Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ3064

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-04-2011
Datum publicatie
29-04-2011
Zaaknummer
20-002986-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2010:BN2124, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling verdachte wegens medeplichtigheid aan doodslag en medeplegen van bedreiging met een misdrijf tegen het leven tot jeugddetentie en plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. De gedragingen van verdachte maken naar het oordeel van het hof dat verdachte medeverdachte opzettelijk gelegenheid heeft verschaft de komst van het slachtoffer af te wachten. Ten aanzien van de strafoplegging is het hof er van uit gegaan dat verdachtes opzet slechts gericht is geweest op medeplichtigheid aan het bedreigen van het slachtoffer. Ten aanzien van het bedreigen met een misdrijf tegen het leven is het hof van oordeel dat de omstandigheden zoals die zich hebben voorgedaan zodanig zijn dat minstgenomen sprake is van een stilzwijgende samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten zodat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met de medeverdachten heeft gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-002986-10

Uitspraak : 29 april 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 juli 2010 in de strafzaak met parketnummer 01-839419-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1993],

wonende te [woonplaats], [adres],

verblijvende in [inrichting].

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en te dien aanzien opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot jeugddetentie voor de duur van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest en met last tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen en met toewijzing van de vordering van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2], te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Namens verdachte is bepleit verdachte vrij te spreken van het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1 primair:

zij op of omstreeks 31 augustus 2009 te Eindhoven tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of één of meer van haar mededaders met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen één of meermalen in het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde die [slachtoffer] is overleden;

1 subsidiair:

[medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] op of omstreeks 31 augustus 2009 te Eindhoven tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben die [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] en/of één of meer van hun mededaders met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen één of meermalen in het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf zij op of omstreeks 31 augustus 2009 te Eindhoven tezamen en in verenging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door

- aan die [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] en/of één of meer van hun mededaders een vuurwapen te verstrekken en/of

- aan die [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] en/of één of meer van hun mededaders (in strijd met de waarheid) te vertellen dat die [slachtoffer] haar (seksueel) zou hebben misbruikt en/of uitgebuit en/of

- met die [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] en/of één of meer van hun mededaders naar een woning en/of kamer aan de [adres] te gaan en/of

- (daarbij) een vuurwapen en/of een stroomstootwapen en/of (plastic) handschoenen en/of tape mee te brengen naar die woning en/of kamer en/of

- (op verzoek van die [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] en/of één of meer van hun mededaders) die [slachtoffer] te bellen en/of mede te delen waar zij op dat moment was en/of te bewegen naar die woning en/of kamer te komen en/of

- (daarbij) aan die [slachtoffer] te verzwijgen dat [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] en/of één of meer van hun mededader(s) eveneens in die woning en/of kamer aanwezig waren en/of dat één of meer van deze personen een vuurwapen bij zich droeg en/of

- met die [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] en/of één of meer van hun mededaders (in die woning en/of kamer) de komst van die [slachtoffer] af te wachten;

2.

zij op of omstreeks 31 augustus 2009 te Eindhoven tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, [getuige] en/of [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of één of meer van haar mededaders toen daar opzettelijk dreigend een vuurwapen aan die [getuige] en/of [benadeelde 1] getoond en/of dat vuurwapen ten overstaan van die [getuige] en/of [benadeelde 1] opgeheven gehouden en/of dat vuurwapen in de richting van en/of op die [getuige] en/of [benadeelde 1] gericht en/of gericht gehouden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

A1

Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat verdachte wel betrokken is geweest bij het door [medeverdachte1] dood schieten van [slachtoffer] op 31 augustus 2009, doch – in tegenstelling tot de advocaat-generaal – dat uit het onderzoek ter terechtzitting van onvoldoende bewijsmiddelen is gebleken op grond waarvan bewezen kan worden dat die betrokkenheid zodanig is geweest dat verdachte tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte1][slachtoffer] om het leven heeft gebracht.

