Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ4445

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-05-2011
Datum publicatie
13-05-2011
Zaaknummer
HD 200.064.049
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overlijdens- en letselschade na dubbele moord en poging tot moord; geen gespecificeerd bewijsaanbod in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.064.049

arrest van de vierde kamer van 10 mei 2011

in de zaak van

[A.],

wonende te [woonplaats],

appellant in incidenteel appel,

advocaat: mr. M.J.J.E. Stassen,

tegen:

[B.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. M.J.A.M. Tonnaer,

op het bij exploot van dagvaarding van 19 maart 2010, uitgebracht namens [B.], en het bij herstelexploot van 23 april 2010 van [A.], ingeleide incidenteel hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 30 december 2009 tussen appellant - [A.] - als gedaagde en geïntimeerde - [B.] - als eiseres.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 129373/HA ZA 08-424)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven in incidenteel appel heeft [A.] drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [B.].

2.2. Bij memorie van antwoord in incidenteel appel heeft [B.] de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. In het dossier van [A.] ontbreken de bij inleidende dagvaarding overgelegde producties.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

in incidenteel appel

4.1. [B.] heeft bij exploot van 19 maart 2010, betekend aan [A.] in persoon, aangezegd tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 30 december 2009 in hoger beroep te komen en [A.] gedagvaard ter rolle van 13 april 2010. [B.] heeft nagelaten dit exploot voor 13 april 2010 te doen inschrijven. [A.] heeft op 23 april 2010, dus binnen twee weken na de aanvankelijk aangezegde rechtsdag, een herstelexploot uitgebracht en daarbij tevens incidenteel appel ingesteld. Dit herstelexploot is vóór daarin aangezegde roldatum van 4 mei 2010 door de griffier van dit hof ingeschreven. Daarmee heeft [A.] het verval van aanhangigheid van het appel voorkomen en geldig incidenteel appel ingesteld.

4.2. De rechtbank heeft in onderdeel 2.1 t/m 2.3 van het vonnis de feiten vastgesteld waarvan in dit geschil moet worden uitgegaan. Deze feiten, die niet zijn betwist, zijn ook in hoger beroep uitgangspunt. Voorts staat nog een aantal feiten als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken vast. Het hof zal de feiten hierna duidelijkheidshalve herhalen en aanvullen.

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.2.1. [B.] is een dochter van wijlen [C.] en [D.] (hierna ook: de ouders) en de moeder van [E.], geboren op [geboortedatum] 1994 (hierna: [E.]).

4.2.2. [A.] heeft op 12 juli 2003 voor een koopprijs van € 9.500,00 een BMW, type 740i, met het kenteken [kentekennummer] (hierna: de BMW), gekocht van [C.]. Het kenteken van de BMW is op 12 juli 2003 op het postkantoor op naam van [A.] gezet.

4.2.3. Eveneens op 12 juli 2003 zijn [C.] en [D.] in hun bedrijf door pistoolschoten om het leven gebracht. Ook [E.], die op dat moment toevallig in het bedrijf van haar opa en oma aanwezig was, is met een pistool door het hoofd geschoten, maar zij heeft het overleefd.

4.2.4. [A.] is bij arrest van dit hof van 14 juli 2005 veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens moord op de ouders van [B.] en poging tot doodslag op [E.], gepleegd op 12 juli 2003.

4.2.5. Bij arrest van de Hoge Raad van 21 november 2006 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van [A.] tegen genoemd arrest van het hof verworpen.

4.2.6. [B.] heeft [A.] bij aangetekende brief van 18 november 2005, persoonlijk overhandigd aan zijn advocaat, gesommeerd tot betaling van schadevergoeding. [A.] heeft daar niet op gereageerd.

4.3.1. In de onderhavige procedure vordert [B.] in eerste aanleg, kort samengevat:

als nabestaande van haar ouders:

a) vergoeding van de kosten van lijkbezorging ex art. 6:108 BW;

b) vergoeding van de kosten inzake de beëindiging van de bedrijfsvoering van haar ouders;

als wettelijk vertegenwoordiger van haar dochter [E.]:

c) vergoeding van de materiële schade ex art. 6:107 BW, met name de kosten van de langdurige medische behandeling (geneeskundige kosten, verpleeg- en revalidatiekosten);

d) vergoeding van de immateriële schade van [E.] vanwege de door [A.] gepleegde inbreuk op het persoonlijkheidsrecht van [E.] alsmede vanwege het feit dat [E.] door getuige te zijn geweest van de brute moord op haar opa en oma emotioneel voor het leven is getekend;

namens zichzelf:

e) vergoeding van de door haar geleden materiële schade ex art. 6:107 BW betreffende haar bezoek- en reiskosten, gemaakt in verband met [E.];

f) vergoeding van de door haar geleden immateriële schade, geleden tengevolge van de schokkende wijze waarop zij is geconfronteerd met de gruwelijke moord op haar ouders en de bijna fatale gevolgen van de poging tot doodslag van [E.].

