Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ1665

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-03-2011
Datum publicatie
19-04-2011
Zaaknummer
20-002286-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in enkele dagen tijd met geweld en bedreiging met geweld een auto gestolen; samen met een ander onder bedreiging van geweld nog een auto gestolen; is samen met anderen een woning binnengedrongen, waarbij met geweld goederen zijn ontvreemd, waarbij verdachte een pistool tegen het hoofd van het slachtoffer heeft gehouden; heeft op straat iemand met een pistool bedreigd en enige tijd later ook nog twee mensen die in hun auto reden met een pistool bedreigd.

Het hof acht een herleving van de behandeling in het kader van de eerder opgelegde PIJ-maatregel niet aan de orde. Verdachte is in (licht) verminderde mate toerekeningsvatbaar. De psychiater heeft tbs met dwangverpleging geadviseerd. De psycholoog adviseert afstraffen/gevangenisstraf. Het hof legt op 4 jaar gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002286-10

Uitspraak : 28 maart 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 26 mei 2010 in de strafzaak met parketnummer 03/700153-09 tegen:

(verdachte)

geboren te (woonplaats) op (geboortedatum) 1990,

thans verblijvende in Huis van Bewaring Grave (Unit A + B) te Grave.

waarbij, zakelijk weergegeven, de dagvaarding ten aanzien van een zinsnede in feit 5 partieel nietig is verklaard en verdachte is veroordeeld wegens:

1 diefstal met geweld;

2 diefstal met geweld, in vereniging gepleegd;

3 en 4 afpersing in vereniging en diefstal met geweld, in vereniging in één voortgezette handeling gepleegd;

5 bedreiging tegen het leven gericht;

6 bedreiging tegen het leven gericht of met zware mishandeling;

tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht;

- met toewijzing van de vordering van benadeelde partij (A) tot een bedrag van EUR 1.913,-- met wettelijke rente, met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ter zake van EUR 1.913,--, subsidiair 29 dagen hechtenis;

- met toewijzing van de vordering van benadeelde partij (B) tot een bedrag van EUR 792,10, met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ter zake van EUR 792,10, subsidiair 15 dagen hechtenis;

en ten aanzien van beide benadeelde partijen bepalend dat voor zover betaald is door een of meer mededaders, verdachte niet gehouden is tot betaling en voorts met veroordeling van verdachte in de kosten van beide benadeelde partijen;

- met niet-ontvankelijkverklaring van benadeelde partij (C ) in haar vordering, met veroordeling van de benadeelde partij in de kosten van verdachte.

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij (A) tot een gedeelte van EUR 1.913,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2009, toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep - binnen de grenzen van haar eerste vordering - opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De vordering van de benadeelde partij in hoger beroep strekt derhalve tot betaling van EUR 2.890,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij (B) tot een gedeelte van EUR 792,10 toegewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep - binnen de grenzen van haar eerste vordering - opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De vordering van de benadeelde partij in hoger beroep strekt derhalve tot betaling van EUR 6.666,10.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, behoudens de opgelegde straf/maatregel en de beslissingen omtrent de benadeelde partijen (A) en (B).

De advocaat-generaal heeft ten aanzien van de strafoplegging gevorderd dat het hof aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen gelijk aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht alsmede met last dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en van overheidswege wordt verpleegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij (A) heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering zal toewijzen voor zover deze ziet op de schade aan de bril en de fotocamera, een en ander zoals beslist door de rechtbank, alsmede een bedrag van EUR 5,00, zijnde het geldbedrag in de beurs die in de gestolen auto lag, en als vergoeding van de immateriële schade een bedrag van EUR 1.000,00.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij (B) heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de schadeposten 4 (gouden kruisje en ketting), 5 (fles Whisky),

6 (laptop), 7 (afstandbediening garage) en 9 (bril), in totaal derhalve ten bedrage van

EUR 1.366,10, zal toewijzen

De verdediging heeft het hof verzocht om voor wat betreft de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten en de vorderingen van de benadeelde partijen (A) en (B) aan te sluiten bij de beslissingen van de rechtbank. Subsidiair heeft de verdediging zich voor wat betreft de beslissingen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Ten aanzien van de strafoplegging is namens verdachte naar voren gebracht dat verdachte de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf reeds in november 2010 heeft uitgezeten. De verdediging heeft zich overigens gerefereerd aan het oordeel van het hof omtrent de strafoplegging.

De verdediging heeft het hof verzocht om geen last tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen, gelet op de in het kader van een eerdere strafzaak opgelegde en nog lopende PIJ- maatregel.