A2

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde zal het hof verdachte vrij spreken van het medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven, althans met zware mishandeling van [getuige]. Naar het oordeel van het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting van onvoldoende bewijs gebleken op grond waarvan bewezen kan worden dat [getuige] op 31 augustus 2009 op de zolderkamer is bedreigd door verdachte en/of één van haar medeverdachten. De verklaring van [getuige] dat [medeverdachte1] gedreigd heeft hem over hoop te schieten als hij nog een keer naar hem keek, vindt op geen enkele wijze steun in de verklaring van [benadeelde 1] noch in die van de andere getuigen en betrokkenen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 subsidiair:

[medeverdachte1] op 31 augustus 2009 te Eindhoven opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft die [medeverdachte1] met dat opzet met een vuurwapen in het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 31 augustus 2009 te Eindhoven, opzettelijk gelegenheid heeft verschaft, door

- aan die [medeverdachte1] en [medeverdachte2] en [medeverdachte3] (in strijd met de waarheid) te vertellen dat die [slachtoffer] haar (seksueel) zou hebben misbruikt en/of uitgebuit en

- met die [medeverdachte1] en [medeverdachte2] en [medeverdachte3] naar een woning aan de [adres] te gaan en

- die [slachtoffer] te bellen en te bewegen naar die woning te komen en

- (daarbij) aan die [slachtoffer] te verzwijgen dat [medeverdachte1] en [medeverdachte2] eveneens in die woning aanwezig waren en dat één van deze personen een vuurwapen bij zich droeg en

- met die [medeverdachte1] en [medeverdachte2] in die woning de komst van die [slachtoffer] af te wachten.

2.

zij op 31 augustus 2009 te Eindhoven tezamen en in vereniging met anderen [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en haar mededaders toen daar opzettelijk dreigend

- een vuurwapen aan die [benadeelde 1] getoond

- en dat vuurwapen in de richting van [benadeelde 1] gehouden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

B1.1

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

B1.2

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

B2.

De raadsman heeft namens verdachte bepleit dat verdacht dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde. Hij heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat:

- niet kan worden vastgesteld of verdachte opzet had op (enig deel) van de door medeverdachte [medeverdachte1] gepleegde doodslag zodat geen sprake kan zijn van medeplichtigheid aan doodslag zoals onder 1 subsidiair ten laste gelegd;

- niet bewezen kan worden verklaard dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte1] ten aanzien van het bedreigen van [benadeelde 1]. Verdachte was – aldus – de verdediging niet op de hoogte van het feit dat [medeverdachte1] een vuurwapen bij zich had en wist van te voren niet dat er personen in de woning aanwezig zouden zijn. Het enkele niet distantiëren is onvoldoende om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het bedreigen van [benadeelde 1].

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

B3.1

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep zijn naar het oordeel van het hof, niettegenstaande het feit dat verdachte en zijn medeverdachten onderdelen daarvan betwisten, de hierna onder B3.2 weergegeven feiten en omstandigheden komen vast te staan.

Het hof heeft deze feiten en omstandigheden in hoofdzaak gebaseerd op de verklaringen van de getuigen [getuige] (dossierpagina’s 600-605 en 672-675) en [benadeelde 1] (dossierpagina’s 630-642 en 664-672) afgelegd ten overstaan van de politie, welke verklaringen zij ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 15 januari 2010 grotendeels hebben bevestigd. [getuige] en [benadeelde 1] kunnen in verhouding tot de overige betrokkenen als onafhankelijke getuigen worden beschouwd en hun verklaringen ondersteunen elkaar in belangrijke mate. Hun verklaringen vinden bovendien op onderdelen bevestiging in de verklaringen van de getuige [benadeelde 2] afgelegd ten overstaan van de politie (dossierpagimna’s 610-613 en 685-698) en bij de rechter-commissaris d.d. 20 januari 2010 alsmede de verklaring van [medeverdachte2] bij de rechter-commissaris d.d. 22 februari 2010.

Voor wat betreft hetgeen is voorgevallen voordat verdachte met medeverdachten [medeverdachte1], [medeverdachte2] en [medeverdachte3] naar de woning aan de [adres] te [woonplaats] gingen en de aanleiding van het bezoek aan deze woning gaat het hof in het bijzonder uit van de verklaring van medeverdachte [medeverdachte2] bij de rechter-commissaris d.d. 22 februari 2010. Zijn verklaring sluit ook voor wat betreft het verdere verloop van de gebeurtenissen op essentiële onderdelen aan op de verklaring van de overige getuigen en wordt ook op onderdelen ondersteund door de verklaringen van verdachte en medeverdachten [medeverdachte1] en [medeverdachte3].

