Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ4608

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-03-2011
Datum publicatie
16-05-2011
Zaaknummer
09-00580
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft de Belgische nationaliteit en woont in het onderhavige jaar in België. Hij vervulde een dienstbetrekking bij een Nederlands baggerbedrijf dat hem in dat jaar detacheerde in Zweden , Algerije en de Verenigde Arabische Emiraten. Voor die periodes zijn detacheringsverklaringen (E 101-verklaringen ) afgegeven. De vraag is of belanghebbende voor de periode die hij werkzaam was buiten het territoir van de landen van de Europese Gemeenschap verzekerd was voor de Nederlandse volksverzekeringen. De inspecteur stelt dat de voor belanghebbende verstrekte detacheringsverklaringen bindend zijn voor alle partijen en verwijst daarbij onder meer naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 februari 2000 nr. C-202/97 (Fitzwilliam). Het Hof volgt de rechtbank in zijn oordeel en deelt de visie van de inspecteur met betrekking tot het arrest Fitzwilliam. Belanghebbende doet een beroep op het Zeerechtverdrag maar ook dat verwerpt het Hof: de Verenigde Arabische Emiraten hadden in 2003 dit verdrag nog niet geratificeerd en het Hof is evenmin gebleken van een dubbele sociale verzekering. Daarbij bestaat er geen rechtsregel die zegt dat het Zeerechtverdrag boven de verordening 1408/71 gaat. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/1517
FutD 2011-1192
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00580

Schriftelijke uitspraak op het hoger beroep van

De heer X,

wonende te Y (België),

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 9 september 2009, nummer AWB 08/5774, in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Limburg van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 1 oktober 2008 en onder aanslagnummer 0000.00.000.H.36 voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd van € 107 aan inkomstenbelasting en € 9.073 aan premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag). Na daartegen gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij uitspraak van 9 december 2008 de aanslag verminderd in dier voege dat de premie volksverzekeringen werd verminderd tot € 8.112.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank een griffierecht geheven van € 39. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 19 augustus 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlagen.

1.6. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende heeft de Belgische nationaliteit en woonde in 2003 in Y (België). Gedurende dat jaar vervulde hij een dienstbetrekking bij A B.V. te B (Nederland).

2.2. Belanghebbende verrichtte in 2003 in het kader van de dienstbetrekking werkzaamheden aan boord van verschillende baggerschepen. Van 9 februari tot 15 juni en van 15 juni tot 26 januari 2004 was belanghebbende op detacheringsbasis werkzaam binnen de territoriale wateren van Zweden respectievelijk van Algerije en de Verenigde Arabische Emiraten. Voor beide perioden zijn door de Sociale Verzekeringsbank detacheringverklaringen (E 101-verklaringen) afgegeven die de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving als de van toepassing zijnde wetgeving aanwijzen.

2.3. Detacheringverklaring nr. 000000, voor de periode van 9 februari 2003 tot en met 14 juni 2003, is afgegeven voor werkzaamheden binnen de territoriale wateren van Zweden op een onder Nederlandse vlag varend baggerschip. Die verklaring heeft als grondslag artikel 14, lid 1, letter a, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna: de Verordening). Detacheringverklaring nr. 111111, voor de periode van 15 juni 2003 tot en met 26 januari 2004, is afgegeven voor werkzaamheden buiten het territoir van de landen van de Europese Gemeenschap op een onder Italiaanse vlag varend baggerschip. Die verklaring heeft als grondslag artikel 14ter, lid 1, van de Verordening.

2.4. Bij de vragen 38a en 38b in het aangiftebiljet inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2003 heeft belanghebbende verzocht om vrijstelling van premie volksverzekeringen voor de periode van 15 juni tot en met 31 december (2003). Bij de aanslagregeling is belanghebbende voor het gehele jaar 2003 als premieplichtig aangemerkt en is hem geen vrijstelling van premie volksverzekeringen verleend. Na bezwaar is aan belanghebbende vrijstelling van premie volksverzekeringen verleend voor de periode van 1 januari tot en met 8 februari 2003. Voor de periode van 15 juni tot en met 31 december 2003 is de weigering tot het verlenen van vrijstelling van premie volksverzekeringen gehandhaafd. In verband met de vrijstelling voor de periode 1 januari tot en met 8 februari 2003 is de van belanghebbende tot een bedrag van € 9.073 geheven premie verminderd tot € 8.112.

3. Geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende van 15 juni 2003 tot en met 31 december 2003 verzekerd was voor de Nederlandse volksverzekeringen.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een te betalen bedrag van € 107 aan inkomstenbelasting en € 3.175 aan premie volksverzekeringen. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden voor de beslissing

Ten aanzien van het geschil

4.1. Artikel 2, lid 1, van de Verordening regelt de personele werkingssfeer en bepaalt, voor zover van belang, dat de Verordening van toepassing is op werknemers op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of is geweest en die onderdaan van een der lidstaten zijn. Nu belanghebbende als inwoner van België met de Belgische nationaliteit, een werknemer in dienstbetrekking bij een Nederlandse werkgever is en hij, naar niet in geschil is, in de periode 9 februari 2003 tot en met 14 juni 2003 verzekerd is volgens de Nederlandse volksverzekeringen, valt belanghebbende onder de personele werkingssfeer van de Verordening.

4.2.1. De Rechtbank heeft met betrekking tot de vraag of belanghebbende gedurende de in geschil zijnde periode verzekerd was volgens de Nederlandse volksverzekeringen, als volgt overwogen:

"2.6. In artikel 13, tweede lid, letter c, van de Verordening wordt voor zeevarenden de volgende hoofdregel gegeven:

'2. Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17:

(...)

c. is op degene die zijn beroepswerkzaamheden uitoefent aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een Lid-Staat vaart, de wetgeving van die Staat van toepassing;'

2.7. Uit de gedingstukken volgt dat belanghebbende in de periode 15 juni 2003 tot en met 26 januari 2004 is gedetacheerd door zijn werkgever. Belanghebbende heeft in die periode werkzaamheden verricht aan boord van een baggerschip dat onder Italiaanse vlag voer. Artikel 14ter, eerste lid van de Verordening bepaalt hierover het volgende:'Ten aanzien van de in artikel 13, lid 2, sub c, neergelegde regel gelden de volgende uitzonderingen en bijzonderheden:

1. Op degene die werkzaamheden in loondienst uitoefent voor een onderneming waaraan hij normaal verbonden is, hetzij op het grondgebied van een Lid-Staat, hetzij aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een Lid-Staat vaart, en die door deze onderneming wordt gedetacheerd om voor haar rekening arbeid te verrichten aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een andere Lid-Staat vaart, blijft de wetgeving van eerstbedoelde Lid-Staat van toepassing onder de in artikel 14, sub 1, gestelde voorwaarden.'

2.8. Nu de detachering van belanghebbende korter was dan twaalf maanden en niet gesteld of aannemelijk is geworden dat hij is uitgezonden ter vervanging van een persoon wiens detachering beëindigd is, is aan de voorwaarden van artikel 14, sub 1 (lees: lid 1, letter a, toevoeging Hof) van de Verordening voldaan. Het voorgaande heeft tot gevolg dat op belanghebbende in de periode 15 juni 2003 tot en met 31 december 2003 de Nederlandse wetgeving van toepassing is. Belanghebbende is in die periode verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen. Het gelijk is aan de inspecteur."

4.2.2. Het Hof acht dit oordeel van de Rechtbank juist en maakt dit tot de zijne. Het Hof voegt hieraan toe dat, anders dan belanghebbende stelt, niet van belang is dat belanghebbende zijn werkzaamheden in de desbetreffende periode buiten het territoir van de Europese Unie heeft verricht.

