Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ1285

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-04-2011
Datum publicatie
14-04-2011
Zaaknummer
HD 200.044.334
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeval: val van huishoudtrap.

Potentieel gevaarlijke situatie.

Zorgplicht werkgever

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2011/95
AR-Updates.nl 2011-0305
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.044.334

arrest van de achtste kamer van 12 april 2011

in de zaak van

1. RESTAURANT DE LINDEBOOM “NEW STYLE” V.O.F.,

gevestigd te [vestigingsplaats] (L),

en haar vennoten:

2. [X.],

3. [Y.],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. A.V.M. van Dijk,

tegen:

[Z.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.M.J.P. Penners,

op het bij exploot van dagvaarding van 22 september 2009 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Sittard-Geleen gewezen vonnissen van 9 juli 2008 en 1 juli 2009 tussen appellanten – tezamen in enkelvoud te noemen: De Lindeboom en de vennoten afzonderlijk te noemen [X.] resp. [Y.] - als opposanten, oorspronkelijk gedaagden en geïntimeerde - [Z.] - als geopposeerde, oorspronkelijk eiseres.

1. Het geding in eerste aanleg (zaak/rolnr. 281833 CV EXPL 08/0447)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen, alsmede naar het vonnis van de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Sittard-Geleen van 19 december 2007 (274674 CV EXPL 07-3461).

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft De Lindeboom drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot verklaring van De Lindeboom tot goed opposant, tot ontheffing van De Lindeboom van de veroordeling uitgesproken bij het onder zaak/rolnr. 274674 CV EXPL 07-3461 gewezen vonnis van 19 december 2007 en tot ontzegging aan [Z.] van haar vorderingen met veroordeling van [Z.] in de proceskosten in beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord met producties heeft [Z.] de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken in kopie overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven houden in dat de kantonrechter de in artikel 7:658 BW vervatte zorgplicht van de werkgever onjuist heeft uitgelegd, dat de kantonrechter ten onrechte is toegekomen aan het geven van de bewijsopdracht en dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat De Lindeboom niet in het haar opgedragen bewijs is geslaagd.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. [Z.], geboren op [geboortedatum] 1944, is op 1 januari 2000 als interieurverzorgster in dienst getreden van (de rechtsvoorgangster van) De Lindeboom, die een restaurantbedrijf exploiteert.

b. Op 30 mei 2006 is [Z.] bij de uitvoering van haar opgedragen werkzaamheden, het schoonmaken van de ramen in de wintertuin van het restaurant van De Lindeboom, van een huishoudtrap gevallen.

c. Zij heeft door deze val zes ribben gebroken, waarvan drie ribben op twee plaatsen. Daarnaast heeft een rib haar long geperforeerd waardoor zij een klaplong (fladderthorax) kreeg. [Z.] is van 30 mei 2006 tot en met 8 juni 2006 opgenomen in het Academisch Ziekenhuis Maastricht, waarvan één dag op de intensive care. In het verslag van de afdeling radiologie van 7 december 2007 is vermeld: “status na uitgebreide fracturen van het thoraxskelet rechts met multipele, thans voor zover beoordeelbaar geconsolideerde ribfracturen.” (prod. 3 cva oppositie).

d. Uit de gegevens van ArboNed (prod. 2 cva oppositie) blijkt, dat [Z.] op 29 februari 2008 nog ongeschikt was voor haar werk.

e. De Arbeidsinspectie heeft een Ongevallenboeterapport opgemaakt op 13 juni 2007 (prod. 4 cva oppositie). Uit dit rapport blijkt dat het ongeval op 13 november 2006 door [Z.] bij de arbeidsinspectie is gemeld en dat de rapporteur op 17 november 2006 het restaurant van De Lindeboom aan de [vestigingsadres] te [vestigingsplaats] heeft bezocht. De rapporteur heeft daar een trap met vijf treden (inclusief het bovenste platform) van het merk KVS aangetroffen, waarop een veiligheidsinstructie stond afgebeeld.

