Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP9617

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
HD 200.052.805
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling;

immateriële schadevergoeding;

matiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.052.805

arrest van de vierde kamer van 22 maart 2011

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. M.H. van der Linden,

tegen:

1. [Y.],

2. [Z.],

beiden zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland of daarbuiten,

geïntimeerden,

niet verschenen,

op het bij exploot van dagvaarding van 21 oktober 2009 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Boxmeer, gewezen vonnis van 21 juli 2009 tussen appellante - [X.]- als eiseres en geïntimeerden – [Y.] en [Z.] - als gedaagden.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 576279/CV 907/08)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [X.]vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog toewijzing van haar vordering.

2.2. Ter rolle van 2 februari 2010 is aan [Y.] en [Z.] verstek verleend.

2.3. [X.]heeft de stukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de exacte inhoud van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis feiten vastgesteld. Deze feiten, die niet zijn betwist, zijn ook in hoger beroep uitgangspunt. Kort gezegd, gaat het in dit hoger beroep om het volgende.

a) [X.] en [Y.] en [Z.] woonden in 2003 in het asielzoekerscentrum te [vestigingsplaats 1.].

b) Op 6 augustus 2003 heeft in het asielzoekstercentrum een handgemeen plaatsgevonden, waarbij onder meer [X.], [Y.] en [Z.] betrokken waren. [X.]heeft van dit handgemeen op 6 augustus 2003 aangifte gedaan tegen [Y.] en [Z.]. De politie heeft naar aanleiding van dit incident een proces-verbaal opgemaakt en naast [X.]daarover [A.] (hierna: [A.]) als getuige en [Y.] en [Z.] als verdachten gehoord.

c) Op genoemde aangifte is geen strafrechtelijke vervolging gevolgd, omdat [Y.] en [Z.] naar een ander asielzoekerscentrum waren overgeplaatst en hun adresgegevens niet konden worden achterhaald. De officier van justitie heeft om die reden de zaak geseponeerd.

d) Eind 2006/begin 2007 zijn [Y.] en [Z.] naast [X.]komen wonen in het asielzoekerscentrum te [vestigingsplaats 2.].

e) [X.] heeft daarin aanleiding gezien het openbaar ministerie te verzoeken haar aangifte uit 2003 opnieuw in behandeling te nemen en alsnog tot vervolging over te gaan. Dat verzoek is door de officier van justitie afgewezen vanwege overschrijding van de redelijke termijn van vervolging van 24 maanden. [X.] heeft tegen de beslissing om [Y.] c.s. niet te vervolgen op grond art. 12 Sv. een schriftelijke klacht ingediend bij het gerechtshof te Den Haag. Bij beschikking van 6 april 2009 is dit beklag door het hof afgewezen

4.2. [X.] heeft bij dagvaarding van 4 augustus 2008 [Y.] en [Z.] in rechte betrokken en, kort gezegd, gevorderd te verklaren voor recht dat [Y.] en [Z.] jegens haar een onrechtmatige daad hebben gepleegd en hen op grond daarvan te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 4.000,= inzake immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 augustus 2003.

4.2.1. [X.]stelt op 6 augustus 2003 ernstig te zijn mishandeld door [Y.] c.s.

Zij is met een stok op haar hoofd, rug en linkerbovenarm geslagen, met haar gezicht op straat geslagen, gestompt en getrapt. Naast het lichamelijk letsel heeft [X.]zodanig onder het handelen van [Y.] en [Z.] geleden dat er sprake is van geestelijk letsel, dat kan worden aangemerkt als aantasting van haar persoon. Zij kampt ten gevolge van de mishandeling nog steeds met ernstige psychische klachten, een posttraumatische stress stoornis (hierna: PTSS), waarvoor zij zich in 2007 onder behandeling heeft moeten stellen van GGZ Mediant. De schade door de mishandeling bestaat (voornamelijk) uit immateriële schade/smartengeld, welke naar billijkheid volgens haar kan worden vastgesteld op een bedrag van € 4.000,=.