4.3.1. De Inspecteur heeft, onder verwijzing naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie) van 30 maart 2000, nr. C-178/97 (Barry Banks), onder ander gepubliceerd in RSV 2001, 56, en van 10 februari 2000, nr. C-202/97 (Fitzwilliam), onder andere gepubliceerd in BNB 2000/219, gesteld dat de detacheringverklaringen, zoals vermeld in 2.2 en 2.3, bindend zijn voor alle partijen. Belanghebbende heeft bestreden dat die stelling van de Inspecteur juist is. Daarbij heeft belanghebbende aangevoerd dat volgens genoemde arresten detacheringsverklaringen alleen gebondenheid meebrengen voor organen in lidstaten die de verklaring niet hebben afgegeven. De gebondenheid van belanghebbende is in het onderhavige geval niet aan de orde, aldus belanghebbende.

4.3.2. Het Hof volgt de zienswijze van belanghebbende niet.

In het arrest Fitzwilliam overweegt het Hof van Justitie ondermeer als volgt:

"56. Het bevoegde orgaan van de lidstaat die de E 101-verklaring heeft afgegeven, dient echter de juistheid van die afgifte opnieuw te onderzoeken en de verklaring zo nodig in te trekken, wanneer het bevoegde orgaan van de lidstaat waarin de werknemers zijn gedetacheerd twijfels uit over de juistheid van de feiten die aan die verklaring ten grondslag liggen en dus van de daarin opgenomen gegevens, met name wanneer zij niet voldoen aan de vereisten van artikel 14, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71.

57. Indien de betrokken organen het niet eens worden over, met name, de beoordeling van de concrete feiten van een specifieke situatie, en derhalve over de vraag of die situatie onder artikel 13, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 valt, staat het hun vrij de zaak voor de leggen aan de Administratieve Commissie.

[...]

59. Uit een en ander volgt, dat artikel 11, lid 1, sub a, van verordening nr. 574/72 aldus moet worden uitgelegd, dat de verklaring, afgegeven door het orgaan dat door de bevoegde autoriteit van een lidstaat is aangewezen, de socialezekerheidsorganen van andere lidstaten bindt, voor zover daarin wordt verklaard, dat de door een uitzendbureau gedetacheerde werknemers zijn aangesloten bij de socialezekerheidsregeling van de lidstaat waarin dit uitzendbureau is gevestigd. Wanneer de organen van andere lidstaten echter twijfels uiten over de juistheid van de feiten waarop de verklaring berust of over de juridische beoordeling van die feiten, en dus over de overeenstemming van de gegevens van die verklaring met verordening nr. 1408/71 en met name met artikel 14, lid 1, sub a, ervan, dient het afgevende orgaan de gegrondheid van die verklaring opnieuw te onderzoeken en deze zo nodig in te trekken."

4.3.3. Het Hof leidt uit vorenstaande overwegingen van het arrest Fitzwilliam af dat detacheringverklaringen als in de onderhavige zaak voor allen bindend zijn, dus ook voor de werknemer die is gedetacheerd, een en ander zolang de verklaring niet is ingetrokken. Het is aan het orgaan van de lidstaat dat de verklaring heeft afgegeven om, al dan niet op initiatief van het orgaan van de lidstaat waarin de werknemer is gedetacheerd, de verklaring in te trekken. Bij verschil van inzicht over de juistheid van de verklaring is het aan bedoelde organen om zich daarover te verstaan. Bij blijvend verschil van inzicht over de juistheid van de detacheringverklaring is een taak weggelegd voor de Administratieve Commissie. Belanghebbende is derhalve aan de detacheringverklaring met nummer 222222 gebonden.

4.3.4. Gelet op het vorenstaande behoeft de vraag of het onder Italiaanse vlag varende baggerschip waarop belanghebbende gedurende de periode van 15 juni 2003 tot en met 26 januari 2004 heeft gewerkt voor de toepassing van de Verordening een zeeschip is naar Italiaans recht geen beantwoording meer.