Vonnis waarvan beroep

Het hof komt (deels) tot een andere bewezenverklaring en zal alleen al om die reden het vonnis vernietigen. Voorts zal het hof, anders dan de rechtbank, terbeschikkingstelling met dwangverpleging opleggen, waarbij het hof nog opmerkt dat het zich (ook) niet kan vinden in de motivering van de rechtbank waarom deze maatregel niet zou moeten worden opgelegd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 7 maart 2009 in de gemeente Eindhoven met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk/type Opel Corsa, gekentekend (kenteken)), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (slachtoffer 1), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die (slachtoffer 1), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, die (slachtoffer 1) (op agressieve toon) heeft toegevoegd dat zij uit die personenauto moest komen en/of (vervolgens) die (slachtoffer 1) heeft gezegd "je wilt niet weten wat ik in mijn zak heb zitten" en/of (vervolgens) doende is geweest om die (slachtoffer 1) uit de personenauto te trekken althans aan de kleding van die (slachtoffer 1) heeft getrokken;

2

hij op of omstreeks 8 maart 2009 in de gemeente Brunssum, op de openbare weg, de Recreatieweg, althans op een openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Skoda, gekentekend (kenteken)) en/of een (zich in die personenauto bevindende) fotocamera en/of een autoradio/navigatiesysteem, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (slachtoffer A), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die (slachtoffer A), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, gehuld met een bivakmuts over zijn, verdachtes, hoofd, die (slachtoffer A) is genaderd en/of (vervolgens) die (slachtoffer A) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp heeft getoond en/of (daarbij) die (slachtoffer A) heeft toegevoegd "de sleutels of ik steek je kapot";

3

hij op of omstreeks 9 maart 2009 in de gemeente Brunssum, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld (slachtoffer B) heeft gedwongen tot de afgifte van een snoepdoos (inhoudende geld), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Stichting (stichting) en/of die (slachtoffer B), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- een deur van de woning van die (slachtoffer B) heeft/hebben opengeduwd en/of

- die (slachtoffer B) (met kracht) in de nek heeft vastgepakt en/of

- een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het gezicht van die (slachtoffer B) heeft gericht (gehouden) en/of (vervolgens) tegen de wang van die (slachtoffer B) gedrukt en/of

- die (slachtoffer B) heeft toegevoegd "waar is je geld" en/of "waar is je brandkast" en/of "waar is je auto" en/of

- die (slachtoffer B) heeft toegevoegd "ga niet dood want je moet nog vertellen waar het geld is en waar de brandkast is" en/of

- een gouden ketting (met kracht) van de nek van die (slachtoffer B) heeft/hebben getrokken;

4

hij op of omstreeks 9 maart 2009 in de gemeente Brunssum, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een laptop en/of een sleutelbos en/of een gouden ketting en/of een fles whisky, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (slachtoffer B), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die (slachtoffer B), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en /of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- een deur van de woning van (slachtoffer B) heeft/hebben opengeduwd en/of

- die (slachtoffer B) (met kracht) in de nek heeft vastgepakt en/of

- een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het gezicht van die (slachtoffer B) heeft gericht (gehouden) en/of (vervolgens) tegen de wang van die (slachtoffer B) gedrukt en/of

- die (slachtoffer B) heeft toegevoegd "waar is je geld" en/of "waar is je brandkast" en/of "waar is je auto" en/of

- die (slachtoffer B) heeft toegevoegd "ga niet dood want je moet nog vertellen waar het geld is en waar de brandkast is" en/of

- een gouden ketting (met kracht) van de nek van die (slachtoffer B) heeft/hebben getrokken;

5

hij op of omstreeks 9 maart 2009 in de gemeente Brunssum (slachtoffer C) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen de keel en/of (vervolgens) tegen het hoofd van die (slachtoffer C) gezet/gehouden en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "nu op je knieën" en/of "nu ga je pijpen, bitch", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

6

hij op of omstreeks 9 maart 2009 in de gemeente Brunssum en/of in de gemeente Kerkrade, in elk geval in het arrondissement Maastricht, (slachtoffer 2) en/of (slachtoffer 3) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gericht en/of gericht gehouden op die (slachtoffer 2) en/of die (slachtoffer 3), zulks terwijl verdachte enerzijds en die (slachtoffer 2) en (slachtoffer 3) anderzijds zich op korte afstand van elkaar in op de openbare weg rijdende personenauto’s bevonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Geldigheid van de dagvaarding

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de dagvaarding in eerste aanleg, ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde misdrijf van ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of bedreiging met zware mishandeling’, voor wat betreft de zinsnede: ‘en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "nu op je knieën" en/of "nu ga je pijpen, bitch”, althans woorden van gelijke aard of strekking’, nietig behoort te worden verklaard.

Het hof overweegt dat deze bewoordingen niet als verfeitelijking kunnen worden gezien van het aldaar ten laste gelegde bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling..De genoemde bewoordingen kunnen wel worden aangemerkt als een bedreiging met verkrachting, maar dat is niet ten laste gelegd

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1

hij op 7 maart 2009 in de gemeente Eindhoven met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto merk/type Opel Corsa, gekentekend (kenteken), toebehorende aan (slachtoffer 1), welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die (slachtoffer 1), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, die (slachtoffer 1) op agressieve toon heeft toegevoegd dat zij uit die personenauto moest komen en die (slachtoffer 1) heeft gezegd "je wilt niet weten wat ik in mijn zak heb zitten" en vervolgens doende is geweest om die (slachtoffer 1) uit de personenauto te trekken;

2

hij op 8 maart 2009 in de gemeente Brunssum, op de openbare weg, de Recreatieweg, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto merk Skoda, gekentekend (kenteken) en een zich in die personenauto bevindende fotocamera en een autoradio/navigatiesysteem, in elk geval enig goed, toebehorende aan (slachtoffer A), welke diefstal werd voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen die (slachtoffer A), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, gehuld met een bivakmuts over zijn hoofd, die (slachtoffer A) is genaderd en vervolgens die (slachtoffer A) een mes heeft getoond en daarbij die (slachtoffer A) heeft toegevoegd