4.2.2. [Y.] en [Z.] betwistten in eerste aanleg voor de gevolgen van de mishandeling aansprakelijk te zijn. Zij stelden in dat verband dat de schuld voor het handgemeen geheel aan de kant van [X.]ligt. Zij werd zelf al veel geslagen door haar moeder. Op de dag van het incident was het [X.], die zonder enige aanleiding en in gezelschap van [A.], de dochter van [Y.] en [Z.] heeft mishandeld door haar met een stok te slaan. [Y.] en [Z.] kwamen op het hulpgeroep van hun dochter af en [Y.] heeft [X.]in bedwang moeten houden totdat de beveiliging van het AZC verscheen. Daarbij heeft [Y.] zelf ook letsel opgelopen. Het is dus [X.]geweest die onrechtmatig jegens [Y.] en [Z.] heeft gehandeld. Er is sprake van eigen schuld van [X.]. Als haar aangifte tot een strafrechtelijke vervolging zou hebben geleid, dan zouden [Y.] en [Z.] zijn vrijgesproken op grond van noodweer, noodweerexces of psychische overmacht. De handelingen kunnen [Y.] en [Z.] niet worden toegerekend. Voorts betwisten [Y.] en [Z.] de gestelde schade als ook het causaal verband tussen de gestelde mishandeling en de schade. De PTSS is niet veroorzaakt door het incident, maar door de relatie met haar moeder. [Y.] en [Z.] beroepen zich voor het geval zij aansprakelijk mochten zijn op matiging.

4.2.3. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat op grond van de overgelegde verklaringen vaststaat dat [Y.] op 6 augustus 2003 [X.]enige klappen heeft gegeven. Gelet op de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden, is de kantonrechter van oordeel dat dit [Y.] niet kan worden toegerekend, omdat hij onderhevig was aan een hevige gemoedstoestand die mede zijn oorzaak vindt in eerdere confrontaties tussen zijn kinderen en [X.]. Ten aanzien van [Z.] bieden de verklaringen in het strafdossier naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende objectief bewijs dat zij jegens [X.] onrechtmatig heeft gehandeld. De kantonrechter heeft daarop de vordering van [X.] afgewezen.

4.3. Met de grieven ligt het geschil in hoger beroep in volle omvang voor. Dit betekent dat in dit hoger beroep de toewijsbaarheid van de vordering van [X.] opnieuw beoordeeld dient te worden. Hierna wordt zo nodig op de afzonderlijke grieven ingegaan.

4.4. Grief 1 bevat de klacht dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat [Y.] op 6 augustus 2003 [X.]slechts enige klappen heeft uitgedeeld. Volgens de toelichting op grief 1 blijkt uit de overgelegde verklaringen dat [Y.] op 6 augustus 2003 grof geweld jegens [X.]heeft gebruikt. Voorts heeft de kantonrechter volgens grief 1 ten onrechte geoordeeld dat het onrechtmatig handelen [Y.] niet is toe te rekenen. Volgens grief 2 heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat de overgelegde verklaringen onvoldoende objectief bewijs bieden dat [Z.] zich onrechtmatig jegens [X.]heeft gedragen. Deze grieven lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling.

4.4.1. Over het handgemeen op 6 augustus 2003 zijn tegenover de politie de volgende verklaringen afgelegd:

op 6 augustus 2003 door [X.]:

“Vandaag (…), omstreeks 20.00 uur, was ik buiten aan het spelen. Ik speelde met drie andere meisjes. Ik hoorde dat er op een gegeven moment een vrouw (hof: [B.]]) begon te roepen (…). Ik hoorde dat die vrouw tegen mij begon te roepen. Ik hoorde dat zij riep:”Jij hebt mijn dochter geslagen (…). Ik hoorde dat [B.] tegen haar dochter zei:”Ga een bezem halen.” Ik zag dat de dochter een bezem kapot maakte en dat zij de stok aan [B.] gaf. Ik zag dat [B.] de stok met de hand vast had, ik weet niet meer met welke hand, en ik voelde dat zij met kracht op mijn linkerschouder sloeg. Dat deed erge pijn. Ik stond gewoon stil omdat ik zo schrok. Toen werd het opeens heel druk. Er kwamen allemaal mensen en ik voelde wat klappen. Ik kwam met mijn hoofd op de stenen terecht. Ineens kwam er een man die ik ken als meneer [Y.]. (…). Ik heb hem niet zien aankomen. Ik voelde dat hij op mijn rug sprong. Ik voelde dat hij een hand voor mijn mond deed. Ik denk dat hij dat wel een minuut deed. Ik dacht dat ik misschien wel doodging. Hierna pakte hij mij bij mijn haren en smakte steeds met kracht mijn hoofd op de straat. Hierna deed hij pas zijn hand van voor mijn mond. Ik voelde dat hij mij overal schopte. Hij deed dit heel vaak, ik weet hoe vaak. Tegelijk stompte hij mij ook. (…)”

op 7 augustus 2003 door [A.], een van de vriendinnetjes van [X.]:

“Gisteren 06 augustus 2003 bevond ik mij op het azc te [vestigingsplaats 1.]. Ik was aan het spelen met enkele kinderen waaronder [X.]. Dit was omstreeks 20.00 uur. Ik hoorde vervolgens een vrouw roepen. Deze vrouw is de moeder van [B.]. (…) De moeder van [B.] beschuldigde ons van het feit dat we weer ruzie met haar dochter hadden gehad (..). Ik zag vervolgens dat [B.] uit het raam sprong van de benedenverdieping. (…) Vervolgens zag ik dat ze plotseling begon te slaan op [X.]. (…) Ik zag vervolgens dat [B.] een stok pakte uit de hand van [X.]. Met deze stok waren wij aan het spelen. Vervolgens zag ik (dat) [B.] diverse malen sloeg met de stok op het lichaam van [X.]. De stok is hierdoor zelfs gebroken. [X.]had ook een stok bij en zij heeft toen ook een paar klappen gegeven aan [B.]. Vervolgens zijn de partijen gescheiden door enkele omstanders (…) Even later zag ik dat [X.]met een bezemsteel verhaal ging halen bij de moeder van [B.].(…) Vervolgens zag ik dat [B.] vanuit haar woning op [X.]kwam afgelopen. Ik zag dat [B.] ook een bezemsteel in haar hand had. Toen zag ik dat de moeder van [B.] de bezemsteel pakt van haar dochter en dat zij met deze steel begon te slaan op [X.]. Ik zag dat zij sloeg op haar schouder echter [X.]kon deze klap afweren. Vervolgens is de vechtpartij meteen weer gesust door omstanders. Echter meteen daarna kwam plotseling de vader van [B.]. Ik hem nooit zien aankomen. Ik zag dat de vader van [B.] sprong (op) de rug van [X.]. Ik zag dat hij op haar ging zitten en dat hij haar bij de haren beetpakte. Ik zag dat hij haar begon te slaan op de rug. Vervolgens zag ik dat hij schopte. Ik kon echter niet zien waar hij schopte. Vervolgens is de vader van [B.] door enkele omstanders van [X.]gehaald.”

op 8 augustus 2003 door [Y.]:

“Ik hoorde de stem van mijn dochter [B.]. Ik liep daar en ik heb een meisje vastgepakt. Dat was niet mijn kind, het was een ander meisje. Ik heb toen niet gezien dat dat meisje [B.] sloeg. Op de arm van [B.] is nog een plek te zien ten gevolge van een klap met een stuk hout. (…) Ik heb dat meisje bij de haren gepakt, tegen de grond gedrukt en haar 2 klappen in haar gezicht gegeven. Er kwamen andere mensen bij en ik kon haar niet meer slaan. 2 of 3 mensen hebben me bij [X.] weggeduwd. (…) Ik wilde haar nog meer klappen geven, maar dat kon niet omdat er mensen tussen kwamen. Ik heb haar wel geschopt, maar niet zo goed als het moest. Als ik haar geschopt had zoals ik dat doe, was ze dood geweest. Want ze slaat altijd mijn kinderen. Dat meisje heeft dat al 3 of 4 maal gedaan. (…) Toen ik [X.] hoorde schreeuwen, wist ik meteen dat er weer geslagen werd met hout. Ik wilde haar niets aandoen. Ik wilde haar alleen weghebben bij mijn kinderen, dat zij ze niet meer slaat”.

eveneens op 8 augustus 2003 door [Z.]:

“Ik zag dat [X.]met een stok op de paal voor mijn woning begon te slaan (…). Ik zag dat [X.] mijn woning inging en met de stok uithaalde naar [B.], die nog in de woning was. Ik zag dat [X.][B.] met de stok op haar borst raakte en op haar arm. De zwarte meisjes hebben [B.] op haar arm geslagen Ik heb zelf dus niet geslagen met een stok. (…)

Ik zag kort daarna mijn man aan komen lopen. Ik had nooit verwacht dat hij zou doen wat hij vervolgens deed. Mijn man was heel erg boos. Ik zag dat [X.]weg wilde lopen en ik zag dat mijn man haar nog kon vastpakken. Mijn man heeft [X.] vastgepakt bij de haren, op de grond gedrukt en geslagen. Ik heb niet gezien dat mijn man [X.]geschopt heeft. Hij heeft [X.]wel enkele klappen gegeven.”

