Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ4567

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-04-2011
Datum publicatie
13-05-2011
Zaaknummer
20-004770-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2008:BG5181, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van doodslag. Voorwaardelijk opzet, causaal verband.

Verdachte en zijn mededaders hebben blijkens de bewijsmiddelen het slachtoffer meermalen met kracht geslagen en getrapt en hem daarbij ook op/tegen het hoofd geraakt, onder andere terwijl hij weerloos op de grond lag.

Gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-004770-08

Uitspraak : 26 april 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 24 november 2008 in de strafzaak met parketnummer 03-702627-08 tegen:

[VERDACHTE P],

geboren te [geboorteplaats] op [dag] mei 1976,

verblijvende in PI Limburg Zuid - Gev. De Geerhorst te Sittard.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 10 jaren met aftrek van voorarrest en zal beslissen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen overeenkomstig de beslissingen van de rechtbank ter zake.

Door en namens verdachte is – kort samengevat – vrijspraak bepleit van het onder 1 primair ten laste gelegde, alsmede van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde voor zover betrekking hebbend op het bestanddeel “welk door hem gepleegd geweld de dood van [slachtoffer L] ten gevolge heeft gehad”. De verdediging heeft zich voorts gerefereerd ten aanzien van bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging, althans van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde en ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 2 en 3 ten laste gelegde. Ten aanzien van de strafmaat is oplegging van een lagere straf dan gevorderd door het openbaar ministerie bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 03 februari 2008 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer L] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) [slachtoffer L] getrapt, geslagen en/of met een barkruk, in elk geval met een hard voorwerp, op diens hoofd en/of tegen diens lichaam geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer L] is overleden;

subsidiair:

hij op of omstreeks 03 februari 2008 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten het café 't Vlaegelke Markt 8, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer L], welk geweld bestond uit het trappen, slaan en/of met een barkruk, in elk geval met een hard voorwerp, op het hoofd en/of tegen het lichaam van [slachtoffer L] slaan, waarbij hij, verdachte, [slachtoffer L] heeft getrapt en/of (met die barkruk) heeft geslagen, welk door hem gepleegd geweld de dood van [slachtoffer L] ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 03 februari 2008 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer L], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel ((onder meer) een hartstilstand en/of ernstig (hoofd-) letsel), heeft toegebracht, door opzettelijk genoemde [slachtoffer L] te trappen, te slaan en/of met een barkruk, in elk geval met een hard voorwerp, op diens hoofd en/of tegen diens lichaam te slaan, terwijl het feit de dood van [slachtoffer L] tengevolge heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 05 februari 2008 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, voorhanden heeft gehad een hoeveelheid kogelpatronen, in elk geval munitie in de zin van de Wet Wapens en Munitie van categorie III;

3.

hij op of omstreeks 05 februari 2008 in de gemeente Geleen, gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid, groot ongeveer 7,4 gram en/of een hoeveelheid, groot ongeveer 31,9 gram, in elk geval hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine, zijnde MDMA, N-ethyl MDA (=MDEA) en amfetamine (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Vrijspraak

Het hof stelt – evenals de rechtbank – vast dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte (al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen) [slachtoffer L] met een barkruk dan wel met een hard voorwerp, op diens hoofd en/of tegen diens lichaam heeft geslagen, zoals ten laste gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Er zijn aan het verhandelde ter terechtzitting weliswaar aanwijzingen te ontlenen dat verdachte een barkruk in de richting van [slachtoffer L] heeft bewogen/geduwd dan wel met een barkruk in de richting van diens lichaam heeft geslagen, maar het bewijs ontbreekt er voor dat verdachte en/of een of meer van zijn mededaders [slachtoffer L] ook daadwerkelijk met die barkruk heeft (hebben) geraakt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 3 februari 2008 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer L] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders [slachtoffer L] getrapt en geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer L] is overleden;

2.

hij op 5 februari 2008 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, voorhanden heeft gehad een hoeveelheid kogelpatronen van categorie III;

3.

hij op 5 februari 2008 in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 7,4 gram van een materiaal bevattende MDMA en 31,9 gram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde MDMA en amfetamine middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

A.

