Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ1093

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
13-04-2011
Zaaknummer
20-003393-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafmaat bij overtreding van artikel 247 Sr. Naar het oordeel van het hof kan bij overtreding van artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht - een bepaling die strekt tot de bescherming van de lichamelijke integriteit van afhankelijke en kwetsbare personen - in beginsel niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen en het bewezen verklaarde handelen zowel qua omvang als ernst beperkt is gebleven, dient niet vertaald te worden in de strafsoort, maar in de strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003393-09

Uitspraak : 13 april 2011

TEGENSPRAAK

PROMIS

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 6 oktober 2009 in de strafzaak met parketnummer 01/845059-09 tegen de verdachte,

[naam van de verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1983],

wonende te [woonplaats], [adres],

bij welk vonnis:

- het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen werd verklaard en telkens werd gekwalificeerd als “met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd”;

- de verdachte ter zake daarvan werd veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren (subsidiair 60 dagen hechtenis) met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren en reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde, ook als dat zou inhouden een ambulante psychische behandeling;

- ten behoeve van [A] aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel van EUR 1.268,24 vermeerderd met de wettelijke rente (subsidiair 22 dagen hechtenis) werd opgelegd;

- ten behoeve van [B] aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel van EUR 750,00 vermeerderd met de wettelijke rente (subsidiair 15 dagen hechtenis) werd opgelegd;

- de vordering van de benadeelde partij [A] werd toegewezen tot een bedrag van EUR 1.268,24 vermeerderd met de wettelijke rente;

- de vordering van de benadeelde partij [B] werd toegewezen tot een bedrag van EUR 750,00 vermeerderd met de wettelijke rente;

- de benadeelde partijen [A] en [B] voor het overige in hun vorderingen niet-ontvankelijk werden verklaard;

- het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 30 maart 2011, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van

22 september 2009.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van advocaat-generaal mr. P.A.P. van Hilten en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. T. Kemper naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 120 uren (subsidiair 60 dagen hechtenis) en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren en reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde. Zijn vordering behelst tevens de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen en toewijzing van de civiele vorderingen conform de beslissingen van de rechtbank.

De raadsman heeft primair bepleit dat de verdachte integraal van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken en subsidiair verweer gevoerd ten aanzien van de op te leggen straf.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan naar het oordeel van het hof om een tweetal redenen niet in stand blijven. Niet alleen komt het hof tot een andere bewezenverklaring dan de rechtbank, maar er kleven ook gebreken aan haar bewijsvoering. De rechtbank heeft namelijk abusievelijk feiten en omstandigheden vastgesteld die ofwel niet, ofwel niet redelijkerwijs uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden opgemaakt. In dat verband wijst het hof in de eerste plaats op de vaststelling dat [B] heeft verklaard dat de verdachte op de beide door haar beschreven avonden met zijn hand in haar broek heeft gezeten, terwijl zij dat verderop in haar verklaring nadrukkelijk heeft genuanceerd door te zeggen dat het zover alleen de laatste keer is gekomen. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg onder meer heeft verklaard dat hij op een gegeven moment heeft aangeboden om op de kinderen te passen, dat hij ongeveer tien keer heeft opgepast, dat de seventies/eighties party in januari 2008 heeft plaatsgevonden en dat hij in augustus 2008 bij de familie op de camping is blijven slapen. Hoewel het zeer goed mogelijk is dat zulks op de terechtzitting in eerste aanleg ter sprake is gekomen - de verdachte heeft dat immers ook tegenover de politie verklaard - blijkt dat niet uit het van die terechtzitting opgemaakte proces-verbaal.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 september 2008 te 's-Hertogenbosch en/of Erichem, gemeente Buren, in elk geval in Nederland, met [A] (geboren [in het jaar 1999]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande (telkens) uit:

- het wrijven en/of aaien en/of kriebelen over en/of onder de kleding over de buik en/of borst(en) en/of armen en/of benen en/of rug en/of zij van die [A];

- het wrijven en/of aaien en/of kriebelen onder de kleding (onder de rand van de onderbroek) over de venusheuvel/de huid (vlak) boven de vagina van die [A];

- het wrijven en/of aaien en/of kriebelen over en/of onder de kleding over de vagina van die [A];

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 september 2008 te 's-Hertogenbosch en/of Erichem, gemeente Buren, in elk geval in Nederland, met [B] (geboren [in het jaar 1996]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande (telkens) uit:

- het wrijven en/of aaien en/of kriebelen over en/of onder de kleding over de buik en/of borst(en) en/of armen en/of benen en/of rug en/of zij van die [B];

- het wrijven en/of aaien en/of kriebelen onder de kleding (onder de rand van de onderbroek) over de venusheuvel/de huid (vlak) boven de vagina van die [B].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverwegingen

• 1.Vastgestelde feiten en omstandigheden

Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten bij dit arrest wordt verwezen, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

1.1

Op 20 oktober 2008 heeft [C] tegen de verdachte aangifte gedaan vanwege ontuchtige handelingen die hij heeft gepleegd met haar dochters [A] en [B]. Zij verklaarde gehuwd te zijn met [D], de man met wie zij die kinderen ook heeft gekregen. Op het moment van de aangifte was [A] 9 jaren en [B] 11 jaren oud. Op 10 augustus 2008 heeft [A] haar moeder verteld dat [naam van de verdachte] (hierna te noemen: de verdachte), de zoon van de tante van [D], aan haar “mulder” had gezeten. Met het woord mulder wordt binnen het gezin de vagina bedoeld. [C] verklaarde dat nogal een beschuldiging te vinden en heeft [A] daarom gaande die week gevraagd of de verdachte niet over haar buikje had geaaid. Daarop reageerde [A] resoluut door te wijzen naar haar vagina en daarbij te zeggen dat hij daar had gewreven.

