel 2 lid 1, Categorie III onder 4º van de Wet Wapens en Munitie.

(dossierpagina’s 840-841).

Het hof heeft geen reden aan de juistheid van het in dit proces-verbaal gerelateerde te twijfelen. Daarmee staat voldoende vast dat het bij verdachte aangetroffen pistool een (vuur)wapen is waarvan het voorhanden hebben strafbaar is gesteld bij de Wet Wapens en Munitie. Verdachte heeft aldus een vuurwapen van categorie III voorhanden gehad zoals onder 4 bewezen is verklaard.

Het hof verwerpt het verweer.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde

B14

De raadsman heeft ten aanzien van de onder 5 ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie bepleit dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De raadsman voert hiertoe – kort gezegd – aan dat er geen sprake is van een structureel samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet. Subsidiair stelt de raadsman dat verdachte niet als deelnemer van die organisatie kan worden aangemerkt.

B15

Artikel 11a van de Opiumwet is een specialis van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (generalis). Onder een organisatie als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet wordt verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen ten minste twee personen.

Het hof is van oordeel dat op grond van het dossier alsmede het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep vastgesteld kan worden dat in de periode 1 juli 2007 tot en met 11 februari 2008 sprake is geweest van een samenwerkingsverband als hiervoor bedoeld en dat dit samenwerkingsverband zich, voor zover in de onderhavige zaak relevant, bezig heeft gehouden met het bedrijfsmatig telen en bewerken van grote hoeveelheden softdrugs en dat van deze organisatie deel uitmaakten de personen als genoemd in het onder 5 bewezen verklaarde. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat onvoldoende vaststaat dat [medeverdachte 6] als deelnemer van de organisatie kan worden aangemerkt.

Binnen deze organisatie vervulde iedere deelnemer zijn eigen rol dan wel taak.

[betrokkene] gaf leiding aan de organisatie. Hij zocht kopers of huurders voor de panden waarin de kwekerijen gevestigd konden worden en onderhield de contacten met de verhuurders of eigenaren van de panden. Tevens zocht hij locaties waar geknipt kon worden en waar de stekken gekweekt werden en nam hij contact op met personen die konden knippen en helpen met het vervoeren van stekken en geknipte of te knippen hennep. [medeverdachte] was de rechterhand van [betrokkene] en was daarnaast betrokken bij het af- en vervoeren van hennep en/of hennepgerelateerde producten. [medeverdachte 1] en zijn zoon [medeverdachte 4] zorgden voor de panden waar hennepkwekerijen in ondergebracht konden worden en voor ruimte waarin geknipt kon worden. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] zorgden voor het opkweken van hennepstekken. [medeverdachte 3] voerde daarnaast dakwerkzaamheden uit in de panden waar hennepkwekerijen waren ondergebracht en [medeverdachte 5] was betrokken bij het knippen van de hennep. Verdachte was een soort klusjesman en werd ingezet voor het vervoeren en afleveren van hennepstekken en hennepplanten, het knippen van hennep en het afvoeren van de geknipte hennep en voor diverse onderhoudswerkzaamheden in panden waar kwekerijen waren ondergebracht. [medeverdachte 7] was de huurder van één van de panden ([woonplaats]) en stelde dit pand ter beschikking ten behoeve van het onderbrengen van een hennepkwekerij.

De leden van de organisatie hadden regelmatig telefonisch contact met elkaar. Bij de inbraak in het pand aan de [adres] werd het stil alarm geactiveerd en werd [betrokkene] door het alarmsysteem gebeld. Vervolgens werden verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 4], [medeverdachte] en [medeverdachte 5] direct door [betrokkene] telefonisch op de hoogte gebracht van de inbraakmelding. Voorts zijn bij verschillende personen uit de organisatie vuurwapens, technische hulpmiddelen (jammer), hennep en hennepgerelateerde goederen aangetroffen.

Ten aanzien van de deelname door verdachte aan de organisatie overweegt het hof het volgende.

B16

Van het aan een organisatie als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet deelnemen is slechts dan sprake, indien betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen (dan wel die ondersteunt) die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 11a van de Opiumwet bedoelde oogmerk tot het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en/of vijfde lid, 10a, eerste lid of 11, derde, vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet. Voor deelneming aan een dergelijke organisatie is het voldoende, wanneer de betrokkene in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De betrokkene behoeft derhalve niet rechtstreeks wetenschap te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd c.q. zijn gepleegd. Om als deelnemer van een organisatie te kunnen worden aangemerkt is het niet vereist dat een persoon moet hebben samengewerkt, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.