Als bevinding van de rapporteur staat vermeld: “Op dinsdag 30 mei 2006, omstreeks 8.30 uur, was mevrouw [Z.], interieurverzorgster in dienst van Restaurant De Lindeboom “New Style” te [vestigingsplaats], aan het werk in de binnentuin. Zij had de ramen al gelapt, maar zag nog vuil zitten in de hoek waar de palm stond. Om dit vuil weg te halen is zij volgens haar verklaring op het werkplatform gaan staan en heeft naar het vuil in de hoek gereikt. Tijdens dit reiken naar de hoek heeft zij onbalans in de trap gevoeld welke zij probeerde op te vangen, maar dit lukte haar niet en zij viel van de trap. Zij kwam daarbij met haar bovenlichaam terecht op een eettafel, die aan de voorzijde in de binnentuin stond opgesteld (…).

Een dergelijke trap is niet bedoeld om werkzaamheden op uit te voeren waarbij ver gereikt moet worden. Gezien voorgaande was de trap kennelijk niet stabiel genoeg voor de wijze waarop deze gebruikt werd. (…)

Bij het verrichten van arbeid, waarbij valgevaar bestond, werd geen veilige steiger of stelling gebruikt, terwijl die arbeid niet op een veilige wijze op een trap werd verricht, aldus zijnde een overtreding van artikel 16, 10e lid van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 juncto artikel 3.16, 1e lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit (…).”

[Y.] heeft op 13 april 2007 tegenover de rapporteur onder meer verklaard: “Onze interieurverzorgsters zijn al jaren hier werkzaam en weten uit ervaring welke werkzaamheden zij moeten verrichten. Het lappen van de ramen behoort (...) tot hun taken. Ik heb wel de instructie gegeven dit niet met de ladder te doen, maar met de borstel en de trekker die op een stok gemonteerd is. Zij heeft dat gedaan met de enige trapladder die wij in huis hebben, welke bestaat uit 4 treden en één plateau. Bij het lappen van deze ramen is zij met deze trap omgevallen. Ik weet zeker dat het deze trap is, omdat ik deze ook na het ongeval opgeruimd heb. (…) Tijdens ons bezoek in het ziekenhuis vertelde zij ons gevallen te zijn omdat zij achter zich iets hoorde, waardoor zij haar gezicht draaide en de plant voelde. Hierdoor was zij geschrokken waardoor zij van de trap viel.

[Z.] heeft op 22 november 2006 tegenover de rapporteur onder meer verklaard:

“Op 30 mei 2006 ben ik vóór 8.00 uur begonnen met mijn werk en wilde ik in de binnentuin de ramen lappen. Ik heb daarvoor gebruik gemaakt van een huishoudtrap, bestaande uit 3 treden en een bovenste plateau. Deze trap heb ik vooraan in de binnentuin gezet aan de “Kerkzijde”, zeg maar in de hoek waar de palm staat. De trap stond in de lengterichting, evenwijdig aan de muur. Voor het ongeval gebeurde had ik de ramen aan de “Kerkzijde” al gelapt met zeem en trekker. Omdat ik in de hoek vuil zag zitten, dat ik wilde weghalen, ben ik, om erbij te kunnen, op het plateau van de ladder gaan staan en heb naar het vuil in de hoek gereikt. Op dat moment voelde ik onbalans in de trap en heb geprobeerd dat tegen te houden. Dit lukte mij niet, waardoor ik viel op de zijkant van een tafel (…). Ik heb altijd de ramen gelapt met spons, zeem, trekker en trap. Beide eigenaars moeten mij meermaals de ramen hebben zien lappen met de trap, spons en zeem. Ik heb nooit instructies of materialen gekregen om dat met een stok te doen. De opname van de trap die u mij laat zien, daar ben ik voor 90% zeker van dat dit niet de trap is die ik gebruikt heb.”

Op grond van het boeterapport is bij beschikking van 27 november 2007 aan De Lindeboom een boete opgelegd van € 1.350,=.

f. Bij beslissing op bezwaar van 7 januari 2008 (prod. 5 cvr oppositie) heeft de (Algemeen Directeur van de Arbeidsinspectie namens de) Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onder meer het volgende overwogen:

“Vast staat dat de werknemer de ramen van het restaurant aan het lappen was en dat zij daarbij op een huishoudtrap stond. Ook staat vast dat het slachtoffer tijdens haar werkzaamheden een ongeval is overkomen. (….)

