Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ3063

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-04-2011
Datum publicatie
29-04-2011
Zaaknummer
20-001397-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2010:BL8598, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling verdachte wegens medeplichtigheid aan doodslag, medeplegen van bedreiging met een misdrijf tegen het leven en diefstal. De gedragingen van verdachte maken naar het oordeel van het hof dat verdachte medeverdachte opzettelijk gelegenheid heeft verschaft de komst van het slachtoffer af te wachten. Ten aanzien van de strafoplegging is het hof er van uit gegaan dat verdachtes opzet slechts gericht is geweest op medeplichtigheid aan het bedreigen van het slachtoffer. Ten aanzien van het bedreigen met een misdrijf tegen het leven is het hof van oordeel dat de omstandigheden zoals die zich hebben voorgedaan zodanig zijn dat minstgenomen sprake is van een stilzwijgende samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten zodat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met de medeverdachten heeft gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-001397-10

Uitspraak : 29 april 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 maart 2010 in de strafzaak met parketnummer 01-839423-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1987],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

A1

De raadsman heeft opgemerkt dat naar de opvatting van de verdediging het onder 3 ten laste gelegde in hoger beroep niet meer aan de orde is nu het hoger beroep bij appelakte van de officier van justitie beperkt is tot de vrijspraak van het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde. Het beroep van verdachte, dat enkel gericht was tegen het onder 3 ten laste gelegde, is ingetrokken door verdachte en thans niet meer orde. Uitbreiding van het appel in hoger beroep is – aldus de raadsman – nu de appelakte leidend is voor de omvang van het appel niet mogelijk en niet geoorloofd.

Het hof overweegt hiertoe het volgende.

A2

De officier van justitie heeft op 2 april 2010 hoger beroep ingesteld. De daarvan opgemaakte akte houdt in dat het beroep wordt ingesteld tegen ‘het eindvonnis d.d. 22 maart 2010’ in de zaak tegen verdachte. In het aan de akte gehechte formulier ‘opgave bezwaren’ is vervolgens door de officier van justitie aangegeven dat het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak van de ten laste gelegde feiten 1 en 2 en de hoogte van de opgelegde straf.

A3

Ingevolge artikel 449, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), in verbinding met artikel 407, tweede lid, Sv kan de officier van justitie bij het instellen ervan het hoger beroep beperken indien in eerste aanleg aan de verdachte cumulatief strafbare feiten zijn ten laste gelegd. Indien een dergelijke beperking niet bij het instellen van het hoger beroep is aangebracht en later dat appel evenmin gedeeltelijk is ingetrokken, beslist de appelrechter over de zaak in volle omvang.

A4

In aanmerking genomen dat de hiervoor onder A2 genoemde appelakte van

2 april 2010 als zodanig geen beperking inhoudt van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep, terwijl van een intrekking nadien, als hiervoor bedoeld, niet is gebleken, is het hof van oordeel dat het hof thans over de zaak in volle omvang dient te beslissen. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de opgave van bezwaren geen onderdeel uitmaakt van de appelakte.

Wat derhalve door de officier van justitie in de opgave van bezwaren is opgenomen, heeft niet te gelden als de inhoud van de akte tot het instellen van appel.

De inhoud van de gewijzigde tenlastelegging d.d. 8 maart 2010 is derhalve de grondslag van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en te dien aanzien opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van het voorarrest en met toewijzing van de vordering van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2], te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Namens verdachte is bepleit verdachte vrij te spreken van het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 31 augustus 2009 te Eindhoven tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of één of meer van zijn mededaders met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen één of meermalen in het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

Subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] op of omstreeks 31 augustus 2009 te Eindhoven tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben die [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] en/of één of meer van hun mededaders met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen één of meermalen in het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij op of omstreeks 31 augustus 2009 te Eindhoven tezamen en in verenging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door

- aan die [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2]en/of [medeverdachte3] en/of één of meer van hun mededaders een vuurwapen te verstrekken en/of