B17

Het hof stelt op grond van het dossier alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep het volgende vast.

- Op 9 januari 2008 is door meerdere personen getracht hennep uit de woning [adres] te Eindhoven te stelen. Tijdens deze inbraak werd het stil alarm geactiveerd en werd [betrokkene] gebeld door het alarmsysteem.

[betrokkene] heeft direct daarna verdachte en medeverdachten [medeverdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] gebeld.

(dossierpagina 18-19)

- Bij een ter zake ingesteld politieonderzoek op 10 januari 2008, werd in deze woning, verdeeld over diverse kamers een professioneel ingerichte hennepkwekerij aangetroffen met ruim 1300 volgroeide hennepplanten.

(dossierpagina’s 712-713)

- Verdachte verklaarde dat hij wist dat er op de [adres] te Eindhoven een kwekerij zat. Hij wist dat [betrokkene] in de hennepteelt zat en is met [betrokkene] meerdere malen in het pand [adres] geweest en heeft daar spulletjes binnen gezet. Verdachte verklaart verder dat hij klusjes deed voor [betrokkene] en dat het best zou kunnen dat hij stekjes binnen heeft gezet bij de [adres] te Eindhoven.

(dossierpagina’s 148-149, zie hiervoor onder B4 en B5)

- Uit diverse tapgesprekken in de periode januari en februari 2008 blijkt dat verdachte veelvuldig contact heeft met medeverdachte [medeverdachte 3]. Er wordt in deze contacten gesproken in bedekte termen.

(dossierpagina 1226)

- De getuige [getuige] (ex-partner van [betrokkene]) heeft verklaard dat zij

[betrokkene] in 2006 heeft leren kennen en dat hij zich bezig hield met hennepkwekerijen Zij verklaarde verder dat zij twee keer in een schuur in [woonplaats] is geweest waar hennep werd geknipt.

(dossierpagina’s 1387-1391)

- Verdachte verklaarde dat medeverdachte [medeverdachte 1] in een boerderij woont en dat hij meerdere keren met andere personen, waaronder [medeverdachte 5] is wezen knippen in een schuurtje bij de boerderij van [medeverdachte 1] voornoemd. [medeverdachte] is daar ook meerdere keren geweest. Daarnaast heeft verdachte in opdracht van

[betrokkene] wel eens een blauw vat af moeten geven bij [medeverdachte 1].

(dossierpagina’s 1290, 1291)

- Medeverdachte [medeverdachte 1] verklaarde ten overstaan van de politie dat hij een deel van de schuur achter zijn woning ([adres]) in 2007 aan [betrokkene] had verhuurd, dat hij na enige tijd zag dat er hennep werd geknipt in de schuur en dat hij daar medeverdachte [medeverdachte] en verdachte heeft gezien.

(dossierpagina’s 234, 235, 237, 250)

- Verdachte verklaarde dat hij in de ten laste gelegde periode verschillende klusjes deed voor [betrokkene] en [medeverdachte 3], dat hij in de garage van [medeverdachte 3] wel eens dozen met hennepstekjes gezien heeft en dat hij voor [medeverdachte 3] hennepplanten vervoerd heeft.

(dossierpagina’s 1287-1290)

- [medeverdachte 3] verklaarde op 11 februari 2008 dat hij ongeveer een half jaar een hennepstekkerij in de garage van zijn woning had en dat hij twee keer hennepstekken geleverd heeft aan [betrokkene].

(dossierpagina 410)

- Medeverdachte [medeverdachte 7] verklaarde dat hij vanaf 15 november 2007 een pand huurde op de [adres] en dat [betrokkene] een hennepkwekerij wilde onderbrengen in dit pand. Verdachte kwam daar vaak samen met [betrokkene] om de inrichting van de kwekerij aan te leggen. Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] waren ingehuurd door [betrokkene] en hebben bij dat pand graafwerkzaamheden verricht en een gleuf van de weg naar de loods gegraven.

(dossierpagina’s 1561-1564 en verklaring [medeverdachte 7] bij de raadsheer-commissaris d.d. 4 april 2011)

- Bij de doorzoeking in de woning van verdachte ([adres] te [woonplaats]) op

11 februari 2008 werden onder meer ruim 18 kilogram hennep, een gaspistool, een zender en een weegschaal aangetroffen

(dossierpagina’s 1275-1280)

B18

Uit het vorenstaande blijkt dat verdachte (in ieder geval) contact had met [betrokkene], [medeverdachte 3], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 1]. In verschillende telefoongesprekken tussen verdachte en [medeverdachte 3] werd in versluierd taalgebruik gesproken.