Onder voormelde omstandigheden kom ik tot de conclusie dat onvoldoende is komen vast te staan dat het gebruik van de huishoudtrap gevaren voor de veiligheid en gezondheid van de werknemer opleverde doordat die huishoudtrap niet uitsluitend gebruikt werd voor het doel, op de wijze en op de plaats waarvoor zij was ingericht en bestemd. Voorts is, voor zover dit wel het geval zou zijn geweest, onvoldoende komen vast te staan dat De Lindeboom niet de nodige maatregelen zou hebben getroffen en deugdelijke, voor de arbeid geschikte, arbeidsmiddelen ter beschikking zou hebben gesteld, dat De Lindeboom onvoldoende instructies zou hebben gegeven en dat De Lindeboom geen adequaat toezicht zou hebben gehouden. Nu niet voldoende is komen vast te staan dat de Arbeidsomstandighedenwetgeving is overtreden, zal de boete worden ingetrokken.”

g. Interpolis, de aansprakelijkheidsverzekeraar van De Lindeboom, heeft bij brieven van 5 juli 2007 en 23 augustus 2007 aan de advocaat van [Z.] laten weten dat zij de schade niet zal vergoeden, omdat De Lindeboom een veilige trap ter beschikking heeft gesteld die geschikt was om het betreffende werk mee te verrichten, zodat zij haar zorgplicht als werkgever niet heeft geschonden.

4.2. [Z.] heeft De Lindeboom in eerste aanleg gedagvaard en een verklaring voor recht gevorderd dat De Lindeboom en haar vennoten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [Z.] geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts heeft [Z.] veroordeling van De Lindeboom gevorderd tot betaling van

€ 904,40 incl. btw aan buitengerechtelijke kosten.

De Lindeboom is in die procedure niet verschenen. De rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Sittard-Geleen heeft bij vonnis van 19 december 2007 de gevorderde verklaring voor recht gegeven en de vordering ter zake de buitengerechtelijke kosten afgewezen.

De Lindeboom is bij dagvaarding in verzet gekomen tegen genoemd vonnis en heeft – kort gezegd – verzocht haar te ontheffen van het vonnis van 19 december 2007 en de vorderingen van [Z.] alsnog af te wijzen. De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 9 juli 2008 overwogen dat de schade is veroorzaakt doordat [Z.] bij het ramen wassen een huishoudtrap heeft gebruikt en door verlies van evenwicht daarmee of daarvan is gevallen. De kantonrechter acht het niet relevant of het verlies van evenwicht door [Z.] ontstaan is door een reiken of door een schrikreactie doordat [Z.] het blad van een plant in haar oog kreeg. Zelfs als het gebruik van de huishoudtrap ter uitvoering van schoonmaakwerkzaamheden als deze in het algemeen door De Lindeboom verboden was en [Z.] door het gebruik van de trap moedwillig en met opzet een expliciet verbod heeft overtreden, dan nog is volgens de kantonrechter geen sprake van opzet of bewuste roekeloosheid bij [Z.]. De kantonrechter heeft in het kader van de beoordeling of De Lindeboom haar zorgplicht als werkgever is nagekomen De Lindeboom toegelaten te bewijzen dat zij [Z.] duidelijk en herhaald de instructie heeft gegeven om bij het schoonmaken van ramen zoals in deze procedure aan de orde, geen gebruik te maken van een (of de enige in het bedrijf aanwezige) huishoudtrap, maar uitsluitend de haar ter beschikking gestelde trekker/stok en zeem voor de uitvoering van dit werk te gebruiken. Bij eindvonnis van 1 juli 2009 heeft de kantonrechter geoordeeld dat De Lindeboom niet is geslaagd in het haar opgedragen bewijs, zodat De Lindeboom aansprakelijk is voor de door [Z.] geleden en te lijden schade. De kantonrechter heeft – kort gezegd – het vonnis van 19 december 2007 bekrachtigd.

4.3. De grieven I en II zijn gericht tegen het tussenvonnis en het daarop voortbouwende eindvonnis.

In de eerste grief stelt De Lindeboom dat de kantonrechter een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de zorgplicht van artikel 7:658 lid 1 BW, nu de kantonrechter er volgens De Lindeboom vanuit gaat dat bedoeld artikel een absolute waarborg biedt voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen.

Volgens De Lindeboom mag de werkgever uitgaan van de normale oplettendheid van zijn werknemer. Het schoonmaken van de ramen met gebruikmaking van een huishoudtrap is volgens De Lindeboom een werkzaamheid die ook verricht wordt in de huiselijke sfeer; de val van [Z.] is te beschouwen als een huis-, tuin- en keukenongeval. In een dergelijk geval schendt de werkgever zijn zorgplicht niet indien hij niet waarschuwt voor algemeen bekende gevaren. Er bestond voor De Lindeboom geen verplichting om specifieke veiligheidsmaatregelen te treffen of instructies te geven die erop waren gericht om een ongeval te voorkomen. Van een schending van de zorgplicht van De Lindeboom is dan ook geen sprake, aldus De Lindeboom. De kantonrechter is ten onrechte toegekomen aan het verstrekken van een bewijsopdracht aan De Lindeboom.

In de tweede grief stelt De Lindeboom zij haar zorgplicht niet heeft geschonden nu [Z.] gebruik heeft gemaakt van een veilige huishoudtrap.

4.3.1. Het hof oordeelt als volgt.

De uit artikel 7: 658 lid 1 BW voortvloeiende zorgplicht houdt in dat de werkgever voor het verrichten van arbeid zodanige maatregelen treft en aanwijzingen geeft als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Weliswaar is met de zorgplicht niet beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, maar gelet op de ruime strekking van de zorgplicht kan niet snel worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor de door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade (HR 12-12-2008, LJN BD3129). Artikel 7:658 lid 1 BW vereist een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen en gereedschappen, alsmede van de organisatie van de betrokken werkzaamheden. Bovendien dient de werkgever toezicht te houden op behoorlijke naleving van de door hem gegeven instructies (HR 11-4-2008, LJN BC9225).

4.3.2. Vast staat dat [Z.] in de uitoefening van haar schoonmaakwerkzaamheden op 30 mei 2006 schade heeft geleden.

4.3.3. Uit de eigen stellingen van De Lindeboom volgt dat zij van mening is dat er sprake was van een (potentieel) gevaarlijke situatie. Zij heeft immers gesteld dat [Z.] de huishoudtrap niet had mogen gebruiken bij haar schoonmaakwerkzaamheden op 30 mei 2006 ([Y.] 12 verzetdagv) en dat aan [Z.] de instructie is gegeven dat voor het schoonmaken van de ramen geen trap mocht worden gebruikt en dat daarvoor een uitschuifbare stok met zeem en andere middelen beschikbaar waren ([Y.] 6 cvr oppositie). Dat sprake was van een gevaarlijke situatie volgt ook uit het ongevallenboeterapport: “Een dergelijke trap is niet bedoeld om werkzaamheden op uit te voeren waarbij ver gereikt moet worden. Gezien voorgaande was de trap kennelijk niet stabiel genoeg voor de wijze waarop deze gebruikt werd. (…)”. Dat het op zich om een deugdelijke, veilige huishoudtrap ging ([Z.] heeft in eerste aanleg gesteld dat het om een andere trap ging, maar deze stelling niet onderbouwd), doet daaraan niet af en evenmin dat bij de beslissing op bezwaar de boete is ingetrokken, nu voormelde constatering uit het ongevallenboeterapport in die beslissing niet is teruggenomen. Van een huis-, tuin- en keukenongeval, zoals De Lindeboom (ook) heeft gesteld in de toelichting op haar eerste grief, waarvoor De Lindeboom niet hoefde te waarschuwen, geen instructies hoefde te geven en geen toezicht op de naleving daarvan hoefde te houden, is gelet op het voorgaande dan ook geen sprake.

4.3.4. Op De Lindeboom rustte gelet op het voorgaande, mede gezien voormelde jurisprudentie, een (verregaande) zorgplicht. Daarbij geldt dat de algemene bekendheid van een gevaar, daar waar het gaat om het voorkomen van de verwezenlijking van gevaren, een argument vormt ten gunste van het aannemen van een zorgplicht (vgl. HR 5-11-1965, LJN AB7079).

Van De Lindeboom mochten derhalve maatregelen worden verwacht om de verwezenlijking van het gevaar te voorkomen. Zij stelt ook dat zij die maatregelen heeft genomen, namelijk dat zij [Z.] herhaaldelijk heeft gezegd geen gebruik te maken van een tafel of trap om bij het schoonmaken van de ramen aan voldoende hoogte te komen. [Z.] diende volgens De Lindeboom gebruik te maken van een stok met trekker en spons.

4.3.5. De Lindeboom heeft geen grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat van opzet of bewuste roekeloosheid aan de kant van [Z.] geen sprake is; zij spreekt van een ‘ongelukkige samenloop van omstandigheden’ (p. 8 mvg). Het hof acht met de kantonrechter de precieze toedracht van het ongeval niet relevant. De Lindeboom heeft tegen deze overweging ook geen grief gericht.

De Lindeboom kan zich van aansprakelijkheid voor de schade van [Z.] bevrijden door te stellen en zonodig te bewijzen dat zij de in lid 1 van artikel 7:658 BW genoemde verplichtingen is nagekomen. De Lindeboom heeft (in eerste aanleg) gesteld dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan doordat zij herhaaldelijk en duidelijk de instructie aan [Z.] heeft gegeven dat zij de huishoudtrap niet diende te gebruiken bij het schoonmaken van ramen, maar dit alleen te doen met de door De Lindeboom ter beschikking gestelde trekker en zeem. De kantonrechter heeft De Lindeboom terecht belast met het bewijs van deze stelling. Andere door De Lindeboom getroffen maatregelen, zoals waarschuwen of het houden van toezicht op gegeven instructies zijn gesteld noch gebleken.

4.3.6. De grieven I en II falen.

4.4. Met de derde grief komt De Lindeboom op tegen het oordeel van de kantonrechter in het eindvonnis dat zij niet in het haar opgedragen bewijs is geslaagd.

4.4.1. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat De Lindeboom niet in het haar opgedragen bewijs is geslaagd. Ook naar het oordeel van het hof bevat de getuigenverklaring van [A.] een tournure. Eerst verklaart hij “Ik heb gehoord dat [X.] tegen mevrouw [Z.] heeft gezegd dat zij om de ramen schoon te maken geen gebruik mocht maken van het huishoudtrapje. (…) Ik weet dat het gesprek gevoerd is.” Geconfronteerd met zijn schriftelijke verklaring van 28 december 2007, waarin [A.] heeft verklaard dat “Ik er vaker getuige van ben geweest dat mevr. [Z.] in persoon zowel door de heer [Y.] & de heer [X.] beiden mij bekend als werkgever der op is gewezen niet te mogen gebruik maken van de trapladder voor werkzaamheden of andere zaken.” (prod. 3 verzetdagv) verklaart [Z.] vervolgens dat de schriftelijke verklaring juist is en verder “hierboven heb ik de indruk gewekt als zou dat eenmalig zijn geweest, maar het is vaker gedaan.” Hiermee heeft [A.] zijn verklaring ingrijpend gewijzigd: eerst heeft hij (eenmaal) het gesprek gehoord, daarna verklaart hij te hebben meegemaakt dat het [Z.] meermalen is gezegd, zonder daarover specifieker te zijn. Aan een en ander kan niet afdoen hetgeen De Lindeboom heeft gesteld over de dagen van de week waarop [Z.] werkte en de conclusie die de kantonrechter daaraan heeft verbonden.

4.4.2. Van belang is daarbij dat de verklaringen van [X.] en [Y.] als vennoten van De Lindeboom als partijgetuigenverklaringen in de zin van artikel 164 Rv aangemerkt moeten worden. De door [X.] en [Y.] als getuigen afgelegde verklaringen kunnen met inachtneming van artikel 164 lid 2 Rv. daarom alleen bewijs in het voordeel van De Lindeboom opleveren, indien aanvullend bewijs voorhanden is dat zodanig sterk is en zulke essentiële [Y.]en betreft dat het de verklaringen van [X.] en [Y.] voldoende geloofwaardig maakt.

Uit het voorgaande blijkt dat het hof van oordeel is dat de verklaring van [A.] niet als zodanig aangemerkt kan worden. Ander aanvullend bewijs is niet voorhanden.

4.4.3. Ook grief III faalt.

4.5. Nu geen van de grieven doel treft dienen de vonnissen waarvan beroep bekrachtigd te worden. De Lindeboom dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure in hoger beroep veroordeeld te worden.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gewezen vonnissen van 9 juli 2008 en 1 juli 2009;

veroordeelt De Lindeboom in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [Z.] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 262,= aan verschotten en € 894,= aan salaris advocaat, op de voet van het bepaalde in artikel 243 Rv te voldoen aan de griffier van dit hof;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Aarts, Smeenk-van der Weijden en Waaijers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 april 2011.