Door en namens de verdachte is ten verwere betoogd dat hij dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde.

Daartoe is eerstens aangevoerd dat verdachte niet als medepleger van de doodslag kan worden aangemerkt, omdat het door hem gebruikte geweld -hetgeen bestond uit een enkele schop tegen het lichaam (de romp) van [slachtoffer L] toen deze op de grond lag- niet kan worden beschouwd als zozeer te zijn gericht op het intreden van het gevolg, de dood, dat kan worden gesteld dat verdachte als medepleger van de doodslag kan worden aangemerkt.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.

Het hof stelt voorop dat met het gebruik als bewijsmiddel van vele van de zich in het procesdossier bevindende verklaringen van getuigen terughoudendheid moet worden betracht. Het gaat hier om een kortdurende, hevige vechtpartij met meerdere deelnemers, die heeft plaatsgevonden in een café waarbij het zicht van meerdere getuigen beperkt werd door obstakels in dat café en door andere aanwezigen. Veel getuigen hadden alcohol gebruikt.

Tegen deze achtergrond overweegt het hof het volgende.

C.

Uit de tot het bewijs gebezigde verklaringen van de getuigen [getuige F], [getuige H], [getuige V1], [getuige B] en [getuige V2] blijkt dat bij de vechtpartij meerdere personen betrokken waren.

1.

Verdachte heeft zelf verklaard dat hij op 3 februari 2008 in café ‘t Vlaegelke te Geleen was, dat hij op enig moment zag dat er een schermutseling was ontstaan en erop af is gelopen en dat hij [slachtoffer L] heeft geschopt, toen deze voor de bar op de grond lag.

2.

Getuige [getuige F] heeft volgens haar verklaring van 25 februari 2008 gezien dat op 3 februari 2008 een groep mensen, waar verdachte deel van uitmaakte, café ’t Vlaegelke aan de Markt te Geleen zijn binnengekomen. Opeens ziet zij bij de bar een ophoping van mensen, die heel snel naar elkaar toe renden. Met die mensen bedoelt ze de groep die ze eerder had zien binnenkomen. Ze ziet dat verdachte haar met een vaart passeert en een trappende beweging met zijn onderlichaam maakt en ook een slaande beweging met zijn rechterarm in de richting van een man (het hof: [slachtoffer L]) die op de hoek van de bar staat. Ze ziet dat die man door meerdere personen uit de groep wordt geslagen, waarbij de man min of meer omsingeld wordt door de groep. Ze ziet meerdere vuisten de man slaan en ziet dat de man hierdoor wordt geraakt. [getuige F] verklaart voorts dat ze ziet dat die man letterlijk werd neergeslagen en op de grond valt. Ze gaat er dan wat korter bij staan en ziet dat de man die door de groep was geslagen op de grond voor de bar ligt. Ze ziet dat de armen van de man er stil bijliggen, hij schermde zijn gezicht niet af. De man lag er heel stil bij. Ze ziet meteen dat een viertal benen met brute kracht op de man in aan het trappen waren, waarbij de man zich niet weerde en de mannen gewoon doorgingen met het trappen op die man. De mannen die de man trapten moeten dezelfde mannen zijn geweest die de man eerder hadden geslagen, aldus [getuige F], want ze zag dat niemand van de plaats was vertrokken. Ze ziet minimaal 4 personen de man met brute kracht trappen. Ze ziet dat de man eenmaal hard op zijn hoofd werd getrapt, meerdere malen op zijn borst en buik en enkele malen op zijn benen. Ze ziet dat er heel vaak op de man werd ingetrapt en heel snel achter elkaar. Ze verklaart: ik was helemaal gefixeerd op het trappen van die groep omdat ik het zo shockerend vond, zoveel geweld. Ik schrok hier zo van, ik hield mijn adem gewoon in. Ik vond het zo erg. Die man op de grond werd zo hard en met zoveel geweld getrapt terwijl hij bewusteloos was. Hij heeft zich geen enkele keer afgeweerd met zijn armen of zo. Hij lag er gewoon de hele tijd levenloos bij.