Voorts vordert [B.] in haar hoedanigheid van erfgename van de rechtmatige eigenaar:

g) primair: veroordeling van [A.] tot betaling aan [B.] van een bedrag van € 9.500,=, te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW vanaf de dag van de levering van de BMW met kenteken [kentekennummer], subsidiair: veroordeling van [A.] tot teruggave van genoemde BMW en meer subsidiair veroordeling van [A.] tot betaling van een bedrag van € 9.500,= uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking, te vermeerden met de wettelijke rente vanaf de dag van levering van de BMW.

Ten slotte vordert [B.] veroordeling van [A.] in de proceskosten, waaronder begrepen de kosten van de beslaglegging, en de nakosten van de procedure.

[B.] stelt, kort samengevat, dat [A.] op 12 juli 2003 niet alleen onrechtmatig jegens haar ouders en [E.] heeft gehandeld doch ook tegenover haar. Ten aanzien van de BMW stelt [B.] dat [A.] onder valse voorwendselen in het bezit is gekomen van de BMW door het kenteken op zijn naam te laten zetten, terwijl hij nooit van plan is geweest de koopprijs te betalen. Derhalve is [A.] van rechtswege in verzuim, aldus [B.].

4.3.2. [A.] ontkent de feiten – de dubbele moord en de poging tot doodslag – te hebben gepleegd en betwist om die reden aansprakelijk te kunnen worden gehouden voor de ontstane schade. Voor het geval [A.] op grond van de uitspraken van de strafrechter toch aansprakelijk mocht zijn, stelt hij dat op grond van art. 6:108 BW alleen de kosten van de lijkbezorging en niet de kosten van de bedrijfsbeëindiging voor vergoeding in aanmerking komen. [A.] erkent de gevorderde materiële en immateriële schade van [E.], maar stelt dat deze bij gebreke van voldoende specificatie moeten worden afgewezen. Datzelfde geldt voor de bezoek- en reiskosten van [B.].Wat betreft de gevorderde immateriële schade van [B.] stelt [A.] dat deze op grond van de wet en op grond van het shockschade-arrest niet voor vergoeding in aanmerking komt. Ten aanzien van de BMW stelt [A.] dat hij de koopprijs heeft betaald, zodat hij niet gehouden is de auto terug te geven c.q. de koopprijs terug te betalen en evenmin gehouden is tot betaling van de beslagkosten.

4.3.3. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis overwogen:

i) dat uit de aanduiding van [B.] als procespartij in de (hof: kop van de) dagvaarding niet blijkt dat zij niet alleen optreedt als eiseres voor zichzelf, maak ook in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [E.], maar dat zulks wel uit de inhoud van de dagvaarding volgt, zodat [A.] daardoor niet is geschaad;

ii) dat vaststaat dat [A.] onherroepelijk wegens moord op de ouders van [B.] is veroordeeld en dat zulks ook een onrechtmatige daad jegens [B.] oplevert;

iii) dat de kosten van de lijkbezorging nu deze niet door [A.] zijn weersproken op grond van art. 6:108 lid 2 BW voor toewijzing gereed liggen;

iv) dat ook het handelen van [A.] jegens [E.] een onrechtmatige daad oplevert en dat de reis- en verblijfkosten, die [B.] heeft moeten maken om [E.] te bezoeken, nu deze niet zijn weersproken op grond van artikel 6:107 lid 1 BW voor vergoeding in aanmerking komen;

v) dat de vordering inzake de kosten wegens de beëindiging van de bedrijfsvoering kosten betreffen die niet op grond van art. 6:108 BW voor vergoeding in aanmerking komen;

vi) dat de door [B.] gevorderde immateriële schade, zijnde shockschade, niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat [B.] heeft nagelaten te stellen waar, wanneer en onder welke omstandigheden zij het handelen van [A.] ten aanzien van haar ouders en [E.] heeft waargenomen, terwijl zij evenmin heeft onderbouwd welke geestelijk letsel zij heeft opgelopen, zodat niet kan worden beoordeeld of is voldaan aan de vereisten als gesteld in de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 22 februari 2002, NJ 2002, 240 en HR 9 oktober 2009, LJN BI8583) en dat deze schade ook niet op andere door [B.] genoemde gronden voor vergoeding in aanmerking komt;