- met die [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] en/of één of meer van hun mededaders naar een woning en/of kamer aan de [adres] te gaan (teneinde die [slachtoffer] aan te spreken op en/of te confronteren met zijn vermeende (seksuele) misbruik en/of uitbuiting van die [medeverdachte2]) en/of

- (daarbij) een vuurwapen en/of een stroomstootwapen en/of (plastic) handschoenen en/of tape mee te brengen naar die woning en/of kamer en/of

- met die [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] en/of één of meer van hun mededaders (in die woning en/of kamer) de komst van die [slachtoffer] af te wachten en/of

- (op die zolderkamer één of meer mobiele telefoons (van [benadeelde 1] en/of [getuige1]) in te nemen en/of weg te nemen en/of tegen die [getuige1] te zeggen dat hij “geen gekke dingen moest doen op MSN” en/of een hamer en/of een schroevendraaier te verplaatsen en/of weg te leggen.

2.

hij op of omstreeks 31 augustus 2009 te Eindhoven tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, [getuige1] en/of [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen daar opzettelijk dreigend - een vuurwapen aan die [getuige1] en/of [benadeelde 1] getoond en/of - dat vuurwapen ten overstaan van die [getuige1] en/of [benadeelde 1] opgeheven gehouden en/of - dat vuurwapen in de richting van en/of op die [getuige1] en/of [benadeelde 1] gericht en/of gericht gehouden;

3.

hij op of omstreeks 31 augustus 2009 te Eindhoven tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meer mobiele telefoons, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [getuige1] en/of [benadeelde 1], in elk geval aan (een) ander(en) dan aan verdachte en/of mededader(s).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

B1

Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat verdachte wel betrokken is geweest bij het door [medeverdachte1] dood schieten van [slachtoffer] op 31 augustus 2009, doch – in tegenstelling tot de advocaat-generaal – dat uit het onderzoek ter terechtzitting van onvoldoende bewijsmiddelen is gebleken op grond waarvan bewezen kan worden dat die betrokkenheid zodanig is geweest dat verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte1] [slachtoffer] om het leven heeft gebracht.

B2

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde zal het hof verdachte vrij spreken van het medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven, althans met zware mishandeling van [getuige1]. Naar het oordeel van het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting van onvoldoende bewijs gebleken op grond waarvan bewezen kan worden dat [getuige1] op 31 augustus 2009 op de zolderkamer is bedreigd door verdachte en/of één van zijn medeverdachten. De verklaring van [getuige1] dat [medeverdachte1] gedreigd heeft hem over hoop te schieten als hij nog een keer naar hem keek, vindt op geen enkele wijze steun in de verklaring van [benadeelde 1] noch in die van de andere getuigen en betrokkenen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1, subsidiair.

[medeverdachte1] op 31 augustus 2009 te Eindhoven opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft die [medeverdachte1] met dat opzet met een vuurwapen in het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 31 augustus 2009 te Eindhoven, opzettelijk gelegenheid heeft verschaft, door

- met die [medeverdachte1] en [medeverdachte2] en [medeverdachte3] naar een woning aan de [adres] te gaan, en

- met die [medeverdachte1] en [medeverdachte2] in die woning en/of kamer de komst van die [slachtoffer] af te wachten, en

- op die zolderkamer mobiele telefoons van [benadeelde 1] en/of [getuige1] in te nemen en tegen die [getuige1] te zeggen dat hij geen gekke dingen moest doen op MSN en/of een hamer te verplaatsen en/of weg te leggen.

2.

hij op 31 augustus 2009 te Eindhoven tezamen en in vereniging met anderen [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededaders toen daar opzettelijk dreigend

- een vuurwapen aan die [benadeelde 1] getoond

- en dat vuurwapen in de richting van [benadeelde 1] gehouden.

3.

hij op 31 augustus 2009 te Eindhoven met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen mobiele telefoons, geheel of ten dele toebehorende aan [getuige1] en/of [benadeelde 1].

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

C1.1

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

C1.2

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

C2.