[A] vertelde dat de verdachte daar over haar kleding had gewreven en dat het was gebeurd op de camping toen ze bij hem in bed lag en met de Nintendo aan het spelen was. Volgens [C] moet het daarom op 2 augustus 2008 hebben plaatsgevonden, toen zij aanwezig waren op de camping “De Vergarde” in Tiel (gelet op de vermelde pleegplaatsen op het bij deze aanranding behorende voorblad en in aanmerking genomen de algemene bekendheid van het adres van de camping, begrijpt het hof: nabij Tiel, te Erichem, gemeente Buren, aan [adres 2]). [C] heeft die dag namelijk rond 09.00 à 09.30 uur gezien dat [A] samen met de verdachte in bed lag en met de Nintendo aan het spelen was.

[C] kreeg van [A] ook te horen dat de verdachte ook wel eens over haar buik, in de rand van haar onderbroekje, had gewreven. Dat gebeurde dan wanneer [C] en [D] ergens mee bezig waren of koffie aan het zetten waren.

Na dit van [A] te hebben gehoord, heeft [C] op 10 augustus 2008 aan haar andere dochter, [B], gevraagd of de verdachte haar wel eens op plaatsen kriebelde waar het niet mag. [B] begon direct te huilen, maar zei in eerste instantie nee. Ze vertelde daarbij wel dat ze door de verdachte was gekriebeld, waar ze zich naar bij voelde. Pas later heeft [B] haar moeder verteld dat de verdachte haar in haar onderbroekje had gekriebeld. Wanneer haar moeder daarop doorvroeg, gaf [B] duidelijk ontwijkende antwoorden.

Volgens [C] was de verdachte ook de oppas van de kinderen en deed hij dat met enige regelmaat. Hij paste dan op allebei de kinderen. Naar aanleiding van het verzoek van de verbalisanten om op te schrijven op welke data de verdachte heeft opgepast, heeft [C] in haar nadere verklaring van 28 oktober 2008 de volgende data en omstandigheden genoemd: “19 januari 2008 - toen is hij blijven slapen”, “11 april 2008 - toen is hij niet blijven slapen” en “6 of 13 juni 2008 - toen heeft [hij] de kinderen uit school gehaald en meegenomen naar zijn huis, bij zijn ouders. Toen [D] klaar was met werken, heeft hij [A] en [B] opgehaald”.

1.2

[D], de vader van [A] en [B], heeft tegenover de politie verklaard dat hij begin augustus 2008 van zijn vrouw, [C], heeft gehoord dat [A] haar even tevoren had verteld dat de verdachte aan [A] had gezeten. [A] had haar verteld dat de verdachte over haar onderbroek had gekriebeld, toen de verdachte bij hen op de camping was, een week daarvoor. [B] heeft later ook verteld dat de verdachte haar op plaatsen had betast waar hij niet hoorde te komen. In eerste instantie ging het er over dat de verdachte over haar onderbroek had gekriebeld, maar later vertelde zij dat hij ook in haar onderbroek had gekriebeld. De verdachte is de neef van [D] en heeft regelmatig op de kinderen gepast, bijvoorbeeld als de ouders een ouderavond hadden. Hij heeft ook twee keer een hele avond opgepast. Op de camping kwam hij ook geregeld langs en dan bleef hij slapen. [A] heeft [D] ook verteld dat wanneer [D] zijn bril boven haalde of koffie haalde, de verdachte haar snel bij de rand van haar onderbroek kriebelde.

1.3

[A], die [in het jaar 1999] is geboren en woonachtig was aan [adres 1] te ’s-Hertogenbosch, is op 24 november 2008 door middel van een studioverhoor gehoord door [verbalisant 1].

[Verbalisant 2] had bij het studioverhoor de rol van regisseur. Beide verbalisanten zijn gecertificeerd voor het horen van jonge getuigen.

Blijkens het van dat studioverhoor verbatim uitgewerkt verslag heeft [A] verklaard dat haar achterneef [naam van de verdachte] (hierna te noemen: de verdachte) in de zomervakantie tijdens een verblijf op de camping De Vergarde in de caravan over haar onderbroek aan haar mulder heeft gekriebeld. Met het woord mulder bedoelt [A] de vagina. Zij verklaarde daarover dat zij ’s ochtends wakker werd en met de Nintendo is gaan spelen.

