Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ6293

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-05-2011
Datum publicatie
27-05-2011
Zaaknummer
20-004659-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontucht. Strafmaat bij artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-004659-09

Uitspraak : 27 mei 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 december 2009 in de strafzaak met parketnummer 01-845254-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [datum in 1966],

wonende te [woonplaats], [adres],

waarbij:

- de verdachte is vrijgesproken van het onder 1. primair en 2. primair en subsidiair ten laste gelegde;

- het onder 1. subsidiair ten laste gelegde is bewezen verklaard en dit is gekwalificeerd als: “met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam”;

- de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest;

- de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd tot een bedrag van EUR 1.000,--, subsidiair 20 dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening;

- de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk is toegewezen tot een bedrag van EUR 1.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als niet te zijn gericht tegen de vrijspraak van het onder 1. (telkens) impliciet cumulatief ten laste gelegde seksueel binnendringen voor zover inhoudende dat de verdachte zijn tong in de mond van [A] heeft gebracht en/of gehouden, alsmede niet te zijn gericht tegen de vrijspraak van het onder 2. ten laste gelegde.

De benadeelde partij [A] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 5.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 1.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

De voeging duurt, voor zover de vordering is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep. De vordering van de benadeelde partij is derhalve in hoger beroep aan de orde tot een bedrag van EUR 1.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

- de onder 1. primair ten laste gelegde verkrachting bewezen zal verklaren;

- de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest;

- de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen tot een bedrag van EUR 1.000,--, subsidiair 20 dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening;

- de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van EUR 1.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Door en namens de verdachte is vrijspraak van het onder 1. primair en subsidiair ten laste gelegde bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, ten laste gelegd dat:

1.

primair:

hij in of omstreeks de periode van 8 februari 2005 tot en met 1 september 2006 te [woonplaats], althans in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [A] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [A],

hebbende verdachte zijn penis in de mond van die [A] geduwd en/of gebracht en/of gehouden en/of zich laten pijpen door die [A]

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte:

- (terwijl die [A] (telkens) als oppas van de kinderen van verdachte in de woning van verdachte verbleef en/of daar (telkens) in die hoedanigheid de nacht doorbracht)

- (onophoudelijk, althans meermalen) aan die [A] heeft gevraagd of zij hem wilde pijpen en/of

- (meermalen) tegen die [A] heeft gezegd dat zij hem zou gaan pijpen en/of

- (met kracht, althans stevig) het hoofd van die [A] heeft vastgepakt en/of

- (strak) het hoofd van die [A] heeft vastgehouden en/of

- die [A] (met kracht) tegen een muur heeft geduwd en/of

- misbruik/gebruik heeft gemaakt van het fysieke en/of geestelijke overwicht dat hij, verdachte, (als halfbroer en/of volwassene) had over die [A] en/of

(aldus) voor die [A] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 8 februari 2005 tot en met 7 februari 2006 te [woonplaats], althans in Nederland, met [A], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [A], hebbende verdachte zijn penis in de mond van die [A] geduwd en/of gebracht en/of gehouden en/of zich laten pijpen door die [A];

en/of

hij in of omstreeks de periode van 8 februari 2006 tot en met 1 september 2006 te [woonplaats], althans in Nederland, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [A], geboren op [datum in 1990], immers heeft hij, verdachte, terwijl die [A] (als oppas voor zijn, verdachtes, kinderen) in zijn, verdachtes, woning logeerde zijn penis in de mond van die [A] geduwd en/of gebracht en/of gehouden en/of zich laten pijpen door die [A].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1. primair ten laste gelegde heeft begaan.

Daartoe overweegt het hof dat met name gelet op de verklaring van de vriendin van aangeefster, (roepnaam [naam]) [vriendin], onvoldoende is komen vast te staan dat er sprake is geweest van dwang in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de ten laste gelegde verkrachting.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 8 februari 2005 tot en met 7 februari 2006 te [woonplaats] met [A], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [A], hebbende verdachte zijn penis in de mond van die [A] gebracht en gehouden en zich laten pijpen door die [A].

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De bewijsmiddelen 1, 2, 3 en 5 maken onderdeel uit van het einddossier van de Regiopolitie Brabant Noord, District Aa en Dommel, Districtsrecherche, nr. 2008008002, sluitingsdatum 6 augustus 2009, met bijlagen, doorgenummerde pagina’s 1-119.

1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 14 januari 2009, nr. 2008008002-1, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van aangeefster [A]:

- pag. 27-28:

Plaats delict: [adres] (het hof leest: [adres]) [nr.] te [woonplaats]

V: [A], wanneer ben je geboren?

A: [datum in 1990]

- pag. 30:

[verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) is een kind van mijn vader uit zijn eerste huwelijk. [verdachte] woont in [woonplaats].

