Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ4184

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-05-2011
Datum publicatie
12-05-2011
Zaaknummer
HD 200.064.629
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2009:BK8598, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huurrecht.

Immaterieel gebrek aan het gehuurde in de zin van art. 7:204 lid 2 BW.

Het gehuurde is in de huurovereenkomst bestemd voor dagbesteding t.b.v. cliënten met een verstandelijke beperking.

In de avonduren steekt de verhuurder in het pand in een een noodweersituatie twee mensen dood.

De cliënten hebben het incident niet zelf waargenomen maar zijn er door de plaatselijke publiciteit wel mee bekend geraakt. Psycholoog/orthopedagoog acht terugkeer van de cliënten naar het gehuurde vanuit gedragswetenschappelijk oogpunt niet verantwoord.

Het gehuurde is door het tragische incident "besmet" geraakt en kan in ieder geval voor de eerstkomende periode niet meer het overeengekomen huurgenot bieden.

Dit levert een gebrek op in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 265
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 6 75
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 204
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2012/8
JIN 2011/458
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.064.629

arrest van de zevende kamer van 10 mei 2011

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna aan te duiden als [X.],

advocaat: mr. J.J.M. Hermans,

tegen:

de stichting STICHTING RADAR,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna aan te duiden als Radar,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

op het bij exploot van dagvaarding van 2 maart 2010 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Heerlen, van 2 december 2009, gewezen tussen [X.] als een van de gedaagden in conventie, tevens een van de eisers in reconventie en Radar als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 306957 CV EXPL 08-8029)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.] drie producties overgelegd, zes grieven aangevoerd tegen het beroepen vonnis en geconcludeerd tot vernietiging van dat vonnis en tot hetgeen overigens aan het slot van die memorie staat omschreven.

2.2. Bij memorie van antwoord in principaal appel, tevens houdende wijziging van eis en voorwaardelijk incidenteel appel, heeft Radar:

- een productie overgelegd;

- de grieven van [X.] in principaal appel bestreden;

- haar eis in conventie gewijzigd;

- voorwaardelijk incidenteel appel tegen het beroepen vonnis ingesteld;

- geconcludeerd tot hetgeen aan het slot van die memorie staat omschreven.

2.3. [X.] heeft onder overlegging van een productie een akte in principaal appel, tevens memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel genomen.

2.4. Radar heeft een antwoordakte genomen.

2.5. Tot slot hebben de partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de beide memories.

4. De beoordeling

In principaal en incidenteel appel

4.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a) Radar is een stichting die als doelstelling heeft kinderen en volwassenen met een verstandelijke beperking te ondersteunen, onder andere op het gebied van dagbesteding, arbeid en vrijetijdsbesteding. [X.] is van beroep kunstenaar.

b) Radar heeft in het kader van haar doelstelling overleg gevoerd met [X.] over een samenwerking waarbij [X.] artistieke activiteiten zou verzorgen voor klanten van Radar.

c) In mei 2007 zijn [X.] en zijn toenmalige partner mevr. [Y.] ieder voor de onverdeelde helft eigenaar geworden van de boerderij gelegen aan de [perceel] te [plaatsnaam] (hierna ook aan te duiden als Hoeve Orbons).

d) Op 28 januari 2008 is tussen [X.] en [Y.] als verhuurders en Radar als huurder een huurovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot een gedeelte van Hoeve Orbons. Volgens artikel 2 van de huurovereenkomst is het gehuurde bestemd om te worden gebruikt als “atelier; magazijn; kantoor en stookruimte voor het bakken van keramiek; tevens te gebruiken voor activiteiten zoals beschreven in de Samenwerkingsovereenkomst”.

e) Volgens artikel 8 van de huurovereenkomst is de huur aangegaan voor een periode van vijf jaar, ingaande 1 februari 2008 en eindigend op 31 januari 2013. Daarna zou de huur, behoudens opzegging, telkens met een jaar worden voortgezet.

f) Als aanvangshuurprijs is € 20.000,-- per jaar overeengekomen, te betalen in maandelijkse termijnen (van € 1.666,67 per maand).

g) De beoogde samenwerkingsovereenkomst tussen Radar en [X.] op het gebied van artistieke begeleiding van klanten van Radar door [X.] is niet tot stand gekomen. Radar heeft het gehuurde wel in gebruik genomen ten behoeve van artistieke dagbesteding van haar klanten.