Op een moment dat iedereen al weg was uit de caravan, heeft de verdachte haar gevraagd of zij bij hem in bed kwam liggen, zodat hij mee kon kijken terwijl zij met de Nintendo speelde. Daarop is [A] bij hem in bed gaan liggen. Zij lag op dat moment onder de dekens en had een pyjama aan met daaronder een onderbroek. De verdachte had alleen een korte slaapbroek aan. De verdachte heeft toen over haar onderbroek aan haar mulder gekriebeld. De verdachte ging daarbij met zijn hand in haar pyjamabroek en kriebelde over haar onderbroek aan haar mulder. Volgens [A] duurde het kriebelen zo’n tien minuten lang. Zij durfde er niets van te zeggen, maar was er wel erg van geschrokken en was ook bang. Het stopte volgens [A] omdat haar moeder binnenkwam. Het kriebelen aan haar mulder is één keer gebeurd, maar hij had wel vaker in haar broek, ook in de rand van haar onderbroek, gekriebeld. Dat vond plaats voor het gebeuren in de caravan, aldus [A]. Zij had het namelijk ongeveer een week na de zomervakantie verteld (het hof begrijpt: aan haar moeder [C]).

De verdachte kwam tweemaal per week bij hen op bezoek (het hof begrijpt: bij de familie [familienaam A, B, C en D], in hun woning aan [adres 1] te ’s-Hertogenbosch). Wanneer haar vader en moeder aanwezig waren, kriebelde hij bijvoorbeeld alleen over haar arm, maar als zij even weg waren dan kriebelde hij een stukje in haar broek. Dat gebeurde bijvoorbeeld als haar moeder koffie ging halen of haar vader boven zijn bril ging halen. Zij zat dan bij hem op schoot, meestal in haar pyjama. Zij vond het altijd vervelend als hij dat deed, maar durfde dat niet te zeggen. Dat is vaker dan één keer gebeurd.

[A] verklaarde voorts dat haar zus [B] heeft verteld dat de verdachte haar ook heeft gekriebeld.

1.4

[B], die op [in het jaar 1996] is geboren en eveneens woonachtig was aan [adres 1] te ’s-Hertogenbosch, is ook op 24 november 2008 door middel van een studioverhoor gehoord. [Verbalisant 2] was ditmaal de verhoorder, terwijl [verbalisant 1] de rol van regisseur op zich heeft genomen. Van het verhoor is een verbatim uitgewerkt verslag opgemaakt. Bij deze gelegenheid verklaarde [B] dat [naam van de verdachte] (hierna te noemen: de verdachte) sommige dagen in de week op visite kwam.

Op een gegeven moment hebben haar ouders gevraagd of hij een keer kon komen oppassen. Haar ouders zijn toen een keer naar een “eighties-party” gegaan. Dat was in februari of zo (mede in aanmerking genomen de hierna weergegeven verklaring van de verdachte en de hiervoor weergegeven verklaring van de moeder over de oppasdata, begrijpt het hof: op 19 januari 2008). Die avond heeft hij [A] eerder naar bed gestuurd. [B] is vervolgens met de verdachte gaan “Wii-en” (het hof begrijpt: spelen met de Nintendo Wii spelcomputer) om daarna nog even televisie te kijken. Op een gegeven moment zei ze dat het warm was - ze had een pyjama met lange mouwen aan met een hemd daaronder - en dat ze boven een ander truitje ging aantrekken. De verdachte reageerde daarop met de woorden: “Je hoeft je niet te schamen, je kunt hem ook gewoon uitdoen.” [B] is desondanks naar boven gegaan en heeft een andere pyjama aangedaan. Op een moment dat [B] weer beneden was en op de bank lag, is de verdachte bij haar komen zitten. Hij heeft toen met zijn rechterhand onder haar kleding over haar buik gewreven. Die keer stopte het toen zij naar de wc ging.

De tweede keer dat de verdachte heeft opgepast, ging hij echter verder. Over die avond verklaarde [B] dat haar ouders naar een concert waren gegaan en de verdachte toen met zijn hand in haar broek heeft gezeten. Ze had toen een pyjama aan, die zij omschreef als een lange broek en een nachthemd, met daaronder een onderbroek en een hemd.

De verdachte heeft [B] toen gevraagd of zij bij hem kwam liggen, om vervolgens op te staan, haar vast te pakken en bij hem op de bank neer te leggen. Daarna heeft hij zijn rechterhand aan de voorzijde in haar onderbroek gedaan en daarmee vlak boven haar spleetje gewreven. [B] is toen heel snel opgestaan en heeft gezegd dat ze moe was en naar bed ging. De verdachte reageerde toen door te zeggen: “Oh, toe, nog vijf minuutjes” en “je zegt het niet tegen je ouders, hè”. [B] durfde het niet te vertellen.

[A] heeft haar later verteld dat de verdachte met zijn hand ook in haar broek had gezeten. [B] verklaarde dat ook een keer tijdens het oppassen te hebben gezien. Ze heeft toen gezien dat de verdachte met zijn hand aan de voorkant in de broek van [A] zat.