4.4.2. Uit deze verklaringen blijkt dat er op 6 augustus 2003 rond 20.00 uur een ruzieachtige sfeer is ontstaan tussen [X.]en een paar vriendinnetjes enerzijds en [B.] [Y.], een dochter van [Y.] en [Z.], anderzijds, waarbij zij elkaar over en weer met stokken te lijf gingen. Op grond van deze verklaringen is niet duidelijk of [B.] [X.] dan wel [X.][B.] met een stok heeft geslagen. Voor de beoordeling van het onderhavige geschil is dat niet van belang.

4.4.3. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat op grond van deze verklaringen niet is bewezen dat [Z.] op 6 augustus 2003 [X.] heeft geslagen. [X.]zelf verklaart dat wel, maar dit levert in aanvulling op de verklaring van [A.] onvoldoende bewijs op. [A.] verklaart namelijk enkel dat [X.]een klap van [Z.] kon afweren, zodat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 164 lid 2 Rv.

[X.]heeft thans in hoger beroep nog drie schriftelijke verklaringen overgelegd van [C.] en [D.], twee van haar vriendinnetjes die aanwezig waren bij de gebeurtenissen op 6 augustus 2003, en nogmaals een schriftelijke verklaring van [A.].

Deze verklaringen leveren ten aanzien van de gestelde mishandeling door [Z.] naar het oordeel van het hof onvoldoende concrete aanknopingspunten op. Zo schrijft [C.] in haar verklaring van 25 november 2009 dat [X.] bij de moeder van [B.] heeft aangebeld om te zeggen dat ze haar dochter van het raam weg moest halen, dat het echter uitliep in een vechtpartij en dat er enkele klappen vielen. Hieruit blijkt niet, althans onvoldoende duidelijk, dat die klappen afkomstig waren van [Z.]. [D.] vermeldt in haar verklaring van 5 december 2009 dat zij zich niet precies kan herinneren of [Z.] [X.]met de stok klappen uitgedeeld heeft. In de verklaring van [A.] van 27 november 2009 staat dat zij vanaf een bepaald moment – hof: het moment dat de meisjes langs het huis van [Y.] en [Z.] liepen om de beveiliging te gaan waarschuwen - niet meer precies weet wat er gebeurde, dat zij in discussie raakten met de moeder van [B.], dat [B.] er ook bij kwam en dat er toen een paar klappen vielen. Ook daaruit valt niet af te leiden dat het [Z.] is geweest die [X.]heeft geslagen. Nu [X.]niet heeft aangegeven in hoeverre deze getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij in de overgelegde schriftelijke verklaringen hebben gedaan, wordt het bewijsaanbod tot het horen van deze getuigen als onvoldoende gespecificeerd gepasseerd (HR 9 juli 2004, NJ 2005, 270).

Dit leidt ertoe dat in deze procedure niet is komen vast te staan dat [Z.] [X.]heeft geslagen. Om die reden zal het vonnis ten aanzien van [Z.] worden bekrachtigd.

Grief 2 faalt mitsdien.

4.4.4. Uit de hiervoor weergegeven verklaringen van [X.], [A.] en [Y.] zelf blijkt dat [Y.] [X.]niet alleen een paar klappen heeft uitgedeeld doch ook dat hij haar bij de keel heeft gegrepen en heeft geschopt. Zoals [X.]terecht opmerkt, staat daarmee vast dat [Y.] jegens [X.]grof geweld heeft gebruikt. In zoverre slaagt grief 1.