"de sleutels of ik steek je kapot";

3

hij op 9 maart 2009 in de gemeente Brunssum, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld (slachtoffer B) heeft gedwongen tot de afgifte van een snoepdoos inhoudende geld, toebehorende aan de Stichting (stichting), welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of een van zijn mededaders

- een deur van de woning van die (slachtoffer B) heeft opengeduwd en

- die (slachtoffer B) in de nek heeft vastgepakt en

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het gezicht van die (slachtoffer B) heeft gericht en vervolgens tegen de wang van die (slachtoffer B) gedrukt en

- die (slachtoffer B) heeft toegevoegd "waar is je geld" en "waar is je brandkast" en

- die (slachtoffer B) heeft toegevoegd "ga niet dood want je moet nog vertellen waar het geld is en waar de brandkast is".

4

hij op 9 maart 2009 in de gemeente Brunssum, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een laptop en een sleutelbos en een gouden ketting en een fles whisky, in elk geval enig goed, toebehorende aan (slachtoffer B), welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die (slachtoffer B), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of een van zijn mededaders

- een deur van de woning van die (slachtoffer B) heeft opengeduwd en

- die (slachtoffer B) in de nek heeft vastgepakt en

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het gezicht van die (slachtoffer B) heeft gericht en vervolgens tegen de wang van die (slachtoffer B) gedrukt en

- die (slachtoffer B) heeft toegevoegd "waar is je geld" en "waar is je brandkast" en "waar is je auto" en

- die (slachtoffer B) heeft toegevoegd "ga niet dood want je moet nog vertellen waar het geld is en waar de brandkast is" en

- een gouden ketting met kracht van de nek van die (slachtoffer B) heeft getrokken;

5

hij op 9 maart 2009 in de gemeente Brunssum (slachtoffer C) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen de keel en vervolgens tegen het hoofd van die (slachtoffer C) gezet/gehouden;

6

hij op 9 maart 2009 in de gemeente Brunssum, in elk geval in het arrondissement Maastricht, (slachtoffer 2) en (slachtoffer 3) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gericht en gericht gehouden op die (slachtoffer 2) en die (slachtoffer 3), zulks terwijl verdachte enerzijds en die (slachtoffer 2) en (slachtoffer 3) anderzijds zich op korte afstand van elkaar in op de openbare weg rijdende personenauto's bevonden;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 312, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 2 en 4 is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 312, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 312, tweede lid, sub twee van die wet.

Het bewezen verklaarde onder 3 is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 317, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 317, derde lid, van die wet juncto artikel 312, tweede lid, sub 2 van die wet.

Het bewezen verklaarde onder 5 is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 285, eerste lid (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 6 is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 285, eerste lid (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Zij worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft in enkele dagen tijd achtereenvolgens met geweld en bedreiging met geweld een auto gestolen; vervolgens heeft hij samen met een ander onder bedreiging van geweld nog een auto gestolen; hij is samen met anderen een woning binnengedrongen, waarbij met geweld spullen zijn ontvreemd en waarbij verdachte een pistool tegen het hoofd van het slachtoffer heeft gehouden; hij heeft op straat iemand met een pistool bedreigd en vervolgens ook nog twee mensen die in hun auto reden met een pistool bedreigd.

Ten aanzien van de op te leggen gevangenisstraf

De rechtbank heeft aan verdachte een gevangenisstraf van 30 maanden opgelegd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen gelijk aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De verdediging heeft naar voren gebracht dat verdachte de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf reeds in november 2010 heeft uitgezeten en heeft zich ten aanzien van de strafoplegging gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Naar oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

In dat licht bezien is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een straf zoals door de advocaat-generaal is gevorderd.

Het hof heeft daarbij gelet op:

- de omstandigheid dat verdachte in een tijdsbestek van drie dagen zes zeer ernstige vermogensrechtelijke delicten, die gepaard zijn gegaan met grof geweld c.q. geweldsdreiging jegens personen, heeft gepleegd;

- de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht bij de slachtoffers en het feit dat algemeen bekend is dat slachtoffers nog gedurende lange tijd psychische klachten aan hetgeen hen is overkomen kunnen hebben;

- de materiële schade die door het bewezen verklaarde is veroorzaakt;

- het uittreksel justitiële documentatie de verdachte betreffend d.d. 8 november 2010, waaruit blijkt dat verdachte, zo jong als hij is, reeds eerder ter zake van een fors geweldsdelict (poging doodslag) is veroordeeld.

Het hof heeft bovendien rekening gehouden met de omstandigheid dat, zoals uit het navolgende blijkt, de bewezen verklaarde feiten (licht) verminderd toerekeningsvatbaar is Voorts heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat aan verdachte de maatregel van ter beschikkingstelling met dwangverpleging zal worden opgelegd, zoals hierna vermeld. Het hof acht het overigens van belang dat verdachte zo snel mogelijk, nadat hij zijn straf heeft uitgezeten, zal kunnen beginnen aan de TBS-behandeling.

Het hof acht mitsdien in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 jaar voor de bewezen verklaarde feiten passend, maar gelet op de (licht) verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, zal het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar opleggen.

