Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ4191

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-03-2011
Datum publicatie
12-05-2011
Zaaknummer
09-00653
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2009:BK1235, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd ter zake van de verkrijging van een zogenaamde Marina, een drijvende villa welke door de inspecteur als onroerend is aangemerkt. Het Hof heeft in een identieke zaak, bij het Hof bekend onder nummer 09/00652 beslist dat een Marina als de onderhavige niet onroerend is. In de onderhavige procedure verzet belanghebbende zich uitsluitend met formele gronden: de aanslag zou niet naar het juiste adres zijn verzonden en in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn opgelegd. Het Hof oordeelt dat nu in een vergelijkbaar geval, in geanonimiseerde versie aan deze uitspraak gehecht, reeds is beslist dat de Marina roerend is, partijen bij de formulering van hun geschil van een onjuist juridisch standpunt zijn uitgegaan en dat reeds om die reden de naheffingsaanslag vernietigd moet worden. De overige stellingen behoeven dan geen behandeling meer, hoezeer partijen daar ook op hebben aangedrongen. Hoger beroep van belanghebbende gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2011-1172
NTFR 2011/1268 met annotatie van Mr. M.H.W.N. Lammers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00653

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 9 oktober 2009, nummer AWB 08/5572 in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Limburg van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 2008.000.00.0000 een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd ter zake van de verkrijging bij notariële akte van januari 2005. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39.

Bij schriftelijke uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 110.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5. De zitting heeft plaatsgehad op 26 oktober 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbenden, alsmede de Inspecteur. Ter zitting heeft het Hof met toestemming van partijen gelijktijdig behandeld de zaak met nr. 09/00652.

1.6. Belanghebbende heeft ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, een kopie overgelegd van een "model uittreksel aantekeningen 30 juni 2008.doc".

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.8. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.1. Belanghebbende heeft bij notariële akte van januari 2005 de als volgt omschreven registergoed verkregen:

"1. EEN PERCEEL GROND EN WATER, gelegen in het plan B te Y, kadastraal bekend als gemeente Y sectie A nummer 1580, groot drie are en negen centiare (03 a en 09 ca) (bouwnummer Marina Cl),

hierna genoemd: het registergoed sub 1;

2. EEN MARINA (DRIJFWONING) genaamd "Marina Cl", gebouwd te Y in het jaar negentienhonderd tweeënnegentig, gebrandmerkt 20556 B R 1992, bevattende een woonkamer, keuken, hal, badkamer, toilet en slaapkamers, gebouwd op een betonnen drijflichaam van ongeveer twaalf bij vijf bij twee en een halve meter en overigens van hout, hebbende een waterverplaatsing van tweehonderd/duizendste kubieke meter, geen voortbeweging door mechanische kracht, bestemd om te worden gebruikt als woonschip voor recreatief gebruik op de binnenwateren,

hierna genoemd: het registergoed sub 2;"

Ter zake van het registergoed sub 1 is overdrachtsbelasting aangegeven en voldaan.

Voorts is in de akte het volgende opgenomen:

"Terzake van de uitvoering van deze overeenkomst, ook voor de fiscale gevolgen, wordt woonplaats gekozen ten kantore van de bewaarder van deze akte."

2.2. Na afloop van de vergadering van de ring Maastricht van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie van 22 november 2004 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de heer Timmermans voornoemd en de notaris die de in 2.1 genoemde akte heeft gepasseerd. Het gesprek ging ondermeer over de verkoop en levering van het complex van recreatiewoningen en voorzieningen aan het Oolderhuuske. Daar maakte ook nog een aantal Marina's deel van uit. Naar aanleiding van een opmerking van de notaris dat de Marina's roerende zaken zijn heeft Timmermans gereageerd met de opmerking dat het onroerende zaken zijn.

Naar aanleiding van genoemd gesprek heeft Timmermans de transportakten die de Marina's betreffen vanaf 1 januari 2005 onderzocht op de naleving van de verplichtingen inzake de overdrachtsbelasting.

2.3. Van de transportakten die ter registratie worden aangeboden worden de volgende onderwerpen handmatig vastgelegd: de naam van de notaris, nummer en datum van de akte, de naam van de koper en de prijs. De transportakten die relevant kunnen zijn voor de heffing van omzetbelasting worden gekopieerd en de kopie wordt aan de inspecteur die belast is met de heffing van de omzetbelasting gestuurd. Er worden per jaar tussen de 100.000 en 150.000 transportakten ter registratie aangeboden. De akte moet binnen tien dagen aan de notaris worden teruggezonden. Het aantal transportakten dat de Marina's betreft zijn enkele per jaar.