Verdachte is actief betrokken geweest bij de hennepkwekerij aan de [adres] te [woonplaats] en is daarnaast samen met [betrokkene] ook actief geweest bij de opbouw van een hennepkwekerij in het pand aan de [adres]. Verdachte heeft verder regelmatig hennep geknipt in de loods bij [medeverdachte 1], hennepstekjes weggebracht voor [medeverdachte 3] en diverse ‘klusjes’ gedaan voor [betrokkene] en [medeverdachte 3]. In de woning van verdachte zijn ruim 18 kilogram hennep, verschillende hennepgerelateerde goederen, een zender en een vuurwapen aangetroffen.

Uit deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien en beschouwd, alsmede de overige bewijsmiddelen in het dossier, leidt het hof af dat verdachte in de periode van 1 juli 2007 tot en met 11 februari 2008 behoorde tot het onder B15 bedoelde samenwerkingsverband en zich binnen dat samenwerkingsverband (onder meer) bezig heeft gehouden met het knippen van hennep, het vervoeren van hennepstekken en het opbouwen van hennepkwekerijen. Met deze werkzaamheden leverde verdachte, als lid van de organisatie, een aandeel aan, dan wel ondersteunde hij, gedragingen die rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 11a van de Opiumwet bedoelde oogmerk tot het plegen van misdrijven.

B19

Gelet op het voorgaande, bezien in onderlinge samenhang met de gebezigde bewijsmiddelen, verwerpt het hof het verweer zoals weergegeven onder B14 in al zijn onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3 aanhef en onder B van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 11, derde lid van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde, en levert op:

In de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 3 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3 aanhef en onder C van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 4 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 26, eerste lid van de Wet Wapens en Munitie en strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie, en levert op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Het onder 5 bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 11a van de Opiumwet, zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezen verklaarde, en levert op:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

C1

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

C2

Het hof heeft acht geslagen op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op de volgende omstandigheden:

- Verdachte heeft gedurende een periode van ruim een half jaar deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezig heeft gehouden met het telen en bewerken van grote hoeveelheden softdrugs;

- Dit soort organisaties hebben veelal een ontwrichtende werking op de maatschappij, doordat zij in belangrijke mate bijdragen aan het zwartgeldcircuit dat alleen via de inzet van (andere) criminele middelen kan worden witgewassen of dat in rechtstreekse zin weer kan worden aangewend voor verdere criminele activiteiten;

- Verdachte zorgde binnen de organisatie voor het opbouwen en onderhouden van hennepkwekerijen, het knippen van hennep en het vervoeren en afleveren van hennepstekken;

- (Soft) Drugs als de onderhavige leveren, eenmaal in handen van gebruikers (grote) gevaren op voor de gezondheid van die gebruikers, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.

- bij verdachte thuis is een hoeveelheid van ruim 18 kilogram hennep en een vuurwapen aangetroffen;

C3

Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat in beginsel niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verdachte reeds een aantal keer eerder veroordeeld is ter zake van handelen in strijd met de Opiumwet en handelen in strijd met de Wet Wapens en Munitie.

C4

Bij de straftoemeting heeft het hof anderzijds rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht, alsmede het feit dat na het tijdstip waarop het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden inmiddels ruim drie jaren zijn verstreken en verdachte in de tussenliggende periode zich niet schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke strafbare feiten.

C5

Het hof vindt in het vorenstaande aanleiding om verdachte te veroordelen tot deels een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en deels een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Beslag

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven bivakmuts en elektrazegels die bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven zijn aangetroffen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of ter voorbereiding van soortgelijke misdrijven dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan en deze voorwerpen toebehoren aan verdachte en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Van hetgeen overigens in beslag is genomen, te weten een kogelvrij vest, zal de teruggave aan verdachte worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3, 11 en 11a van de Opiumwet, de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie, en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, onder 3, onder 4 en onder 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1, onder 3, onder 4 en onder 5 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, onder 3, onder 4 en onder 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en de verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, en/of artikel 27a Sr bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

In beslag genomen voorwerpen

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 3 gats bivakmuts, kleur zwart, bps 08-019203

- 3 stuks electrazegels voor verzegeling meterkast, kleur geel, bps 08-019206.

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- kogelvrij vest, kleur groen, made in Yugolslavia, bps 08-019206.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. E.A.A.M. Pfeil en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Blokx- van Roosmalen, griffier,

en op 1 juni 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. A.J.C. de Moor-van Vugt is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.