Ten aanzien van de op te leggen maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof, gelet op de persoon van verdachte, de verwachting dat verdachte behandelbaar is en de noodzaak om de samenleving te beschermen tegen ernstig recidivegevaar, de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal opleggen.

De verdediging heeft het hof verzocht om geen last tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen. Daartoe is aangevoerd dat de in het kader van een eerdere strafzaak opgelegde PIJ-maatregel nog doorloopt en dat de PIJ-behandeling nog gedurende ruim 5 jaar kan worden voortgezet, hetzij in een jeugdinstelling hetzij in een TBS-kliniek, en dat verdachte zeer gemotiveerd is om daaraan mee te werken.

Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte en het door psychiater Kuyck ingenomen standpunt dat verdachte behandelbaar is en in beginsel binnen 4 tot 5 jaar uitbehandeld zou kunnen zijn en de mogelijkheid die bestaat om de PIJ-maatregel in een TBS-kliniek uit te voeren, is het onwenselijk om aan verdachte, de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen, juist ook vanwege het feit dat een TBS-behandeling anders dan de PIJ-behandeling niet gemaximeerd is.

Het hof zal, naast een gevangenisstraf, de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opleggen.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Van 1 oktober 2009 tot 19 november 2009 hebben W.G.E. Kuyck, psychiater, en P.A.E.M.T. Cremers, psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht, in samenwerking met de overige leden van het onderzoekend team, een onderzoek ingesteld naar de geestvermogens van verdachte.

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de navolgende over verdachte uitgebrachte rapportages.

I

Het Pro Justitia rapport van GZ-psycholoog P.A.E.M. Th. Cremers van 16 februari 2010

dat onder meer als overwegingen en conclusies het navolgende inhoudt:

Bij betrokkene, een 19-jarige ten minste gemiddeld intelligente jongeman, is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, in diagnostische zin te omschrijven als een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Tevens zijn er narcistische persoonlijkheidskenmerken en kan er worden gesproken van psychopathie.

Ten tijde van het tenlastegelegde - indien bewezen - waren genoemde antisociale persoonlijkheidsstoornis en de narcistische persoonlijkheidskenmerken aanwezig.

II

Het Pro Justitia rapport van psychiater W.G.E. Kuyck van 16 februari 2010 dat onder meer als overweging en conclusie het navolgende inhoudt:

De rapporteur zal de volgende bij betrokkene vastgestelde diagnosen hieronder toelichten en uitwerken: ADHD gecombineerd type (ondanks de soms wisselende informatie uit het verleden), antisociale persoonlijkheidsstoornis, persoonlijkheidsontwikkeling (profiel) met narcistische en borderline kenmerken. Op grond van de beoordeling van de PCL-R (zie psycholoog) heeft betrokkene psychopathie (dit is geen diagnose maar een persoonlijkheidsconcept).

ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder) is een diagnose die al vroeg bij betrokkene is gesteld, en later in 2006 en 2007 is herbevestigd. Dit kan bij de observatie van betrokkene opnieuw worden geconstateerd. Vooral de impulsiviteit (de snelle afleidbaarheid) en de hyperactiviteit (druk gedrag) zijn opvallend, en in mindere mate de concentratiestoornis (die, blijkend uit de observaties, wisselend is en minder op de voorgrond staat).

Betrokkene kent weinig gewetenswroeging en reageert in conflicten, waarin hij op de afdeling van het PBC wordt begrensd, snel met vooral verbaal geweld (en niet zozeer fysiek). Buiten deze begrenzing, zoals de ten laste gelegde feiten aangeven, is betrokkene niet in staat dit zelf te hanteren.

Een antisociale persoonlijkheidsstoornis met ADHD verhoogt de intensiteit van (cognitief) impulsief gedrag, waar dus controleverlies een factor is.

Persoonlijkheidskenmerken van narcistisch kaliber (prominent aanwezig) en borderline kaliber (minder prominent aanwezig) kunnen voor betrokkene worden beschreven.

Vanuit de observaties op de afdeling, het dossier, en de gesprekken met de rapporteur wordt vastgesteld dat betrokkene veel van de beschreven kenmerken in zijn gedrag en beleving bezit. Deze zijn ‘niet van gisteren’, maar bestaan al jaren.

Vraagstelling

1. Is onderzochte lijdende aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en zo ja, hoe is dat in diagnostische zin te omschrijven?

2. Hoe was dit ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde?

1. Ja, bij betrokkene is sprake van de ziekelijke stoornis ADHD (gecombineerde type, waar vooral de impulsiviteit en drukke gedrag voorop staan), als gebrekkige ontwikkeling een antisociale persoonlijkheidsstoornis, met narcistische en in mindere mate borderline kenmerken. Verder heeft betrokkene psychopathie.

2. Toen waren deze ook aanwezig.

Vraagsteling

3. Beïnvloedde de eventuele ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde (zodanig dat dat mede daaruit verklaard kan worden)?

4. Zo ja, kan de deskundige dan gemotiveerd aangeven:

d. op welke manier dat gebeurde;

e. in welke mate dat gebeurde;

f. welke conclusie aangaande de toerekeningsvatbaarheid op grond hiervan te adviseren is?

3. Gedeeltelijk.

4. a Betrokkene is in drie dagen tijd in een cascade van strafbare feiten terecht gekomen,nadat hij de PIJ-instelling Catamaran in Eindhoven ontvluchtte. Dat hij deze feiten, mits bewezen, van te voren allemaal heeft gepland, is onwaarschijnlijk. De vastgestelde ADHD vormt een zogenaamd ‘impulsiviteits- en planningsprobleem’. Beheersing van de impulscontrole en het houden van overzicht is bemoeilijkt, wat ook blijkt uit het nemen van alcohol respectievelijk hoe betrokkene in een cascade van antisociaal gedrag de dagen na zijn ontvluchting ‘invult’.

De psychiater-rapporteur schetst de doorwerking van de gevonden stoornissen in het gedrag ten tijde van de ten laste gelegde feiten, mits bewezen.

Zowel in feit 1, 2, 3 en 4, mits bewezen, zijn te beschouwen als geplande antisociale gedragingen waarbij instrumenteel verbaal (dreigend) en fysiek geweld werd gebruikt. De start van feiten 1, 2, 3 en 4 leken bij volledige controle plaats te vinden (gericht gepland handelen), echter gaandeweg trad meer verlies van de controle op (met fysiek geweld). De handelingen passen bij zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis en psychopathie, en de ADHD, die ook voor zijn ten laste gelegde feiten aanwezig waren. Van belang hierbij is dat ADHD en een antisociale persoonlijkheidsstoornis elkaar met betrekking tot impulsiviteit kunnen versterken.

Betrokkene kon zich echter op momenten tijdig hernemen en daarbij gedragsalternatieven grotendeels overwegen, maar liet dit na.

Bij feit 5 en 6 komt meer een beeld naar voren van paniek, spanningen (stress en sensatie) en controleverlies, welke gedeeltelijk werden verergerd door verwijtbaar alcoholgebruik. De context van de gebeurtenissen leidden uiteindelijk tot controleverlies, meer dan gemiddeld veroorzaakt door zijn stoornissen, waardoor gedragsalternatieven bemoeilijkt konden worden afgewogen.

b. Wisselend.

c. Feiten 1, 2, 3 en 4: licht verminderd toerekeningsvatbaar. Feiten 5 en 6: verminderd toerekeningsvatbaar.

Vraagstelling

5. a. Welke factoren voortkomend uit de stoornis van onderzochte kunnen van belang zijn voor de kans op recidive?

b. Welke andere factoren en condities moeten hierbij in ogenschouw worden genomen?

c. Is er iets te zeggen over eventuele onderlinge beïnvloeding van deze factoren en condities?

5 a. Betrokkene heeft in zijn levensgeschiedenis laten zien, veelvuldig met justitie in aanraking te zijn gekomen. Zijn vastgestelde kenmerkende psychopathologie leidt, onbehandeld, tot recidieven met gewelddadige c.q. agressieve kenmerken. Dit blijkt ook uit de literatuur. De kerneigenschappen die betrokkene karakteriseren - zoals impulsiviteit, manipulatief gedrag, beperkte gewetensfunctie, egocentrisme, sensatie zoeken en schijnaanpassingen, veroorzaken gedragsproblemen met een antisociale kleuring.

De HKT-30 (zie bijlage 2 voor de beoordeling) bevat op betrokkene van toepassing zijnde indicatoren, die, zonder behandeling, een verhoogd recidivekans op toekomstige delicten betekenen. De historische en toekomstige indicatoren blijken uit onderzoek het meest voorspellend te zijn op toekomstige delicten.

De beoordeling van de PCL-R toont dat betrokkene psychopathie heeft, wat positief voorspellend is voor toekomstige agressieve delicten.

5 b. Betrokkene was nog in behandeling in het kader van een PIJ-maatregel, die hij opgelegd had gekregen wegens poging tot doodslag. In dit rapport wordt beschreven dat betrokkene in deze instelling, de Catamaran, nog veel problemen veroorzaakte (liegen, grenzen opzoeken, anderen de schuld geven), die overigens wel aan het verbeteren waren. Vermoedelijk was

deze verbetering een schijnaanpassing, blijkend uit het misleiden van de hulpverlener tijdens zijn begeleid verlof. Een dergelijke schijnaanpassing (‘faking good’) wordt vaker gezien bij mensen met een antisociale persoonlijkheidstoornis en psychopathie.

5 c. De langdurige (doch vaak onderbroken) hulpverlening die betrokkene heeft gehad, is niet toereikend gebleken. Betrokkene ontvlucht de PIJ instelling waar hij verbleef, en pleegt dan de huidige ten laste gelegde feiten (mist bewezen). Dit geeft een beeld van betrokkene waar de beschreven persoonskenmerken, die doorwerken in het resulterende gedrag, in een bepaalde mate bijgedragen hebben. De beïnvloeding van zijn stoornissen/psychopathologie en gedragsproblematiek, door intensievere behandeling, vergt langdurige inzet

Vraagstelling

7 (6) Welke aanbevelingen van gedragskundige en van andere aard zijn te doen voor interventies op deze factoren en condities en hun eventuele onderlinge beïnvloeding en binnen welk juridisch kader zou dit gerealiseerde kunnen worden?