Het hof acht voornoemde verklaring – anders dan de raadsman heeft bepleit – betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Die verklaring van [getuige F] vindt immers bevestiging in de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [getuige H], [getuige V1], [getuige B] en [getuige V2]. Dat zij zich daarbij heeft vergist omtrent de positie van [slachtoffer L] op de grond (anders dan zij verklaard heeft lag deze immers met zijn hoofd in de richting van de muur waartegen de gokautomaten waren geplaatst) maakt dat niet anders. Het hof acht dat van ondergeschikt belang. Voorts heeft het hof nog in aanmerking genomen dat [getuige F] in haar verklaring bij de rechter-commissaris van 24 april 2008 in de kern gelijkluidend heeft verklaard over hetgeen zij heeft waargenomen. Een uitzondering hierop is de omstandigheid dat zij heeft gezien dat verdachte, nadat hij naar voren rende, [slachtoffer L] sloeg en dat die klap raak was. Dát maakt haar verklaring evenwel niet onbetrouwbaar. Het hof bezigt dat gedeelte van haar verklaring bij de rechter-commissaris, te weten: het raak zijn van de klap, niet tot het bewijs.

3.

Getuige [getuige H] heeft volgens haar verklaring van 26 februari 2008, terwijl zij op 3 februari 2008 van buiten het café ’t Vlaegelke aan de Markt te Geleen door het raam naar binnen keek, gezien dat een groep van vijf mannen een haar onbekende man in elkaar aan het slaan en aan het schoppen was. Later hoorde ze dat die onbekende man [slachtoffer L] was genaamd. De mannen stonden rondom [slachtoffer L] en ze zag dat al deze mannen hem aan het slaan en schoppen waren. Ze sloegen duidelijk zo hard mogelijk met hun vuisten en ze zag ook duidelijk dat die mannen [slachtoffer L] met veel kracht aan het trappen waren. Door die vuistslagen werd hij voornamelijk tegen zijn hoofd geraakt. Ze trapten hem overal waar men (hof: ze) hem kon raken. Ze zag duidelijk, terwijl hij geslagen en geschopt werd, dat zijn lichaam heen en weer bewoog en dat hij zich niet verweerde. Terwijl hij helemaal niet meer bewoog werd hij toch nog door die groep van 5 mannen getrapt. Bij een fotoconfrontatie heeft zij verdachte herkend als één van de mannen [slachtoffer L] hebben mishandeld.

Het hof acht voornoemde verklaring -anders dan de raadsman heeft bepleit- betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Niet alleen vindt deze verklaring bevestiging in de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [getuige F], [getuige V1], [getuige B] en [getuige V2], maar ook heeft [getuige H] in de kern gelijkluidend verklaard bij gelegenheid van haar verklaring bij de rechter-commissaris d.d. 16 maart 2010. Dat [getuige H] zich mogelijk heeft vergist over de exacte plaats in het café waar een en ander zich heeft afgespeeld maakt dat niet anders. In haar verklaringen omtrent de aard van de geweldshandelingen en de betrokkenheid van verdachte daarbij is zij consistent.

Het hof stelt voorts nog vast dat de rechtbank bij gelegenheid van de op 9 oktober 2008 in café ’t Vlaegelke gehouden schouw heeft vastgesteld dat zowel door de onderste ruiten (het betreft zogenaamde “glas in lood” ramen) als door de bovenste ruiten in de ramen van de voorgevel van het café naar binnen gekeken kan worden en dat – afhankelijk van de gekozen positie – zicht kan worden verkregen op het podium en de ruimte achter het portaal van café ’t Vlaegelke. Indien de raadsman heeft bedoeld te stellen dat de verdachte door de “glas in lood” ramen niet heeft kúnnen waarnemen hetgeen zij verklaart te hebben waargenomen, is dat gelet op vorenstaande derhalve onjuist.

Tot slot merkt het hof nog op dat het voorbij gaat aan hetgeen door de raadsman is aangevoerd omtrent een motief van getuige [getuige H] om in strijd met de waarheid te verklaren, te weten: dat zij wil bewerkstelligen dat de verdachten zo lang mogelijk in de gevangenis moeten blijven. Het hof houdt het er voor dat getuige [getuige H] om bedoelde reden bereid was een verklaring in onderhavige kwestie af te leggen; dat zij hierbij om die reden in strijd met de waarheid zou hebben verklaard, zoals de raadsman aanvoert, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden.