1.5

De verdachte heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij twee keer per week op visite kwam bij [C] en [D] (het hof begrijpt: in hun woning aan [adres 1] te ’s-Hertogenbosch). Als [A] en [B] dan bij hem kwamen zitten, kriebelde hij ze over de buik, benen of rug. Dat gebeurde ook wel eens onder hun kleding.

Hij verklaarde voorts meerdere keren op de kinderen te hebben gepast. Soms vroeg hij of hij mocht oppassen en andere keren werd dat aan hem gevraagd. In januari 2008 heeft hij opgepast, omdat [C] en [D] naar een zogenaamd “seventies-eighties” feestje gingen. De verdachte heeft toen ook in hun woning overnacht. Die avond is [A] rond 20.00 uur naar bed gegaan. [B] heeft met hem nog met de Wii gespeeld en naar de televisie gekeken. Zij is rond 21.00 à 21.30 uur naar bed gegaan. [B] heeft toen zowel bij hem op de bank, als op de andere bank gezeten. Nadat de verdachte is voorgehouden dat [B] heeft verklaard dat ze het op een avond warm had en dat hij daarop heeft gezegd dat ze zich niet hoeft te schamen en dat ze haar trui maar uit moest doen, verklaarde hij dat dit best zou kunnen.

De verdachte verklaarde dat hij een tweede keer op de kinderen heeft gepast. Dat was ergens tussen januari en juni 2008 (in het licht van de verklaring van [C] begrijpt het hof dat het hier gaat om de datum 11 april 2008). [C] en [D] waren toen op tijd weer thuis. Hij verklaarde dat het zou kunnen dat hij heeft gevraagd of [B] bij hem kwam liggen. Het is ook mogelijk dat hij haar heeft vastgepakt en naar hem toe heeft gehaald. Verder heeft hij haar mogelijk ook op haar buik gekriebeld. Dat kriebelen kan variëren van één minuut tot tien minuten. Het is ook wel eens gebeurd dat hij dat onder haar kleding deed. Mééstal bleef het beperkt tot de zij of de navel.

De verdachte heeft verder verklaard dat hij in augustus 2008 bij de familie [familienaam A, B, C en D] op camping De Vergarde is geweest. Hij is op een vrijdag (gelet op de onder 1.1 weergegeven aangifte begrijpt het hof: op vrijdag 1 augustus 2008) gekomen en op een zaterdag (2 augustus 2008) weer naar huis gegaan. Hij sliep bij [C], [D], [B] en [A] in de caravan. Op een gegeven moment, toen [B] al naar een vriendinnetje was, zijn [C] en [D] gaan eten. Hij heeft [A] toen gevraagd of ze bij hem in bed kwam liggen, zodat hij kon kijken wat voor spelletje ze aan het doen was. [A] was toen bij hem in bed komen liggen met de DS (het hof begrijpt: een Nintendo DS). Zij lagen onder de dekens. De verdachte droeg op dat moment alleen een boxershort. Het zou kunnen dat hij haar toen over haar buik, tot op haar onderbroekje, heeft gekriebeld. Het klopt dat [C] op een gegeven moment binnenkwam. [C] heeft toen gezien dat hij met [A] in bed lag onder de dekens. [C] vroeg of [A] mee ging douchen. Zij zijn zich toen gaan aankleden.

• 2. Partiële vrijspraken

2.1

In het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt de verdachte met het eerste liggende streepje verweten dat hij [A] en [B] over en/of onder de kleding over de buik en/of borsten en/of armen en/of benen en/of rug en/of zij heeft gewreven, geaaid of gekriebeld.

2.2

Naar het oordeel van het hof schiet het voorhanden bewijs tekort om te kunnen vaststellen dat de verdachte de borsten van [A] en [B] heeft betast.

Voor wat de overige handelingen betreft, overweegt het hof dat deze niet zonder meer als ontuchtig kunnen worden beschouwd. Bepalend daarvoor is of de handelingen van seksuele aard zijn en indruisen tegen de sociaal-ethische norm. De omstandigheden waaronder de verdachte heeft gehandeld, zijn daarbij van betekenis. Er kan immers sprake zijn van handelingen die slechts een uiting van affectie zijn, zonder enige seksuele lading.

Het hof is van oordeel dat de handelingen in dit geval, gegeven de context waarin zij plaatsvonden - mede in aanwezigheid van de ouders - niet als ontuchtig dienen te worden beschouwd. Dat ligt echter anders voor de handelingen die buiten de aanwezigheid van de ouders zijn gepleegd. Uit de bewijsmiddelen, meer bepaald de onder 1.3 weergegeven verklaring van [A], kan immers worden afgeleid dat de verdachte de kinderen op een andere manier begon te betasten zodra de ouders weg waren.

2.3

Het voorgaande brengt met zich dat - met uitzondering van het wrijven onder de kleding over de buik van [B] op de avond dat haar ouders een concert bezochten - het ontuchtige karakter de onder 1 en 2 na het eerste liggende streepje ten laste gelegde handelingen niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het hof zal de verdachte van die handelingen dan ook (partieel) vrijspreken.

