Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ4620

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-03-2011
Datum publicatie
16-05-2011
Zaaknummer
10-00568
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft een monumentenwoning verkregen en op 25 september 2008 € 10.920 overdrachtbelasting ter zake van de verwerving betaald. Voorafgaande aan de koop heeft belanghebbende aan de inspecteur informatie verzocht met betrekking tot de overdrachtsbelasting bij monumentenpanden. De inspecteur heeft belanghebbende informatie verstrekt met betrekking tot de wettelijke regeling, het besluit van de staatssecretaris van 11 mei 2006, kopieën uit de inkomstenbelastingalmanak en een uitdraai van een toelichting op artikel 15, eerste lid Wet belastingen Rechtsverkeer.

Belanghebbende komt in bezwaar tegen de aangifte op 21 augustus, derhalve ruim 9 maanden te laat. Op 1 mei is er een uitspraak gedaan door het Hof Den haag (nr. 07/00421) waarin is beslist dat ook een natuurlijk persoon voor de vrijstelling voor monumentenpanden in aanmerking kan komen. Het Hof oordeelt, met de rechtbank, dat de inspecteur belanghebbende zeer volledig en juist heeft voorgelicht en dat er dus geen sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. De plicht van de inspecteur gaat niet zover dat hij belastingplichtige informeert over lopende procedures. Belanghebbende is niet-verschoonbaar te laat in bezwaar gekomen. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/1553
FutD 2011-1205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 10/00568

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X, wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 25 juni 2010, nummer AWB 09/3964, in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Limburg van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de op aangifte voldane overdrachtsbelasting.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende heeft op 25 september 2008 op aangifte € 10.920 overdrachtsbelasting voldaan. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de op aangifte voldane overdrachtsbelasting. De Inspecteur heeft bij uitspraak het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 111.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 10 februari 2011 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende alsmede de Inspecteur.

1.5. De Inspecteur heeft ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, kopieën overgelegd van twee arresten van de Hoge Raad.

1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

"2.1. Bij notariële akte van augustus 2008 is door belanghebbende verkregen de eigendom van de onroerende zaak gelegen aan de A-straat 15 te ---- -- Y (hierna: de woning). De woning is een monument in de zin van de Monumentenwet 1988.

2.2. De akte is geregistreerd op augustus 2008 te B. Op 25 september 2008 is door belanghebbende een bedrag van € 10.920 aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan, zijnde 6% van de koopprijs van € 182.000. In de akte is geen beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel p, van de Wet op Belastingen van Rechtsverkeer (hierna: Wet BRV). De vrijstelling voor monumenten in de zin van de Monumentenwet 1988 die door in Nederland gevestigde rechtspersonen welke hoofdzakelijk de instandhouding van dergelijke monumenten ten doel hebben worden verkregen.

2.3. Voorafgaand aan de koop van de woning heeft belanghebbende bij de inspecteur inlichtingen gevraagd met betrekking tot de verkrijging van een monumentaal pand. De inspecteur heeft bij brief van 12 juni 2008 de volgende informatie verstrekt:

- Het besluit van 11 mei 2006 van de Staatssecretaris van Financiën met betrekking tot aftrek van monumentenuitgaven in de inkomstenbelasting.

- kopieën uit de inkomstenbelastingalmanak 2008, betreffende informatie over de aftrek van normale en grootonderhoudskosten, wezenlijke verbeteringen en/of veranderingen en het zelf uitvoeren van onderhoud en reparaties.

- uitdraai van een toelichting op artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel p van de Wet BRV."

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard. In het bijzonder is in geschil of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, is voorts in geschil of belanghebbende, na kennis te hebben genomen van de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 mei 2009, nr. 07/00421, V-N 2009/31.17, zo spoedig als redelijkerwijs van hem kon worden verlangd een bezwaarschrift heeft ingediend.

Belanghebbende is van mening dat het bezwaar ontvankelijk moet worden verklaard. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. Indien het gelijk aan belanghebbende is, dan zijn partijen het erover eens dat belanghebbende - gelet op het Besluit van 10 juni 2009, nr. CPP2009/1076M, Stcrt. 2009, 106, V-N 2009/13.16 - recht heeft op de vrijstelling voor monumentenpanden en geen overdrachtsbelasting is verschuldigd.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak en vermindering van de op aangifte voldane overdrachtsbelasting tot nihil. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak en die van de Rechtbank.

4. Gronden

4.1. De Rechtbank heeft het volgende beslist:

"2.6. De overdrachtsbelasting is op aangifte voldaan op 25 september 2008. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is derhalve geëindigd op donderdag 6 november 2008. Het bezwaarschrift is gedagtekend 19 augustus 2009 en door de inspecteur ontvangen op 21 augustus 2009. Het bezwaarschrift is daarom, ingevolge artikel 6:9 van de Awb, niet tijdig ingediend.

2.7. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie een termijnoverschrijding niet verschoonbaar wordt geacht door nieuwe jurisprudentie op een later moment. Belanghebbende heeft als reden voor de overschrijding van de bezwaartermijn opgegeven dat de inspecteur in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door hem niet volledig te informeren. Volgens belanghebbende had hij erop mogen vertrouwen dat de inspecteur hem zou informeren over de toentertijd lopende beroepsprocedure waarin op 1 mei 2009 door het gerechtshof te 's-Gravenhage uitspraak is gedaan (nr 07/00421) en is beslist dat een natuurlijk persoon ook voor de monumentenvrijstelling van overdrachtsbelasting in aanmerking kan komen. Belanghebbende had dan namelijk tijdig een pro forma bezwaarschrift in kunnen dienen.

2.8. Op basis van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur belanghebbende zeer volledig en juist heeft geïnformeerd over de op dat moment bestaande regelgeving omtrent de monumentenvrijstelling. De beantwoording van het verzoek om inlichtingen reikt naar het oordeel van de rechtbank niet zo ver, ook al vraagt belanghebbende expliciet of hij in aanmerking kwam voor de monumentenvrijstelling van de overdrachtsbelasting, dat de inspecteur eveneens aangeeft of er beroepsprocedures aanhangig zijn met betrekking tot dit onderwerp. Van een inspecteur mag worden verwacht dat hij informeert omtrent de dan geldende wetgeving maar kan niet worden verwacht dat hij daarnaast omtrent alle lopende beroepsprocedures informatie geeft. Derhalve is geen sprake van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Nu het vorenstaande niet leidt tot de conclusie dat belanghebbende niet in verzuim is geweest is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het overige wat belanghebbende heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden."

4.2. Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat de Inspecteur belanghebbende juist en volledig heeft geïnformeerd over de op dat moment bestaande regelgeving inzake de monumentenvrijstelling. Het Hof wijst er voorts op dat de Inspecteur tevens informatie heeft verstrekt uit de literatuur, waarin wordt ingegaan op de vraag of de beperking van de vrijstelling tot bepaalde rechtspersonen als een ongeoorloofde discriminatie moet worden aangemerkt. De schrijver van het desbetreffende stuk gaat daarbij ook in op de positie van particulieren.

Het Hof is dan ook van oordeel dat geen sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel of van het vertrouwensbeginsel. Van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht is geen sprake.

4.3. Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen.

4.4. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

4.5. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 25 maart 2011 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, T.A. Gladpootjes en F. Sonneveldt, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH

's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.