Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP9521

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
20-001515-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2008:BC9375, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 31a en 31b Auteurswet, art. 326 en 326b Sr. De verdachte wordt voor het verkopen van valse schilderijen van Klaas Gubbels veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001515-08

Uitspraak : 30 maart 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 april 2008 in de strafzaak met parketnummer 01-997501-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [datum in 1950],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen voorwerpen en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen in hun vorderingen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 29 oktober 2006 in de gemeente(n) Eindhoven en/of Tilburg en/of Arnhem en/of Dieren en/of Apeldoorn en/of Groesbeek en/of Groningen en/of Hoofddorp, in elk geval in Nederland, opzettelijk een (zeer) groot aantal schilderijen en/of aquarellen, althans een of meer schilderij(en) en/of aquarel(len) waarin met inbreuk op eens anders auteursrecht (te weten van Klaas Gubbels) beeltenissen waren vervat, openlijk ter verspreiding heeft aangeboden en/of ter verspreiding voorhanden heeft gehad en/of bewaard heeft uit winstbejag, terwijl hij van het plegen van dit misdrijf daar toen zijn beroep heeft gemaakt of als bedrijf heeft uitgeoefend;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 29 oktober 2006 in de gemeente(n) Eindhoven en/of Tilburg en/of Arnhem en/of Dieren en/of Apeldoorn en/of Groesbeek en/of Groningen en/of Hoofddorp, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

a. [A] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 6.600,- euro of daaromtrent en/of

b. [B] heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag van 42.200,- euro of daaromtrent en/of

c. [C] heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag van 45.000,- euro of daaromtrent en/of

d. [D] heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag van 2.000,- euro of daaromtrent en/of

e. [E] heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag en/of

f. [F] heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag van 3.000,- euro of daaromtrent en/of

g. [G] heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag van 3.500,- euro of daaromtrent en/of

h. [H] heeft bewogen tot afgifte van een en/of meer werk(en) van de kunstenaar Anton Heijboer en/of een geldbedrag van 2.200,- euro of daaromtrent en/of

i. [I] heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag van 10.000,- euro of daaromtrent,

althans voornoemde perso(o)n(en) (telkens) heeft bewogen tot afgifte van (enig(e)) geldbedrag(en) en/of in elk geval van (telkens) enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk (telkens) valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven- aan die bovengenoemde perso(o)n(en) een en/of meer schilderij(en) en/of aquarel(len), (telkens) (al dan niet met korting bij contante en/of directe betaling en/of tegen een te lage verkoopprijs), te koop en/of te ruil aangeboden tegen bovenvermelde bedrag(en) en/of goed(eren) als zou/zouden dat/die schilderij(en) en/of aquarel(len) van de hand van de (in de kunsthandel bekende) schilder Klaas Gubbels zijn en/of door Klaas Gubbels zijn gesigneerd, althans terwijl die/dat schilderij(en) en/of aquarel(len) met de naam K. Gubbels en/of Klaas Gubbels en/of K.G. was/waren gesigneerd, althans terwijl die/dat schilderij(en) en/of aquarel(len) was/waren voorzien van een signering die gelijkenis vertoonde met die van de schilder Klaas Gubbels, waardoor voornoemd(e) perso(o)n(en) (telkens) tot aankoop en/of ruil van die/dat schilderij(en) en/of aquarel(len) zijn overgegaan en werd(en) bewogen tot afgifte(n) van bovenvermelde koopprijs / koopprijzen en/of kunstwerk(en) en aldus tot afgifte van bovengenoemd(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren);

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 29 oktober 2006 in de gemeente(n) Eindhoven en/of Tilburg en/of Arnhem en/of Dieren en/of Apeldoorn en/of Groesbeek en/of Groningen en/of Hoofddorp, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk 41, in elk geval een of meerdere schilderij(en) en/of aquarel(len), in elk geval een of meer werk(en) van kunst, waarop (telkens) valselijk de naam en/of het naamsteken en/of enig teken is geplaatst en/of (telkens) het echte teken is vervalst, te koop heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd en/of ten verkoop in voorraad heeft gehad, als ware die/dat schilderij(en) en/of aquarel(len), in elk geval die /dat werk(en) van kunst (telkens) van de hand van degene wiens naam of teken daarop valselijk was aangebracht, te weten Klaas Gubbels.

