Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ3640

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-01-2011
Datum publicatie
09-05-2011
Zaaknummer
10-00048
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BX7881, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BX7881
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op grond van art. 66 Wet bel. milieugr. heeft een belastingplichtige recht op teruggaaf van energiebelasting voorzover de verbruiksdrempel van 153.000 liter gasolie in een kalenderjaar wordt overschreden. Per 1 juli 2008 is het teruggaafbedrag verlaagd. In geschil is of de inspecteur terecht een teruggaaf van energiebelasting tegen het verlaagde tarief heeft verleend. Belanghebbende is van mening dat de jaardrempel van 153.000 liter tijdsevenredig moet worden toegerekend, zodat zij over het eerste halfjaar teruggaaf zou kunnen krijgen op basis van het hogere tarief. Het hof is het, anders dan de rechtbank, eens met belanghebbende. Er wordt slechts recht gedaan aan de bedoeling van de wetgever indien het drempelbedrag - nadat is vastgesteld dat de verzoeker van de teruggaaf over het gehele kalenderjaar bezien een grootverbruiker is - naar evenredigheid wordt toegerekend aan de periode vóór en de periode vanaf 1 juli 2008. De tekst van de Wet laat deze uitleg naar het oordeel van het hof toe. Het gelijk is derhalve aan belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2011-1164
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 10/00048

Uitspraak op het hoger beroep van

X B.V.,

gevestigd te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 25 november 2009, nummer AWB 09/2410 in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Douane Zuid van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen teruggaafbeschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende heeft bij schrijven van 19 februari 2009 verzocht om teruggaaf van energiebelasting met betrekking tot door haar in het kalenderjaar 2008 voor eigen verbruik betrokken gasolie als bedoeld in artikel 66, lid 1, van de Wet belastingen op milieugrondslag (tekst 2008; hierna: de Wet).

Aan belanghebbende is bij teruggaafbeschikking, nummer 0000.00.000/00.D.0007, over het tijdvak van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 een teruggaaf verleend van € 16.391 (hierna: de teruggaafbeschikking).

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak de teruggaafbeschikking gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 297. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 447. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 1 december 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende de heer A, administrateur van X B.V., alsmede de Inspecteur.

1.5. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. In het kalenderjaar 2008 heeft belanghebbende in totaal 287.614 L gasolie voor eigen verbruik betrokken. Dit totaal valt te verdelen in 141.279 L in de periode van 1 januari 2008 tot en met 30 juni 2008 en 146.335 L in de periode van 1 juli 2008 tot en met 31 december 2008.

2.2. In de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 juni 2008 luidde artikel 66, lid 1, van de Wet - voor zover van belang - als volgt:

"Op verzoek wordt aan de verbruiker teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot (...) gasolie (...), mits de verbruiker de brandstoffen voor eigen verbruik heeft betrokken en voor zover de hoeveelheid die door de verbruiker is betrokken hoger is dan (...) 153 000 L gasolie (...) per kalenderjaar. De teruggaaf bedraagt:

a. (...) voor gasolie, per 1000 L € 151,76 (...)."

2.3. Bij de Wet van 20 december 2007, houdende wijzigingen van enkele belastingwetten (Belastingplan 2008, Stb. 2007/562, blz. 18), is bepaald dat met ingang van 1 juli 2008 het bedrag van € 151,76 wordt gewijzigd in € 121,76 per 1000 L.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Is aan belanghebbende voor het kalenderjaar 2008 terecht een teruggaaf van energiebelasting tegen het tarief van € 121,76 per 1000 L verleend?

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot een tijdsevenredige toerekening van de jaardrempel van 153.000 L en derhalve tot het verlenen van een teruggaaf van energiebelasting tegen een tarief van € 151,76 per 1000 L voor de liters waarmee de drempel van (1/2 van 153.000 L =) 76.500 L wordt overschreden in de eerste helft van het jaar 2008 en € 121,76 per 1000 L voor de liters waarmee de drempel van (1/2 van 153.000 L =) 76.500 L wordt overschreden in de tweede helft van het jaar 2008. Dit leidt tot een teruggaaf van (141.279 L - 76.500 L =) 64.779 L / 1000 L * € 151,76 = € 9.830,86 vermeerderd met een teruggaaf van (146.335 L - 76.500 L =) 69.835 L / 1000 L * € 121,76 = € 8.503,11, derhalve in totaal (€ 9.830,86 + € 8.503,11 =) € 18.333,97, afgerond een bedrag van € 18.334.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak van de Inspecteur op het bezwaar en tot het verlenen van een teruggaaf van - naar het Hof verstaat - € 18.334.