• 3. Betrouwbaarheidsverweer

3.1

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte ook van de overige onder 1 en 2 ten laste gelegde handelingen zal worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij in de eerste plaats aangevoerd dat in het bijzonder de verklaring van [B], waarin zij spreekt over zowel de vermeende ontucht met haar, als die met haar zusje [A], geloofwaardig noch betrouwbaar is.

3.2

Bij de beoordeling van dit verweer stelt het hof voorop dat behoedzaamheid geboden is bij de waardering van de bewijskracht van door minderjarigen afgelegde verklaringen. In dit geval zijn de verklaringen afkomstig van twee kinderen in de basisschoolleeftijd. [A] en [B] waren indertijd respectievelijk 9 en 11 jaren oud. Van belang is dat zij door middel van een studioverhoor zijn gehoord door speciaal daartoe opgeleide politieambtenaren. De raadsman kan worden toegegeven dat de verklaring van [B] minder eenduidig is dan die van [A], maar naar het oordeel van het hof rechtvaardigt dat nog niet de conclusie dat die verklaring als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt of dat aan die verklaring geen geloof kan worden gehecht. Het realiteitsgehalte van haar verklaring zou daarmee ten onrechte geweld worden aangedaan. Evenals [A] heeft [B] de aard en omvang van de ontucht namelijk allerminst overdreven.

Het hof stelt vast dat [B] consequent heeft verklaard dat zich twee incidenten hebben voorgedaan, waarbij de verdachte zich als oppas heeft misdragen: de eerste keer gebeurde dat toen haar ouders naar een “eighties-party” waren en de tweede keer toen zij een concert bezochten. Dat zij bij aanvang van het verhoor in het kader van het eerste incident heeft verklaard dat de verdachte met zijn hand in haar broek zat en daar verderop in het verhoor op is teruggekomen, begrijpt het hof als een uiting van de gedraging die de meeste indruk op haar heeft gemaakt. Al pratend over de beide incidenten heeft zij immers duidelijk gemaakt dat het bij het eerste incident niet verder is gekomen dan het wrijven onder de kleding over haar buik, terwijl de verdachte eerst bij het tweede incident zijn hand in haar broek heeft gedaan. [B] verklaarde dat de verdachte die keer met zijn rechterhand aan de voorzijde in haar onderbroek is gegaan en toen boven haar spleetje heeft gewreven. Op de vraag wat er nog meer was gebeurd, reageerde zij met de woorden: “Ja, meer eigenlijk niet.” De verklaring van [B] komt daarom authentiek op het hof over.

De verklaring van [E], het vriendinnetje aan wie [B] het heeft verteld, kan dat niet anders maken. Voor het feit dat zij een ernstigere vorm van ontucht uit de mond van [B] heeft opgetekend, zijn meerdere redenen denkbaar. Het is echter niet zo, zoals de raadsman dat heeft bepleit, dat haar verklaring dusdanig in strijd is met die van [B], dat de verklaring van [B] daardoor onhoudbaar is geworden. Integendeel, dat [B] zonder overdrijving over de ontucht heeft verklaard, maakt haar verklaring des te betrouwbaarder. Dat geldt eens te meer, nu haar verklaring bevestiging vindt in de onder 1.5 weergegeven verklaringen van de verdachte. Daarmee bevestigt de verdachte niet alleen het feit dat hij in 2008 tweemaal op de kinderen heeft gepast, maar ook specifieke details die [B] in haar verklaring heeft benoemd.

3.3

Anders dan de raadsman, hecht het hof ook geloof aan verklaring van [B], dat zij heeft gezien dat de verdachte met zijn hand in de broek van [A] heeft gezeten. [A] heeft immers niet verklaard dat de verdachte haar daar alleen kriebelde wanneer er niemand in de buurt was, zoals de raadsman heeft gesteld, maar slechts dat dit gebeurde wanneer haar ouders weg waren. In aanmerking genomen dat dit volgens [B] tijdens een van de twee oppasavonden heeft plaatsgevonden en dat [A] tijdens die avonden eerder dan [B] naar bed is gegaan, is het niet onaannemelijk dat [B] dit heeft kunnen waarnemen. De enkele omstandigheid dat [A] niet heeft verklaard dat de handelingen ook door iemand zijn gezien, doet daaraan niet af. Tijdens het studioverhoor van [A] is namelijk vooral gesproken over het voorval op de camping. Van dat voorval lijkt zij het meest geschrokken. Daarbij komt dat zij zich er mogelijk niet van bewust is geweest dat [B] dit heeft waargenomen.

3.4

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn het hof ook anderszins geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de door [A] en [B] afgelegde verklaringen, zodat deze bruikbaar zijn voor het bewijs.

Bijgevolg wordt het verweer verworpen.

• 4. Unus testis nullus testis-verweer

4.1

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de kern van de ten laste gelegde handelingen steeds is terug te voeren tot één bron. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde is dat de verklaring van de verklaring van [A], terwijl het onder 2 ten laste gelegde alleen gebaseerd kan worden op de verklaring van [B]. Voor die verklaringen is onvoldoende steunbewijs voorhanden, aldus de raadsman.

4.2

In reactie op dat verweer stelt het hof voorop dat het in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bewijsminimum (de zogeheten unus testis nullus testis-regel) volgens vaste jurisprudentie betekent dat een belastende verklaring in voldoende mate moet worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Daarbij heeft te gelden dat de vraag of aan dit bewijsminimum is voldaan zich niet in algemene zin laat beantwoorden, maar een beoordeling van het concrete geval vergt.

4.3

Het hof constateert dat de verklaring van [A] in de eerste plaats bevestiging vindt in de verklaringen van de verdachte zelf. Uit zijn onder 1.5 weergegeven verklaringen komt immers naar voren dat hij regelmatig op bezoek kwam bij de familie [familienaam A, B, C en D] en dat hij dan wel eens bij [A] onder de kleding over de buik kriebelde. Hij bevestigde in zijn verklaringen voorts dat hij een keer in augustus 2008 bij de familie op de camping De Vergarde heeft gelogeerd en dat hij toen aan [A], op een moment dat hij met haar alleen in de caravan was, heeft gevraagd of ze bij hem in bed kwam liggen. Op dat moment droeg hij alleen een boxershort. Zij is toen bij hem onder de dekens komen liggen en volgens de verdachte zou het kunnen dat hij haar toen over haar buik tot op haar onderbroekje heeft gekriebeld. Uit zijn verklaringen blijkt dat [A] zich is gaan aankleden, toen haar moeder de caravan binnenkwam. Dat sluit aan bij de onder 1.1 weergegeven verklaring van [C], voor zover inhoudende dat zij in de ochtend van 2 augustus 2008 heeft gezien dat [A] bij de verdachte in bed lag. In zoverre wordt ook daarmee steun gegeven aan de verklaring van [A]. Dat de verdachte [A] thuis ook wel eens in haar broek heeft gekriebeld, is bovendien gezien door haar zus [B].

4.4

De verklaringen van de verdachte geven eveneens in belangrijke mate steun aan de verklaring van [B]. Evenals [B] heeft de verdachte verklaard dat hij in het jaar 2008 twee keer op de kinderen heeft gepast. Een van die avonden waren [C en D] naar een ‘seventies-eighties’ feest. [A] is toen eerder naar bed gegaan en hij heeft met [B] met de Wii-spelcomputer gespeeld en daarna naar de televisie gekeken. Het zou kunnen, aldus de verdachte, dat hij tegen [B] heeft gezegd dat zij zich niet hoefde te schamen en haar trui maar uit moest doen als ze het warm had. Het zou ook kunnen dat hij de tweede oppasavond aan [B] heeft gevraagd of zij bij hem kwam zitten en dat hij haar vervolgens heeft vastgepakt en naar hem toe heeft gehaald. Het is ook mogelijk dat hij haar toen heeft gekriebeld. Dat deed hij ook wel eens onder haar kleding.

4.5

Anders dan de raadsman heeft bepleit, is het hof van oordeel dat daarmee de verklaringen van [A] en [B] in voldoende mate worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Het verweer wordt daarom verworpen.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen , in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 september 2008 te 's-Hertogenbosch en/of Erichem, gemeente Buren, met [A] (geboren [in het jaar 1999]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit:

- het kriebelen onder de kleding onder de rand van de onderbroek over de huid van die [A];

- het kriebelen over de kleding over de vagina van die [A];

2.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 september 2008 te ’s-Hertogenbosch met [B] (geboren [in het jaar 1996]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit:

- het wrijven onder de kleding over de buik van die [B];

- het wrijven onder de kleding (onder de rand van de onderbroek) over de huid vlak boven de vagina van die [B].

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde is telkens voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen plegen van ontuchtige handelingen met [A] en [B].

De rechtbank heeft de verdachte ter zake daarvan veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren (subsidiair 60 dagen hechtenis) en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren en reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde.

De advocaat-generaal heeft zich achter die gecombineerde strafoplegging geschaard.

De raadsman heeft ten aanzien van de op te leggen straf aangevoerd dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen en dat deze strafzaak de nodige gevolgen voor hem heeft gehad. De verdachte heeft immers zijn opleiding moeten afbreken, waardoor hij een studieschuld van EUR 10.000,00 heeft. Daarbij komt dat de moeder van [A] en [B] heeft verklaard dat zij zo lang heeft gewacht met het doen van aangifte, omdat het niet zo erg was wat er was gebeurd.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij houdt het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Naar het oordeel van het hof kan bij overtreding van artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht - een bepaling die strekt tot de bescherming van de lichamelijke integriteit van afhankelijke en kwetsbare personen - in beginsel niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

In het onderhavige geval geldt dat des te meer, nu de verdachte met zijn handeling ernstig misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat [A], [B] en hun ouders in hem hadden gesteld. De ouders beschouwden hem als een huisvriend. Zij vertrouwden hun twee jonge dochters van 9 en 11 jaar aan hem toe. In hun ogen was de verdachte een persoon die goed met kinderen overweg kon en bij wie kinderen zich goed en veilig voelden en konden voelen. De verdachte heeft zich daarvan geen rekenschap gegeven en zich kennelijk alleen laten leiden door zijn (lust)gevoelens. De verdachte heeft immers meermalen de afwezigheid van de ouders gebruikt om [A] en [B] te betasten.

De verdachte heeft de lichamelijke integriteit van [A] en [B] geschonden, terwijl toch algemeen bekend is dat jeugdige slachtoffers van dergelijke delicten daarvan later nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Uit de aanvullende slachtofferverklaring van 27 december 2010 blijkt dat [A] nog altijd te kampen heeft met angstgevoelens en gevoelens van onderzekerheid. Ondanks dat zij inmiddels ruim twee jaar professionele hulp heeft, verloopt de vooruitgang traag. [B] daarentegen verstopt volgens diezelfde verklaring haar gevoelens en is van een extraverte meid een zwijgzaam kind geworden die haar gevoelens met niemand wil bespreken.

Zodoende heeft de verdachte ook groot persoonlijk leed toegevoegd aan de ouders van [A] en [B]. De verdachte heeft met zijn handelen miskend dat kinderen juist bescherming behoeven tegen seksuele benadering door volwassenen en dat zij op die bescherming ook moeten kunnen rekenen. Het hof rekent de verdachte dat bijzonder zwaar aan.

In relatie tot de ernst van het feit verdient het volgende nog opmerking. De raadsman heeft kennelijk ter relativering aangehaald dat de moeder van [A] en [B] bij de politie heeft verklaard dat zij pas anderhalve maand later naar de politie is gegaan, omdat het nog niet zo erg was wat er was gebeurd. De daarbij gegeven toelichting heeft de raadsman echter niet onder de aandacht gebracht. De moeder heeft immers verklaard dat zij aanvankelijk geen aangifte wilde doen, omdat er ernstigere vormen van misbruik zijn, maar dat zij daarop is teruggekomen toen [A] haar vertelde dat zij “niet meer blij van binnen” was. Die redenering is niet onbegrijpelijk en de relativering van de raadsman doet daarom geen recht aan de afweging die ouders in een zaak als de onderhavige hebben te maken. Overigens wilden de ouders het ook eerst verwerken en details weten om de verdachte niet valselijk te beschuldigen, zo blijkt uit de aanvullende verklaring van de moeder.

Het hof heeft tevens acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Met betrekking tot zijn persoon zijn meerdere gedragskundige rapporten opgemaakt. Naast het voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland d.d. 28 april 2009, heeft het hof kennisgenomen van twee psychologische rapporten, te weten het in mei 2009 uitgebrachte pro justitia rapport van drs. L.C.M. Beurskens en het van 9 april 2010 daterend pro justitia rapport van drs. A.F.J.M. Zwegers. Voor wat betreft de vraag of de verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, bevatten de rapporten tegengestelde conclusies. Het hof constateert dat voor het rapport van drs. Zwegers meer stukken en referenten zijn geraadpleegd en dat het daarom een bredere basis heeft dan het rapport van drs. Beurskens, terwijl het bovendien meer actueel is. Om die reden zal het hof van dat rapport uitgaan. De daarin vermelde conclusie is dat bij de verdachte geen ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens kon worden aangetoond. Het hof neemt die conclusie over en komt op grond daarvan tot het oordeel dat de verdachte als volledig toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Het hof houdt geen rekening met de voor de verdachte ontstane studieschuld. De keuze voor de studie aan de Pabo heeft de verdachte zelf gemaakt. Het risico, dat hij die studie door zijn eigen handelen niet kan dan wel mag voltooien, en de gevolgen daarvan dienen geheel voor zijn rekening te komen.

Het hof houdt wel rekening met de omstandigheden dat de verdachte - blijkens het hem betreffend uittreksel van het justitieel documentatieregister d.d. 11 maart 2011 - niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen en dat het bewezen verklaarde handelen zowel qua omvang als ernst beperkt is gebleven. Zulks dient evenwel naar het oordeel van het hof niet te worden vertaald in de strafsoort, maar in de strafmaat. Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, is het hof namelijk van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde zich verzet tegen oplegging van een werkstraf en een daarmee gecombineerde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Alles afwegende acht het hof in het onderhavige geval een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, de meest passende reactie op het bewezen verklaarde handelen van de verdachte.

Maatregelen ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [A] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 1.268,24, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict - in dit geval te stellen op 1 september 2008, zijnde de laatste dag van de bewezen verklaarde periode - tot de dag der algehele voldoening.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts gebleken dat [B] als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict - in dit geval te stellen op 1 september 2008, zijnde de laatste dag van de bewezen verklaarde periode - tot de dag der algehele voldoening.

De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hierna te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partijen telkens de verplichting opleggen aan de Staat om ten behoeve van het betreffende slachtoffer het vastgestelde schadebedrag te betalen.

Vordering benadeelde partij [A]

De benadeelde partij [A] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 1.768,24, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank heeft de vordering bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 1.268,24, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte.

De vordering van de benadeelde partij bestaat uit EUR 268,24 aan materiële schade en EUR 1.500,00 aan immateriële schade. De materiële schade heeft betrekking op psychologische hulp, waarbij EUR 198,24 is gerekend aan reiskosten en EUR 70,00 voor de eigen bijdrage van de verzekering.

De raadsman heeft bepleit dat de vordering van de benadeelde partij zal worden afgewezen, niet-ontvankelijk verklaard dan wel gematigd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat in het strafproces alleen plaats is voor het toewijzen van een vordering van een benadeelde partij als die eenvoudig van aard is en de hoogte van die vordering zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld. Voor wat betreft de eigen bijdrage voor het bezoek aan de psycholoog alsook de immateriële schade ontbreekt een voldoende onderbouwing, aldus de raadsman.

Het hof stelt voorop dat het criterium voor de ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij met ingang van 1 januari 2011 niet de eenvoudige aard van die vordering is, maar de evenredige belasting van het strafgeding.

De gevorderde materiële schade en immateriële schade houden beide verband met het psychisch leed dat bij [A] is veroorzaakt. Dat er van zulk leed sprake is kan op grond van de voorhanden stukken genoegzaam worden vastgesteld.

Anders dan de raadsman heeft bepleit, acht het hof de mailwisseling met de klinisch psycholoog en de brief van het Kinder Psychiatrisch Centrum een voldoende onderbouwing voor de opgevoerde eigen bijdrage van de verzekering.

Naar het oordeel van het hof kunnen de totale materiële kosten volledig en de immateriële kosten tot een bedrag van EUR 1.000 worden aangemerkt als rechtstreekse schade van het door de verdachte bewezen verklaarde handelen. Die kosten zijn voldoende onderbouwd en ook alleszins redelijk.

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering toewijsbaar is tot een bedrag van EUR 1.268,24, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict - in dit geval te stellen op 1 september 2008, zijnde de laatste dag van de bewezen verklaarde periode - tot de dag der algehele voldoening.

De (verdere) behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. In zoverre kan de benadeelde partij dan ook niet in haar vordering worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De proceskosten van de benadeelde partij worden ten laste van de verdachte gebracht, doch zijn tot op heden begroot op nihil.

Vordering benadeelde partij [B]

De benadeelde partij [B] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank heeft de vordering bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 750,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte.

De vordering van de benadeelde partij heeft volledig betrekking op geleden immateriële schade. Anders dan de raadsman ook in dit verband heeft bepleit, is het hof van oordeel dat op grond van de voorhanden stukken genoegzaam kan worden vastgesteld dat bij [B] eveneens psychisch leed is veroorzaakt. Het hof is in haar geval van oordeel dat de immateriële schade tot een bedrag van EUR 750,00 als rechtstreekse schade kan worden beschouwd van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte. Ook die kosten zijn voldoende onderbouwd en redelijk.

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering toewijsbaar is tot een bedrag van EUR 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict - in dit geval te stellen op 1 september 2008, zijnde de laatste dag van de bewezen verklaarde periode - tot de dag der algehele voldoening.

De (verdere) behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. In zoverre kan de benadeelde partij dan ook niet in haar vordering worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De proceskosten van de benadeelde partij worden ten laste van de verdachte gebracht, doch zijn tot op heden begroot op nihil.

Verhouding schadevergoedingsmaatregelen en vorderingen benadeelde partijen

Het hof zal ten aanzien van elk van evenvermelde schadevergoedingsmaatregelen en vorderingen bepalen dat indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen en zulks vice versa (dat wil zeggen: indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, komt daarmede zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre te vervallen).

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 57 en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 en 2 bewezen verklaarde telkens oplevert:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond van het feit dat de verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt aan de verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [A] (wonende te [woonplaats], [adres 1]) aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 1.268,24 (duizend tweehonderd achtenzestig euro en vierentwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (in dit geval te stellen op 1 september 2008) tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis.

Legt aan de verdachte de verplichting op om, ten behoeve van aan [B] (wonende te [woonplaats], [adres 1]) aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 750,00 (zevenhonderd vijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (in dit geval te stellen op 1 september 2008) tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [A] tot een bedrag van EUR 1.268,24 (duizend tweehonderd achtenzestig euro en vierentwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (in dit geval te stellen op 1 september 2008) tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting aan voornoemde benadeelde partij te betalen een bedrag van EUR 1.268,24 (duizend tweehonderd achtenzestig euro en vierentwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (in dit geval te stellen op 1 september 2008) tot aan de dag der algehele voldoening.

Verklaart voornoemde benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door voornoemde benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [B] tot een bedrag van EUR 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (in dit geval te stellen op 1 september 2008) tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting aan voornoemde benadeelde partij te betalen een bedrag van EUR 750,00 (zevenhonderd vijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (in dit geval te stellen op 1 september 2008) tot aan de dag der algehele voldoening.

Verklaart voornoemde benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de kosten van het geding door voornoemde benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt ten aanzien van elk van evenvermelde schadevergoedingsmaatregelen en vorderingen dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voor zover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt ten aanzien van elk van evenvermelde schadevergoedingsmaatregelen en vorderingen dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voor zover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Aldus gewezen door

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. J.M.W.M. van den Elzen en mr. J.F. Dekking,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,

en op 13 april 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.