In de tenlastelegging onder 2 heeft het hof de gedachtestreepjes vervangen door letters (a tot en met i).

Evenals de rechtbank heeft het hof de - op artikel 326b, aanhef en onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht toegesneden - tenlastelegging onder 3 verbeterd gelezen, in die zin dat - overeenkomstig de kennelijke bedoeling van de steller daarvan - vóór “in voorraad” de bewoordingen “ten verkoop” worden ingelezen. De verdachte is door deze verbeterde lezing niet geschaad in zijn verdediging, nu blijkens het onderzoek ter terechtzitting bij hem geen misverstand heeft bestaan over hetgeen hem wordt verweten.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 29 oktober 2006 in Nederland, opzettelijk schilderijen en aquarellen, waarin met inbreuk op eens anders auteursrecht (te weten van Klaas Gubbels) beeltenissen waren vervat, openlijk ter verspreiding heeft aangeboden en ter verspreiding voorhanden heeft gehad en bewaard heeft uit winstbejag, terwijl hij van het plegen van dit misdrijf daar toen zijn beroep heeft gemaakt;

2.

hij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 29 oktober 2006 in de gemeente(n) Eindhoven en/of Tilburg en/of Arnhem en/of Dieren en/of Apeldoorn en/of Groesbeek en/of Groningen en/of Hoofddorp, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels,

a. [A] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag en

b. [B] heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag en

c. [C] heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag en

d. [D] heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag van 2.000,- euro en

e. [E] heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag en

f. [F] heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag en

g. [G] heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag en

h. [H] heeft bewogen tot afgifte van werken van de kunstenaar Anton Heijboer en een geldbedrag van 2.200,- euro en

i. [I] heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag,

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk telkens valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - aan die bovengenoemde personen een of meer schilderij(en) en/of aquarel(len) telkens (al dan niet met korting bij contante en/of directe betaling) te koop en/of te ruil aangeboden tegen bovenvermelde bedragen en/of goederen als zou/zouden dat/die schilderij(en) en/of aquarel(len) van de hand van de in de kunsthandel bekende schilder Klaas Gubbels zijn en door Klaas Gubbels zijn gesigneerd, waardoor voornoemde personen telkens tot aankoop en/of ruil van die/dat schilderij(en) en/of aquarel(len) zijn overgegaan en werden bewogen tot afgifte van bovenvermelde geldbedragen en/of kunstwerken;

3.

hij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 29 oktober 2006 in Nederland, opzettelijk 41 schilderijen en aquarellen, waarop telkens valselijk de naam of het naamsteken is geplaatst, te koop heeft aangeboden en heeft afgeleverd en ten verkoop in voorraad heeft gehad, als waren die schilderijen en aquarellen telkens van de hand van degene wiens naam of teken daarop valselijk was aangebracht, te weten Klaas Gubbels.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Door en namens de verdachte is betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde, omdat hij pas na de verkoop van de schilderijen en aquarellen op de hoogte is geraakt van de valsheid daarvan.

De verdachte heeft dienaangaande verklaringen afgelegd bij de FIOD-ECD en ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze verklaringen laten zich, voor zover hier relevant, als volgt samenvatten.

De verdachte werd begin 2004 benaderd door een hem onbekende man die zich [X] noemde en schilderijen van Klaas Gubbels te koop aanbood. Deze [X] heeft de verdachte een aantal schilderijen van Klaas Gubbels getoond. De verdachte heeft van een aantal van die schilderijen foto’s gemaakt en die vervolgens ter verificatie getoond aan [J] van galerie [K] te Eindhoven, die Klaas Gubbels vertegenwoordigt. Nadat [J] had gezegd dat de schilderijen op de foto’s er goed uitzagen, heeft de verdachte te goeder trouw een partij van 44 schilderijen van Klaas Gubbels gekocht van [X]. De verdachte heeft daarvoor contant een bedrag van EUR 30.000,-- betaald. Eenderde deel van dat bedrag werd betaald met handelsgeld van de verdachte en tweederde deel met zwart geld dat hij had geleend van zijn inmiddels overleden moeder. De verdachte heeft de schilderijen geleidelijk verkocht.