4.4.5. De vraag is of dit onrechtmatig handelen [Y.] in de gegeven omstandigheden kan worden toegerekend.

Gelet op de ruzie tussen [X.]en (een van) zijn dochter(s), waarbij [Y.] wist dat er stokken in het spel waren, mocht van [Y.] als vader verwacht worden ter (noodzakelijke) verdediging van zijn dochter(s) op te treden. Uit de eigen verklaring van [Y.] blijkt evenwel dat hij er bewust voor heeft gekozen om [X.]te slaan en te schoppen, terwijl er op dat moment voor hem andere, minder vergaande, mogelijkheden waren om in te grijpen, bijvoorbeeld door de vechtende kinderen uit elkaar te halen. [X.], geboren op [geboortedatum] 1989, was op dat moment 13 jaar oud, zodat het voor [Y.] als volwassen man mogelijk moet zijn geweest om anders te handelen dan hij heeft gedaan. Door [X.]bij de keel te grijpen, haar te slaan en te schoppen, heeft [Y.] de grenzen van het redelijke ver overschreden. Voor zover hij vervolgens in een hevige gemoedsbeweging is komen te verkeren, komt dat geheel voor zijn rekening en risico. Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat niet gezegd kan worden dat in de gegeven omstandigheden de mishandeling [Y.] niet kan worden toegerekend.

4.4.6. Dit betekent dat grief 1 ook op dit punt slaagt. Daarmee staat thans vast dat [Y.] toerekenbaar onrechtmatig jegens [X.]heeft gehandeld.

4.5. Nu grief 1 slaagt, dienen op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep de in eerste aanleg door [Y.] opgeworpen en onbehandeld gebleven verweren te worden beoordeeld.

4.6. Dat [Y.] voor de mishandeling van [X.]niet strafrechtelijk is vervolgd, laat onverlet dat de civiele rechter zelfstandig kan beoordelen of sprake is van onrechtmatig handelen. Dit verweer wordt daarom gepasseerd.

4.7. [Y.] stelt dat de hoogte van de schade volstrekt onduidelijk is en onvoldoende bepaalbaar. [Y.] betwist voorts dat sprake is van causaal verband tussen het incident en de gestelde schade. De medische verklaring is volgens [Y.] onduidelijk. De traumabehandeling vindt plaats op basis van ouder-kind relatieproblemen en posttraumatischde stressstoornis, welke diagnose in 2007 is gesteld. Hoe de huidige situatie is, blijft onduidelijk en ook onduidelijk is of de posttraumatische stressstoornis inmiddels al is uitbehandeld en of [X.]wordt doorbehandeld voor ouder-kind relatieproblemen, aldus [Y.].

4.8. [X.]vordert in deze procedure vergoeding van de door haar door de mishandeling van [Y.] geleden immateriële schade. Gelet op de ernst van de mishandeling door [Y.], bestaande uit het [X.]bij de keel grijpen, haar slaan en schoppen, en gelet op de impact die dat op [X.] als 13-jarig meisje moet hebben gehad, is het hof van oordeel dat [X.]voldoende heeft onderbouwd dat zij daardoor immateriële schade heeft geleden.

4.9. Het hof is voorts van oordeel dat [X.]het causaal verband tussen de mishandeling en haar psychische klachten, posttraumatische stressstoornis, voldoende aannemelijk heeft gemaakt.

[X.] heeft namelijk op 28 maart 2007 in het kader van haar verzoek om heropening van de strafzaak tegenover de politie verklaard dat zij tot haar ontzetting in december 2006 heeft bemerkt dat [Z.] en [Y.] nota bene als haar buren in het AZC in [vestigingsplaats 2.] zijn komen wonen. Zij verklaart dat zij, toen zij dat tot haar grote schrik zag, een burn-out kreeg, een week niet naar school is gegaan, veel heeft gehuild, slecht heeft geslapen en steeds in angst leeft.

Uit de verklaring van Mediant van 10 maart 2009, afkomstig van sociaal psychiatrisch verpleegkundige [E.] en mede ondertekend door psycholoog [F.] en psychiater [G.], blijkt tevens dat [X.]sinds januari 2007 in handeling is in verband met problemen die zijn ontstaan naar aanleiding van een hernieuwde confrontatie op het AZC te [vestigingsplaats 2.] met de man die haar destijds ernstig heeft mishandeld. Ook staat in deze brief dat als diagnose in 2007 is vastgesteld: “Ouder-kind relatieprobleem en Posttraumatische Stressstoornis als gevolg van mishandeling door een bewoner van het AZC te [vestigingsplaats 1.]. Deze diagnose is nog steeds actueel en recent is de traumabehandeling overgedragen aan onze collega mevrouw [F.], psychologe.”