4.

Getuige [getuige V1] heeft op 10 februari 2008 een verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij op 3 februari 2008 achter de bar van café ’t Vlaegelke stond. Op een gegeven moment heeft hij gezien dat [slachtoffer L] het café in kwam gestormd en op een kale Molukker afvloog (hof: [medeverdachte S]). Voordat hij die kale Molukker had aangeraakt werd hij al door die kale Molukker met een vuist hard geslagen. Hij zag meteen dat het groepje (hof: bestaande uit) verdachte, [medeverdachte H] (hof: [medeverdachte H]) en [medeverdachte D] (hof: [medeverdachte D]) erop af kwam gerend. Zij bevonden zich achter in het café. Hij zag dat deze personen op [slachtoffer L] afvlogen en aanvielen en hem vervolgens met vuisten meerdere malen op zijn gezicht en lichaam sloegen. Wie er allemaal exact geslagen heeft weet hij niet; hij denkt allemaal want hij zag meerdere vuisten die [slachtoffer L] sloegen. Hij weet in ieder geval zeker dat [medeverdachte D] geslagen heeft, dat heeft hij heel duidelijk gezien. [slachtoffer L] is voor de bar op de grond gevallen. [getuige V1] zag [medeverdachte H], [medeverdachte D], verdachte en de kale Molukker trappende bewegingen maken in de richting van waar [slachtoffer L] lag. Hij zag dat deze mannen aan het trappen waren door de schokkende bewegingen van hun lichamen. De barhoogte was ongeveer tot het middenrif van het meeste van die mannen dus door (hof: uit) hun bewegingen kon hij duidelijk opmaken dat zij aan het trappen waren naar [slachtoffer L], die voor hen op de grond lag. Hij schrok zich kapot van dat geweld en dacht dit gaat helemaal mis. De mannen trapten heel hard in de richting van [slachtoffer L] die op de grond lag en snel achter elkaar.

Het hof acht voornoemde verklaring betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Niet alleen vindt deze verklaring bevestiging in de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [getuige F], [getuige H], [getuige B] en [getuige V2], maar ook heeft [getuige V1] in de kern gelijkluidend verklaard omtrent zijn waarnemingen die avond – zoals tot het bewijs gebezigd – bij gelegenheid van zijn verklaringen bij de rechter-commissaris d.d. 25 april 2008 en d.d. 2 maart 2011.

5.

Getuige [getuige B] heeft in zijn verklaring van 26 februari 2008 verklaard dat een vijftal personen in een halve cirkel om [slachtoffer L] heen stond toen deze op de grond lag en dat [slachtoffer L] door de groep werd getrapt. Die trappende bewegingen werden zowel van boven naar beneden als van achter naar voren gemaakt. Hij dacht op een gegeven moment: stop nou eens met schoppen/trappen, want hij beweegt niet meer.

6.

Getuige [getuige V2] heeft op 25 februari 2008 een verklaring afgelegd. Hij heeft gezien dat er om de man die inmiddels op de grond lag een groep mannen stond. Het betrof ongeveer tussen de 4 en 6 mannen. Precies weet hij dat niet meer. Hij zag dat de mannen de man die op de grond lag aan het schoppen en slaan waren. Hij zag dat hij tegen het hoofd werd geraakt. Hij zag dat er vol werd door geschopt, daar bedoelt hij mee dat de schoppen met kracht werden uitgevoerd. Bij de rechter-commissaris heeft hij op 24 april 2008 gelijkluidend verklaard en heeft toen nog aangegeven dat hij heel goed heeft gezien dat de man tegen het hoofd werd geraakt, maar niets kan zeggen over de persoon die het slachtoffer tegen het hoofd heeft getrapt. Het hof merkt nog op dat het op grond van de verklaringen van [getuige V2] niet heeft kunnen vaststellen dat hij onjuist heeft verklaard omtrent de positie van het slachtoffer toen deze voor de bar op de grond lag, zoals de raadsman – overigens zonder nadere toelichting – heeft betoogd. Ook al zou hij overigens op dit punt onjuist verklaard hebben, maakt dat naar het oordeel van het hof zijn tot het bewijs gebezigde verklaring niet onbetrouwbaar.

