Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ4971

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-03-2011
Datum publicatie
18-05-2011
Zaaknummer
10-00109
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In de A-straat is een riolering aangelegd. De kosten van de aanleg zijn middels een baatbelasting omgeslagen over de onroerende zaken, waaronder die van belanghebbende, die binnen 40 meter een aansluitmogelijkheid op de riolering hebben. Door belanghebbende is onweersproken gesteld dat een pand aan de C-straat, dat zich op 47 meter van een aansluitmogelijkheid op de riolering in de A-straat bevindt, technisch gezien kan worden aangesloten op die riolering. Deze onroerende zaak is in de Verordening niet aangemerkt als gebaat. Volgens het hof brengt de omstandigheid dat het technisch mogelijk is dat de onroerende zaak aan de C-straat kan worden aangesloten op de riolering met zich, dat ook die onroerende zaak in een voordeliger positie is komen te verkeren en derhalve gebaat is bij de riolering. Nu die onroerende zaak niet in de Verordening is aangemerkt als gebaat en aldus niet in de heffing is betrokken, zijn de kosten van de riolering niet mede omgeslagen over die onroerende zaak. Dit betekent, aldus het hof, dat sprake is van een willekeurige en onredelijke belastingheffing, zodat de Verordening onverbindend is. De aan belanghebbende opgelegde aanslag moet worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/1576
Belastingblad 2011/838 met annotatie van M.R.P. de Bruin
FutD 2011-1226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 10/00109

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 4 januari 2010, nummer AWB 09/382 in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de Gemeente Steenbergen,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende na te noemen aanslag baatbelasting.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is bij aanslagbiljet met dagtekening 31 juli 2008 voor het jaar 2008 een aanslag in de baatbelasting opgelegd tot een bedrag van € 3.600, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Heffingsambtenaar is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39.

1.3. Hangende beroep, met dagtekening 30 april 2009, heeft de Heffingsambtenaar aan belanghebbende, op belanghebbendes verzoek aangezien hij de baatbelasting in termijnen wil voldoen, een nieuwe aanslag in de baatbelasting tot een bedrag van € 777,55 toegestuurd. In zijn brief van 22 april 2009 heeft de Heffingsambtenaar hierover het volgende opgemerkt: "Op grond van artikel 6.18 van de Algemene wet bestuursrecht doe ik u een nieuwe aanslag toekomen. De aanslag die ik u toestuur, komt in de plaats van de aanslag ineens.".

1.4. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.5. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 110. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 5 november 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende alsmede de Heffingsambtenaar.

1.7. De Heffingsambtenaar heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.8. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.9. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. Het gemeentelijk rioleringsplan 2003-2007 is bij raadsbesluit van 24 april 2003 vastgesteld. Onderdeel van het gemeentelijk rioleringsplan betreft het voornemen tot de aanleg van een riolering in de A-straat.

2.2. Het "Aangevuld bekostigingsbesluit aanleg riolering A-straat" (hierna: het bekostigingsbesluit) is vastgesteld bij raadsbesluit van 23 februari 2006 en bekendgemaakt in het huis-aan-huisblad B van 3 maart 2006. Bij het bekostigingsbesluit behoort onder meer een kostenbegroting, een toelichting en een geografische kaart van het gebate gebied. Het bekostigingsbesluit voorziet in de mogelijkheid van zowel privaatrechtelijk kostenverhaal door het sluiten van exploitatieovereenkomsten als publiekrechtelijk kostenverhaal door het heffen van baatbelasting. Het bekostigingsbesluit, de kostenbegroting en de toelichting daarop maken deel uit van de gedingstukken. In onderdeel 1, onder a, van het bekostigingsbesluit is besloten:

"het gebied waarbinnen de onroerende zaken zijn gelegen die gebaat worden als gevolg van de door of met medewerking van de gemeente te treffen voorziening van openbaar nut i.c. de aan te leggen riolering, aan te duiden overeenkomstig de bij dit besluit behorende en gewaarmerkte kaart".

2.3. De aanleg van de riolering is aangevangen op 22 mei 2006. De eindoplevering heeft plaatsgevonden op 8 februari 2007.

2.4. De "Verordening op de heffing en de invordering van baatbelasting riolering A-straat" (hierna: de Verordening) is vastgesteld bij raadsbesluit van 19 juni 2008 en bekendgemaakt in het huis-aan-huisblad B van 20 juni 2008. Bij de Verordening behoort een toelichting en een geografische kaart van het gebate gebied. De Verordening, de toelichting daarop en de geografische kaart maken deel uit van de gedingstukken. In artikel 2, lid 1, van de Verordening is het volgende bepaald:

"Onder de naam "baatbelasting riolering A-straat" wordt in de vorm van een heffing-ineens een directe belasting geheven ter zake van de onroerende zaken gelegen in de gemeente binnen de rode omlijning op de bij deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart, waarop op de peildatum van toepassing is een bestemming of vrijstelling Wonen als vermeld in artikel 5, en die op de peildatum zijn gebaat door de in lid 2 genoemde voorzieningen die tot stand zijn of worden gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur.".

In de toelichting op de Verordening is onder meer het volgende bepaald:

"Voor de vraag of een onroerende zaak is gebaat, geldt dat er binnen 40 meter van de onroerende zaak een aansluitmogelijkheid op de riolering dient te zijn. Het criterium van 40 meter is gebaseerd op het arrest van het gerechtshof Arnhem d.d. 14 juni 2001, zaaknummer 99/30.".

