Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ4619

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-03-2011
Datum publicatie
16-05-2011
Zaaknummer
10-00480
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft geen aangifte gedaan. Hij is project-adviseur, interim-manager en adviseur op gebied van milieu e.d. Hij heeft geen vaste woon- of verblijfplaats. Hij heeft een ambtshalve aanslag met een verzuimboete ontvangen. Belanghebbende verschijnt niet bij de mondelinge behandeling van zijn zaak. De rechtbank heeft beslist dat belanghebbendes klachten alleen betrekking hebben op de gang van zaken en de behandeling door de belastingdienst en dat zijn klachten niet tot een verlaging van de aanslag of de boete kunnen leiden. Het Hof kijkt nog naar een materiële grief van belanghebbende maar concludeert dat die grief van belanghebbende niet gehonoreerd kan worden omdat er te weinig gegevens zijn verstrekt. Bij de ambtshalve vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur het inkomen redelijk geschat. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/1554
V-N 2011/31.30.8
FutD 2011-1220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 10/00480

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X, met gekozen domicilie te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 12 mei 2010, nummer 09/4080 in het geding tussen

belanghebbende

en

de Inspecteur van de Belastingdienst/Limburg,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.792. Tevens is bij beschikking een verzuimboete van € 567 aan belanghebbende opgelegd en is aan hem heffingsrente in rekening gebracht. De aanslag, de boetebeschikking en de heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd onder niet-ontvankelijk verklaring van belanghebbende in zijn bezwaar.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, belanghebbende alsnog ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar, de bovengenoemde aanslag, alsmede de daarbij bij beschikking opgelegde verzuimboete en in rekening gebrachte heffingsrente gehandhaafd en gelast dat de Inspecteur dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan deze vergoedt.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 111. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende bij brief van 22 januari 2011 vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5. De zitting heeft plaatsgehad op 3 februari 2011 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de Inspecteur.

Belanghebbende is met kennisgeving aan het Hof niet verschenen.

1.6. Belanghebbende heeft vóór de zitting twee brieven - een van 22 januari 2011 en een van 28 januari 2011 - toegezonden aan het Hof en door tussenkomst van de griffier aan de wederpartij.

1.7. Het Hof heeft na de zitting het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende is sinds 1994 werkzaam als projectorganisator, interim-manager en incidenteel als adviseur op het gebied van milieu-, organisatie- en informatievoorziening.

Belanghebbende heeft al zijn bezittingen verkocht. Hij leeft zonder vaste woon-, of verblijfplaats.

2.2. Belanghebbende ontvangt sinds 2004 een uitkering van het UWV. Belanghebbende heeft over 2006 geen aangifte gedaan, ondanks herhaalde verzoeken daartoe. Belanghebbendes inkomen uit werk en woning is door de Inspecteur bij schatting ambtshalve vastgesteld op de som van de WGA- en ZW- bedragen van het UWV in 2006, zoals die hem bekend zijn.

Bij beschikking is een verzuimboete opgelegd, wegens een derde verzuim. De boete beloopt bij een te betalen belastingbedrag van € 2.541 het bedrag van € 567.

2.3. De Inspecteur heeft ter zitting van de Rechtbank verklaard rekening te zullen houden met belanghebbendes buitengewone uitgaven.

2.4. Belanghebbende werkt aan een mobiliteitsproject.

2.5. Belanghebbende procedeert blijkens een tot de stukken behorende e-mail aan de deken van de orde van Advocaten in het arrondissement A van 18 januari 2011 voor de burgerlijke rechter tegen de Ontvanger der Rijksbelastingen over 'schuldverloop en schuldverhouding'. Belanghebbende wil blijkens die e-mail "van de belastingdienst weten of en zo ja welke schuld hij aan de belastingdienst heeft en hoe die schuld is opgebouwd".

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

- Moet de Inspecteur kennis nemen van het mobiliteitsproject?

- Moet de Inspecteur belanghebbende onvoorwaardelijk en voorafgaande aan een bespreking daarover, inzage verlenen in het meest recente overzicht van het schuldverloop met de Staat en schendt hij door dit niet te doen beginselen van behoorlijk bestuur?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting zijn hier geen nieuwe ter zake relevante argumenten aan toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert naar het Hof aanneemt tot verlaging tot nihil van de aanslag IB/PH 2006, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente, zoals die bij de uitspraken van de Inspecteur en de Rechtbank zijn gehandhaafd. De Inspecteur concludeert tot handhaving van die aanslag, boetebeschikking en beschikking heffingsrente.

4. Gronden

4.1.1. De Rechtbank heeft beslist dat belanghebbendes klachten alleen betrekking hebben op de gang van zaken en de behandeling door de Belastingdienst en dat zijn klachten niet kunnen leiden tot een verlaging van de aanslag, de boete of de heffingsrente.

4.1.2. Wanneer het Hof belanghebbendes beroep welwillend leest en aanneemt dat zijn primaire eis dat de Inspecteur kennis neemt van het mobiliteitsproject er toe strekt dat hij daarmee wil komen tot de stelling dat de kosten van dat project een verlies veroorzaken dat zou kunnen leiden tot verlaging van de aanslag, boete en heffingsrente over 2006, dan strandt het beroep op de stelplicht van belanghebbende. Belanghebbende heeft het Hof onvoldoende gegevens verstrekt om tot een eventuele verlaging te kunnen overgaan. Het beroep is dan bij de primaire grief te vaag om tot iets te kunnen leiden en moet daarom in zoverre reeds ongegrond worden verklaard.

Daar komt bij dat belanghebbende geen aangifte heeft gedaan waardoor hij moet bewijzen waarom de aanslag onjuist is.

Bij de ambtshalve vaststelling van de aanslag heeft de Inspecteur het belastbaar inkomen geschat. Die schatting komt het Hof redelijk voor. De primaire grief van belanghebbende is ook daarom ongegrond.

4.2. De Rechtbank heeft verder - naar het oordeel van het Hof terecht - beslist dat zij onbevoegd is ten aanzien van de overige klachten en heeft belanghebbende terecht verwezen naar de burgerlijke rechter en naar de Ontvanger.

De subsidiaire grief van belanghebbende kan ook volgens het Hof niet tot een verlaging van de aanslag, de boete of de heffingsrente leiden en het beroep is daarom ook bij de tweede grief ongegrond.

4.3. Het Hof wijst er verder op dat de Inspecteur ter zitting van de Rechtbank de toezegging heeft gedaan dat hij ambtshalve nog met buitengewone uitgaven rekening zal houden wanneer belanghebbende die aannemelijk maakt. Hij heeft belanghebbende ter zitting van de Rechtbank bovendien een nieuw en recent overzicht van het schuldverloop toegezegd. Hij handelt daarmee niet in strijd met enig rechtsbeginsel.

Voorzover belanghebbende klachten over schending van beginselen betrekking hebben op de weigering dat overzicht voorafgaande aan de besprekingen daarvan toe te sturen kunnen deze niet tot een verlaging van de aanslag leiden.

Ook overigens is het Hof van enige schending van geschreven of ongeschreven rechtsbeginselen bij de aanslagregeling niet gebleken.

4.4. Het hiervoor in onderdelen 4.1 tot en met 4.3 overwogene leidt het Hof tot de conclusie dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond moet worden verklaard en dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

4.5. Nu het hoger beroep ongegrond wordt verklaard komt een schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht niet aan de orde.

4.6. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

4.7. Het Hof acht ook geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 18 maart 2011 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en H.M.N. Schonis, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.