2.4. De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 30 maart 2007, nr. 05/1634, LJN BA2101, beslist dat de Marina een onroerende zaak in de zin van de Wet waardering onroerende zaken is.

2.5. De Inspecteur heeft bij de onderhavige naheffingsaanslag ter zake van het in de akte genoemde registergoed sub 2 overdrachtsbelasting nageheven. De naheffingsaanslag is geadresseerd aan het adres van de notaris die de transportakte heeft gepasseerd.

In aanvulling op de door de Rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast:

2.6. De Marina bestaat uit een betonnen caisson (het drijflichaam), met een diepgang van ongeveer 1 1/2 meter en een houten opbouw. Er is geen voortbeweging door een eigen mechanische kracht mogelijk. De onderhavige Marina grenst aan één zijde aan de naastgelegen Marina, aan één zijde aan open water en aan twee zijden aan de wal. Op de wal is een tuin aangelegd, die grenst aan de Marina.

2.7. Het drijflichaam is aan twee palen bevestigd met twee dubbele beugels die vrij op en neer kunnen bewegen op de paal. De beugels zijn met bouten aan het drijflichaam bevestigd. De palen bevinden zich tussen de twee daaraan grenzende Marina's. De palen zijn 15 meter lang en 7 meter in de ondergrond gedreven. De voorzieningen voor de elektriciteit, telefoon, water, gas en riool zijn met flexibele verbindingen en snelkoppelingen aangesloten op de vaste aansluitingen aan de wal. De snelkoppelverbindingen zijn vergelijkbaar met de in de scheepvaart gangbare verbindingen.

2.8.Begin jaren '90 zijn op het reacreatiepark "B" te Y 80 Marina's gerealiseerd. Deze zijn in verschillende fasen verkocht. Zij liggen aan een schiereiland in de Maas. Twee van deze Marina's hebben hun ligplaats in 1997 verruild. In 2003 zijn alle Marina's voor groot onderhoud naar de andere kant van het schiereiland gesleept.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Zijn de aankondiging van de naheffingsaanslag en de naheffingsaanslag, die beide zijn verzonden aan het adres van de notaris, op de juiste wijze bekendgemaakt?

2. Heeft de Inspecteur met het opleggen van de naheffingsaanslag gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel?

Belanghebbende is van mening dat de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak van de Inspecteur en van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.Belanghebbende bestrijdt de onderwerpelijke naheffingsaanslag uitsluitend met de onder 3.1 genoemde stellingen.

Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 8 oktober 2010, nr. 07/13629, onder meer gepubliceerd in BNB 2011/32, merkt het Hof op dat het aan de beantwoording van de in geschil zijnde vragen niet toekomt omdat het Hof in de gelijktijdig met de onderhavige zaak behandelde zaak, nummer 09/000652, van welke zaak de uitspraak in geanonimiseerde versie aan deze uitspraak is gehecht, heeft beslist dat een Marina, identiek aan de onderhavige Marina, niet duurzaam is verenigd met de bodem en evenmin op dusdanige wijze is verbonden met de oever dat sprake is van vereniging met de grond in de zin van artikel 3:3, lid 1, BW. De conclusie van het Hof is dan ook dat de Marina als roerend moet worden beschouwd.

4.2. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de betreffende Marina onroerend is, en belanghebbende heeft de naheffingsaanslag slechts betwist op grond van formele gronden en het schenden van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Partijen zijn hierbij, gelet op hetgeen het Hof onder 4.1 heeft overwogen, uitgegaan van een juridisch onjuist standpunt. Het Hof zal, nu de betreffende Marina als roerend moet worden aangemerkt de naheffingsaanslag reeds om die reden vernietigen.

4.3. De overige door partijen aangevoerde stellingen behoeven geen behandeling meer, hoezeer partijen ook hebben aangedrongen op beantwoording van de door hen in deze zaak aan het Hof voorgelegde vragen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.4. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Staat aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 respectievelijk € 110 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.5. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.6. Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank op 2 (punten) x € 322 (waarde per punt voor bezwaar en beroep dat is ingesteld tot 1 oktober 2009) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is € 644. In verband met de behandeling van het beroep bij het Hof stelt het Hof deze kosten op 2 (punten) x € 437 (waarde per punt vanaf 1 oktober 2010) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is € 874.

De voor vergoeding in aanmerking komende kosten bedragen gelet op het voorgaande € 1.518.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

- verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

- vernietigt de naheffingsaanslag;

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 151 vergoedt

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding [bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 1.518, en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 4 maart 2011 door G.W. van Muijen, voorzitter, J.W.J. Huige en J.G. Verseput, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.