2.5. Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak gelegen aan de A-straat 1 te Y, kadastrale nummers 000, en 002 (hierna: de onroerende zaak). Deze onroerende zaak heeft een aansluitpunt op de riolering.

2.6. Aan belanghebbende is de mogelijkheid geboden om een exploitatieovereenkomst te sluiten. Belanghebbende heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.7. De Heffingsambtenaar heeft vervolgens met dagtekening 31 juli 2008 de onderhavige aanslag in de baatbelasting aan belanghebbende opgelegd. Middels deze aanslag worden de kosten van de aanleg van de riolering voor een bedrag van € 3.600 verhaald op belanghebbende.

2.8. De onroerende zaak gelegen aan de C-straat 2 bevindt zich op een afstand van 47 meter van een aansluitmogelijkheid op de riolering in de A-straat. Door belanghebbende is gesteld en door de Heffingsambtenaar is niet gemotiveerd weersproken, zodat het ten processe vaststaat, dat deze onroerende zaak technisch gezien kan worden aangesloten op die riolering. Deze onroerende zaak is in de Verordening niet aangemerkt als gebaat.

2.9. De lasten van de aanleg van de riolering die door middel van exploitatieovereenkomsten en baatbelasting zijn omgeslagen, bedragen in totaal € 57.600.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

a. Is de aanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

b. Is een betalingstermijn van vijf jaar en de bij de jaarlijkse belasting in rekening gebrachte rente rechtvaardig?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag baatbelasting en het achterwege laten van het berekenen van rente. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1. Gelet op hetgeen is vermeld onder 1.3 en ingevolge artikel 6:19 in verbinding met artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht en onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 27 juni 2003, nr. 36909, LJN: AH8791, onder meer gepubliceerd in Belastingblad 2003/910, wordt het beroep en hoger beroep geacht mede te zijn gericht tegen de hernieuwde aanslag ten bedrage van € 777,55.

Ten aanzien van het geschil

4.2. Voor de beoordeling van baat van een onroerende zaak is van belang of die onroerende zaak door de voorziening die door of met medewerking van het gemeentebestuur tot stand is of wordt gebracht, in een voordeliger positie is komen te verkeren. Naar het oordeel van het Hof brengt de omstandigheid dat het technisch mogelijk is dat de onroerende zaak gelegen aan de C-straat 2 kan worden aangesloten op de riolering met zich, dat (ook) die onroerende zaak in een voordeliger positie is komen te verkeren. Het in de toelichting bij de Verordening opgenomen criterium dat baat wordt aangenomen indien binnen 40 meter van de onroerende zaak een aansluitmogelijkheid op de riolering is, staat er niet aan in de weg dat in andere gevallen ook sprake kan zijn van baat. Het Hof gaat er hierbij vanuit dat de gemeentelijke wetgever, blijkens de in de toelichting bij de Verordening opgenomen verwijzing naar de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 14 juni 2001, nr. 99/30, LJN: AB2951, alsmede de stelling ter zitting van de Heffingsambtenaar dat het 40-metercriterium is ontleend aan het Bouwbesluit, kennelijk van mening is dat baat moet worden aangenomen indien voor een onroerende zaak een aansluitverplichting bestaat. Het Hof is evenwel van oordeel dat niet een verplichting tot aansluiting doch de technische mogelijkheid tot aansluiting van belang is voor het antwoord op de vraag of een object in een voordeliger positie is komen te verkeren. Nu vaststaat dat voor de onroerende zaak gelegen aan de C-straat 2 technisch de mogelijkheid van aansluiting bestaat, moet de conclusie zijn dat laatstgenoemde zaak door de onderwerpelijke voorziening is gebaat. De omstandigheid dat de onroerende zaak gelegen aan de C-straat 2 is vervuild, maakt het voorgaande niet anders.

4.3. Aan hetgeen onder 4.2 is overwogen, verbindt het Hof het oordeel dat de onroerende zaak gelegen aan de C-straat 2 door de onderwerpelijke voorziening mede is gebaat. Nu die onroerende zaak niet in de Verordening is aangemerkt als gebaat en aldus niet in de heffing is betrokken, zijn de kosten van de riolering niet (mede) omgeslagen over die onroerende zaak. Dit leidt tot het oordeel dat sprake is van een willekeurige en onredelijke belastingheffing, zodat de Verordening onverbindend is (vgl. Hof Arnhem 9 december 2004, Belastingblad 2005, p. 427 en Hoge Raad 14 april 2006, Belastingblad 2006, p. 695).

De uit kracht van de onverbindende Verordening opgelegde aanslag kan niet in stand blijven.

4.4. Nu de aanslag ten onrechte aan belanghebbende is opgelegd, behoeft vraag b geen beantwoording meer.

4.5. Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen is het hoger beroep gegrond.

Ten aanzien van het griffierecht

4.6. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 39 respectievelijk € 110 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.7. Hoewel het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof geen termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Belanghebbende heeft namelijk niet verzocht om een proceskostenvergoeding, en het Hof is ook ambtshalve niet gebleken, dat hij voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- vernietigt de uitspraak van de Heffingsambtenaar;

- vernietigt de aanslag; en

- gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 149 vergoedt.

Aldus gedaan op 4 maart 2010 door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, N. van Beelen en S. Bosma, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.