D.

Op grond van het vorenstaande als weergegeven onder C.1. tot en met C.6. – in onderling verband en samenhang, ook met overige bewijsmiddelen, bezien – is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de verdachte – anders dan volgt uit zijn eigen verklaring hieromtrent – een aanzienlijke rol heeft gespeeld in het jegens [slachtoffer L] uitgeoefende geweld, zowel met betrekking tot het slaan als met betrekking tot het trappen van [slachtoffer L] en dat hij in een bewuste, nauwe en volledige samenwerking met de andere mededaders betrokken is geweest bij het onder 1 primair bewezen verklaarde feit. Ook staat op grond daarvan vast dat [slachtoffer L], terwijl hij op de grond lag, tegen het hoofd werd getrapt. Dát het hoofd van [slachtoffer L] daarbij – zoals de raadsman aanvoert – zodanig gefixeerd tegen de rand van de bar lag, dat een voor de verscheuring van de slagader vereiste beweging van het hoofd als hierna omschreven niet mogelijk was, is niet aannemelijk geworden.

Het verweer faalt derhalve in zoverre.

E.

Verdachte en zijn mededaders hebben blijkens de bewijsmiddelen het slachtoffer meermalen met kracht geslagen en getrapt en hem daarbij ook op/tegen het hoofd geraakt, onder andere terwijl hij weerloos op de grond lag. Naar algemene ervaringsregels is de kans dat iemand als gevolg van het aldus uitgeoefende geweld komt te overlijden aanmerkelijk. De gedragingen van verdachte en zijn mededaders waren dan ook geëigend om het slachtoffer zodanig letsel toe te brengen, dat hij daaraan zou kunnen overlijden. Elk weldenkend mens zal zich dit realiseren. Van omstandigheden waarom dit in onderhavig geval niet zou gelden voor verdachte, is niet gebleken.

De gedragingen van verdachte en zijn mededaders kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het in de bewezenverklaring omschreven gevolg, te weten het van het leven beroven van [slachtoffer L], dat het – behoudens contra-indicaties, waarvan in onderhavig geval niet is gebleken – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg heeft aanvaard. Aldus heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer L] als gevolg van zijn en zijn mededaders bewezen verklaarde handelen zou overlijden en is het opzet van verdachte in voorwaardelijke zin daarop gericht geweest.

F.

1.

Namens de verdachte is nog ten verwere betoogd dat het ingetreden gevolg, de dood, niet aan verdachte kan worden toegerekend. Immers, de aanzienlijke kans bestaat dat het dodelijk letsel eerder is toegebracht dan (zo begrijpt het hof: het moment waarop) verdachte zelf geweld tegen het slachtoffer heeft gebruikt. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat dat letsel kan zijn toegebracht:

(a) óf tijdens een kort aan de vechtpartij voorafgegane eerdere schermutseling, waarbij in ieder geval [slachtoffer L], [medeverdachte D] en [medeverdachte S] waren betrokken,

(b) óf door geweldshandelingen van anderen dan verdachte (slaan tegen het hoofd van [slachtoffer L]), die hebben plaatsgevonden kort voordat verdachte van achter in het café naar voren was gegaan, van welke handelingen verdachte geen kennis had.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

2.

[slachtoffer L] is op 16 februari 2008 overleden. De doodsoorzaak was een verscheuring van de onderste slagader van de kleine hersenen als gevolg van botsend geweld op het hoofd. Een dergelijke verscheuring ontstaat bij voldoende rek op het bloedvat. Daarvoor is een plotselinge, krachtige, draaiende hoofdbeweging nodig. Het is mogelijk dat een scheuring ontstaat als gevolg van één gerichte (vuist)slag en ook als gevolg van het tegen het hoofd schoppen/trappen van iemand die op de grond ligt.