vii) dat inzake de materiële schade van [E.], [B.] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in ieder geval tot het moment van het nemen van de conclusie van repliek schade is geleden, terwijl niet valt in te zien dat de door de ziektekostenverzekeraar van [E.] betaalde ziektekosten moeten worden beschouwd als materiële schade van [E.]; deze schade wordt derhalve afgewezen;

viii) dat wel aannemelijk is dat [E.] in de toekomst door het onrechtmatig handelen van [A.] materiële schade zal ondervinden zodat die vordering voor het overige zal worden toegewezen;

ix) dat de vordering tot vergoeding van immateriële schade van [E.], zowel ten aanzien van de schade die zij heeft geleden doordat zij met een pistool door het hoofd is geschoten als ten aanzien van de shockschade die zij heeft geleden doordat zij getuige is geweest van het feit dat haar grootouders zijn vermoord, kan worden toegewezen;

x) dat [A.] erkent de koopprijs van de BMW contant te hebben betaald, dat als onbetwist vaststaat dat na de ontdekking van de moord de bedoelde koopprijs van € 9.500,00 niet is aangetroffen en dat [A.] daarvoor geen aannemelijke verklaring heeft gegeven, zodat aannemelijk is dat [A.] dat geld weer heeft meegenomen en aldus onrechtmatig heeft gehandeld en dat dit betekent dat de subsidiaire vordering toewijsbaar is.

De rechtbank heeft daarop in het vonnis van 30 december 2009, kort samengevat:

1) [A.] veroordeeld om aan [B.] te betalen een bedrag van € 24.020,36 (de kosten van de lijkbezorging) en een bedrag van € 3.461,28 (reis- en bezoekkosten), te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW, telkens vanaf 15 juni 2005 tot aan de dag van volledige voldoening;

2) voor recht verklaard dat [A.] aansprakelijk is voor de door [E.] na 14 januari 2009 (de dag waarop de conclusie van repliek is genomen) geleden en nog te lijden materiële schade uit hoofde van de jegens haar gepleegde onrechtmatige daad, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente,

3) voor recht verklaard dat [A.] aansprakelijk is voor de door [E.] geleden en nog te lijden immateriële schade uit hoofde van de jegens haar gepleegde onrechtmatige daad, eveneens nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente,

4) [A.] veroordeeld om aan [B.] te betalen een bedrag van € 9.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW vanaf 13 juli 2003 tot de dag van volledige voldoening.

4.4. Zoals hiervoor in 4.1 is overwogen, is dit hoger beroep alleen nog het incidenteel appel van [A.] aan de orde.

Met grief 1 komt [A.] op tegen het oordeel van de rechtbank dat [B.] in dit geding niet alleen voor zichzelf, maar ook namens [E.] is opgetreden (zie hiervoor 3.3.3 sub i). Grief 2 klaagt erover dat de rechtbank [A.] niet heeft toegelaten tot het bewijs van het tegendeel. Volgens grief 3 heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat [A.] diefstal heeft gepleegd en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld, waardoor hij de koopprijs van de BMW (nogmaals) moet betalen.

grief 1: hoedanigheid waarin [B.] in dit geding optreedt

4.5. De eerste grief klaagt over het hiervoor onder 4.3.3 sub i weergegeven oordeel van de rechtbank, waarin de rechtbank ervan is uitgegaan dat [B.] in dit geding niet alleen voor zichzelf optreedt doch ook namens haar minderjarige dochter [E.]. Volgens de toelichting op deze grief zijn de overwegingen van de rechtbank in strijd met de wet omdat in alle gevallen uit de dagvaarding moet blijken dat de eiser mede optreedt als vertegenwoordiger van een met name genoemde persoon. [A.] verwijst in dit verband naar een arrest van de Hoge Raad van 15 december 2006, LJN AZ 1496. Voorts merkt [A.] op dat in dit geval zelfs uit het voorblad van het vonnis niet blijkt dat [B.] ook als wettelijk vertegenwoordiger van [E.] is opgetreden.

4.6. Deze grief faalt. Ook al heeft - de advocaat van - [B.] in de kop van de dagvaarding verzuimd te vermelden dat [B.] mede optreedt in haar hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van haar ook thans nog minderjarige dochter [E.], nu uit de inhoud van de dagvaarding duidelijk blijkt dat [B.] een aantal vorderingen namens [E.] instelt, was desondanks voor – de advocaat van - [A.] duidelijk waartegen hij zich moest verdedigen. In randnummer 9 van de inleidende dagvaarding staat namelijk: Bovendien vertegenwoordigt eiseres als wettelijke gezagdrager [E.] in rechten, volgens artikel 1:254 lid 4 BW, en vordert in naam van [E.] (…)”. Aldus kan niet worden gezegd dat [A.] door dit verzuim is benadeeld. Dit betekent dat [B.] in dit geding – en ook in dit hoger beroep – ontvankelijk is in de door haar namens [E.] ingestelde vorderingen.

