Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ1314

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-03-2011
Datum publicatie
14-04-2011
Zaaknummer
20/003918-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest; De volmacht van de raadsvrouwe aan de strafgriffie om namens de verdachte hoger beroep in te stellen voldoet niet aan alle eisen. Dit leidt evenwel niet tot niet-ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20/003918-10

Uitspraak : 25 maart 2011

TEGENSPRAAK

Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof te

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Maastricht van 20 juli 2010 in de strafzaak met parketnummer 03/630310-09 tegen een persoon die volgens de raadsvrouw is genaamd:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1985],

wonende te [woonplaats] ([land]), [adres] [adres]

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouwe van de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep.

Door de raadsvrouwe is bepleit dat het hof de verdachte ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Uit de zich in het dossier bevindende akte rechtsmiddel blijkt dat het hoger beroep op 21 oktober 2010 is ingesteld door een griffiemedewerker van de rechtbank Maastricht, die verklaarde daartoe te zijn gemachtigd blijkens de aan de akte gehechte volmacht.

Aan de akte rechtsmiddel is gehecht een brief van de raadsvrouwe van verdachte, mr. M.M. Helmers, advocate te Utrecht, inhoudende, voor zover voor het navolgende van belang:

“Tot mij wendde zich de heer [verdachte], geboren op [1985] te [geboorteplaats].

Cliënt overhandigde mij gisteren het vonnis van de politierechter Maastricht in de zaak met parketnummer 03/630310-09 met het verzoek hoger beroep in te stellen. Het vonnis is aan hem op 7 oktober 2010 uitgereikt.

(…)

Hierbij geef ik schriftelijk volmacht aan de griffier van de rechtbank om namens cliënt uiterlijk vandaag vóór sluiting van uw balie hoger beroep in te stellen tegen het vonnis in de zaak met parketnummer 03/630310-09.

(…)”

Volgens artikel 449, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) wordt, voor zover de wet niet anders bepaalt, hoger beroep ingesteld door een verklaring, af te leggen door degene die het rechtsmiddel aanwendt, op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven. Uit het eerste lid van artikel 450 Sv volgt dat dit rechtsmiddel ook kan worden ingesteld door tussenkomst van:

a. een advocaat, indien deze verklaart daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd;

b. een vertegenwoordiger die daartoe persoonlijk, door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd.

Het derde lid van artikel 450 van het Wetboek van Strafvordering bevat een nadere regeling van de in het eerste lid onder b voorziene mogelijkheid dat het rechtsmiddel wordt aangewend door tussenkomst van een vertegenwoordiger, indien het gaat om een griffiemedewerker die door de verdachte daartoe is gevolmachtigd. Deze nadere regeling houdt in aan welke vereisten de aan de griffiemedewerker verleende volmacht dient te voldoen.

Vooropgesteld dient te worden dat een advocaat aan een griffiemedewerker een schriftelijke volmacht kan verlenen om namens de verdachte een rechtsmiddel in te stellen.

De Hoge Raad heeft in de arresten van 22 december 2009 (LJN BJ3696 en LJN BJ7810) bepaald dat de schriftelijke volmacht waarmee een advocaat een griffiemedewerker machtigt om namens de verdachte hoger beroep in te stellen moet voldoen aan de in artikel 450, derde lid, Sv nader geformuleerde eisen, hetgeen betekent dat de schriftelijke volmacht moet inhouden:

i. de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep (artikel 450, eerste lid onder a Sv);

ii. de verklaring van de advocaat dat de verdachte instemt met het door de medewerker ter griffie aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep (artikel 450, derde lid, Sv);

iii. het adres dat door de verdachte is opgegeven voor toezending van het afschrift van de appeldagvaarding (artikel 450, derde lid, Sv).

Ad i

Uit de hiervoor weergegeven inhoud van de volmacht van de raadsvrouwe aan de strafgriffie leidt het hof af dat de raadsvrouwe door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep. Aan de hiervoor onder i geformuleerde eis is derhalve voldaan.

Ad ii en iii

De volmacht van de raadsvrouwe aan de strafgriffie om namens de verdachte hoger beroep in te stellen voldoet niet aan de hiervoor onder ii en iii genoemde eisen. Dit leidt evenwel niet tot niet-ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep.

De betreffende eisen waaraan de schriftelijke volmacht dient te voldoen zijn ingegeven met het oog op een voorspoedige uitreiking van de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep. Op deze wijze wordt namelijk ondervangen dat de verdachte, door niet in persoon ter griffie te verschijnen, zich onttrekt aan de uitreiking van de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep (Memorie van Toelichting bij de Wet stroomlijnen hoger beroep, kamerstukken II 2005-2006, 30320, nr. 3).

Het is het hof ambtshalve bekend dat bij de strafgriffie van de rechtbank Maastricht geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om bij het instellen van hoger beroep door de daartoe gemachtigde griffiemedewerker de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep aanstonds aan die griffiemedewerker uit te reiken. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen dat men in de onderhavige strafzaak wel gebruik wenste te maken van die mogelijkheid.

Daarmee is naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak het belang dat met naleving van de onder ii en iii geformuleerde voorschriften wordt beoogd komen te vervallen. Het hof ziet dan ook in de onderhavige zaak geen aanleiding om aan de niet- naleving van die voorschriften de – vergaande – consequentie te verbinden dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep.

Het voorgaande brengt mee dat de verdachte in zijn hoger beroep kan worden ontvangen.

Heropening van het onderzoek

Gelet op het vorenstaande zal hof het onderzoek heropenen, teneinde de zaak inhoudelijk te behandelen.

BESLISSING

Het hof:

Heropent het onderzoek.

Bepaalt dat het onderzoek zal worden hervat op ter terechtzitting van 25 mei 2011 om 14.50 uur.

Beveelt de oproeping van verdachte tegen de dag en het tijdstip van de hierboven genoemde terechtzitting.

Beveelt de kennisgeving van de dag en het tijdstip van de hierboven genoemde terechtzitting aan de raadsvrouw van verdachte.

Aldus gewezen door

mr. E.A.A.M. Pfeil, voorzitter,

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans en mr. W.J. Kolkert,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.G.W.M. van der Vleuten, griffier,

en op 25 maart 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.