De raadsman heeft namens verdachte bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde. Hij heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat:

- niet kan worden vastgesteld of verdachte opzet had op (enig deel) van de door medeverdachte [medeverdachte1] gepleegde doodslag zodat geen sprake kan zijn van medeplegen van of medeplichtigheid aan doodslag zoals onder 1 subsidiair ten laste gelegd;

- niet met zekerheid kan worden gesteld dat verdachte op de hoogte was van het feit dat [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] een vuurwapen bij zich had(den) en dat verdachte wist dat andere personen in de woning aanwezig zouden zijn. Het enkele niet distantiëren is onvoldoende om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het bedreigen van [benadeelde 1].

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

C3.1

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep zijn naar het oordeel van het hof, niettegenstaande het feit dat verdachte en zijn medeverdachten onderdelen daarvan betwisten, de hierna onder C3.2 weergegeven feiten en omstandigheden komen vast te staan.

Het hof heeft deze feiten en omstandigheden in hoofdzaak gebaseerd op de verklaringen van de getuigen [getuige1] (dossierpagina’s 600-605 en 672-675) en [benadeelde 1] (dossierpagina’s 630-642 en 664-672) afgelegd ten overstaan van de politie, welke verklaringen zij ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 15 januari 2010 grotendeels hebben bevestigd. [getuige1] en [benadeelde 1] kunnen in verhouding tot de overige betrokkenen als onafhankelijke getuigen worden beschouwd en hun verklaringen ondersteunen elkaar in belangrijke mate. Hun verklaringen vinden bovendien op onderdelen bevestiging in de verklaringen van de getuige [benadeelde 2] afgelegd ten overstaan van de politie (dossierpagimna’s 610-613 en 685-698) en bij de rechter-commissaris d.d. 20 januari 2010 alsmede de verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 22 februari 2010.

Voor wat betreft hetgeen is voorgevallen voordat verdachte met medeverdachten [medeverdachte1], [medeverdachte2] en [medeverdachte3] naar de woning aan de [adres] te [woonplaats] gingen en de aanleiding van het bezoek aan deze woning gaat het hof in het bijzonder uit van de verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 22 februari 2010. Zijn verklaring sluit ook voor wat betreft het verdere verloop van de gebeurtenissen op essentiële onderdelen aan op de verklaring van de overige getuigen en wordt ook op onderdelen ondersteund door de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte1], [medeverdachte3] en [medeverdachte2].

C3.2

De door het hof als vaststaand aangenomen feiten.

a. Medeverdachten [medeverdachte1], [medeverdachte2] en [medeverdachte3] en verdachte waren op 31 augustus 2009 in de woning van [medeverdachte1] aan de [adres2]. [medeverdachte2] vertelde daar dat [slachtoffer] haar misbruikte en dwong om in de prostitutie te werken. [medeverdachte1] besloot daarop om met [medeverdachte2], verdachte en [medeverdachte3] naar het pand aan de [adres] te [woonplaats] - van welke pand [slachtoffer] huisbaas was - te gaan en aldaar [slachtoffer] te laten bevestigen dat hij [medeverdachte2] misbruikte en dwong zich te prostitueren.

b. Aangekomen bij het pand aan de [adres] zijn [medeverdachte1], [medeverdachte2] en verdachte naar binnen gegaan. Medeverdachte [medeverdachte3] is buiten gebleven. [medeverdachte1], [medeverdachte2] en verdachte zijn naar boven gelopen naar de zolderkamer alwaar[getuige1] en de bewoner van de zolderkamer, [benadeelde 1] aanwezig waren.

c. [medeverdachte1], [medeverdachte2] en verdachte zijn de zolderkamer van [benadeelde 1] in gelopen. [medeverdachte1] nam direct daarna een pistool in zijn hand en droeg [getuige1] en [benadeelde 1] op om stil te zijn. Er ontstond vervolgens een woordenwisseling tussen [medeverdachte1] en [benadeelde 1] waarbij [medeverdachte1] die [benadeelde 1] verschillende malen heeft bedreigd met het pistool en heeft geslagen.

