Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ3621

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-02-2011
Datum publicatie
09-05-2011
Zaaknummer
05-00028
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende zijn naheffingsaanslagen fosfaatheffing en stikstofheffing opgelegd. Na de mondelinge behandeling bij het Hof bereiken partijen op grond van de nadere informatie die belanghebbende heeft verstrekt, alsnog overeenstemming over de na te heffen bedragen. In geschil is daarna nog uitsluitend de vraag of belanghebbende recht heeft op een rentevergoeding en vergoeding van proceskosten in de bezwaar- en de beroepsfase. Het Hof oordeelt dat omdat de naheffingsaanslagen terecht en op grond van een redelijke schatting tot de juiste bedragen zijn opgelegd, en de naheffingsaanslagen slechts worden verminderd vanwege informatie die belanghebbende zelf pas tijdens de mondelinge behandeling heeft verstrekt er geen recht bestaat op een schadevergoeding. Ten aanzien van de proceskosten oordeelt het Hof dat er geen verzoek tijdens de bezwaarfase is gedaan en dat er voor die kosten dus geen proceskostenvergoeding kan worden gegeven. De door belanghebbende geclaimde kosten in beroep, te weten € 1.000,-ter zake van door hem zelf verrichte arbeid komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 1110
FutD 2011-1163
V-N 2011/35.6

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 05/00028

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, eerste meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X VOF te Y {hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van het Bureau Heffingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans de Inspecteur van de Dienst Regelingen van voormeld ministerie; hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2001 opgelegde naheffingsaanslagen fosfaatheffing en stikstofheffing.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende zijn onder respectievelijk de aanslagnummers 000000000MF0102 en 000000000MS0102 over het jaar 2001 naheffingsaanslagen in de fosfaatheffing en de stikstofheffing opgelegd ten bedrage van respectievelijk € 3.544,02 en € 681,12 aan belasting (hierna: de naheffingsaanslagen), alsmede bij beschikkingen een verzuimboete van respectievelijk € 35,44 en € 6,81 (hierna: de boetebeschikkingen). Bij in één geschrift vervatte uitspraken heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag in de fosfaatheffing verminderd tot een ten bedrage van € 1.910,41, de opgelegde verzuimboete verminderd tot nihil, de naheffingsaanslag in de stikstofheffing verminderd tot een ten bedrage van € 427,91 en de opgelegde verzuimboete verminderd tot nihil.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 273.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 17 februari 2010 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende alsmede de Inspecteur.

1.4. Het Hof heeft met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek ter zitting geschorst, daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat en partijen in de gelegenheid gesteld nader overleg te plegen teneinde hen in staat te stellen met elkaar tot een compromissoire oplossing voor de onderhavige zaak te komen. Vervolgens heeft het Hof partijen verzocht het Hof nader te berichten omtrent de uitkomst van het door hen gevoerde overleg. Deze met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding.

1.5. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.6. Naar aanleiding van de inhoud van de door partijen gevoerde correspondentie heeft het Hof op 16 juni 2010 schriftelijke vragen aan belanghebbende gesteld. Belanghebbende heeft deze vragen bij brief van 8 juli 2010 beantwoord. De Inspecteur heeft bij brief van 9 augustus 2010 gereageerd op de brief van belanghebbende van 8 juli 2010.

1.7. Met toestemming van partijen heeft het Hof bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. De Inspecteur heeft het Hof bij brief van 16 maart 2010 bericht dat de onderhavige naheffingsaanslagen fosfaatheffing en stikstofheffing door hem worden verminderd tot respectievelijk

€ 356,22 en € 57,63, nu ter zitting is gebleken dat belanghebbende, in plaats van de vastgestelde 17,41 hectare bouwland, 19,58 hectare bouwland in het onderhavige tijdvak in gebruik heeft gehad.

2.2. Belanghebbende heeft in zijn brief van 8 juli 2010 verklaard dat hij instemt met vermindering van de naheffingaanslag fosfaatheffing en de naheffingsaanslag stikstofheffing tot de bedragen als vermeld onder 2.1.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft, naar partijen in de na de zitting gevoerde correspondentie uitdrukkelijk hebben verklaard, uitsluitend nog het antwoord op de volgende vragen:

I. Dient aan belanghebbende rente te worden vergoed?

II. Komt belanghebbende in aanmerking voor vergoeding van de in de bezwaar- en beroepsfase gemaakte kosten?

Belanghebbende is van oordeel dat deze vragen bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraken, vermindering van de naheffingsaanslag fosfaatheffing tot een ten bedrage van € 356,22, vermindering van de naheffingsaanslag in de stikstofheffing tot een ten bedrage van € 57,63, vergoeding van rente en vergoeding van de in de bezwaar- en beroepsfase gemaakte proceskosten ten bedrage van in totaal € 3.245,56.

De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraken, vermindering van de naheffingsaanslag fosfaatheffing tot een ten bedrage van € 356,22 en vermindering van de naheffingsaanslag in de stikstofheffing tot een ten bedrage van € 57,63.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Partijen zijn, blijkens de inhoud van de onder 2.1. en 2.2. vermelde correspondentie, tot overeenstemming gekomen in deze zin dat de naheffingsaanslag in de fosfaatheffing moet worden verminderd tot een ten bedrage van € 356,22 en de naheffingsaanslag in de stikstofheffing moet worden verminderd tot een ten bedrage van € 57,63. Het Hof sluit zich bij dit eensluidend standpunt van partijen aan.

4.2. Gelet op het vorenstaande moet het beroep gegrond worden verklaard.

4.3. Belanghebbende verzoekt om vergoeding van de wettelijke rente vanaf 17 januari 2005. Het Hof merkt dit verzoek van belanghebbende aan als een verzoek om schadevergoeding.

4.4. Het Hof wijst het verzoek om schadevergoeding af. De Inspecteur heeft de onderhavige naheffingsaanslagen terecht en op grond van een redelijke schatting tot juiste bedragen opgelegd, terwijl in beroep deze naheffingsaanslagen slechts worden verminderd vanwege informatie die belanghebbende eerst tijdens de behandeling ter zitting van het door hem ingestelde beroep heeft overgelegd. Het gevolg hiervan is dat de Inspecteur jegens belanghebbende geen onrechtmatige daad heeft begaan en derhalve niet schadeplichtig is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.5. Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht te worden vergoed.

Ten aanzien van de proceskosten

4.6. In zijn brieven van 27 maart 2010 en 8 juli 2010 verzoekt belanghebbende om vergoeding van de werkelijk door hem gemaakte kosten, bestaande in kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase ten bedrage van

€ 2.245,56.

4.7. Vaststaat dat belanghebbende in de bezwaarfase niet heeft verzocht om vergoeding van door hem in de bezwaarfase gemaakte kosten. Nu ingevolge artikel 7:15, leden 2 en lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, uitsluitend door het bestuursorgaan worden vergoed als daar door belanghebbende om wordt verzocht, moet het verzoek van belanghebbende om vergoeding van de kosten van bezwaar worden afgewezen.

4.8. Belanghebbende verzoekt voorts om vergoeding van de kosten ter zake van de behandeling van het beroep, bestaande in de kosten van door belanghebbende zelf verrichte arbeid ten bedrage van € 1.000.

4.9. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder sub a tot en met f, van het Besluit kan een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht uitsluitend betrekking hebben op een van de in dat artikel genoemde kosten. De door belanghebbende gestelde kosten van € 1.000 ter zake van de door hem zelf verrichte arbeid komen ingevolge artikel 1 van het Besluit niet voor vergoeding in aanmerking.

4.10. Belanghebbende heeft overigens niet gesteld dat hij voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5. Beslissing

Het Hof:

* verklaart het beroep gegrond,

* vernietigt de bestreden uitspraken,

* vermindert de naheffingsaanslag fosfaatheffing tot een aanslag berekend naar een bedrag van € 356,22,

* vermindert de naheffingsaanslag stikstofheffing tot een aanslag berekend naar een bedrag van € 57,63, en

* gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 273 vergoedt.

Aldus gedaan op 25 februari 2011 door G.J. van Muijen, voorzitter, P.A.G.M. Cools en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.