Op grond van deze verklaringen staat vooralsnog, behoudens door [Y.] te leveren tegenbewijs, vast dat sprake is van causaal verband tussen de mishandeling en de immateriële schade van [X.]. De ouder-kind relatieproblemen worden in deze brief niet, althans niet duidelijk, gerelateerd aan de mishandeling door [Y.]. Nu [Y.] in dit hoger beroep niet is verschenen, is het leveren van tegenbewijs niet aan de orde. Dit betekent dat in deze procedure ervan moet worden uitgegaan dat sprake is van causaal verband tussen de mishandeling en de schade van [X.].

4.10. Geheel ten overvloede merkt het hof op dat om voldoende duidelijkheid te krijgen over het causaal verband tussen de mishandeling en de PTSS, meer in het bijzonder over de mate waarin de mishandeling van [Y.] heeft bijgedragen tot het ontstaan van een PTSS bij [X.], en om meer inzicht te krijgen over de huidige situatie van [X.], een deskundigenonderzoek door een psychiater nodig zou zijn. Gelet op de hoogte van de vordering van [X.]en mede gelet op het beroep op matiging, waarover hierna meer, zouden de kosten van een dergelijk onderzoek naar alle waarschijnlijkheid de vordering overstijgen. Ook om proceseconomische redenen ligt het derhalve niet voor de hand een dergelijk onderzoek te gelasten.

4.11. [Y.] beroept zich tevens op eigen schuld van [X.]. Nog daargelaten dat uit rechtsoverweging 4.4.5 reeds volgt dat geen sprake is geweest van eigen schuld van [X.], heeft [Y.] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld ter onderbouwing van dit verweer. Ook dit verweer wordt gepasseerd.

Dit betekent dat de gevorderde verklaring van recht kan worden toegewezen.

4.12. [Y.] beroept zich voorts vanwege zijn persoonlijke omstandigheden op matiging. [Y.] voert in dat verband in eerste aanleg aan dat hij niet werkzaam is en in een AZC verblijft zonder enig inkomen afgezien van een kleine toelage voor de dagelijkse bestaanskosten. Het is derhalve schier onmogelijk is om ook maar enig bedrag te voldoen, aldus [Y.]. [X.]heeft deze gestelde financiële omstandigheden niet weersproken. Het beroep op matiging wordt dan ook toegewezen, in die zin dat de vordering wordt gematigd tot € 500,=.

4.13. De grieven 3 en 4 hoeven wegens gebrek aan belang geen bespreking meer.

4.14. Op grond van het voorgaande zal het bestreden vonnis worden vernietigd ten aanzien van [Y.] en bekrachtigd ten aanzien van [Z.]. Opnieuw rechtdoende wordt de verklaring van recht dat [Y.] jegens [X.]onrechtmatig heeft gehandeld alsnog toegewezen en wordt de vordering inzake betaling van een immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 500,= toegewezen en voor het overige afgewezen. [Y.] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, zowel in die van de eerste aanleg als van dit hoger beroep. Ter wille van de duidelijkheid zal het hof het vonnis in zijn geheel vernietigen en opnieuw rechtdoen.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en

opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat [Y.] jegens [X.]een onrechtmatige daad heeft gepleegd;

veroordeelt [Y.] tot betaling aan [X.]van een bedrag van € 500,=, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2003;

wijst de vorderingen jegens [Z.] inzake de verklaring van recht en de betaling van een immateriële schadevergoeding af;

veroordeelt [Y.] in de proceskosten van de eerste aanleg en dit hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [X.]worden begroot op € 201,00 aan verschotten en op € 200,00 aan salaris advocaat eerste aanleg en op € 347,98 aan verschotten en op € 632,00 aan salaris advocaat voor het hoger beroep, op de voet van het bepaalde in artikel 243 Rv (artikel 57b oud Rv) te voldoen aan de griffier van de rechtbank respectievelijk aan de griffier van dit hof;

veroordeelt [X.]in de proceskosten van de eerste aanleg en dit hoger beroep aan de zijde van [Z.], welke kosten worden begroot op nihil;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Gründemann, Huijbers-Koopman en Vermeulen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 maart 2011.