B3.2

De door het hof als vaststaand aangenomen feiten.

a. Verdachte en medeverdachten [medeverdachte1], [medeverdachte2] en [medeverdachte3] waren op 31 augustus 2009 in de woning van [medeverdachte1] aan de [adres2]. Verdachte had op dat moment een relatie met medeverdachte [medeverdachte1]. Verdachte vertelde daar aan [medeverdachte1], nadat [medeverdachte1] de naam van [slachtoffer] in de telefoon van verdachte had aangetroffen, dat [slachtoffer] haar misbruikte en dwong om in de prostitutie te werken. [medeverdachte1] besloot daarop om met verdachte, [medeverdachte2] en [medeverdachte3] naar het pand aan de [adres] te [woonplaats] - van welk pand [slachtoffer] huisbaas was - te gaan en aldaar [slachtoffer] te laten bevestigen dat hij verdachte misbruikte en dwong zich te prostitueren.

b. Aangekomen bij het pand aan de [adres] zijn [medeverdachte1], verdachte en [medeverdachte2] naar binnen gegaan. Medeverdachte [medeverdachte3] is buiten gebleven. [medeverdachte1], [medeverdachte2] en verdachte zijn naar boven gelopen naar de zolderkamer alwaar [getuige] en de bewoner van de zolderkamer, [benadeelde 1] aanwezig waren.

c. [medeverdachte1], [medeverdachte2] en verdachte zijn de zolderkamer van [benadeelde 1] in gelopen. [medeverdachte1] nam direct daarna een pistool in zijn hand en droeg [getuige] en [benadeelde 1] op om stil te zijn. Er ontstond vervolgens een woordenwisseling tussen [medeverdachte1] en [benadeelde 1] waarbij [medeverdachte1] die [benadeelde 1] verschillende malen heeft bedreigd met het pistool en heeft geslagen.

d. Terwijl [medeverdachte1] met het pistool dreigementen uitte, droeg [medeverdachte2] die [getuige] en [benadeelde 1] op om geen gekke dingen te doen met MSN en pakte hij de telefoons van [getuige] en [benadeelde 1], die bij de computer lagen.

e. Verdachte heeft, terwijl zij met [medeverdachte1] en [medeverdachte2] op de zolderkamer was, vanuit deze kamer verschillende malen telefonisch contact opgenomen met de huiseigenaar [slachtoffer] en hem dringend en op dwingende toon verzocht direct naar de woning aan de [adres] te [woonplaats] te komen. Ze krijgt daarbij ook de vriendin van [slachtoffer] aan de telefoon, die verklaarde dat verdachte tegen haar schreeuwde.

f. Enige tijd na het telefonisch contact met verdachte, is [slachtoffer] met zijn vriendin [benadeelde 2] gearriveerd bij de woning aan de [adres]. [slachtoffer] is naar boven gelopen en heeft daar [medeverdachte1] met het pistool in zijn handen aangetroffen. [medeverdachte1] had het pistool inmiddels doorgeladen en richtte het op [slachtoffer]. [slachtoffer] heeft iets gezegd of gedaan ten einde [medeverdachte1] te bewegen het pistool weg te doen en vervolgens is er door [medeverdachte1] een schot gelost in de richting van [slachtoffer].

g. Nadat het schot was gelost zijn verdachte, [medeverdachte1] en [medeverdachte2] met zijn drieën de woning aan de [adres] uit gerend;

h. [slachtoffer] had ten gevolge van het door [medeverdachte1] geloste schot een schotwond in de borst en is aan de gevolgen van die schotwond ter plaatse overleden.

B4.