d. Terwijl [medeverdachte1] met het pistool dreigementen uitte, droeg verdachte [getuige1] en [benadeelde 1] op om geen gekke dingen te doen met MSN en pakte hij de telefoons van [getuige1] en [benadeelde 1], die bij de computer lagen.

e. Medeverdachte [medeverdachte2] heeft, terwijl zij met [medeverdachte1] en verdachte op de zolderkamer was, vanuit deze kamer verschillende malen telefonisch contact opgenomen met de huiseigenaar [slachtoffer] en hem dringend en op dwingende toon verzocht direct naar de woning aan de [adres] te [woonplaats] te komen.

f. Enige tijd na het telefonisch contact met [medeverdachte2] is [slachtoffer] met zijn vriendin [benadeelde 2] gearriveerd bij de woning aan de [adres]. [slachtoffer] is naar boven gelopen en heeft daar [medeverdachte1] met het pistool in zijn handen aangetroffen. [medeverdachte1] had het pistool inmiddels doorgeladen en richtte het op [slachtoffer]. [slachtoffer] heeft iets gezegd of gedaan ten einde [medeverdachte1] te bewegen het pistool weg te doen en vervolgens is er door [medeverdachte1] een schot gelost in de richting van [slachtoffer].

g. Nadat het schot was gelost zijn verdachte, [medeverdachte1] en [medeverdachte2] met zijn drieën de woning aan de [adres] uit gerend;

h. [slachtoffer] had ten gevolge van het door [medeverdachte1] geloste schot een schotwond in de borst en is aan de gevolgen van die schotwond ter plaatse overleden.

C4

Het hof leidt uit vorengenoemde feiten en omstandigheden, alsmede de overige bewijsmiddelen in het dossier, in onderlinge samenhang en verband bezien, af dat [medeverdachte1] samen met verdachte en de medeverdachten [medeverdachte2] en [medeverdachte3] op 31 augustus 2009 naar de woning aan de [adres] zijn gegaan met de bedoeling de huisbaas en kamerverhuurder van dat pand, [slachtoffer] te dwingen om toe te geven dat hij [medeverdachte2] dwong om in de prostitutie te werken, dan wel haar anderszins misbruikt had. Daartoe werden wapens, als een vuurwapen en een hamer, meegenomen. Aldus was men uit op een confrontatie met het latere slachtoffer in die zin dat men hem in ieder geval op enigerlei wijze onder druk wilde zetten of wilde bedreigen. Het gegeven dat [medeverdachte3] buiten bleef staan terwijl de anderen naar binnen gingen past ook binnen dit planmatige handelen. Op het moment dat verdachte, [medeverdachte1] en [medeverdachte2] de zolderkamer binnen gingen, heeft [medeverdachte1] het pistool gepakt en is hij dreigementen gaan uiten en is hij zich agressief gaan gedragen tegen – in ieder geval – de op de zolderkamer aanwezig bewoner [benadeelde 1]. Terwijl [medeverdachte1] dit doet, zegt verdachte tegen [getuige1] niets te doen met MSN en neemt de telefoons van [getuige1] en [benadeelde 1] in. [getuige1] en [benadeelde 1] verklaren daarnaast beiden dat verdachte een hamer in zijn hand had toen hij op de kamer stond. Deze gedragingen van verdachte maken naar het oordeel van het hof dat verdachte [medeverdachte1] opzettelijk gelegenheid heeft verschaft de komst van [slachtoffer] op de zolderkamer af te wachten. Nadat [slachtoffer] was gearriveerd heeft er een confrontatie plaatsgevonden tussen [slachtoffer] en [medeverdachte1]. [slachtoffer] heeft op enig moment een beweging naar voren gemaakt waarna [medeverdachte1] op [slachtoffer] heeft geschoten tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Door de gedragingen van verdachte, waren de overige aanwezigen, voorafgaande aan de komst van [slachtoffer], niet in de gelegenheid om, bijvoorbeeld, hulp in te roepen of iets anders te ondernemen om de bedreigende situatie op de zolderkamer te (laten) beëindigen. Het hof gaat er van uit dat verdachtes opzet slechts gericht is geweest op medeplichtigheid aan het bedreigen van [slachtoffer]. [medeverdachte1] is echter aanzienlijk verder gegaan door het slachtoffer neer te schieten.