h) Tussen [X.] en [Y.] zijn problemen in de relationele sfeer ontstaan. Als uitvloeisel van die problemen heeft op 9 juli 2008 in de avonduren in Hoeve Orbons een confrontatie plaatsgevonden tussen enerzijds [X.] en anderzijds vier mannen, waaronder twee broers van [Y.]. Daarbij heeft [X.] één van de broers van [Y.] en één van de andere mannen doodgestoken. Dit incident vond niet plaats in het door Radar gehuurde deel van het pand. Geen van de klanten van Radar is getuige geweest van het incident.

i) Bij brief van 12 augustus 2008 heeft Radar de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden.

j) Bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Maastricht van 23 januari 2009 is [X.] ter zake het doodsteken van de broer van [Y.] ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank heeft in zoverre het beroep van [X.] op noodweer gehonoreerd. Voor het doodsteken van de andere man is [X.] door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar.

k) [X.] heeft tegen deze veroordeling hoger beroep ingesteld. Bij arrest van de meervoudige strafkamer van dit hof van 5 juli 2010 is het beroep van [X.] op noodweer ten aanzien van de andere man verworpen, het beroep op noodweerexces gehonoreerd en [X.] ook ten aanzien van het doodsteken van de andere man ontslagen van alle rechtsvervolging.

l) Bij notariële akte van verdeling en levering van 22 februari 2010 is ter uitvoering van een tussen [X.] en [Y.] gesloten beëindigingsovereenkomst Hoeve Orbons aan [X.] toebedeeld onder de verplichting de hypothecaire schuld en twee persoonlijke leningen voor zijn rekening te nemen.

4.2.1. In de onderhavige procedure vorderde Radar in het geding in eerste aanleg in conventie:

I. primair:

a. te verklaren voor recht dat sprake is van een gebrek aan het gehuurde sinds het steekincident van 9 juli 2008;

b. te verklaren voor recht dat de huurovereenkomst bij brief van 12 augustus 2008 rechtsgeldig door Radar buitengerechtelijk is ontbonden;

c. de huurprijs vanaf de datum van het steekincident op 9 juli 2008 te verminderen en vast te stellen op nihil;

d. te verklaren voor recht dat [X.] en [Y.] op grond van artikel 6:74 BW, althans 7:210 lid 2 BW, althans 7:208 BW jegens Radar schadeplichtig zijn en dat de omvang van de schade nader bij staat dient te worden opgemaakt;

subsidiair:

de huurovereenkomst met terugwerkende kracht te ontbinden per datum van het steekincident van 9 juli 2008 wegens onvoorziene omstandigheden;

meer subsidiair:

een verklaring voor recht die in dit hoger beroep niet relevant is.

II. hoofdelijke veroordeling van [X.] en [Y.] om aan Radar € 1.111,11 terug te betalen (een deel van de huur over de maand juli 2008);

III. een verklaring voor recht die in dit hoger beroep niet relevant is;

met veroordeling van [X.] en [Y.] tot betaling van buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

4.2.2. Aan deze vorderingen heeft Radar, kort weergegeven en voor zover thans van belang, het volgende ten grondslag gelegd.

Het incident van 9 juli 2008 heeft een grote impact gehad op de cliënten van Radar, personen met een verstandelijke handicap voor wie een omgeving die veiligheid biedt noodzakelijk is. Het incident heeft bij de cliënten een toename van medische en gedragsmatige klachten veroorzaakt. De cliënten van Radar kunnen niet terugkeren naar het gehuurde, nu die locatie door het incident “besmet” is. Deze smet op het gehuurde levert een gebrek op als bedoeld in artikel 7:204 lid 2 BW. Het genieten van het overeengekomen huurgenot is daardoor onmogelijk geworden. Radar heeft daarom terecht de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden.

4.2.3. [X.] heeft verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

4.2.4. Voortbouwend op dat verweer vorderde [X.] in het geding in eerste aanleg in reconventie, kort gezegd, veroordeling van Radar tot betaling van de overeengekomen huurpenningen over de periode vanaf 1 augustus 2008.

4.3.1. In het beroepen vonnis heeft de kantonrechter onder meer geoordeeld:

a. dat het incident van 9 juli 2008 tot gevolg heeft gehad dat Radar niet meer het overeengekomen gebruik kon maken van het gehuurde;

b. dat het gehuurde door het incident dus belast werd met een gebrek als bedoeld in artikel 7:204 BW;

c. dat daarmee sprake was van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst aan de zijde van [X.] en [Y.];

d. dat Radar dus de bevoegdheid had om de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden;

e. dat Radar tot de datum van de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst, zijnde 12 augustus 2008, de huurprijs verschuldigd is.