Naast de verscheuring van de onderste slagader van de kleine hersenen had [slachtoffer L] uitgebreide bloeduitstortingen op het hoofd in de schedelhuid, alsmede uitgebreide breuken in het dak van de oogkas rechts en een haarbreuk in de onderste delen van het voorhoofdsbot rechts en kleine breuken in het dak van de oogkas links. Al deze verwondingen waren ontstaan bij leven, ten gevolge van botsend geweld op het hoofd.

3.

Voor wat betreft het hiervoor onder 1.a. vermelde incident stelt het hof vast dat aan het procesdossier geen aanwijzingen zijn te ontlenen dat het hoofd van [slachtoffer L] tijdens dat incident een zodanige plotselinge, krachtige, draaiende beweging heeft gemaakt dat als gevolg daarvan de verscheuring van de onderste slagader van de kleine hersenen heeft plaatsgevonden.

Het verweer faalt in zoverre.

4.

Nu verdachte, zoals hiervoor onder D is overwogen, een zodanige rol heeft gespeeld in het jegens [slachtoffer L] (bij het hiervoor onder 1.b. vermelde incident) uitgeoefende geweld, zowel met betrekking tot het slaan als met betrekking tot het trappen van [slachtoffer L], dat daaruit volgt dat hij in een bewuste, nauwe en volledige samenwerking met de andere mededaders betrokken is geweest bij het jegens [slachtoffer L] gebruikte geweld, wordt het fatale letsel van [slachtoffer L] (ook) aan verdachte toegerekend. Het is daarbij niet van belang wie van de geweldplegers de fatale klap dan wel trap tegen het hoofd heeft gegeven. Het hof merkt daarbij op dat verdachte er niet van uit mocht gaan dat het fatale letsel reeds was toegebracht voordat hij zelf geweld tegen [slachtoffer L] aanwendde. Dat hij dat gedaan zou hebben is overigens gesteld noch gebleken.

Het verweer faalt derhalve ook voor het overige.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn overigens geen feiten en/of omstandigheden naar voren gekomen die tot een ander oordeel zouden moeten leiden dan hiervoor is weergegeven.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 primair is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 2 is voorzien bij artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van die wet.

Het bewezen verklaarde onder 3 is telkens voorzien bij artikel 2 onder C van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 10, derde lid van die wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Zij worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij is in het bijzonder rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met het volgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van doodslag. Daarmee heeft hij [slachtoffer L] beroofd van het meest fundamentele recht van een mens, namelijk het recht op leven. Dit heeft op een gewelddadige wijze plaatsgevonden, waarbij verdachte en zijn mededaders het slachtoffer zijn blijven trappen toen deze bewusteloos op de grond lag. Er is sprake geweest van een geweldsexplosie zonder enige noemenswaardige aanleiding. Het hof rekent dat verdachte (en zijn mededaders) zwaar aan.

Het overlijden van [slachtoffer L] heeft groot leed teweeggebracht bij zijn nabestaanden, die bovendien geruime tijd in onzekerheid hebben moeten verkeren over zijn lot.

Doordat de geweldshandelingen openlijk in een café plaatsvonden ten overstaan van het uitgaanspubliek, heeft dit gebeuren een grote maatschappelijke impact gehad. Het is te verwachten dat hierdoor de algemene gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de samenleving in negatieve zin worden beïnvloed.

In strafverzwarende zin heeft het hof er rekening meegehouden dat verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 12 april 2011 eerder terzake van geweldsdelicten, waaronder doodslag, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaren.

Het hof houdt er ten voordele van verdachte rekening mee dat hij openlijk en oprecht berouw heeft getoond over wat er is gebeurd, onder meer door de nabestaanden een brief te schrijven.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op al hetgeen hierboven is overwogen, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor aanmerkelijke duur met zich brengt.

Alles afwegende acht het hof, anders dan door de advocaat-generaal gevorderd en door de raadsman bepleit, een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

De feiten onder 2 en 3 bewezen verklaard leggen daarbij naar het oordeel van het hof niet een zodanig gewicht in de schaal dat deze in genoemde straf nog wijziging brengen.