Hij heeft aan één van de kopers, [B], twee schilderijen in consignatie gegeven. Vóór de verkoop van die twee schilderijen door de verdachte aan [B] zijn die op echtheid gecontroleerd door galerie [K].

Tussen de koop door de verdachte van [X] begin 2004 en de verkoop door de verdachte - het laatste schilderij werd in september 2006 verkocht - hebben de betreffende schilderijen steeds in de woning van de verdachte gestaan, onder meer in de woonkamer. De verdachte is in het begin van oktober 2006 op de hoogte geraakt van de valsheid van de door hem verkochte schilderijen, aldus de verdachte.

Op hetgeen door en namens de verdachte overigens is aangevoerd, zal - voor zover dat naar het oordeel van het hof bespreking behoeft - worden ingegaan in de navolgende overwegingen van het hof. De daarbij tussen haakjes opgenomen aanduidingen verwijzen naar de codenummers van de processen-verbaal dan wel andere geschriften die onderdeel uitmaken van het dossier van de FIOD-ECD met dossiernummer 39532.

(i) de valsheid/vervalsing

De verdachte heeft erkend dat hij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 29 oktober 2006 (in totaal) 44 valse werken van Klaas Gubbels heeft verkocht aan (a) [A], (b) [B], (c) [C], (d) [D], (e) [E], (f) [F], (g) [G], (h) [H] en (i) [I] (V01-03 pag. 4, V01-12 pag. 2 en pv terechtzitting d.d. 1 april 2008 pag. 2).

Hij heeft voorts verklaard dat hij ervan uitgaat dat het auteursrecht van kunst gemaakt door Klaas Gubbels bij laatstgenoemde berust en hij heeft erkend dat hij weet dat het anderen niet is toegestaan om de naam Klaas Gubbels onder een werk te zetten dat lijkt op het werk van Klaas Gubbels (V01-03 pag. 2).

Ter discussie staat slechts of de verdachte reeds vóór de verkoop van de schilderijen en aquarellen aan voornoemde personen wist van de valsheid daarvan. Daarbij is het volgende van belang.

(ii) de identiteit van [X]

De verdachte heeft op 27 oktober 2006 aangifte gedaan van oplichting gepleegd door [X] voornoemd. Die aangifte houdt onder meer in: “In de eerste week van januari 2004, het zou best de 2e week kunnen zijn, werd ik gebeld door een man die zich voorstelde als [X] uit Arnhem.” (D-5)

Op 29 augustus 2007 werd de verdachte voor de negende maal gehoord door de FIOD-ECD. In dit verhoor werd aan de verdachte gevraagd of hij blijft bij zijn verklaring dat hij de doeken heeft gekocht van [X] uit Arnhem. De verdachte antwoordde daarop: “Hij zei dat hij uit Arnhem kwam.” (V01-09 pag. 1-2)

De FIOD-ECD heeft onderzoek verricht naar de identiteit van de door de verdachte genoemde [X] uit Arnhem. Bij raadpleging van het belastingsysteem BVR (Beheer van Relatie) kwam geen persoon naar voren die voldeed aan de door de verdachte gegeven beschrijving. Voorts werden diverse getuigen, die goed bekend zijn in de kunstwereld, bevraagd over een kunsthandelaar met de naam [X] uit Arnhem, te weten Klaas Gubbels zelf (G04-01 pag. 4), [J] (G01-01 pag. 2 en 4), [C] (G08-01 pag. 4), [E] (G10-01), [F] (G11-01 pag. 2), [G] (G13-01), [H] (G14-01), [I] (G18-01), [M] (G02-01 pag. 3) en de echtgenote van verdachte (G05-01 pag. 5). Geen van deze getuigen kende een kunsthandelaar met deze naam (AH-05).

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 16 maart 2011 heeft de verdachte verklaard dat [X] uit West-Brabant komt en dat hij, de verdachte, dat reeds in meerdere verhoren had verklaard. De verdachte heeft op die terechtzitting voorts gesteld dat hij nooit had verklaard dat [X] uit Arnhem komt.