Het hof leidt uit vorengenoemde feiten en omstandigheden, alsmede de overige bewijsmiddelen in het dossier, in onderlinge samenhang en verband bezien, af dat [medeverdachte1] samen met verdachte en de medeverdachten [medeverdachte2] en [medeverdachte3] op 31 augustus 2009 naar de woning aan de [adres] zijn gegaan met de bedoeling de huisbaas en kamerverhuurder van dat pand, [slachtoffer], te dwingen toe te geven dat hij verdachte dwong om in de prostitutie te werken, dan wel haar anderszins misbruikt had. Verdachte is in die wetenschap met hen meegegaan. Aldus was men uit op een confrontatie met het latere slachtoffer in die zin dat men hem in ieder geval op enigerlei wijze onder druk wilde zetten of wilde bedreigen. Het gegeven dat [medeverdachte3] buiten bleef staan terwijl de anderen naar binnen gingen past ook binnen dit planmatige handelen. Op het moment dat verdachte, [medeverdachte1] en [medeverdachte2] de zolderkamer binnen gingen, heeft [medeverdachte1] het pistool gepakt en is hij dreigementen gaan uiten en is hij zich agressief gaan gedragen tegen – in ieder geval – de op de zolderkamer aanwezig bewoner [benadeelde 1]. Terwijl [medeverdachte1] dit doet, zegt [medeverdachte2] tegen [getuige] niets te doen met MSN en neemt de telefoons van [getuige] en [benadeelde 1] in. Verdachte belt ondertussen verschillende malen met [slachtoffer] en verzoekt hem dringend en op een dreigende manier om naar de woning aan de [adres] te komen. Verdachte krijgt daarbij ook de partner van [slachtoffer] aan de telefoon en deze verklaarde dat verdachte tegen haar schreeuwde. Verdachte wist toen ze belde met [slachtoffer] dat [medeverdachte1] zich in de woning zou bevinden en dat deze een vuurwapen bij zich droeg en heeft dit verzwegen.

Verdachte heeft met haar hiervoor weergegeven gedragingen bewerkstelligd dat [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] is gekomen, zodat verdachte naar het oordeel van het hof [medeverdachte1] opzettelijk gelegenheid heeft verschaft de komst van [slachtoffer] naar de zolderkamer af te wachten. Nadat [slachtoffer] was gearriveerd heeft er een confrontatie plaatsgevonden tussen [slachtoffer] en [medeverdachte1]. [slachtoffer] heeft op enig moment een beweging naar voren gemaakt waarna [medeverdachte1] op [slachtoffer] heeft geschoten tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Het hof gaat er van uit dat verdachtes opzet slechts gericht is geweest op medeplichtigheid aan het bedreigen van [slachtoffer]. [medeverdachte1] is echter aanzienlijk verder gegaan door het slachtoffer neer te schieten

Het vorenstaande maakt dat het hof weliswaar bewezen acht dat verdachte medeplichtig is geweest aan het opzettelijk doden van [slachtoffer] zoals onder 1, subsidiair ten laste is gelegd maar dat het hof bij de strafoplegging wel rekening zal houden met het mindere opzet van verdachte.

Het verweer wordt verworpen.

B5

Uit de onder B3.2, onder b tot en met e opgenomen feiten en omstandigheden blijkt dat verdachte en medeverdachten [medeverdachte1] en [medeverdachte2] samen de zolderkamer in de woning aan de [adres] zijn opgelopen. [medeverdachte1] heeft direct daarna het pistool ter hand genomen en is vervolgens met het pistool bedreigingen gaan uiten naar de bewoner van deze kamer, [benadeelde 1]. Terwijl [medeverdachte1] dit deed, nam [medeverdachte2] de telefoons van [benadeelde 1] en [getuige] in en droeg hen op niets te doen met MSN. Verdachte belde gelijktijdig vanuit de zolderkamer naar [slachtoffer] ten einde hem zo spoedig mogelijk naar de woning aan de [adres] te laten komen. Hoewel uit het vorenstaande niet blijkt dat voorafgaande aan het bezoek aan de woning aan de [adres] sprake was van een samenwerking of afspraken tussen verdachte en haar medeverdachten met betrekking tot het gaan bedreigen van [benadeelde 1], zijn de omstandigheden zoals die zich hebben voorgedaan op de zolderkamer toen verdachten en haar medeverdachten daar waren, voldoende om op dat moment minstgenomen te kunnen spreken van een stilzwijgende samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte1] en [medeverdachte2] ten aanzien van het bedreigen van [benadeelde 1]. Zowel verdachte als [medeverdachte2] hebben zich ook overigens op geen enkele wijze gedistantieerd van het bedreigen van [benadeelde 1]. Het vorenstaande maakt naar het oordeel van het hof dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit tezamen en in vereniging met zowel de medeverdachte [medeverdachte1] als medeverdachte [medeverdachte2] heeft gepleegd.

Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 48, aanhef en onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 2 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 47, eerste lid aanhef en onder 1° juncto artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 3 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Zij worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

C1

De raadsman van verdachte heeft ten verweer betoogd dat de verdachte wegens psychische overmacht niet strafbaar is en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is aangevoerd door medeverdachte [medeverdachte1] een dermate grote dwang is uitgeoefend dat van verdachte redelijkerwijs, mede gelet op haar persoon, niet kon worden verwacht dat zij hiertegen weerstand bood.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

C2.1

Krachtens artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht is niet strafbaar hij die een feit begaat waartoe hij door overmacht is gedrongen. De wetgever doelt hier op een van buiten komende dwang waartegen weerstand weliswaar niet volkomen onmogelijk is, doch redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

C2.2

Het hof is van oordeel dat op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat verdachte onder een dusdanige psychische drang stond dat zij daaraan geen weerstand kon en behoefde te bieden. Zij is zelf degene geweest die meermalen contact heeft opgenomen met [slachtoffer] ten einde hem te dringend te verzoeken naar de woning aan de [adres] te komen. Dat zij daarbij onder druk is gezet door medeverdachte [medeverdachte1] is het hof geenszins gebleken en blijkt ook niet uit de verklaring van [benadeelde 2] over de toon die verdachte aansloeg tijdens het telefoongesprek. Ook uit de verklaringen van [benadeelde 1] en [getuige] blijkt onvoldoende dat verdachte onder een dermate zware druk van [medeverdachte1] stond, dat zij daar geen weerstand aan kon bieden.

Voorts bieden de rapportages die omtrent verdachte zijn uitgebracht onvoldoende ondersteuning bieden voor de stelling dat sprake is geweest van psychische overmacht.

Het verweer wordt daarom verworpen.

C3

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

D1

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

D2

Het hof heeft onder feit 1 subsidiair medeplichtigheid aan doodslag bewezen verklaard. Het hof is, mede gelet op het hiervoor onder C4 overwogene van oordeel dat het opzet van verdachte op 31 augustus 2009 niet was gericht op het doden van [slachtoffer], doch op het bedreigen van [slachtoffer], door hem – kort gezegd – te dwingen naar de woning aan de [adres] te komen en hem vervolgens dreigend te confronteren met hetgeen verdachte over hem had gezegd. Voor wat betreft het bepalen van de strafmaat ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft het hof derhalve, gelet op het bepaalde in artikel 49, vierde lid van het Wetboek van Strafrecht, aansluiting gezocht bij de stafbepalingen die gelden voor bedreiging en dwang.

D3

De gevolgen van het handelen van medeverdachte [medeverdachte1] zijn groot geweest. [medeverdachte1] heeft op 31 augustus 2009 op de zolderkamer van de woning aan de [adres] te Eindhoven, in het bijzijn van de bewoner van die kamer, een vriend van die bewoner en de partner van [slachtoffer] opzettelijk [slachtoffer] op brute wijze van het leven beroofd. Een dergelijke daad brengt gevoelens van afgrijzen, angst en onveiligheid te weeg in de samenleving. Door dit gewelddadig en nietsontziende optreden is aan de partner, ouders en overige familieleden van het slachtoffer een immens en onherstelbaar leed aangedaan.

D4

Het hof heeft ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde in het bijzonder gelet op het feit dat verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte1] en [medeverdachte2], de in de zolderkamer aanwezige [getuige] en [benadeelde 1] grote gevoelens van angst en onveiligheid heeft aangejaagd door met een wapen de zolderkamer van [benadeelde 1] binnen te gaan, terwijl later door een medeverdachte de telefoons van de aldaar aanwezige [benadeelde 1] en [getuige] werden afgepakt en hen werd geboden geen MSN te gebruiken ten einde contact te zoeken met de buitenwereld. Ook de telefoontjes die verdachte heeft gepleegd met het latere slachtoffer, hebben gevoelens van angst en bedreiging veroorzaakt bij [benadeelde 2], de vriendin van het latere slachtoffer.