Het vorenstaande maakt dat het hof weliswaar bewezen acht dat verdachte medeplichtig is geweest aan het opzettelijk doden van [slachtoffer] zoals onder 1, subsidiair ten laste is gelegd maar dat het hof bij de strafoplegging wel rekening zal houden met het mindere opzet van verdachte.

Het verweer wordt verworpen.

C5

Uit de onder C3.2, onder b tot en met e opgenomen feiten en omstandigheden blijkt dat verdachte en medeverdachten [medeverdachte1] en [medeverdachte2] samen de zolderkamer in de woning aan de [adres] zijn opgelopen. [medeverdachte1] heeft direct daarna het pistool ter hand genomen en is vervolgens met het pistool bedreigingen gaan uiten naar de bewoner van deze kamer, [benadeelde 1]. Terwijl [medeverdachte1] dit deed, nam verdachte de telefoons van [benadeelde 1] en [getuige1] in en droeg hen op niets te doen met MSN. Verdachte had daarnaast zelf een hamer in zijn handen. [medeverdachte2] belde gelijktijdig vanuit de zolderkamer naar [slachtoffer] ten einde hem zo spoedig mogelijk naar de woning aan de [adres] te laten komen. Hoewel uit het vorenstaande niet blijkt dat voorafgaande aan het bezoek aan de woning aan de [adres] sprake was van een samenwerking of afspraken tussen verdachte en zijn medeverdachten met betrekking tot het bedreigen van [benadeelde 1], zijn de omstandigheden zoals die zich hebben voorgedaan op de zolderkamer toen verdachten en zijn medeverdachten daar waren, voldoende om op dat moment minstgenomen te kunnen spreken van een stilzwijgende samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte1] en [medeverdachte2] ten aanzien van het bedreigen van [benadeelde 1]. Zowel verdachte als [medeverdachte2] hebben zich ook overigens op geen enkele wijze gedistantieerd van het bedreigen van [benadeelde 1]. Het vorenstaande maakt naar het oordeel van het hof dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit tezamen en in vereniging met zowel de medeverdachte [medeverdachte1] als medeverdachte [medeverdachte2] heeft gepleegd.

Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 48, aanhef en onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 2 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 47, eerste lid aanhef en onder 1° juncto artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 3 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Zij worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

D1

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

D2

Het hof heeft onder feit 1 subsidiair medeplichtigheid aan doodslag bewezen verklaard. Het hof is, mede gelet op het hiervoor onder C4 overwogene van oordeel dat het opzet van verdachte op 31 augustus 2009 niet was gericht op het doden van [slachtoffer], doch op het bedreigen van [slachtoffer], door hem – kort gezegd – te dwingen naar de woning aan de [adres] te komen en hem vervolgens dreigend te confronteren met hetgeen [medeverdachte2] over hem had gezegd. Voor wat betreft het bepalen van de strafmaat ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft het hof derhalve, gelet op het bepaalde in artikel 49, vierde lid van het Wetboek van Strafrecht, aansluiting gezocht bij de stafbepalingen die gelden voor bedreiging en dwang.

D3

De gevolgen van het handelen van medeverdachte [medeverdachte1] zijn groot geweest. [medeverdachte1] heeft op 31 augustus 2009 op de zolderkamer van de woning aan de [adres] te Eindhoven, in het bijzijn van de bewoner van die kamer, een vriend van die bewoner en de partner van [slachtoffer] opzettelijk [slachtoffer] op brute wijze van het leven beroofd. Een dergelijke daad brengt gevoelens van afgrijzen, angst en onveiligheid te weeg in de samenleving. Door dit gewelddadig en nietsontziende optreden is aan de partner, ouders en overige familieleden van het slachtoffer een immens en onherstelbaar leed aangedaan.