De toegewezen vorderingen, die [B.] in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger heeft ingesteld, zien alleen op de gevorderde verklaringen van recht, door de rechtbank toegewezen in nummer 2 en 3 van de beslissing. De toegewezen vorderingen tot betaling van bedragen door [A.] aan [B.] zien telkens op vorderingen die [B.] bevoegd was zelfstandig in te stellen. Om die reden valt ook niet in te zien dat het vonnis op deze punten voor [A.] onduidelijk is.

grief 2: ten onrechte passeren (tegen)bewijsaanbod

4.7. Grief 2 is gericht tegen r.o. 3.2 van de rechtbank (zie hiervoor 4.3.3 sub ii)), waarin de rechtbank heeft overwogen dat vaststaat dat [A.] de feiten waarvoor hij onherroepelijk is veroordeeld – de dubbele moord en de poging tot doodslag – heeft gepleegd. [A.] herhaalt in dit hoger beroep dat hij deze feiten niet heeft gepleegd. Uit de toelichting op deze grief leidt het hof af dat de klacht van [A.] inhoudt dat de rechtbank hem gelet op deze betwisting ten onrechte niet heeft toegelaten tot tegenbewijs.

4.8. Ook deze grief faalt. Op grond van het arrest van dit hof van 14 juli 2005 en het arrest van de Hoge Raad van 21 november 2006 (zie 4.2.4 en 4.2.5) staat de strafrechtelijke veroordeling van [A.] voor deze feiten onherroepelijk vast. In een civiele procedure levert dit in kracht van gewijsde gegaan arrest van de strafrechter dwingend bewijs op van de feiten die de strafrechter bewezen heeft verklaard. Zoals [A.] terecht opmerkt, staat ook tegen dwingend bewijs tegenbewijs vrij. [A.] heeft in eerste aanleg een daarop betrekking hebbend bewijsaanbod gedaan, maar anders dan [A.] stelt, is dit bewijsaanbod door de rechtbank terecht gepasseerd. Ook al mag volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad aan een bewijsaanbod betreffende tegenbewijs niet de eis worden gesteld dat het voldoende gespecificeerd is, de rechter behoeft een partij die te weinig heeft gesteld in het kader van haar verweer evenwel niet toe te laten tot tegenbewijs. De betwisting van [A.] in eerste aanleg houdt niet meer in dat hij ‘ontkent de feiten gepleegd te hebben’ (CvA sub 5). Ook in hoger beroep stelt [A.] enkel dat hij ‘ontkent tot op de dag van vandaag dat hij de dader is van die schietpartij op 12 juli 2003’ (MvG randnummer 2) en dat ‘hij uitdrukkelijk betwist de feiten te hebben begaan’ (MvG p. 3). Zijn verweer houdt derhalve niet meer in dan een blote betwisting. Aldus heeft hij de feiten waartegen hij tegenbewijs wil leveren onvoldoende gemotiveerd betwist. [A.] heeft ook in hoger beroep een algemeen bewijsaanbod gedaan, maar dit bewijsaanbod wordt bij gebreke van een voldoende onderbouwing van de betwisting gepasseerd. Ook in hoger beroep heeft [A.] immers niets gesteld waaruit zou kunnen blijken dat hij de feiten niet heeft gepleegd. Dit betekent dat ook in dit hoger beroep ervan moet worden uitgegaan dat [A.] de feiten, waarvoor hij strafrechtelijk is veroordeeld, heeft gepleegd.

impliciete grief 2a: [A.] is niet aansprakelijk voor opgevoerde – en toegewezen - kosten

4.9. [A.] merkt in randnummer 3 van de algemene inleiding van de memorie van grieven op dat hij subsidiair, naar het hof begrijpt: voor het geval ervan moet worden uitgegaan dat hij de feiten heeft gepleegd, betwist voor alle opgevoerde kosten aansprakelijk te zijn. Het hof leidt hieruit af dat [A.] hiermee bedoeld heeft in dit hoger beroep ook een grief te richten tegen de vorderingen van [B.] voor zover deze onder 1, 2 en 3 van de beslissing van de rechtbank zijn toegewezen. Deze - impliciete - grief merkt het hof aan als grief 2a.