6. Betrokkene dient met een duidelijke continuïteit van zorg en behandeling (die de afgelopen 10 jaar te vaak discontinu was), samen met het vermogen van de instelling betrokkene aan zich te binden, ondanks zijn gedragsproblematiek, langdurig in een klinische in stelling te verblijven. Een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden zal door betrokkene zeer zeker niet worden nagekomen. Daarmee valt deze aanbeveling, samen met tbs met voorwaarden, af. Wat overblijft, is tbs met dwangverpleging. Deze maatregel zal een langdurig begeleidings- en behandeltraject mogelijk maken, waarmee het recidiverisico, samen met behandeling van zijn psychopath(olog)ie, zodanig kan worden gereduceerd en bewerkt, dat betrokkene na jaren van begeleiding en behandeling voor de maatschappij veilig genoeg is, en kan terugkeren na een getrapte resocialisatie. De rapporteur denkt aan de Dr. H. van der Hoeven tbs-kliniek, die gespecialiseerd is in jong volwassen daders. Ook daar zal er gelet moeten worden op schijnaanpassing, die betrokkene zeer vermoedelijk in de Catamaran heeft getoond. Er zal bij betrokkene eerder ‘faking good’ (dissimuleren) optreden dan ‘faking bad’ (simulatie).

Tijdens de bespreking van het advies met betrokkene nam hij die van de psychiater-rapporteur (tbs met dwangverpleging) en die van de psycholoog-rapporteur (afstraffen/gevangenisstraf) voor kennisgeving aan. Wel viel zijn nerveuze houding op, met rode vlekken in zijn nek dat duidt op een stressvolle en voor hem gespannen situatie/moment.

Dit moet als gunstig worden beschouwd, in de zin dat betrokkene niet altijd en alleen maar als een onderkoelde c.q. ‘fearlessness’ jongeman beschouwd moet worden. Deze onderkoelde c.q. ‘fearlessness’ daders blijken namelijk veelal onbehandelbaar te zijn.

Uit voornoemde rapporten komt naar voren dat beide deskundigen van oordeel zijn dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens.

De onderzoekend psychiater Kuyck stelt dat de vastgestelde kenmerkende psychopathologie, indien niet behandeld, tot recidieven zal leiden met gewelddadige c.q. agressieve kenmerken.

Beide deskundigen zijn in eerste aanleg en in hoger beroep ter terechtzitting gehoord.

Beide deskundigen zijn tot het oordeel gekomen dat toepassing van het meerderjarigenstrafrecht het meest in de rede ligt.

Psychiater Kuyck heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorts verklaard, zakelijk weergegeven, dat het juist de combinatie van stoornissen bij verdachte is die tot recidive zullen leiden. De verschillende stoornissen versterken elkaar en maken het voor verdachte moeilijk het overzicht te blijven bewaren en zijn impulsen te beheersen. Ook bij deze delicten is dat duidelijk geworden. In aanvang maakt verdachte een (verkeerde) keuze en daarna lijkt verdachte steeds meer in een soort rollercoaster terecht te komen, waarin hij door de combinatie van stoornissen in afnemende mate in staat is zijn keuzes te bepalen. Voorts heeft Kuyck nadrukkelijk verklaard dat verdachte geen uitgerijpte persoonlijkheid is. Ook in neurobiologische zin zijn mensen van 19-20 jaar nog niet uitgerijpt en daarnaast zijn stoornissen als waarvan hier sprake is behandelbaar. De behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging in een TBS-kliniek, met een getrapt vrijhedenbeleid, past het beste bij verdachte. Een behandelingsduur van 4 tot 5 jaar is in beginsel niet onmogelijk, maar het is wenselijk dat de ruimte er is om langer te behandelen mocht dat nodig blijken te zijn. Om deze reden en omdat verdachte de PIJ-inrichting is ontgroeid is Kuyck geen voorstander van het weer oppakken van de behandeling in het kader van de onderbroken PIJ-maatregel.

Het hof neemt de conclusies van de beide deskundigen over dat er bij verdachte een persoonlijkheidsstoornis bestond ten tijde van de bewezen verklaarde feiten. Het hof neemt voorts de conclusie van psychiater Kuyck over dat deze stoornis de keuzes van verdachte heeft beïnvloed. Dat deze stoornis wordt gecombineerd met ADHD-problematiek – daargelaten of deze aandoening objectief kan worden vastgesteld - wordt ook bevestigd door de hulpverleningsgeschiedenis van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte reeds in 1999 werd beschouwd als ‘een jongen met forse gedragsproblemen, waarschijnlijk ligt ADHD-problematiek daar mede aan ten grondslag (pagina 52 van het rapport). In 2006 wordt in het kader van een onderzoek van de Mondriaan Zorggroep de diagnose ADHD (gecombineerd type) gesteld. Verdachte is in 2007 gedragskundig onderzocht door psychiater Brugman en psycholoog Zászlós, waarin beide deskundigen tot de conclusie kwamen dat het geobserveerde gedrag van verdachte past bij de diagnose ADHD. Het hof heeft tevens acht geslagen op het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, d.d. 27 januari 2011, opgesteld door A. van Geffen, reclasseringswerker.

Het hof is tot het oordeel gekomen dat het ziektebeeld dat door de psychiater Kuyck wordt beschreven nauw aansluit bij het gedrag van verdachte dat zich bij de feiten heeft gemanifesteerd. Met name het rollercoastergedrag en –gevoel dat vervolgens niet meer te beheersen is en dat in combinatie met de antisociale stoornis verdachte in zijn optreden juist zo gevaarlijk maakt, is bij de feiten duidelijk aan het licht gekomen. Daarom volgt het hof de bevindingen van psychiater Kuyck en diens advies de verdachte de maatregel van ter beschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing.

Het hof is met laatstgenoemde rapporteur van oordeel dat, gelet op de persoonlijkheid van de verdachte en de ernst en omstandigheden waaronder de bewezen verklaarde feiten hebben plaatsgevonden, een behandeling van de verdachte noodzakelijk is en dat deze behandeling slechts kan plaatsvindend in een intramurale setting.

Het voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat er sprake is van een reële kans dat de verdachte zonder behandeling van zijn persoonlijkheidsproblematiek, zich in de toekomst nogmaals schuldig zal maken aan een ernstig agressiedelict.

Nu de verdachte weinig tot niet in staat is gebleken zijn persoonlijkheidsproblematiek onder ogen te (willen) zien acht het hof een dwingend strafrechtelijk kader geboden.

Het hof is van oordeel dat gelet op de persoonlijkheidsproblematiek die bij verdachte is geconstateerd, zijn leeftijd en de te verwachten aard en duur van de behandeling, een herleving van de behandeling in het kader van de eerder opgelegde PIJ-maatregel niet aan de orde is.

De onder 1, 2, 3, en 4 bewezen verklaarde feiten zijn elk misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld. De onder 5 en 6 bewezen verklaarde feiten zijn strafbaar op grond van artikel 285, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. Gelet op de bepaling van art. 37a Sr kan voor alle bewezen verklaarde feiten in deze zaak terbeschikkingstelling worden opgelegd.

Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen oplegging van de maatregel van ter beschikkingstelling met dwangverpleging eist.

Al het voorgaande in aanmerking nemende is het hof van oordeel dat verdachte ter beschikking dient te worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege.

Het hof heeft bij zijn oordeel dat de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging dient te worden opgelegd tevens in aanmerking genomen de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheid dat verdachte eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict, de inhoud van het hierboven genoemde over de persoon van verdachte uitgebrachte advies alsmede de inhoud van de overige adviezen en rapporten die over de persoonlijkheid van de verdachte zin uitgebracht.

Schadevergoeding ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde

De benadeelde partij (benadeelde partij A), (woonplaats), heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van materiële schade tot een bedrag van EUR 1.200,--. Ter zake van immateriële schade heeft de benadeelde partij een voorschot van EUR 1.690,-- gevorderd. In totaal bedraagt de vordering derhalve

EUR 2.890,00. Voorts heeft de benadeelde partij verzocht om de vordering te vermeerden met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR. 1.913,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2009 en de daarop betrekking hebbende schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij (benadeelde partij A) als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden, zowel in materiële als in immateriële vorm, tot na te melden bedrag. Het hof zal daarbij bepalen dat dit bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 8 maart 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof merkt op dat de materiële schade betreft een fotocamera, een bril en een beurs/portemonnee met EUR 5,00.

Uit de aangifte van benadeelde partij (benadeelde partij A) blijkt dat ten tijde van de diefstal van zijn auto, behalve de fotocamera, ook een bril en een beurs met ongeveer EUR 5,00 in de auto lagen. Gelet op het vorenstaande vormt de omstandigheid dat de bril en de beurs, anders dan de fotocamera, niet met name in de tenlastelegging zijn genoemd geen beletsel om schadevergoeding dienaangaande toe te wijzen. Beide voorwerpen worden immers wel in de aangifte genoemd.

De fotocamera blijkt in 2006 te zijn aangeschaft tegen een nieuwwaarde van EUR 140,--. Gelet op de leeftijd van de fotocamera, zal het hof een afschrijvingspercentage van 50% hanteren, zodat een bedrag van EUR 70,-- voor toewijzing in aanmerking komt.

De schade betreffende de bril is naar oordeel van het hof voldoende onderbouwd.

Het hof zal, gelet op het feit dat de bril is aangeschaft op 26 november 2008, een schadevergoeding van EUR 1.093,00 toewijzen.

Het hof acht de schade in de vorm van de beurs met inhoud ad EUR 5,00 voldoende aannemelijk en zal dienaangaande een bedrag van EUR 5,00 als schadevergoeding toewijzen.

Ter zake van immateriële schade zal het hof, gelet op de psychische gevolgen voor het slachtoffer van het onder 2 bewezen verklaarde, een bedrag van EUR 1.000,-- toewijzen.

Ter zake van de vordering van benadeelde partij (benadeelde partij A) wijst het hof derhalve in totaal een bedrag van EUR 2.168,00 toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof ziet tevens aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f van Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Voor zover die schade is vergoed door zijn mededader, is verdachte niet meer gehouden om deze schade te vergoeden.

Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, mede gelet op het feit dat de benadeelde partij niet op voorhand een daartoe passend bewijsaanbod heeft gedaan terwijl de benadeelde partij ook niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen om haar vordering nader toe te lichten. Een nadere bewijsopdracht aan de benadeelde partij zou leiden tot schorsing van het onderzoek voor langere tijd. De omvang van de resterende vordering afwegende tegen het belang van een spoedige afwikkeling van de zaak, gelet op de op te leggen maatregel aan verdachte, zou zulks naar oordeel van het hof een onevenredige belasting voor het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan daarom voor dat overige thans niet in haar vordering worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoeding ter zake van het onder 3 en 4 bewezen verklaarde

De benadeelde partij (benadeelde partij B) heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot materiële schadevergoeding van in totaal EUR 6.666,10. Voor zover de vordering ziet op het onder 3 bewezen verklaarde heeft de eerste rechter de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. Voor zover de vordering ziet op het bewezen verklaarde onder 4 is bij vonnis waarvan beroep een bedrag van EUR 792,10 aan schadevergoeding toegewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Schadevergoeding ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde

Ten aanzien van schadepost 1, de gestolen snoepdoos met geld, is niet (benadeelde partij B) maar de Stichting (stichting) de rechthebbende, en daarom is dienaangaande aan benadeelde partij (benadeelde partij B) door het bewezen verklaarde onder 3 geen rechtstreekse schade toegebracht. Om die reden zal de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Schadevergoeding ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij (benadeelde partij B) als gevolg van verdachtes onder 4 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof zal de schade ter zake een gouden ketting met kruisje ad EUR 150,00 (post 4), een fles whisky ad EUR 18,00 (post 5), een laptop ad EUR 774,10 (post 6), afstandbediening garage ad EUR 178,00 (post 7) en bril ad EUR 246,00 (post 9) toewijzen, aangezien deze schade naar oordeel van het hof voldoende onderbouwd is.

Het hof merkt ten aanzien van de afstandbediening nog op dat in de aangifte door de benadeelde partij melding wordt gemaakt van het feit dat een afstandbediening voor de garagedeur aan de gestolen sleutelbos was bevestigd.

Ter zake van de vordering van benadeelde partij (benadeelde partij B) wijst het hof derhalve in totaal een bedrag van EUR 1.366,10.

Het hof ziet tevens aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f van Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte en zijn mededaders zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Voor zover die schade is vergoed door zijn mededader(s), is verdachte niet meer gehouden om deze schade te vergoeden

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij voor het overige niet in haar vordering kan worden ontvangen. De benadeelde partij heeft weliswaar gesteld deze schade te hebben geleden maar heeft zulks naar oordeel van het hof niet dan wel onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij was niet ter terechtzitting in hoger beroep aanwezig en heeft ook geen nader (schriftelijk) bewijsaanbod gedaan. Een nadere bewijsopdracht aan de benadeelde partij zou leiden tot schorsing van het onderzoek voor langere tijd. De omvang van de resterende vordering afwegende tegen het belang van een spoedige afwikkeling van de zaak, gelet op de op te leggen maatregel aan verdachte, zou zulks naar oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan daarom voor dat overige thans niet in haar vordering worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 37a, 37b, 56, 57, 285, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart de dagvaarding in eerste aanleg met betrekking tot het onder 5 ten laste gelegde met betrekking tot de zinsnede: "en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "nu op je knieën" en/of "nu ga je pijpen, bitch", althans woorden van gelijke aard of strekking” nietig.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1, onder 2, onder 3, onder 4, onder 5 en onder 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

2

Diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

3 en 4

De voortgezette handeling van

- afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

en

- diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit werd gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

6

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vordering van benadeelde partij (benadeelde partij A) ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde

Wijst de vordering van de benadeelde partij (benadeelde partij A), (adres woonplaats), ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde voor een bedrag van EUR 2.168,00 (twee duizend eenhonderd achtenzestig euro) toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd te betalen een bedrag van EUR 2.168,00 (twee duizend eenhonderd achtenzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat en indien en voor zover een mededader van verdachte aan deze vordering heeft voldaan de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd.

Verklaart de benadeelde partij voornoemd in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoeding

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van (benadeelde partij A), (adres woonplaats) aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 2.168,00 (twee duizend eenhonderd achtenzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 (eenendertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte en/of de mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of de mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van benadeelde partij (benadeelde partij B) ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde

Verklaart de benadeelde partij (benadeelde partij B) (adres woonplaats), ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde niet-ontvankelijk in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij voornoemd in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Vordering van benadeelde partij (benadeelde partij B) ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde

Wijst de vordering van de benadeelde partij (benadeelde partij B) (adres woonplaats) ter zake het onder 4 bewezen verklaarde voor een bedrag van EUR 1.366,10 (duizend driehonderd zesenzestig euro en tien eurocent) toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd te betalen een bedrag van EUR 1.366,10 (duizend driehonderd zesenzestig euro en tien eurocent), met dien verstande dat en indien en voor zover een mededader van verdachte aan deze vordering heeft voldaan de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd.

Verklaart de benadeelde partij voornoemd in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoeding

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van (benadeelde partij B) (adres woonplaats) aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 1.366,10 (duizend driehonderd zesenzestig euro en tien eurocent) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 23 (drieëntwintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte en/of de mededader(s) heeft/hebben voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of de mededader(s) heeft/hebben voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. A. de Lange, voorzitter,

mr. F. van Es en mr. F.C.J.E. Meeuwis,

in tegenwoordigheid van mr. L.A.H. Tappenbeck, griffier,

en op 28 maart 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. F.C.J.E. Meeuwis is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.