D4

Het hof heeft ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde in het bijzonder gelet op het feit dat verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte1] en [medeverdachte2], de in de zolderkamer aanwezige [getuige1] en [benadeelde 1] grote gevoelens van angst en onveiligheid heeft aangejaagd door met een wapen de zolderkamer van [benadeelde 1] binnen te gaan, de telefoons van de aldaar aanwezige [benadeelde 1] en [getuige1] af te pakken en hen te gebieden geen MSN te gebruiken ten einde contact te zoeken met de buitenwereld. Ook de telefoontjes die [medeverdachte2] in het bijzijn van verdachte heeft gepleegd met het latere slachtoffer, hebben gevoelens van angst en bedreiging veroorzaakt bij [benadeelde 2], de vriendin van het latere slachtoffer.

D5

Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is in algemene zin rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

D6

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting afgeleid dat verdachte een minder grote rol heeft gespeeld bij het onder 1 en onder 2 bewezen verklaarde dan [medeverdachte2]. [medeverdachte2] is degene die met het, naar achteraf is vastgesteld, gelogen verhaal is gekomen dat zij misbruikt werd door [slachtoffer]. Zij is dan ook degene die de aanleiding gaf om naar het pand aan de [adres] te gaan en [slachtoffer] met dit verhaal te confronteren. Verdachte is daarentegen wel degene geweest die er mede voor heeft zorg gedragen dat [benadeelde 1] en [getuige1] zich stil hielden in de tijd dat werd gewacht op de komst van [slachtoffer]. Daarnaast is verdachte, in tegenstelling tot [medeverdachte2], al eerder veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten.

D7

Gelet op het vorenstaande, alsmede de persoonlijke omstandigheden van verdachte waarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken acht het hof een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, passend en geboden.

D8

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

D9

Het hof acht geen termen aanwezig de vordering van de advocaat-generaal tot de gevangenneming van verdachte, toe te wijzen.

Schadevergoeding

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 5.025,24, te vermeerderen met wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van de niet toegewezen vordering.

Het hof is van oordeel dat ten aanzien van de gestelde materiële schade ten bedrage van EUR 25,24, geen sprake is van rechtstreekse schade. Hiervan is alleen sprake als iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling is beschermd. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.

Ten aanzien van de door de benadeelde partij [benadeelde 2] gevorderde immateriële schade ten bedrage van EUR 5.000,00 overweegt het hof dat voor vergoeding van schade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarvan is ook thans niets gesteld of gebleken.

Het hof is, mede gelet op het vorenstaande, van oordeel dat een verdere behandeling van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 1.792,30, te vermeerderen met wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 542,30.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden overeenkomstig het door de rechtbank vastgestelde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans voor het overige in zijn vordering niet worden ontvangen en kan dat deel van zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet tevens aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f van Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 48, 49, 57, 63, 285 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair, onder 2 en onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 subsidiair, onder 2 en onder 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1, subsidiair, onder 2 en onder 3 bewezen verklaarde oplevert:

1, subsidiair.

Medeplichtigheid aan doodslag

2.

Medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven.

3.

Diefstal

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde 1], wonende te [adres] te Eindhoven, aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 542,30 (vijfhonderd tweeënveertig euro en dertig cent), te vermeerderen met wettelijke rente berekend vanaf 31 augustus 2009 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] toe tot een bedrag van EUR 542,30 (vijfhonderd tweeënveertig euro en dertig cent).

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, een bedrag te betalen van EUR 542,30 (vijfhonderd tweeënveertig euro en dertig cent), te vermeerderen met wettelijke rente, berekend vanaf 31 augustus 2009 tot de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat en indien en voor zover een mededader van verdachte aan deze vordering heeft voldaan de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd..

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte en/of de mededaders hebben voldaan aan zijn of haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of de mededaders hebben voldaan aan zijn of haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn of haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [benadeelde 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 1], in zijn vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij in zoverre zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 2], in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Wijst af de vordering van de advocaat-generaal tot gevangenneming van de verdachte.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. F.P.E. Wiemans,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Blokx- van Roosmalen, griffier,

en op 29 april 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.