4.3.2. Voortbouwend op deze oordelen heeft de kantonrechter in conventie voor recht verklaard dat:

- er sprake is van een gebrek aan het gehuurde sinds het steekincident van 9 juli 2008;

- de huurovereenkomst bij brief van 12 augustus 2008 rechtsgeldig door Radar is ontbonden;

- [X.] en [Y.] verplicht zijn de schade te vergoeden die Radar als gevolg van de tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst door [X.] en [Y.] heeft geleden.

4.3.3. In reconventie heeft de kantonrechter Radar veroordeeld om aan [X.] en [Y.] een bedrag te betalen van € 591,40 (huur over de periode van 1 augustus 2008 tot 12 augustus 2008) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2008.

4.3.4. De kantonrechter heeft het meer of anders gevorderde afgewezen en [X.] en [Y.] in de kosten van het geding in conventie en reconventie veroordeeld.

In principaal appel

4.4.1. Het hof zal eest grief I behandelen. Deze grief is gericht tegen de hierboven in rechtsoverweging 4.3.1 onder a, b en c weergegeven oordelen van de kantonrechter.

In de toelichting op de grief voert [X.] naar de kern genomen aan dat Radar het gehuurde na het incident van 9 juli 2008 op dezelfde wijze als voorheen had kunnen blijven gebruiken. Volgens [X.] kan niet worden gezegd dat het gehuurde als gevolg van het incident belast werd met een gebrek in de zin van artikel 7:204 BW. Naar het hof begrijpt is [X.] van mening dat het incident geen tekortkoming van de verhuurder in de nakoming van de huurovereenkomst oplevert.

4.4.2. Het hof stelt met betrekking tot deze grief het volgende voorop. Volgens artikel 7:204 lid 2 BW is een gebrek “een staat of een eigenschap van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten (…)”. Onder dit begrip “gebrek” vallen in beginsel alle genotsbeperkende omstandigheden die niet aan de huurder zijn toe te rekenen. Het is daarbij de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever geweest om niet alleen materiële gebreken onder het begrip gebrek te vatten. Ook immateriële omstandigheden die het genot beperken kunnen een gebrek in de zin van dit artikel opleveren.

4.4.3. Het hof dient dus te beoordelen of Radar als gevolg van het steekincident niet langer het huurgenot kreeg dat zij bij aanvang van de huurovereenkomst mocht verwachten. Bij de bepaling van wat Radar mocht verwachten komt grote betekenis toe aan de bestemming die in de huurovereenkomst aan het gehuurde is gegeven. Tussen partijen staat vast dat het gehuurde bestemd was voor het bieden van dagbesteding aan cliënten van Radar met een verstandelijke beperking. Dat van het gehuurde tevens kantoorruimte en magazijnruimte deel uitmaakten doet aan die bestemming niet af omdat die ruimtes kennelijk dienstbaar waren aan eerdergenoemde bestemming althans van daaraan ondergeschikte aard waren. Er moet dus nagegaan worden of het gehuurde na het steekincident nog goed bruikbaar was voor dagbesteding voor de genoemde cliënten van Radar.

4.4.4. Radar heeft gemotiveerd gesteld dat het gehuurde na het incident van 9 juli 2008 niet meer geschikt was voor gebruik conform de overeengekomen bestemming. Radar heeft daartoe verwezen naar door haar overgelegde schriftelijke verklaringen van Drs. [Z.] (een gz.-psycholoog en orthopedagoog) van 1 september 2008 en 27 november 2008.

Het hof ontleent aan de verklaring van 1 september 2008 de volgende passages:

“De onverwachte tragische gebeurtenissen in hoeve Orbons hebben hevige emotionele effecten bij de cliënten veroorzaakt.

Deze effecten uitten zich bij hen in reacties als: huilbuien, uitingen van hevige angst, uitingen van onbegrip en van agressie, slecht slapen gedurende een periode, alsmaar praten over de gebeurtenis en concentratieproblemen. Ook werd veel angst en onrust geuit om op de plek terug te keren: uitingen in de geest van “stel dat ZE terugkomen”.