- pag. 36:

V: Vanaf welk moment is er sprake van persoonlijk contact van jou met [verdachte]?

A: Ik denk sinds [zoon] geboren is, in september 2001. Sinds die tijd ging ik er naartoe en ging ik er logeren en oppassen.

- pag. 39-41:

V: Hoe hebben anderen kennis gekregen van het misbruik?

A: In augustus 2006 heb ik het tegen [vriendin] (het hof begrijpt: [vriendin]) verteld.

V: Waar was dat?

A: In bed bij [vriendin]. We hadden het erover dat we eigenlijk alles van elkaar wisten en toen zei ik dat er één ding was dat niemand wist.

V: Waarom heb je het verteld?

A: Omdat [vriendin] speciaal voor mij is en ik alles met haar kan bespreken.

V: Wat heb je verteld tegen haar?

A: Dat ik hem heb gepijpt.

V: Je vertelde dat je haar ook hebt verteld over de volgende ochtend. Wat heb je verteld?

A: Dat hij mij de volgende ochtend in de keuken tegen de muur aanduwde en dat hij tegen mij zei dat hij het lekker had gevonden die avond ervoor. Hij duwde op dat moment zijn tong achter in mijn keel.

- pag. 48-50:

Ik denk dat ik op het moment van het voorval 15 ben geweest.

V: Waar was dat?

A: Bij hen boven op de eerste verdieping. Het was hun rommelkamertje. Op dat moment stonden er dozen van een verbouwing.

V: Wat gebeurde er?

A: Het was rond 02.30 uur. Ze waren weg geweest en kwamen thuis. Ze gingen naar boven omkleden en in bed liggen. Hij kwam toen kort daarna in zijn witte hemd en met een gewone onderbroek naar mij toe. Ik zat op een gegeven moment en hij zat zo in mijn mond. Toen zat ik daar. Binnen 30 seconden kwam hij klaar. Hij deed zijn hemd uit en veegde mijn mond en zichzelf af en er was wat op het luchtbed gedrupt. Dat had ik gehoord en volgens mij ook wat op mijn kussen. Ik voelde dat het nat was.

Hij heeft het met mij er over gehad de volgende ochtend. Hij vroeg of ik het erg vond en dat hij het lekker vond om in mijn mond klaar te komen of zo. Ik weet nog heel goed hoe het op dat moment smaakte, hoe het proefde en dat het plakte.

2. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 8 juni 2009, nr. 2008008002-10, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [A]:

- pag. 61:

Ik kan me nog herinneren dat het pijpen tijdens de verbouwing is geweest. Tijdens die verbouwing sliep ik op dat kamertje. Daarvoor en daarna niet.

3. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 23 maart 2009, nr. 2008008002-5, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [vriendin]:

- pag. 70-71:

V: Heeft [A] (het hof begrijpt: aangeefster) jou wel eens een hartsgeheim verteld?

A: Ja. Dat moet in 2006 geweest zijn.

Ik weet nog dat wij in mijn bed lagen. Toen begon [A] over [verdachte] te praten. Ze vertelde dat ze in het verleden bij [verdachte] thuis oppaste en dat hij ’s avonds als ze thuiskwamen bij [A] in bed gekropen was en dat hij aan was blijven dringen met de bedoeling dat [A] op een gegeven moment zijn geslachtsdeel in haar mond zou nemen.

V: Waar vond het misbruik plaats?

A: Bij [verdachte] thuis in hun huis in [woonplaats]. Ik meen dat ze in [adres] (het hof leest: [adres]) wonen.

- pag. 73:

V: Wat heeft [A] over het pijpen verteld?

A: Ze vertelde dat hij bij haar kwam en net zo lang op haar ingepraat had, totdat zij hem ging pijpen. Ze vond het vies.

V: Weet je nog dat er iets op de volgende dag gebeurd is?

A: [A] heeft verteld dat hij na het pijpen de volgende morgen tegen haar gezegd heeft dat hij het lekker gevonden had en dat hij haar gezoend had en zijn tong achter in haar mond gestoken had. Dat vond [A] ook erg.

4. De verklaring van de verdachte, wonende te [adres] te [woonplaats], ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 25 november 2009 (pagina’s 3-4 van het proces-verbaal van die terechtzitting), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

[A] heeft mij één keer gepijpt. De volgende dag hebben we misschien heel kort nog over het pijpen gesproken.

Het zou kunnen dat mijn vrouw gelijk heeft als ze zegt dat ons huis van april tot september 2005 is verbouwd.

Ik heb in de raadkamer gevangenhouding inderdaad gezegd dat ze vijftien jaar was toen ze mij pijpte.

5. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 11 juni 2009, nr. 2008008002-11, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van de verdachte:

- pag. 100-101:

Ik ben sinds [datum in 2000] gehuwd met [echtgenote].

6. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 1 juli 2009, nr. 2008008002-25 (niet opgenomen in het einddossier, maar gevoegd als bijlage bij een proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 september 2009, nr. 2008008002-36), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [echtgenote], wonende te [adres] te [woonplaats]:

- blad 3:

[A] heeft opgepast toen ze 15 jaar was.

- blad 5-6:

V: Wanneer hebben jullie je huis verbouwd?

A: Wij zijn begonnen iets van april 2005.

V: Wanneer waren jullie klaar met de verbouwing van de zolder?

A: In september 2005.

V: Hoe oud was [A] toen er verbouwd werd?

A: Zij was toen 15 jaar.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Door en namens de verdachte is - op grond als verwoord in de pleitnota - aangevoerd dat het pijpen heeft plaatsgevonden toen aangeefster zestien jaar oud was.

Het hof overweegt dat dit verweer zijn weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen. Daaruit blijkt immers dat aangeefster heeft verklaard dat zij denkt dat zij vijftien jaar oud was tijdens het pijpen en dat de verdachte bij de behandeling van de vordering gevangenhouding in raadkamer heeft verklaard dat zij toen inderdaad vijftien jaar was. Aangeefster heeft voorts verklaard dat het pijpen plaatsvond tijdens de verbouwing toen zij sliep in het kleine kamertje, welke verbouwing blijkens de verklaring van de echtgenote van de verdachte (getuige [echtgenote]) plaatsvond in de periode van april tot en met september 2005.

Het hof overweegt voorts dat de ontuchtige handelingen “buiten echt” hebben plaatsgevonden, nu de verdachte sinds [datum in 2000] gehuwd is met [echtgenote].

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze bepaling luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Het bewezen verklaarde wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij heeft het hof gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij zich heeft laten pijpen door zijn vierentwintig jaar jongere, destijds vijftienjarige halfzusje. De verdachte had zich als volwassene bewust dienen te zijn van de ongelijkheid in hun verhouding en de ongepastheid van seksuele handelingen tussen hen beiden. Hij heeft zich echter kennelijk slechts laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en heeft die bovengeschikt gemaakt aan het respecteren van de lichamelijke integriteit en ongestoorde seksuele ontwikkeling van zijn halfzusje. Door zijn handelen heeft hij bovendien ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat aangeefster in hem stelde. Het misbruik heeft plaatsgevonden binnen een hecht familieverband, waarbinnen aangeefster had mogen verwachten dat zij veilig was. Uit haar schriftelijke slachtofferverklaring d.d. 28 augustus 2009 en de bijlage bij het formulier waarmee het slachtoffer zich als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd, blijkt dat zij de verdachte zag als haar grote broer, dat hij erg belangrijk voor haar was en dat zij hem volledig vertrouwde. Door verdachtes handelen is het familieverband verbroken. Omdat aangeefster bang was dat de familie uit elkaar zou vallen, heeft zij lange tijd niemand over het misbruik durven vertellen. Het misbruik heeft veel invloed op haar dagelijkse leven. Zij kampt met gevoelens van onveiligheid, zowel thuis als op haar werk in de zorg bij contacten met mannelijke patiënten, en heeft moeite met aanrakingen, ook binnen haar relatie. In verband met de klachten als gevolg van het bewezen verklaarde heeft zij zich onder behandeling van een psycholoog gesteld.

De verdachte heeft er blijk van gegeven het laakbare van zijn handelen maar beperkt in te zien. Hij heeft weliswaar verklaard dat het pijpen nooit had mogen gebeuren, maar hij heeft benadrukt dat het initiatief tot het pijpen van aangeefster is uitgegaan, sterker nog: zijn halfzusje zou het hem zelfs ter compensatie van de door hem gestelde tijdelijke seksuele tekortkoming in zijn huwelijk hebben aangeboden.

Op grond van het voorgaande acht het hof, hoewel het - anders dan waarvan in de vordering van de advocaat-generaal wordt uitgegaan - niet komt tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde, een gevangenisstraf van langere duur dan door de advocaat-generaal is gevorderd, aangewezen.

Het hof acht een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.

Met deze deels voorwaardelijke strafoplegging wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vordering van de benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [A] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden een bedrag van EUR 1.000,--. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de aangifte, te weten 14 januari 2009, tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte, die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door zijn strafbare handelen is toegebracht, ten behoeve van het slachtoffer de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f en 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1. primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 1. subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders onder 1. subsidiair is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [A], een bedrag te betalen van EUR 1.000,00 (duizend euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [A]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [A] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 1.000,00 (duizend euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. N.J.M. Ruyters en mr. F.P.E. Wiemans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 27 mei 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. F.P.E. Wiemans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.