3.4. De Inspecteur concludeert tot het verlenen van een teruggaaf tegen het tarief geldend op het moment waarop de jaardrempel van 153.000 L is overschreden. Aangezien belanghebbende deze drempel na 1 juli 2008 heeft overschreden is dat een teruggaaf van (287.614 L - 153.000 L =) 134.614 L / 1000 L * € 121,76, derhalve in totaal € 16.390,60, afgerond een bedrag van € 16.391. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. De wetgever heeft ter zake van de in onderdeel 2.3. weergegeven wetswijziging niet voorzien in overgangsrecht met betrekking tot de verlaging van het teruggaafbedrag per 1 juli 2008, noch is toegelicht hoe de verlaging van het teruggaafbedrag per 1 juli 2008 in combinatie met het drempelbedrag van 153.000 L per kalenderjaar moet worden toegepast.

4.2. De energiebelasting had aanvankelijk uitsluitend betrekking op kleinverbruik van energie voor huishoudelijk en zakelijk gebruik, anders dan gebruik door het wegverkeer. Aan grootverbruikers werd over het grootverbruik een volledige teruggaaf van energiebelasting verleend. De afgrenzing tussen het verbruik in de sfeer van huishoudens/(klein-)zakelijk verbruik en het grootverbruik werd gesteld op 170.000 m³ voor aardgas en het equivalent naar energie-inhoud daarvan voor substituten van aardgas (Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met de invoering van een regulerende energiebelasting, TK 1994-1995, 24 250, nr. 3, blz. 15 en 18). Dit heeft geleid tot het vaststellen van een drempel van 153.000 L per kalenderjaar voor gasolie. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat met de drempel van 153.000 L voor gasolie door de wetgever is beoogd de kleinverbruikers te onderscheiden van de grootverbruikers. In de loop van de tijd is het teruggaafbedrag van energiebelasting voor grootverbruikers steeds verder verlaagd. Bij het Belastingplan 2008 is bepaald dat het teruggaafbedrag voor grootverbruikers per 1 juli 2008 verlaagd werd van € 151,76 per 1000 L naar € 121,76 per 1000 L.

4.3. Het bovenstaande brengt naar het oordeel van het Hof mee dat slechts recht gedaan wordt aan de bedoeling van de wetgever om aan grootverbruikers per 1000 L een teruggaaf van energiebelasting te verlenen van € 151,76 tot 1 juli 2008 en van € 121,76 op of na 1 juli 2008, indien het drempelbedrag - mits dat na afloop van de periode waarover om teruggaaf wordt verzocht overschreden is en aldus is vastgesteld dat de verzoeker van de teruggaaf over het gehele kalenderjaar bezien een grootverbruiker is - naar evenredigheid wordt toegerekend aan de periode vóór en de periode vanaf 1 juli 2008. Het zou geen recht doen aan de bedoeling van de wetgever om alle liters tot 1 juli 2008 als kleinverbruikliters aan te merken, omdat de drempel van 153.000 L per kalenderjaar bedoeld is als objectivering van het begrip "grootverbruiker". De tekst van de Wet laat deze uitleg naar het oordeel van het Hof toe.

4.4. De Inspecteur heeft derhalve ten onrechte de gehele teruggaaf over het kalenderjaar 2008 verleend tegen het vanaf 1 juli 2008 geldende tarief van € 121,76 per 1000 L. Gelet op al het vorenoverwogene verklaart het Hof het hoger beroep van belanghebbende gegrond.

Ten aanzien van het griffierecht

4.5. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Staat aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 297 respectievelijk € 447 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.6. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.7. Het Hof stelt deze kosten op een bedrag aan reiskosten van de heer A voor het bijwonen van de zittingen van de Rechtbank te Breda en van het Hof te 's-Hertogenbosch van respectievelijk € 33,34 en € 24,02, derhalve op een totaal bedrag van € 57,36. Gegeven het feit dat de heer A in dienstbetrekking is van belanghebbende, is voor een vergoeding voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand geen plaats (Hoge Raad, 13 februari 2009, nr. 43 860, gepubliceerd in onder andere BNB 2009/103).

5. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

- verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

- wijzigt de teruggaafbeschikking in dier voege, dat de teruggaaf nader wordt vastgesteld op bedrag van € 18.334,

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 744 vergoedt, en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 57,36.

Aldus gedaan op: 20 januari 2011 door P. Fortuin, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.