Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ4975

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-03-2011
Datum publicatie
18-05-2011
Zaaknummer
10-00307
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende, houder van een aanmerkelijk belang, is in 2003 geëmigreerd naar Roemenië. Hij heeft zich evenwel pas in 2004 laten uitschrijven uit het GBA. In zijn aangifte over het jaar 2003 heeft hij geen melding gemaakt van zijn emigratie. De aangifte is ingevuld als ware belanghebbende gedurende het gehele jaar 2003 binnenlands belastingplichtig. In 2008 is aan belanghebbende een conserverende navorderingsaanslag opgelegd ter zake van een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. In geschil is of de inspecteur beschikt over een navordering rechtvaardigend nieuw feit. Het hof komt tot het oordeel dat de inspecteur ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag over het jaar 2003 niet op de hoogte was, dan wel had kunnen zijn, van het feit dat belanghebbende al in 2003 was geëmigreerd. Hij heeft derhalve geen ambtelijk verzuim begaan bij het opleggen van de primitieve aanslag. Aannemelijk is dat de inspecteur pas na ontvangst van het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift tegen de aanslag over het jaar 2004 kennis heeft kunnen nemen van het feit dat belanghebbende al in 2003 was geëmigreerd, aldus het hof. Het gelijk is aan de inspecteur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/1521
V-N 2011/31.30.4
FutD 2011-1206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Vierde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 10/00307

Uitspraak op het hoger beroep van

De heer X, met gekozen domicilie te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 10 maart 2010, nummer AWB 08/5185, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Oost-Brabant van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen navorderingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 000.00.000.P37 over het jaar 2003 een conserverende navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 572.069. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze laatste uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 111. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 19 januari 2011 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.6. Partijen hebben te dezer zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.8. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende woont sinds mei 2003 in A, Roemenië. Voordien woonde hij aan de B-straat 29 te C.

2.2. In de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente D was belanghebbende in de periode van 26 februari 2000 tot 5 maart 2004 ingeschreven op het adres B-straat 29 te C. Van 5 maart 2004 tot 17 juni 2004 was belanghebbende ingeschreven op het adres Str. E 33c/4 te A, Roemenië. Van 17 juni 2004 tot 15 december 2004 was belanghebbende wederom ingeschreven op het voornoemde adres in C. Vanaf 30 mei 2006 tot op heden is belanghebbende ingeschreven op het adres Strada F 40a/5 te A, Roemenië. Gedurende de periode van 15 december 2004 tot 30 mei 2006 is als postadres geregistreerd G-straat 2 te C.

2.3. Belanghebbende hield op 1 januari en 31 december 2003 29 gewone aandelen in H B.V., gevestigd te C, alsmede 36 prioriteitsaandelen en 4.280 gewone aandelen in het geplaatste kapitaal van J B.V., gevestigd te K. Alle voornoemde aandelen (hierna: de aandelen) behoren tot een aanmerkelijk belang van belanghebbende, zoals bedoeld in artikel 4.6 van de Wet IB 2001.

2.4. Op 17 december 2004 heeft belanghebbende een overeenkomst van koop en verkoop gesloten met L B.V., strekkende tot overdracht van 18 prioriteitsaandelen en 2.140 gewone aandelen in het geplaatste aandelenkapitaal van J B.V. voor een koopsom van € 670.000. De levering van de verkochte aandelen heeft plaatsgevonden op 10 maart 2005.

2.5. Belanghebbende heeft op 4 juni 2004 aangifte gedaan in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2003 (hierna: de aangifte). In de aangifte is geen belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang vermeld. In of bij de aangifte is evenmin vermeld dat belanghebbende op enig moment in 2003 zijn woonplaats naar Roemenië heeft verlegd. De aangifte is ingevuld als ware belanghebbende gedurende het gehele jaar 2003 binnenlands belastingplichtig. Belanghebbende heeft niet verzocht om uitreiking van het voor gevallen van migratie bestemde aangiftebiljet (hierna: M-biljet).

2.6. Op 23 februari 2006 heeft belanghebbende aangifte gedaan in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2004. In deze aangifte is geen belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang vermeld. Ook deze aangifte is ingevuld als ware belanghebbende gedurende het gehele jaar binnenlands belastingplichtig.

2.7. Met dagtekening 19 juli 2006 is aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2003 opgelegd (hierna: de primitieve aanslag).

2.8. Met dagtekening 23 november 2007 is aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2004 opgelegd. In deze aanslag is, in afwijking van de aangifte voor het jaar 2004, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 572.069 begrepen in verband met de hiervóór onder 2.4 genoemde overeenkomst. De aanslag voor het jaar 2004 is, na daartegen gemaakt bezwaar en tegen de uitspraak op bezwaar ingesteld beroep, bij mondelinge uitspraak van de Rechtbank van 10 maart 2004, nummer AWB 08/5186, vernietigd.

2.9. Met dagtekening 27 augustus 2008 is aan belanghebbende de onderhavige conserverende navorderingsaanslag opgelegd ter zake van een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 572.069.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de Inspecteur beschikt over een navordering rechtvaardigend nieuw feit zoals bedoeld in artikel 16, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot gegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en van de conserverende navorderingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. Bij de beoordeling van het geschil dient te worden vooropgesteld dat de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Indien de inspecteur twijfelt, dan wel behoort te twijfelen en tot nader onderzoek is gehouden, is sprake van een niet voor herstel door navordering vatbaar ambtelijk verzuim, indien hij de primitieve aanslag desalniettemin heeft opgelegd zonder de uitkomsten van zodanig onderzoek af te wachten.

4.2. In het onderhavige geval staat vast dat belanghebbende voor het jaar 2003 aangifte in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen heeft gedaan als ware hij binnenlands belastingplichtig. De aangifte, waarvan een kopie tot de gedingstukken behoort, maakt naar het oordeel van het Hof een verzorgde indruk. In of bij de aangifte, die is gedaan als ware belanghebbende gedurende het gehele jaar binnenlands belastingplichtig, is niet vermeld dat belanghebbende in 2003 is geëmigreerd, terwijl belanghebbende evenmin heeft verzocht om uitreiking van het voor gevallen van migratie bestemde aangiftebiljet ('M-biljet'). Gelet op deze feiten en de verzorgde indruk die de onderhavige aangifte maakt, is het Hof van oordeel dat de Inspecteur ervan mocht uitgaan dat belanghebbende gedurende het gehele jaar 2003 in Nederland woonachtig was. In de aangifte, dan wel daarmee rechtstreeks verband houdende correspondentie, is geen gegeven vervat op grond waarvan de Inspecteur in redelijkheid bedacht moest zijn op de emigratie van belanghebbende die in mei 2003 plaatsvond. De Inspecteur mocht voorts op grond van de in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens opgenomen adresgegevens van belanghebbende veronderstellen dat belanghebbende gedurende het gehele jaar 2003 in Nederland woonachtig was.

4.3. Belanghebbende heeft evenwel gesteld dat de Inspecteur in ieder geval op of omstreeks 19 juni 2006, zijnde de datum van dagtekening van de primitieve aanslag, op de hoogte was, dan wel had kunnen zijn van de emigratie van belanghebbende in 2003 naar Roemenië. Belanghebbende wijst in dit verband op de volgende omstandigheden: (i) dat op 23 februari 2006 door de Belastingdienst het aan belanghebbende voor het jaar 2004 uitgereikte M-biljet is ontvangen, hetgeen impliceert dat de Inspecteur in ieder geval reeds in het jaar 2005 op de hoogte was van de emigratie van eiser, (ii) dat de primitieve aanslag is verzonden naar het woonadres van belanghebbende in Roemenië, en (iii) dat belanghebbende vanaf 30 mei 2006 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens was ingeschreven op zijn woonadres in Roemenië, waaruit volgt dat de Inspecteur ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag bekend had kunnen zijn met de emigratie van belanghebbende.

De Inspecteur heeft gesteld dat hij eerst bij de ontvangst van het op 1 december 2007 gedagtekende bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2004 in kennis is gesteld van het feit dat belanghebbende in het jaar 2003 naar Roemenië was geëmigreerd en dat hij voordien noch op basis van de aangifte, noch op basis van enig ander gegeven, op de hoogte kon zijn van het feit dat de emigratie in het jaar 2003 had plaatsgevonden.

4.4 Het Hof is van oordeel dat uit de door belanghebbende genoemde omstandigheden niet kan worden afgeleid dat de Inspecteur op of omstreeks 19 juni 2006 op de hoogte was van het feit dat belanghebbende in het jaar 2003 naar Roemenië was geëmigreerd. Daartoe overweegt het Hof als volgt.

4.5. Wat betreft de uitreiking aan belanghebbende van een M-biljet betreffende het jaar 2004 geldt dat de Inspecteur in zijn verweerschrift onweersproken heeft gesteld, dat de toezending van dit biljet aan belanghebbende voortvloeide uit het feit dat volgens de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens belanghebbende in het jaar 2004 was geëmigreerd. Uit die toezending kan derhalve niet worden afgeleid dat de Inspecteur op of omstreeks 19 juni 2006 wist dat belanghebbende reeds in het jaar 2003 was geëmigreerd. Er was op grond van deze omstandigheid voor de Inspecteur dan ook geen reden te twijfelen aan de juistheid van enig in de aangifte opgenomen gegeven.

4.6. De omstandigheid dat de primitieve aanslag aan het woonadres van belanghebbende in Roemenië is gestuurd brengt evenmin met zich dat de Inspecteur in redelijkheid diende te twijfelen aan de juistheid van de aangifte. Uit deze omstandigheid kan weliswaar worden afgeleid dat de Inspecteur op of omstreeks 19 juni 2006 wist dat belanghebbende in Roemenië woonachtig was, hetgeen de Inspecteur ook niet betwist, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat de Inspecteur ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag wist, dan wel behoorde te weten dat belanghebbende reeds in het jaar 2003 zijn woonplaats van Nederland naar Roemenië had verlegd. Dat geldt eveneens voor de hiervóór onder 4.3 genoemde inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van belanghebbende op zijn woonadres in Roemenië sinds 30 mei 2006, alsook voor de door belanghebbende voorafgaand aan de zitting ingebrachte stukken, houdende correspondentie van 23 november en 1 december 2005 tussen de ontvanger en de Sociale Verzekeringsbank.

4.7. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de Inspecteur na een bedrijfsbezoek aan L B.V. op 15 april 2004 op de hoogte was van de bedrijfsopvolging en persoonlijke situatie van belanghebbende, welke aangelegenheden tijdens dit bezoek ter sprake zouden zijn geweest, en dat de Inspecteur na dit bezoek (derhalve) op de hoogte was, dan wel had kunnen zijn van de emigratie van belanghebbende. Belanghebbende heeft tot staving van zijn stelling een door de Inspecteur opgesteld verslag van dit bedrijfsbezoek ingebracht. Het Hof kan belanghebbendes stelling niet volgen.

In dit verslag is immers slechts vermeld dat twee zoons van belanghebbende het bedrijf hebben overgenomen van belanghebbende; overigens kan in verband met de persoonlijke situatie van belanghebbende en zijn woonplaats, dan wel emigratie in 2003 niets aan dit verslag worden ontleend. De Inspecteur heeft voorts ter zitting onweersproken gesteld dat belanghebbende niet bij het desbetreffende bedrijfsbezoek aanwezig was en gesteld dat de persoonlijke (woon-)situatie van belanghebbende niet aan de orde is geweest, overeenkomstig hetgeen in het meergenoemde verslag is vermeld. Gelet op het voorgaande acht het Hof niet aannemelijk dat de Inspecteur na het onderhavige bedrijfsbezoek op de hoogte was, dan wel kon zijn van het feit dat belanghebbende in 2003 was geëmigreerd.

4.8. Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat hij in juni 2006 een handgeschreven brief aan het adres van de Belastingdienst/Centrale administratie (B/CA) heeft gezonden, welk schrijven een kennisgeving van zijn woonadres in Roemenië zou behelzen. Van dit schrijven is geen kopie voorhanden. De Inspecteur heeft in reactie gesteld nimmer een zodanig schrijven te hebben ontvangen. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende, op wie ter zake van deze stelling de bewijslast rust, niet aannemelijk gemaakt dat het door hem bedoelde schrijven op enig moment door de Inspecteur of een medewerker van de Belastingdienst/Centrale administratie (B/CA) is ontvangen. Belanghebbende heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat het door hem bedoelde schrijven de mededeling inhield dat hij reeds in 2003 naar Roemenië was geëmigreerd. Derhalve is niet aannemelijk dat de Inspecteur in juni 2006, voorafgaand aan, dan wel uiterlijk ten tijde van het vaststellen van de primitieve aanslag, door belanghebbende op de hoogte is gesteld van diens emigratie naar Roemenië.

4.9. Het Hof verstaat het betoog van belanghebbende voorts aldus dat hij van opvatting is dat de Inspecteur, hoewel hij niet wist dat belanghebbende reeds in het jaar 2003 was geëmigreerd, ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag wist, dan wel kon weten dat belanghebbende op enig aan die oplegging voorafgaand moment was geëmigreerd en dat een behoorlijke taakuitoefening van de Inspecteur met zich brengt dat hij zich door het verrichten van nader onderzoek vergewist van het moment waarop de emigratie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het zonder zodanig onderzoek opleggen van de primitieve aanslag levert een ambtelijk verzuim op dat aan navordering in de weg staat, zo begrijpt het Hof belanghebbende.

4.10. Deze opvatting kan niet als juist worden aanvaard. De enkele bekendheid van de Inspecteur met de emigratie van belanghebbende op enig moment voorafgaand aan het opleggen van de primitieve aanslag behoeft voor de Inspecteur geen reden te zijn om aan de juistheid van enig in de aangifte voor het desbetreffende jaar opgenomen gegeven te twijfelen. De Inspecteur kon immers in redelijkheid veronderstellen dat de emigratie zich na het jaar 2003 had voorgedaan, welke veronderstelling, hoewel achteraf bezien onjuist, niet als onwaarschijnlijk kan worden gekwalificeerd, gezien de in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens opgenomen adresgegevens van belanghebbende (vgl. HR 12 maart 2010, nr. 08/04868, LJN: BL7165).

4.11. Gelet op het vorenoverwogene is het Hof van oordeel dat de Inspecteur op of omstreeks 19 juni 2006 niet wist en evenmin redelijkerwijs kon weten dat belanghebbende reeds in het jaar 2003 was geëmigreerd. De Inspecteur heeft derhalve geen ambtelijk verzuim begaan bij het opleggen van de primitieve aanslag. Naar het oordeel van het Hof is aannemelijk dat de Inspecteur eerst na ontvangst van het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift tegen de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2004 kennis heeft kunnen nemen van het feit dat belanghebbende reeds in het jaar 2003 naar Roemenië was geëmigreerd. Dit oordeel vindt bevestiging in de tot de gedingstukken behorende ontvangstbevestiging van het voornoemde bezwaarschrift, gedagtekend 15 januari 2008, waarin namens de Inspecteur is geschreven:

"U stelt dat u sinds 2003 in Roemenië woont. Omdat dit gegeven niet overeenkomt met de gegevens van de Gemeentelijke Basis Administratie verzoek ik u mij aan de hand van schriftelijke bescheiden aannemelijk te maken dat u inderdaad in 2003 geëmigreerd bent."

4.12. Aangezien de Inspecteur ten tijde van het vaststellen van de onderhavige navorderingsaanslag beschikte over een navordering rechtvaardigend nieuw feit, dient het hoger beroep ongegrond te worden verklaard.

Ten aanzien van het griffierecht

4.13. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.14. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

* verklaart het hoger beroep ongegrond;

* bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op: 4 maart 2011 4 maart 2011 door J. Swinkels, voorzitter, P.A.G.M. Cools en P.C. van der Vegt, in tegenwoordigheid van M.C.G. Spierings-van Kessel, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.