D5

Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor aanmerkelijke duur met zich brengt. Daarbij is in algemene zin rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

D6

Het hof leidt uit het dossier af dat verdachte een grotere rol heeft gespeeld bij het onder 1 bewezen verklaarde dan [medeverdachte2]. Verdachte is degene die met het verhaal is gekomen dat zij misbruikt werd door [slachtoffer]. Zij is dan ook degene die de aanleiding gaf om naar de woning aan de [adres] te gaan en [slachtoffer] met dit verhaal te confronteren en zij heeft er ook voor gezorgd dat [slachtoffer] naar de woning kwam. Verdachte was daarentegen ten tijde van het plegen van het strafbare feit nog maar net 16 jaren oud en is daarnaast, in tegenstelling tot [medeverdachte2] en [medeverdachte1], niet eerder veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

D7

Gelet op het vorenstaande, alsmede de persoonlijke omstandigheden van verdachte waarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken acht het hof oplegging van jeugddetentie voor de duur van 1 jaar, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

D8

De eerste rechter heeft verdachte, naast een onvoorwaardelijke jeugddetentie, de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel) opgelegd opgelegd. De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot oplegging van de zelfde straf en maatregel.

D9

Het hof ziet zich derhalve thans voor de vraag gesteld of naast de op te leggen onvoorwaardelijke jeugddetentie een plaatsing in een inrichting voor jeugdigen dient te worden opgelegd.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

D10

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen in het bijzonder acht geslagen op de navolgende stukken en verklaringen betreffende de persoon van de verdachte:

- Een pychiatrisch pro justitia rapport, opgemaakt op 25 januari 2010 door

[deskundige1], kinder- en jeugdpsychiater;

- Een rapport psychologisch onderzoek pro justitia, opgemaakt op 29 januari 2010 door [deskundige2], GZ-psycholoog;

- Een aanvullend psychiatrisch pro justitia rapport, opgemaakt op 26 juni 2010 door [deskundige1], kinder- en jeugdpsychiater;

- Een aanvullend psychologisch rapport pro justitia, opgemaakt op 22 juni 2010 door [deskundige2], GZ-psycholoog.

- Een aanvullende rapportage betreffende verdachte, opgemaakt op 4 februari 2011 door mevrouw [deskundige3], gedragswetenschapper/orthopedagoog bij [inrichting];

- Een verdachte betreffend ‘vierde perspectiefplan’, opgemaakt op 3 februari 2011 door mevrouw [deskundige3] voornoemd;

De in het psychiatrisch rapport d.d. 25 januari 2010 en in het aanvullende rapport van 26 juni 2010 opgenomen conclusies houden onder meer het volgende in.

Onderzochte is lijdende aan een hechtingsstoornis en een gedragsstoornis. Tevens is er sprake van zwakbegaafdheid. Dit was ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde eveneens het geval. De ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedden betrokkenes gedragskeuzes c.q. gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde gedeeltelijk. Voortkomend uit de gedragsstoornis is er bij onderzochte de neiging tot impulsiviteit waarbij ze niet goed nadenkt over de gevolgen van haar handelen. De zwakbegaafdheid versterkt dit. Geadviseerd wordt om betrokkene als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Zowel haar moeite met het aangaan en volhouden van gelijkwaardige relaties en haar gebrek aan zelfvertrouwen in anderen en juist weer sterke beïnvloedbaarheid kunnen van belang zijn voor de kans op recidive indien zij in contact komt met anderen die haar verleiden tot het plegen van delicten en door wie zij zich gesteund voelt en geneigd is om zich te laten beïnvloeden. Geadviseerd wordt om onderzochte te laten behandelen in een inrichting voor jeugdigen, waarbij zij bij voorkeur terechtkomt op een afdeling waar ervaring is met ernstige hechtingsproblematiek bij meisjes. Deze maatregel kan in het belang worden geacht van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte. Een inrichting waar ervaring bestaat met hechtingsstoornissen heeft de voorkeur.

Indien onderzochte niet verder behandeld of begeleid zou worden, zou er kans zijn op recidive van een misdrijf dat de veiligheid van anderen en/of de algemene veiligheid van personen of goederen aantast aangezien er bij haar sprake is van moeite met het aangaan en volhouden van gelijkwaardige relaties.

Zoals het er nu naar uitziet, worden de behandelmogelijkheden en invulling van de gedragsbeïnvloedende maatregel niet toereikend geacht om aan de behandeling van onderzochte te werken. Onderzochte is gebaat bij de structuur van een behandelinrichting.

De in het psychologisch rapport d.d. 29 januari 2010 en in het aanvullende rapport van 22 juni 2010 opgenomen conclusies houden onder meer het volgende in.