4.4. De Inspecteur heeft zich ter staving van zijn standpunt dat belanghebbende van 15 juni 2003 tot en met 31 december 2003 verzekerd was volgens de Nederlandse volksverzekeringen voorts beroepen op (onder andere) het arrest van het Hof van Justitie van 29 juni 1994, nr. C-60/93 (Aldewereld), onder andere gepubliceerd in BNB 1995/44. Belanghebbende heeft bestreden dat dit arrest in zijn geval van toepassing is. Gelet op hetgeen het Hof hiervoor heeft overwogen met betrekking tot de gebondenheid van belanghebbende aan de detacheringverklaring met nummer 222222, kan een en ander, wat er ook van zij, niet leiden tot het oordeel dat belanghebbende van 15 juni 2003 tot en met 31 december 2003 niet verzekerd was voor de Nederlandse volksverzekeringen.

4.5.1. Belanghebbende heeft ter bestrijding van de juistheid van het oordeel van de Rechtbank - dat uit het op 10 december 1982 gesloten Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (hierna: het Zeerechtverdrag) niet volgt dat de aan de kuststaat toekomende soevereine rechten zich mede uitstrekken tot de jurisdictie inzake sociaal verzekeringsrecht van een inwoner van een ander land - zich beroepen op de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot Wijziging van enkele wetten als gevolg van de uitbreiding van de sociale verzekeringsplicht voor personen die werkzaam zijn op het Nederlands deel van het continentaal plat (Wet sociale verzekeringen continentaal plat)(Tweede Kamer, Vergaderjaar 2009-2010, 32 383, nr. 3). Uit die Memorie van Toelichting heeft belanghebbende het volgende geciteerd:

"Op grond van de artikelen 60 en 80 van het Zeerechtverdrag (Trb. 1984,55) bezit de kuststaat, op het continentaal plat en de exclusieve economische zone, de uitsluitende rechtsmacht over de kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen, met inbegrip van rechtsmacht met betrekking tot de wetten inzake douane, belastingen, volksgezondheid, veiligheid en immigratie. Zowel het Verdrag inzake het continentale plateau van 29 april 1958 als het Zeerechtverdrag uit 1984 gaven aan Nederland alle ruimte om naar eigen inzicht de sociale zekerheid voor werknemers op het NCP vorm te geven. Deze rechtsmacht omvat naar het oordeel van de regering de regeling van de sociale bescherming, daaronder begrepen de sociale zekerheidsbescherming, van de personen die op de bedoelde eilanden, installaties en inrichtingen werkzaam zijn."

Het Zeerechtverdrag ziet zodoende "wel degelijk" op "de toepassing" van sociale zekerheidsrechten en "op soevereine rechten terzake" die toekomen aan in casu de kuststaten Algerije en de Verenigde Arabische Emiraten, aldus belanghebbende.

4.5.2. Voor zover een kuststaat aan het Zeerechtverdrag al soevereine rechten met betrekking tot de sociale zekerheid ontleent, baat deze stelling belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet. Er is immers geen rechtsregel volgens welke de bepalingen van het Zeerechtverdrag bij een gelijktijdige toepassing met de bepalingen van de Verordening voorrang hebben boven laatstgenoemde bepalingen. Het Hof verwijst in dit kader tevens naar de artikelen 6 en 7 van de Verordening.

In de relatie met de Verenigde Arabische Emiraten is van een dergelijke gelijktijdige toepassing overigens geen sprake omdat dit land het Zeerechtverdrag in 2003 nog niet had geratificeerd. In de relatie met Algerije zou een gelijktijdige toepassing ten hoogste kunnen leiden tot een dubbele sociale verzekering. Deze is het Hof evenwel niet gebleken.

4.5.3. Het vorenstaande brengt mee dat de stelling van belanghebbende inzake het arrest van het Hof van Justitie van 27 februari 2002, nr. C-37/00 (Weber), onder andere gepubliceerd in RSV 2002, 269, geen beantwoording meer behoeft.

4.6. Gelet op het al het vorenstaande moet de in 3.1 vermelde, in geschil zijnde vraag bevestigend worden beantwoord. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd. Het Hof beslist als hierna vermeld.

Ten aanzien van het griffierecht

4.7. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd. Het Hof acht geen redenen aanwezig om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 18 maart 2011 door P.A.G.M. Cools, voorzitter, J.W.J. Huige en M.B.A. van Hout, in tegenwoordigheid van M.M. Dondorp-Loopstra, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.