Daarmee ligt in dit hoger beroep de toewijsbaarheid van deze vorderingen van [B.] opnieuw ter beoordeling voor.

4.10. [A.] heeft in dit hoger beroep evenwel niet nader toegelicht op welke gronden deze vorderingen door de rechtbank ten onrechte zijn toegewezen. Naar het hof begrijpt, heeft [A.] gemeend te kunnen volstaan met een herhaling van c.q. verwijzing naar hetgeen hij dienaangaande in eerste aanleg heeft gesteld. Dit betekent dat [A.] in hoger beroep geen nieuwe argumenten heeft aangevoerd op grond waarvan genoemde vorderingen van [B.] alsnog moeten worden afgewezen. Het hof kan zich verenigen met de motivering op grond waarvan de rechtbank Maastricht de vorderingen van [B.] heeft toegewezen. De rechtbank heeft terecht de vordering inzake de kosten van de lijkbezorging, die door [A.] niet zijn weersproken, toegewezen. Dat zelfde geldt voor de vordering van [B.] inzake haar reis- en verblijfkosten. Ook de gevorderde verklaring van recht alsmede de verwijzing naar de schadestaat inzake de vorderingen betreffende de materiële en immateriële schade van [E.] is door de rechtbank op deugdelijke gronden toegewezen. Het hof neemt de gronden, waarop de rechtbank de vorderingen heeft toegewezen, over.

Dit betekent dat ook deze grief faalt.

grief 3: betaling van de koopprijs van de BMW

4.11. Volgens deze grief heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat [A.] diefstal heeft gepleegd en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld.

Op grond het navolgende faalt ook deze grief.

De rechtbank heeft terecht aangenomen dat op grond van de omstandigheid dat op de verkoopbon door de vader van [B.] het woord ‘voldaan’ is geschreven alsmede gelet op het feit dat het kentekenbewijs op naam van [A.] is gezet, ervan moet worden uitgegaan dat de auto aan [A.] is geleverd en dat [A.] deze heeft betaald. De rechtbank heeft dan ook terecht de primaire vordering van [B.], gebaseerd op toerekenbare tekortkoming, afgewezen.

Meer subsidiair heeft [B.] zich op het standpunt gesteld dat [A.] de BMW weliswaar contant heeft betaald, maar het geld daarna heeft gestolen. De bewijslast van de diefstal, waarop de vordering tot terugbetaling is gebaseerd, rust op [B.].

De rechtbank heeft, zo begrijpt het hof, [B.] in het bewijs daarvan geslaagd geacht en daartoe overwogen dat onbetwist vaststaat dat na ontdekking van de moord op de ouders van [B.] de koopprijs van € 9.500,- niet is aangetroffen en dat [A.] geen verklaring heeft gegeven voor het verdwijnen van het geld. Nu er geen andere aannemelijke verklaring is aangevoerd of gebleken voor het verdwijnen van het geld acht de rechtbank aannemelijk dat [A.] dat geld, na dat eerst te hebben betaald, weer heeft meegenomen nadat hij het echtpaar had vermoord. Aldus heeft [A.] onrechtmatig gehandeld en op die grond acht de rechtbank de subsidiaire vordering toewijsbaar.

Voor zover [A.] in zijn toelichting op grief 3 heeft bedoeld dat de rechtbank hem tot tegenbewijs had moeten toelaten, omdat door [B.] alleen aannemelijk is gemaakt en dus niet is aangetoond dat hij het geld heeft gestolen, geldt ook hier dat [A.] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep te weinig heeft gesteld om tot tegenbewijs te worden toegelaten. [A.] heeft namelijk ook in hoger beroep nagelaten een aannemelijke verklaring te gegeven voor het verdwijnen van het geld. Om die reden wordt ook op dit punt voorbij gegaan aan het algemeen bewijsaanbod van [A.].

slotsom

in incidenteel

4.12. Uit het voorgaande volgt dat alle incidentele grieven falen. Dit leidt ertoe dat in het incidenteel appel het beroepen vonnis zal worden bekrachtigd. [A.] zal als in incidenteel appel in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel.

5. De uitspraak

Het hof:

in incidenteel appel

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [A.] in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [B.] tot aan de dag van deze uitspraak worden begroot op € 314,00 aan verschotten en op € 894,00 aan kosten advocaat, op de voet van het bepaalde in artikel 243 Rv te voldoen aan de griffier van dit hof;

verklaart dit arrest ten aanzien van laatstgenoemde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, P.M. Huijbers-Koopman en H.A.W. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 mei 2011.