Het hof stelt vast dat verdachtes stelling dat hij nooit heeft verklaard dat [X] uit Arnhem komt feitelijk onjuist is, gelet op de hiervoor genoemde aangifte (D-5) en verklaring (V01-09), ook al heeft de verdachte daarmee niet anders willen zeggen dan dat [X] naar diens eigen zeggen uit Arnhem kwam.

Voorts blijkt noch uit de verklaring van de verdachte bij gelegenheid van zijn inverzekeringstelling, noch uit de twaalf daaropvolgende verklaringen van de verdachte bij de FIOD-ECD (V01-01 t/m V01-12, die blijkens de daarvan opgemaakte processen-verbaal alle door de verdachte zijn ondertekend en waarvan de verdachte na door- en voorlezing heeft verklaard dat de tekst een juiste weergave is van hetgeen hij had gezegd), noch uit zijn verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 1 april 2008, dat de verdachte op enig moment heeft verklaard dat [X] uit West-Brabant komt. Het hof acht derhalve niet aannemelijk dat de verdachte, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft beweerd, reeds eerder, laat staan in meerdere verhoren, had verklaard dat [X] uit West-Brabant komt.

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat de verdachte zijn verklaring dat [X] uit Arnhem komt eerst ter terechtzitting in hoger beroep heeft gewijzigd.

De verdachte heeft bovendien desgevraagd geen telefoonnummer, adres, visitekaartje, emailbericht of enige andere vorm van verifieerbare informatie - laat staan bewijs - aangeleverd, waaruit het bestaan van genoemde [X] dan wel diens handel zou kunnen volgen.

Het hof stelt vast dat het bestaan van de zich [X] noemende man niet kan worden vastgesteld en dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van de (valse) schilderijen en aquarellen.

(iii) de verklaring van de verdachte dat hij (foto’s van) schilderijen heeft getoond aan galerie [K]

De getuige [J] heeft zowel bij de FIOD-ECD op 30 maart 2007 (G01-02 pag. 2) als bij de rechter-commissaris op 6 december 2010 uitdrukkelijk weersproken dat de verdachte aan hem foto’s heeft getoond van schilderijen van Klaas Gubbels.

Voorts hebben zowel [J] (op 6 december 2010) als [B] (op 13 december 2010) bij de rechter-commissaris uitdrukkelijk weersproken dat [B] door galerie [K] twee schilderijen op echtheid heeft laten controleren vóór de verkoop daarvan door de verdachte aan [B]. [B] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij pas op de inventarisatiedagen, die werden georganiseerd nadat bekend was geworden dat er valse schilderijen van Klaas Gubbels in omloop waren, schilderijen bij galerie [K] op echtheid heeft laten controleren.

Het hof acht, mede gelet op voormelde verklaring van [B], niet aannemelijk dat, zoals de verdachte heeft gesteld, [J] heeft gelogen omdat - zo heeft de verdachte gesuggereerd - [J] niet zou willen toegeven dat hij de vervalsingen niet heeft herkend en hij zodoende zijn reputatie als galeriehouder zou willen beschermen. Ook overigens ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de hiervoor genoemde verklaringen van [J] en [B].

(iv) de financiering en het bewaren van de partij schilderijen

Mevrouw [L], de partner van de verdachte met wie hij samenwoont, heeft verklaard dat zij niet weet hoe de verdachte aan een bedrag van EUR 30.000,-- is gekomen voor de aanschaf van de schilderijen (G05-02 pag. 2). De verdachte heeft desgevraagd verklaard dat hij geen stukken kan overleggen waaruit kan blijken dat hij heeft kunnen beschikken over van zijn moeder geleend geld waarmee de partij schilderijen mede zou zijn gefinancierd.

Bij de belastingdienst zijn bovendien geen gegevens bekend waaruit kan blijken dat de moeder van de verdachte beschikte over een zodanig inkomen of vermogen, dat zij aan de verdachte een substantieel geldbedrag kon lenen (AH-18). De verdachte heeft uiteindelijk volstaan met te verklaren op de terechtzitting in hoger beroep dat zijn moeder over zwart geld beschikte, welke verklaring oncontroleerbaar is. Daarnaast blijkt uit de hieronder genoemde executoriale beslagen dat de verdachte en diens partner in die periode ernstige financiële problemen hadden.

De verdachte heeft voorts, zoals hiervoor werd overwogen, bij de FIOD-ECD verklaard dat de schilderijen, nadat hij die van [X] had gekocht, gedurende twee jaren in zijn woning hebben gestaan, onder meer in zijn woonkamer (V01-03 pag. 3 en V01-08 pag. 2-3).

In de bewezen verklaarde periode is diverse malen executoriaal beslag gelegd op goederen van de verdachte en zijn partner. Daartoe werd de woning van de verdachte bezocht door gerechtsdeurwaarders en de Belastingdienst. Uit de daarvan opgemaakte beslag- c.q. inventarisatielijsten, waarop de in beslag genomen goederen staan vermeld, worden telkens geen of slechts een beperkt aantal schilderijen vermeld (AH-19 pag. 2-3).

Op 2 juni 2004 (D-131), 23 december 2004 (D-120) en 15 november 2005 (D-121) werden namelijk telkens geen schilderijen vermeld op de beslag- c.q. inventarisatielijsten, terwijl op 18 november 2005 (D-132) en 3 april 2006 (D-133) telkens slechts drie schilderijen werden vermeld op die lijsten.

De betreffende deurwaarders(kantoren) hebben desgevraagd verklaard dat, indien tijdens de beslaglegging schilderijen in de woning aanwezig waren, deze zeker in beslag zouden zijn genomen en ook zeker op de beslag- c.q. inventarisatielijst zouden zijn vermeld (AH-19 pag. 2-3).

Toen de verdachte daarmee door de FIOD-ECD werd geconfronteerd en de verhorende verbalisanten daarbij opmerkten dat op die beslaglijsten geen schilderijen vermeld stonden terwijl de verdachte en zijn partner hadden verklaard dat deze schilderijen in de woonkamer hebben gestaan, verklaarde de verdachte dat hij niet kan verklaren waarom de deurwaarders geen schilderijen hebben gezien (V01-08 pag. 3).

Ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 1 april 2008 heeft de verdachte daarentegen verklaard dat hij wèl kan verklaren waarom de deurwaarders geen schilderijen in zijn woning hebben aangetroffen, omdat wanneer zijn partner en hij wisten dat er een deurwaarder langskwam om beslag te leggen, zij de schilderijen naar de tweede verdieping van de woning hebben verplaatst en dat de deurwaarders daar nooit hebben gekeken (pv terechtzitting pag. 3).

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 16 maart 2011 heeft de verdachte vervolgens verklaard dat een deurwaarder “geen stap zet” op de eerste verdieping, dat er bovendien altijd - ook wanneer er deurwaarders langskwamen - schilderijen in de woonkamer hebben gestaan en dat die schilderijen voor een deurwaarder niet interessant zijn en daarom niet worden genoteerd.

Gelet op de hiervoor genoemde verklaringen van de deurwaarders, acht het hof niet aannemelijk dat er een grote partij schilderijen van Klaas Gubbels - in de hoeveelheid waarvan sprake zou zijn in de lezing van de verdachte dat hij 44 schilderijen heeft gekocht van [X] in januari 2004 en die vervolgens gedurende de ten laste gelegde periode geleidelijk heeft verkocht - in de woning van de verdachte aanwezig is geweest.

Nog daargelaten dat het het hof niet aannemelijk voorkomt dat een deurwaarder - die onder meer tot taak heeft het bezit van waardevolle goederen te registreren - zich bij een beslaglegging zou beperken tot de benedenverdieping, stelt het hof vast dat uit de inventarisatielijst d.d. 2 juni 2004 (D-131) bovendien blijkt dat in ieder geval op die datum door de deurwaarder boven in de woning is gekeken, alwaar een wasmachine en een centrifuge werden aangetroffen. De stelling van de verdachte dat de deurwaarders nooit de eerste verdieping hebben betreden, vindt derhalve haar weerlegging in genoemde inventarisatielijst.

Ten slotte stelt het hof vast dat de verdachte wisselend heeft verklaard over de aanwezigheid van de schilderijen in de woonkamer tijdens de beslagleggingen.

(v) de geloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte

In aanmerking genomen dat, zoals uit het hiervoor overwogene blijkt, de verdachte zijn verklaringen steeds lijkt aan te passen aan de resultaten van de onderzoekshandelingen op basis van zijn eerdere verklaringen, hij zijn - wisselende- verklaringen nergens verifieerbaar onderbouwt en deze door getuigen worden weersproken, acht het hof de verklaring van de verdachte over de herkomst van de schilderijen ongeloofwaardig en stelt het die als zodanig terzijde.

(vi) de herkenning door [M]

Tijdens een doorzoeking van de woning van de verdachte zijn op 23 april 2007 negen niet met doek bespannen spieramen (gecodeerd S-1 t/m S-9) in beslag genomen. In de auto van de verdachte werden tevens tien beschilderde doeken, gesigneerd met de naam K. Gubbels (gecodeerd K-1 t/m K-10), aangetroffen. Deze spieramen en doeken zijn afkomstig van schilderijen die de verdachte had verkocht aan [H] en [A] en die hij nadien heeft teruggehaald (V01-05 pag. 2-3, V01-08 pag. 2, V01-11 pag. 1-2 en V01-12 pag. 1-2).

De doeken K-1 t/m K-10 (inclusief het doek K11 later omgenummerd in 30A, 35A, 99 t/m 106 en 125) zijn alle door Klaas Gubbels als vervalsingen herkend (AH-15 pag. 4 en G04-02).

De getuige [M], een handelaar in schildersmaterialen, heeft verklaard dat spieramen (houten latwerken waaromheen schildersdoek gespannen wordt) worden gemaakt in standaardmaten die eindigen op tientallen (bijv. 60 bij 80 cm) of in (daarvan) afwijkende maten. [M] heeft verklaard dat hij aan de verdachte spieramen verkocht in afwijkende (niet gangbare) maten, bijvoorbeeld eindigend op een vijftal (bijv. 65 bij 75 cm). Deze niet gangbare spieramen werden door [M] zelf gemaakt en door hem bespannen met onbeschilderd doek. Hij heeft voorts verklaard dat hij al meer dan 20 jaren doeken spant en hij in die tijd een eigen werkwijze, een soort handschrift, heeft ontwikkeld (G02-01 pag. 2-3).

[M] heeft de spieramen S-1 t/m S-9 met grote zekerheid herkend als door hemzelf gemaakt. Dienaangaande heeft hij verklaard dat hij die herkent aan de wijze waarop het doek erop is gespannen (het hof begrijpt: erop gespannen is geweest), onder meer blijkend uit de gaten van de nietjes op de achterkant van het spieraam die staan op een voor hem kenmerkende afstand en uit de putten die afkomstig zijn van de door hem gebruikte 50 jaar oude spantang (G02-03 pag. 1-2).

Bij de rechter-commissaris heeft hij op 13 december 2010 in dit verband verklaard dat hij een oude en unieke spantang heeft die hij van zijn opa heeft gekregen en dat er geen daarmee vergelijkbare spantangen in omloop zijn. De spantang van zijn opa heeft een unieke hefboom die [M] nooit bij zijn collega’s heeft gezien. Die tang, die zijn opa vroeger speciaal heeft laten maken, laat unieke putjes achter.

[M] heeft bovendien verklaard dat hij de doeken K-1 t/m K-10 met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid herkent als van hemzelf afkomstig. Hij ziet dat aan de voor hem kenmerkende wijze van spijkeren en nieten, een door hem gezette potloodstreep en het feit dat hij hetzelfde soort linnen gebruikt (G02-03 pag. 2).

Het hof ziet - gelet op de door [M] genoemde details waaraan hij de spieramen en doeken afzonderlijk heeft herkend, het feit dat (negen van) die doeken om die betreffende spieramen hebben gezeten, hij in de lange periode waarin hij doeken spant een eigen “handschrift” heeft ontwikkeld en de omstandigheid dat het hier gaat om herkenning van zijn eigen werk(wijze) - geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van die herkenning. Het hof overweegt hierbij dat de herkenning door [M] van “zijn” spieramen niet zozeer berust op forensisch-technische deskundigheid, als op de omstandigheid dat een ambachtsman met zijn ervaring in staat kan worden geacht zijn eigen werk te herkennen aan specifieke aanwijzingen.

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat de verdachte met onbeschilderde doeken bespannen spieramen heeft gekocht van [M] en dat die doeken vervolgens, beschilderd met valse werken van Klaas Gubbels, door de verdachte zijn doorverkocht.