Betrokkene is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens. Er is sprake van een beneden gemiddeld cognitief functioneren en van scheefgroei en stagnatie van haar persoonlijkheidsontwikkeling. De gebrekkige ontwikkeling bestond evenzo ten tijde van het ten laste gelegde. In algemene zin kan worden opgemerkt dat betrokkene’s functioneren permanent door haar verstandelijke beperkingen wordt beïnvloed. Betrokkene’s gebrekkig persoonlijkheidsontwikkeling brengt onder meer een gebrekkig motief tot impulsbeheersing met zich mee, doordat zij weinig gewicht toekent aan de emotionele reikwijdte van haar handelen. Het is niet ondenkbaar dat deze factor in enig oorzakelijk verband met het ten laste gelegde staat. Omdat zowel verstandelijke beperkingen als een gebrekkige persoonlijkheidsontwikkeling, betrokkene’s gedrag beïnvloeden, is het aannemelijk dat haar functioneren ten tijde van het ten laste gelegde in boven gemiddelde mate door die gebrekkige ontwikkeling werden bepaald. Als het ten laste gelegde wordt bewezen is het te adviseren om betrokkene te beschouwen als verminderd toerekeningsvatbaar. Om recidive te voorkomen en in het belang van betrokkene’s verdere ontwikkeling wordt geadviseerd om de maatregel van PIJ onvoorwaardelijk op te leggen. De maatregel is van belang om betrokkene de noodzakelijke pedagogische structuur te bieden en om te voorkomen dat zij zich aan die structuur onttrekt. Als betrokkene niet langdurig extern begrensd wordt door een professionele pedagogische structuur, bestaat er een aanzienlijke kans dat er een persoonlijkheidsstoornis tot ontwikkeling komt. Omdat gebleken is dat betrokkene de neiging heeft om zich aan extern opgelegde structuur te onttrekken is een gesloten inrichting geïndiceerd. Er dient verder rekening gehouden te worden met betrokkene’s verstandelijke beperkingen.

Er werd reeds uiteengezet dat er sprake is van een verhoogde kans op recidive door betrokkene’s beperkte mogelijkheden problemen op te lossen, de verstandelijke beperkingen die een belemmering vormen bij het overzien van de gevolgen van het handelen, het gebrekkige motief om impulsen te beheersen, zelfoverschatting en het gebrek aan respect voor autoriteiten en gezag. Hieruit mag men afleiden dat er daarbij ook risico bestaat voor de veiligheid van anderen en/of de algemene veiligheid van personen of goederen. Gezien de ontwikkelingsachterstand dient betrokkene’s behandeling hoe dan ook in een instelling voor jeugdigen plaats te vinden.

Naar mening van ondergetekende volstaat de gedragsbeïnvloedende maatregel niet om de complexe problematiek van betrokkene te behandelen. Betrokkene dient voor een langere periode behandeld te worden in een residentiële situatie, waaraan zij zich niet kan onttrekken, die haar voldoende structureert en die professionele pedagogische begrenzing aanbiedt. Betrokkene heeft, ondanks haar motivatie, voor een langere periode externe begrenzing nodig. Daarbij biedt de PIJ-maatregel de beste mogelijkheden.

De in het adviesrapportage Jeugdreclassering d.d. 22 februari 2010 opgenomen conclusies houden onder meer het volgende in.

De Jeugdreclassering kan niets anders concluderen dan dat zij de adviezen van beide NIFP-rapportages moet volgen. Er zijn te veel factoren aanwezig die op dit moment een bedreiging vormen voor [verdachte]’s ontwikkeling en waardoor recidive niet kan worden uitgesloten. Om [verdachte] uitzicht op een veilige en positieve ontwikkeling te kunnen bieden, is naar de mening van de Jeugdreclassering behandeling in het kader van een PIJ-maatregel noodzakelijk.