De vordering van de benadeelde partij, [de heer L1] en [mevrouw L1]

De benadeelde partij, [de heer L1] en [mevrouw L1], heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 719,48, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen. Deze vordering duurt van rechtswege voort in hoger beroep.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij, [de heer L1] en [mevrouw L1], als gevolg van verdachtes onder 1 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot voormeld bedrag van EUR 719,48, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2008 tot aan de dag van algehele voldoening. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte (en zijn mededaders) zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vordering van de benadeelde partij [mevrouw L2]

De benadeelde partij [mevrouw L2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 5.685,61, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen. Deze vordering duurt van rechtswege voort in hoger beroep.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij, [mevrouw L2], als gevolg van verdachtes onder 1 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot voormeld bedrag van EUR 5.685,61, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2008 tot aan de dag van algehele voldoening. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof merkt daarbij op dat de vordering van [mevrouw L2] identiek is aan die van de benadeelde partij [de heer L2], zodat voldoening van de vordering van [mevrouw L2], verdachte en zijn mededaders bevrijdt van de voldoening van de vordering van [de heer L2].

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte (en zijn mededaders) zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vordering van de benadeelde partij [de heer L2]

De benadeelde partij [de heer L2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 5.685,61, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen. Deze vordering duurt van rechtswege voort in hoger beroep.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij, [de heer L2], als gevolg van verdachtes onder 1 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot voormeld bedrag van EUR 5.685,61, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2008 tot aan de dag van algehele voldoening. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof merkt daarbij op dat de vordering van [de heer L2] identiek is aan die van de benadeelde partij [mevrouw L2], zodat voldoening van de vordering van [de heer L2], verdachte en zijn mededaders bevrijdt van de vordering van [mevrouw L2].

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte (en zijn mededaders) zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 47, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1 Medeplegen van doodslag.

2 Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

3 Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij, [de heer L1] en [mevrouw L1], toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd een bedrag te betalen van EUR 719,48 (zevenhonderdnegentien euro en achtenveertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2008 tot aan de dag van algehele voldoening, met dien verstande dat en indien en voor zover een mededader van verdachte aan deze vordering heeft voldaan de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [de heer L1] en [mevrouw L1], gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [de heer L1] en [mevrouw L1], wonende te [adres], Geleen, aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 719,48 (zevenhonderdnegentien euro en achtenveertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte en/of de mededader(s) heeft/hebben voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of de mededader(s) heeft/hebben voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [mevrouw L2] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd een bedrag te betalen van EUR 5.685,61 (vijfduizendzeshonderdvijfentachtig euro en eenenzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2008 tot aan de dag van algehele voldoening, met dien verstande dat en indien en voor zover een mededader van verdachte aan deze vordering heeft voldaan de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [mevrouw L2] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [mevrouw L2], wonende te [adres], Noordwijk, aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 5.685,61 (vijfduizendzeshonderdvijfentachtig euro en eenenzestig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 63 (drieënzestig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte en/of de mededader(s) heeft/hebben voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of de mededader(s) heeft/hebben voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [de heer L2] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd een bedrag te betalen van EUR 5.685,61 (vijfduizendzeshonderdvijfentachtig euro en eenenzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2008 tot aan de dag van algehele voldoening, met dien verstande dat en indien en voor zover een mededader van verdachte aan deze vordering heeft voldaan de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [de heer L2] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [de heer L2], wonende te [adres], Geleen, aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 5.685,61 (vijfduizendzeshonderdvijfentachtig euro en eenenzestig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 63 (drieënzestig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte en/of de mededader(s) heeft/hebben voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of de mededader(s) heeft/hebben voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte en/of de mededader(s) de vordering van de benadeelde partij [de heer L2] heeft/hebben voldaan, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [mevrouw L2] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of de mededader(s) heeft/hebben voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [mevrouw L2] daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [de heer L2] in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,

mr. F. van Es en mr. E.A.A.M. Pfeil,

in tegenwoordigheid van mr. R.J. Gras, griffier,

en op 26 april 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. F. van Es en mr. E.A.A.M. Pfeil zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.