Bij een aantal van de cliënten is er sprake van een meervoudige handicap: naast de verstandelijke handicap hebben zij ook een autisme spectrum stoornis. Dit betekent dat zij fragmentarisch waarnemen (…) zij hebben moeite om betekenis te verlenen aan situaties die zij waarnemen en/of ervaren (…).

Bij hen was de reactie op het gebeuren: zich nog meer in zichzelf terugtrekken, slecht slapen, bedplassen, neerslachtigheid en vervallen in passiviteit.

Gedurende het verblijf van onze cliënten hebben zij regelmatig contact gehad met de kunstenaar/eigenaar van Hoeve Orbons. Zij hebben vanuit de contacten met hem hun vertrouwen gegeven en zijn door de gebeurtenissen hevig geschokt, waardoor ze heen en weer geslingerd werden en het nauwelijks begrijpen.

(…)

Bij ouders is veel ongerustheid, angst en kwaadheid ontstaan. (…)

Zij gaven in zeer duidelijke bewoordingen aan dat zij hun kinderen niet meer naar Hoeve Orbons willen laten terugkeren. Angst voor opnieuw emotionele beschadiging van hun kinderen en angst voor vervolgincidenten daar ter plekke in de toekomst werden hierbij duidelijk verwoord.

(…)

Bij mensen met een verstandelijke beperking is de cognitieve beperking van invloed op de emotionele ervaringsordening. (…) Het tragisch gebeuren in Hoeve Orbons is voor hen dan ook erg moeilijk om te begrijpen en te verwerken: de cognitieve mogelijkheden zijn beperkt waardoor de ratio onvoldoende ondersteuning kan bieden bij het begrijpen en bij de verwerking. De emotionele beleving overheerst en hierin zijn zij kwestbaar. Het vertrouwen is geschaad: hetgeen beloofd was werd ruw verstoord. Voor hen is het nauwelijks te bevatten dat iemand die zij toch als aardig in de omgang met hen hebben ervaren andere mensen met een mes vermoordt. (…) Veel angst en onzekerheid is hierdoor ontstaan ook betreffende hun eigen veiligheid, met als gevolg ernstige emotionele beschadiging waardoor het dagelijks welbevinden verstoord is.

Conclusie:

(…)

Vanuit gedragswetenschappelijke inzichten vind ik het niet verantwoord dat de cliënten naar Hoeve Orbons terugkeren. Ik adviseer dan ook met klem dat dit niet dient te gebeuren. De cliënten moeten de zekerheid krijgen dat ze niet naar deze plek terug hoeven; dit is een belangrijk punt bij de verwerking. (…)”

In de verklaring van 27 november 2008 staat voorts onder meer het volgende:

“Voor andere cliënten (dan de betreffende groep) is dagbesteding bij Hoeve Orbons geen optie; De plek is te beladen geraakt door de trieste gebeurtenissen. Ook hier zullen ouders zich tegen verzetten mocht Radar dit bedenken.

Radar heeft de verantwoordelijkheid voor de cliënten die aan hun zorg zijn toevertrouwd; daarom heeft Radar dan ook de plicht om haar cliënten te vrijwaren van confrontatie met een plek die helaas voor zowel ouders als cliënten beladen is geraakt.”

4.4.5. [X.] heeft aangevoerd dat [Z.] in dienst is van Radar en dat haar schriftelijke verklaringen daarom niet objectief zijn. Volgens [X.] is de inhoud van de verklaringen onjuist. Het hof is echter van oordeel dat het enkele feit dat [Z.] in dienst is van Radar, geen afbreuk doet aan de waarde van haar verklaringen, die gebaseerd zijn op haar expertise als psycholoog/orthopedagoog. De stelling van [X.] dat de verklaringen van [Z.] onjuist zouden zijn, is door [X.] niet onderbouwd. [X.] heeft bij conclusie van dupliek in conventie (nr. 11) wel gesteld dat hij met andere psychologen heeft gesproken en dat die andere psychologen het oordeel van [Z.] weerspreken, maar [X.] heeft die stelling op geen enkele wijze toegelicht of geconcretiseerd. [X.] heeft bijvoorbeeld ook nagelaten om een of meer schriftelijke verklaringen van die “andere psychologen” in het geding te brengen. Het hof concludeert daarom dat [X.] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat terugkeer van cliënten van Radar naar het gehuurde na het incident – vanuit de positie van de cliënten (en hun familie) bezien – onwenselijk was.

4.4.6. Anders dan [X.] meent, is niet doorslaggevend dat voor de cliënten van Radar objectief bezien geen belemmering bestond om het gehuurde te gebruiken. Het gaat er immers om dat de cliënten van Radar, gelet op hun verstandelijke beperkingen, niet in staat zijn om de situatie op rationele gronden te beoordelen en dat hun verblijf in het gehuurde na het incident mede om die reden onwenselijk was, terwijl partijen in de huurovereenkomst uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat het gehuurde gebruikt zou worden voor deze doelgroep (cliënten van Radar met een verstandelijke beperking).

4.4.7. Uit het bovenstaande volgt dat het gehuurde in de periode na het incident aan Radar niet het huurgenot kon bieden dat Radar daarvan bij aanvang van de huurovereenkomst mocht verwachten. Het gehuurde was immers “besmet” geraakt door de tragische gebeurtenis van 9 juli 2008, waardoor gebruik van het gehuurde ten behoeve van de cliënten van Radar niet langer wenselijk was. Dit is door [X.] onvoldoende betwist. Daarmee staat vast dat sprake was van een gebrek aan het gehuurde in de zin van artikel 7:204 BW, althans in ieder geval van een tekortkoming van [X.] (en [Y.]) als verhuurders in de nakoming van de huurovereenkomst. Het overeengekomen huurgenot werd niet langer onverkort geboden.

4.4.8. Uit het bovenstaande volgt dat grief I faalt.

4.5.1. Grief II is gericht tegen het in rechtsoverweging 4.2 van het beroepen vonnis neergelegde oordeel dat het feit dat Radar [X.] niet in gebreke heeft gesteld, niet aan het recht op ontbinding van de huurovereenkomst in de weg staat.

4.5.2. Deze grief faalt. Als gevolg van het incident was immers een situatie ontstaan waarin terugkeer van cliënten naar het gehuurde ongewenst moest worden geacht. Het hof verwijst naar hetgeen ten aanzien van grief I is overwogen. Het incident en het daaraan verbonden gevolg was – in ieder geval voor de eerstkomende periode – niet ongedaan te maken. De door [X.] genoemde optie – het sluiten van een overeenkomst op grond waarvan [X.] zich ertoe zou verplichten het gehuurde niet te betreden – doet daar niet aan af. [X.] heeft onvoldoende de stelling van Radar betwist dat een dergelijke overeenkomst voor de verstandelijk beperkte cliënten van Radar niet de beladenheid zou wegnemen die sinds het incident voor hen aan Hoeve Orbons verbonden was. Aangenomen moet worden dat deze beladenheid voor de eerstkomende periode niet weg te nemen was. In zoverre was deugdelijke nakoming van de huurovereenkomst aan de zijde van [X.] en [Y.] blijvend onmogelijk. Artikel 6:265 lid 2 BW brengt voor deze situatie mee dat het in verzuim brengen van de schuldenaar door middel van een ingebrekestelling niet noodzakelijk is om tot ontbinding van de overeenkomst te kunnen komen.

4.6.1. Door middel van grief III voert [X.] aan dat het beroep van Radar op ontbinding van de huurovereenkomst in strijd is met de redelijkheid en billijkheid omdat Radar voor alternatieven had kunnen en moeten kiezen.

4.6.2. Het hof overweegt over deze grief het volgende. Op grond van artikel 6:265 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een verbintenis, aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of ten dele te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De stellingen van [X.] bieden onvoldoende aanknopingspunten voor toepassing van deze tenzij-clausule. Onder verwijzing naar hetgeen ten aanzien van grief I is overwogen is het hof van oordeel dat de tekortkoming in het onderhavige geval niet van zodanig geringe aard of bijzondere betekenis is dat ontbinding van de huurovereenkomst niet gerechtvaardigd zou zijn. Op grond van de door [X.] onvoldoende weersproken verklaringen van [Z.] moet immers worden aangenomen dat het gehuurde in de periode na het incident niet langer geschikt was voor het gebruik dat partijen met het sluiten van de huurovereenkomst voor ogen hadden gehad.

4.6.3. Bovendien zou het door [X.] geschetste alternatief van een overeenkomst op grond waarvan hij het gehuurde niet langer zou mogen betreden geen oplossing hebben geboden voor de bezwaren die verbonden waren aan voortgezet gebruik van het gehuurde door de met een verstandelijke beperking behepte cliënten van Radar. Het hof verwijst naar hetgeen daarover ten aanzien van grief II is overwogen.

4.6.4. In het voorgaande ligt besloten dat het hof het niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar vindt dat Radar na het steekincident bij brief van 12 augustus 2008 de buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst heeft ingeroepen.

4.6.5. Grief III faalt op bovenstaande gronden.

4.7. Grief IV is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat er vanaf de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst van 12 augustus 2008 geen huur meer verschuldigd is. Deze grief heeft naast de grieven I tot en met III geen zelfstandige betekenis en faalt in het voetspoor van die grieven.

4.8.1. Grief V is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst aan [X.] en [Y.] kan worden toegerekend en dat zij daarom gehouden zijn aan Radar de schade te vergoeden die Radar als gevolg van de tekortkoming heeft geleden.

4.8.2. Artikel 6:74 lid 1 BW geeft als uitgangspunt dat iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis, de schuldenaar verplicht de schade die de schuldeiser daardoor leidt, te vergoeden. Dat is alleen anders indien de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend. Het is aan de schuldenaar om dat aannemelijk te maken. Ingevolge artikel 6:75 BW kan een tekortkoming niet aan de schuldenaar worden toegerekend, indien zij niet te wijten is aan zijn schuld, noch krachtens de wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

4.8.3. In de toelichting op grief V voert [X.] allereerst aan dat aan de zijde van [X.] en [Y.] geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst. Het hof verwerpt deze stelling en verwijst daartoe naar hetgeen ten aanzien van grief I is overwogen.

4.8.4. Naar het hof begrijpt beroept [X.] zich er in het kader van grief V voorts op dat hij:

- bij bovengenoemd strafvonnis van 23 januari 2009 ter zake het doodsteken van de broer van [Y.] is ontslagen van alle rechtsvervolging omdat dienaangaande zijn beroep op noodweer gehonoreerd is;

- bij bovengenoemd arrest van de meervoudige strafkamer van dit hof van 5 juli 2010 ter zake het doodsteken van de andere man eveneens is ontslagen van rechtsvervolging, omdat dienaangaande zijn beroep op noodweerexces is gehonoreerd.

Deze oordelen in de strafzaak kunnen wellicht de conclusie dragen dat het tragische gebeuren van 9 juli 2008 niet te wijten is aan schuld van [X.]. Dat neemt echter niet weg dat de aanleiding van de steekpartij en daarmee ook de steekpartij zelf geheel is gelegen in de (privé)sfeer van [X.] en [Y.]. Dit brengt naar het oordeel van het hof mee dat de gevolgen van de steekpartij in de relatie tussen enerzijds [X.] en [Y.] als (toenmalige) verhuurders en anderzijds Radar als huurster op grond van de in artikel 6:75 BW bedoelde verkeersopvattingen aan [X.] en [Y.] moet worden toegerekend.

Dat [X.] en [Y.] vanzelfsprekend het incident geen van beiden hebben gewild, voert niet tot een ander oordeel over deze toerekening.

4.8.5. Het voorgaande brengt mee dat grief V faalt.

4.9. Grief VI is gericht tegen de veroordeling van [X.] en [Y.] in de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie en in reconventie. Nu de grieven I tot en met V falen, faalt ook deze zesde grief. [X.] en [Y.] zijn in het geding in eerste aanleg grotendeels in het ongelijk gesteld. Het hof acht de proceskostenveroordeling daarom juist.

4.10. Nu het principaal appel geen doel heeft getroffen, zal het hof [X.] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het principaal appel. Deze kostenveroordeling wordt, zoals door Radar gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

In voorwaardelijk incidenteel appel

4.11. Radar heeft haar eis aangevuld met een meer subsidiaire vordering en die eiswijziging door middel van een voorwaardelijk incidenteel appel onder de aandacht van het hof gebracht. Omdat het principaal appel geen doel heeft getroffen en het beroepen vonnis bekrachtigd wordt, komt het hof niet toe aan die meer subsidiaire vordering en kan het voorwaardelijk incidenteel appel onbesproken blijven. Het hof zal een kostenveroordeling in incidenteel appel om deze reden achterwege laten.

5. De uitspraak

Het hof:

op het principaal en het voorwaardelijk incidenteel appel

bekrachtigt het door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Heerlen, tussen partijen gewezen vonnis van 2 december 2009, waarvan beroep;

veroordeelt [X.] in de kosten van het principaal appel, aan de zijde van Radar tot op heden begroot op € 263,-- aan vast recht en op € 1.341,-- aan salaris advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Meulenbroek, Keizer en Van Ham en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 mei 2011.