[deskundige3], gedragswetenschapper, orthopedagoog van [inrichting], heeft ter terechtzitting van het hof van 22 februari 2011 onder meer het volgende verklaard:

Indien aan verdachte een PIJ-maatregel wordt opgelegd, dan kunnen wij die maatregel binnen [inrichting] goed uitvoeren. Wij zijn nog niet met een behandeling van verdachte gestart, omdat zij dit steeds heeft afgehouden zolang de afloop van haar strafzaak nog niet bekend is. Met betrekking tot alle jongeren die in het kader van een PIJ-maatregel in [inrichting] zitten, kijken we zo veel mogelijk wat de mogelijkheden zijn. Verdachte is zeer gemotiveerd als het gaat om het volgen van onderwijs. Ze doet daarin erg haar best. Op de leefgroep doet verdachte wat van haar gevraagd wordt. Wat nog mist is dat we nog geen behandeling van verdachte hebben kunnen starten, omdat zij dat afhoudt.

Het hof neemt de hiervoor weergegeven conclusies en adviezen van de deskundigen en de gronden waarop zij berusten over en legt die ten grondslag aan zijn beslissing.

D11

Gelet op het voorgaande, acht het hof de onvoorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen passend en noodzakelijk.

Hierbij overweegt het hof dat verdachte in een besloten omgeving dient te verblijven, daar uit de adviezen blijkt dat verdachte behoefte heeft aan een duidelijke structuur van een behandelinrichting.

De bewezen verklaarde feiten betreffen feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van de maatregel en de maatregel is in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte.

Het hof geeft in het kader van de executie in overweging dat de verdachte dient te worden opgenomen in een Justitiële Jeugdinrichting of een andere jeugdinrichting die in het bijzonder deskundig is in de behandeling van jeugdigen met een licht verstandelijke handicap. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de behandeling van verdachte in het kader van een PIJ-maatregel goed kan worden uitgevoerd binnen de [inrichting]. Het hof adviseert derhalve verdachte gedurende de PIJ-maatregel te plaatsen in [inrichting].

D12

Bij de bepaling van de aard en omvang van de op te leggen jeugddetentie heeft het hof tevens rekening gehouden met de omstandigheid dat de bewezen verklaarde feiten verdachte in licht mindere mate kunnen worden toegerekend, zoals hiervoor is vastgesteld.

Schadevergoeding

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 5.025,24, te vermeerderen met wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van de niet toegewezen vordering.

Het hof is van oordeel dat ten aanzien van de gestelde materiële schade ten bedrage van EUR 25,24, geen sprake is van rechtstreekse schade. Hiervan is alleen sprake als iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling is beschermd. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.

Ten aanzien van de door de benadeelde partij [benadeelde 2] gevorderde immateriële schade ten bedrage van EUR 5.000,00 overweegt het hof dat voor vergoeding van schade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarvan is ook thans niets gesteld of gebleken.

Het hof is, mede gelet op het vorenstaande, van oordeel dat een verdere behandeling van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 1.792,30, te vermeerderen met wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 542,30.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden overeenkomstig het door de rechtbank vastgestelde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans voor het overige in zijn vordering niet worden ontvangen en kan dat deel van zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet tevens aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f van Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 47, 48, 49, 77a, 77g, 77h, 77s, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 subsidiair en onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1, subsidiair en onder 2 bewezen verklaarde oplevert:

1, subsidiair.

Medeplichtigheid aan doodslag

2.

Medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 1 (één) jaar.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt op de plaatsing van verdachte in een inrichting voor jeugdigen.

Adviseert met betrekking tot de plaats waar en de wijze waarop deze maatregel zal worden ten uitvoer gelegd dat verdachte behandeld zal worden in de [inrichting].

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde 1], wonende te [adres] te [woonplaats], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 542,30 (vijfhonderd tweeënveertig euro en dertig cent), te vermeerderen met wettelijke rente berekend vanaf 31 augustus 2009 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] toe tot een bedrag van EUR 542,30 (vijfhonderd tweeënveertig euro en dertig cent).

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, een bedrag te betalen van EUR 542,30 (vijfhonderd tweeënveertig euro en dertig cent), te vermeerderen met wettelijke rente, berekend vanaf 31 augustus 2009 tot de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat en indien en voor zover een mededader van verdachte aan deze vordering heeft voldaan de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd..

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte en/of de mededaders hebben voldaan aan zijn of haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of de mededaders hebben voldaan aan zijn of haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn of haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [benadeelde 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 1], in zijn vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij in zoverre zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 2], in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. F.P.E. Wiemans,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Blokx- van Roosmalen, griffier,

en op 29 april 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. H. Harmsen is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen