Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ0370

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-03-2011
Datum publicatie
06-04-2011
Zaaknummer
HD 200.072.294
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen nadere verdeling van reeds geheel verdeelde huwelijksgoederengemeenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.072.294

arrest van de zevende kamer van 29 maart 2011

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.C. Lang,

op het bij exploot van dagvaarding van 24 juni 2010 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch gewezen vonnis van 9 juni 2010 tussen appellant - de man - als eiser en geïntimeerde - de vrouw - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer/rolnummer 205276/HA ZA 10-114)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 10 maart 2010.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 De man is tijdig van het eindvonnis van 9 juni 2010 in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven heeft de man onder overlegging van twee producties vier grieven aangevoerd en geconcludeerd overeenkomstig de appeldagvaarding tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot veroordeling van de vrouw tot betaling van € 19.606,= met rente.

2.2 Bij memorie van antwoord heeft de vrouw onder overlegging van twee producties de grieven bestreden. De man heeft daarop een akte uitlating producties genomen en de vrouw een antwoordakte.

2.3 Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4. De beoordeling

4.1 Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a) Partijen zijn met elkaar in gemeenschap van goederen gehuwd geweest. In hun huwelijk is bij beschikking van 16 augustus 2000 de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 11 april 2001 ingeschreven.

b) Op 25 juni 2000 hebben partijen een echtscheidingsconvenant gesloten, waarin onder meer een regeling is opgenomen met betrekking tot de verdeling van de gemeenschap van goederen. Deze regeling omvat onder meer de volgende bepalingen:

Artikel 15

De schuld bij de ING-bank te [vestigingsplaats] van ongeveer ƒ 100.000,-- zal worden toebedeeld aan de man. De man zal de bank verzoeken de vrouw te ontslaan uit haar aansprakelijkheid voor deze schuld. Indien de bank met dat ontslag akkoord gaat zal bij de verdeling van de depots, verrekening van de helft ten laste van de vrouw en ten gunste van de man plaatsvinden.

Artikel 21

Partijen verklaren dat zij aldus de tussen hen bestaande huwelijksgemeenschap met inachtneming van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid hebben verdeeld en zij verklaren tevens dat zij met uitzondering van de rechten en verplichtingen, die voortvloeien uit dit convenant, niets meer van elkaar te vorderen zullen hebben nadat aan dit convenant uitvoering zal zijn gegeven. Zij verlenen elkaar reeds nu vooralsdan over en weer volledige kwijting.

c) Bij brieven van 23 oktober 2009 en 20 november 2009 aan de vrouw heeft de man via zijn advocaat aanspraak op bedragen die de vrouw hem op grond van het echtscheidingsconvenant nog schuldig zou zijn. De vrouw heeft die aanspraken betwist.

4.2 In eerste aanleg vorderde de man primair veroordeling van de vrouw tot betaling van een aantal bedragen die zij hem volgens de man verschuldigd was uit hoofde van het echtscheidingsconvenant. Ten aanzien van deze posten heeft de vrouw een beroep op verjaring gedaan. Subsidiair vorderde de man verdeling van de gemeenschap met betrekking tot de schuld bij de ING-bank. Ook deze vordering is door de vrouw betwist.

4.3 Bij tussenvonnis van 20 maart 2010 heeft de rechtbank een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft op 1 juni 2010 plaatsgevonden. Bij eindvonnis van 9 juni 2010 heeft de rechtbank de vorderingen van de man geheel afgewezen.

4.4 Het hoger beroep heeft alleen betrekking op de schuld bij de ING-bank waarop artikel 15 van het echtscheidingsconvenant ziet. De rechtbank heeft (mede) ten aanzien van deze schuld geoordeeld dat de vorderingen van de man tot nakoming van verbintenissen uit overeenkomst, te weten het convenant, gelet op de toepasselijke verjaringstermijn van vijf jaren inmiddels zijn verjaard. De subsidiaire vordering van de man tot verdeling, die als vordering ex artikel 3:178 BW niet verjaart, oordeelde de rechtbank niet toewijsbaar omdat de desbetreffende vordering reeds bij de verdeling was betrokken zodat deze niet (opnieuw) verdeeld zou kunnen worden.

4.5 Volgens de man is bij de rechtbank verwarring ontstaan over de standpunten die partijen over deze post hebben ingenomen. Volgens de man is de restschuld nog niet verrekend. Er wordt door hem niet gevraagd opnieuw te verdelen, maar om op basis van de eerdere verdeling als omschreven in het convenant in artikel 15 nader te verdelen en af te ronden door betaling (laatste alinea toelichting grief 3). De man verwoordt zijn standpunt daar aldus: De man verzoekt dus slechts om veroordeling van de vrouw tot betaling aan de man van haar deel van de verplichtingen uit de gemeenschap van goederen waarin partijen gehuwd waren, per de peildatum. Het door de vrouw op grond hiervan te betalen bedrag bedraagt volgens de man de helft van het saldo per peildatum, te weten ƒ 43.207,= (prod. 20 eerste aanleg), ofwel € 19.606,=. Dit bedrag vordert de man, vermeerderd met de met ING overeengekomen rente van 8,75%, althans een door het hof te bepalen bedrag en rente ten titel van afrekening uit boedelscheiding van de gemeenschap van goederen waarin partijen gehuwd zijn geweest (aldus het petitum van de appeldagvaarding).

4.6 Het hof onderscheidt twee mogelijkheden: ofwel de huwelijksgoederengemeenschap is niet geheel verdeeld, ofwel deze is wel geheel verdeeld. Uit het hierboven aangehaalde artikel 21 van het echtscheidingsconvenant blijkt dat partijen met het convenant hebben beoogd de verdeling van de tussen hen bestaande huwelijksgoederengemeenschap volledig te regelen. Dat geldt ook voor de schuld aan de ING-bank waaraan een aparte bepaling is gewijd, het eveneens aangehaalde artikel 15. De tekst daarvan laat ook geen ruimte voor twijfel: deze schuld zal aan de man worden toebedeeld. Daarmee is ook dit onderdeel van de gemeenschap verdeeld. Gesteld noch gebleken is dat partijen op enig moment ten aanzien van deze schuld enige nadere of afwijkende afspraak hebben gemaakt. Volgens de man heeft hij ook feitelijk de schuld voor zijn rekening genomen, dus overeenkomstig het convenant. In hoger beroep is het standpunt van de man dat er nader verdeeld moet worden. Voor iets dergelijks biedt het convenant evenwel geen enkele grondslag. Wat eenmaal geheel verdeeld is, kan niet opnieuw of nader verdeeld worden. Voor zover de man beoogt te stellen dat de verdeling moet worden beschouwd als de rechtshandeling waarmee niet alleen een bestanddeel van de gemeenschap aan één der partijen wordt toegedeeld, maar dat deze tevens de daarmee gepaard gaande verplichting tot verrekening ter zake van overbedeling omvat, gaat het hof hieraan voorbij aangezien deze opvatting geen steun vindt in het recht. De situatie is aldus deze dat de huwelijksgoederengemeenschap geheel verdeeld is, zodat een vordering tot verdeling (of tot nadere verdeling) niet aan de orde kan zijn.

4.7 Voor de vrouw resteert ten aanzien van de schuld aan de ING-bank een verbintenis uit overeenkomst, namelijk het betalen van de helft aan de man op de wijze die is voorzien in artikel 15 van het convenant (door verrekening bij de verdeling van de depots waar partijen over beschikten). Indien betaling op die wijze niet heeft plaatsgevonden - de man stelt dat hij de volledige schuld met rente heeft voldaan - is ten hoogste sprake van een verbintenis om op andere wijze te betalen. Dat is een verbintenis die aan verjaring onderhevig is. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het beroep van de vrouw op verjaring opgaat; volgens haar zijn de vorderingen uit hoofde van het convenant opeisbaar geworden op 11 april 2001, de datum van de ontbinding van het huwelijk en heeft de man eerst bij de brieven van 23 oktober 2009 en 20 november 2009 aanspraak gemaakt op betaling van bedragen voortvloeiend uit het convenant. Gesteld noch gebleken is dat van andere data uitgegaan zou moeten worden, zodat de vordering van de man is verjaard.

4.8 De consequentie hiervan is dat de vordering van de man, zoals deze in hoger beroep nog aan de orde is, niet voor toewijzing in aanmerking kan komen. De grieven worden verworpen, voor bewijslevering als aangeboden is geen aanleiding en het vonnis waarvan beroep wordt bekrachtigd. Nu partijen voormalige echtelieden zijn zullen de proceskosten in hoger beroep tussen hen worden gecompenseerd

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij daarvan de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Meulenbroek, Keizer en Van Ham en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 maart 2011.