(vii) conclusie

Naar het oordeel van het hof zijn voornoemde feiten en omstandigheden onder ii tot en met vi, bezien in onderling verband en samenhang, redengevend voor het bewijs dat de verdachte reeds ten tijde van het ten verkoop/ter verspreiding aanbieden en voorhanden hebben van de betreffende valse(lijk gesigneerde) schilderijen en aquarellen wist dat die schilderijen en aquarellen vals(elijk gesigneerd) waren. De verdachte heeft voor die omstandigheden geen redelijke en geloofwaardige, die redengevendheid ontzenuwende verklaring gegeven. Het hof is daarom van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte die wetenschap reeds op voormeld tijdstip bezat.

Hieraan doet niet af dat, zoals de raadsman heeft aangevoerd, ook valse schilderijen van Gubbels zijn aangetroffen op doeken met standaardmaten die door [M] zijn herkend als door hem gespannen, in aanmerking genomen dat - mede gelet op de verklaring van de partner van de verdachte dat zij en de verdachte ook standaardmaten kochten (G05-01 pag. 3) - niet kan worden uitgesloten dat de verdachte ook heeft kunnen beschikken over door [M] gespannen doeken met standaardmaten.

Het hof acht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde opzet c.q. oogmerk derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 31a, aanhef en onder a, b en d, juncto artikel 31b van de Auteurswet 1912, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 2 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 326 juncto artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 3 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 326b, aanhef en onder 2°, juncto artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Zij worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof heeft ten bezware van de verdachte rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- het grote aantal valse schilderijen dat de verdachte gedurende een lange periode heeft verkocht;

- het aanzienlijke financiële nadeel dat de verdachte heeft toegebracht aan degenen aan wie hij de valse schilderijen heeft verkocht, mede gelet op het feit dat de verdachte inmiddels in staat van faillissement verkeert en het derhalve onzeker is of de benadeelden ooit hun schade vergoed zullen krijgen;

- het misbruik dat de verdachte heeft gemaakt van het door de kopers in hem gestelde vertrouwen en de inbreuk die de verdachte heeft gemaakt op de integriteit van de kunsthandel;

- het feit dat de verdachte kennelijk slechts uit winstbejag heeft gehandeld en hij dat winstbejag bovengeschikt heeft gemaakt aan het respecteren van het auteursrecht van Klaas Gubbels, waardoor Gubbels zich (blijkens zijn verklaringen G04-01 pag. 2 en G04-02 pag. 4) als kunstenaar in zijn persoon aangetast heeft gevoeld;

- het feit dat de verdachte blijkens een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 februari 2011 reeds eerder werd veroordeeld ter zake van vermogensdelicten, te weten verduistering.

Naar het oordeel van het hof kan op grond van het voorgaande niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

De persoonlijke omstandigheden van de verdachte zijn niet van dien aard dat het hof daarin aanleiding ziet om te volstaan met oplegging van een werkstraf, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de raadsman in geval van strafoplegging is bepleit.

Het hof acht de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, in beginsel passend en geboden. Met deze deels voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het hof zal bij de strafoplegging echter rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting in hoger beroep.

Nu het hoger beroep is ingesteld op 15 april 2008 en de stukken van het geding op 24 december 2008 ter griffie van het hof zijn binnengekomen, is de inzendingstermijn van acht maanden - en daarmee de redelijke termijn - met negen dagen overschreden.

Behoudens bijzondere omstandigheden - zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld - behoort het geding in hoger beroep bovendien met een einduitspraak te zijn afgerond binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld.

Nu het hof uitspraak doet op 30 maart 2011, is de redelijke termijn ook in zoverre overschreden. Het hof merkt daarbij op dat het tijdsverloop in hoger beroep deels is veroorzaakt doordat het hof op de regiezitting van 4 oktober 2010 het onderzoek heeft geschorst tot de terechtzitting van 16 maart 2011, teneinde op verzoek van de verdediging acht getuigen door de rechter-commissaris te doen horen. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt in wezen dus een klein half jaar.

In de overschrijding van de redelijke termijn ziet het hof aanleiding om het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf met een maand te verminderen.

Beslag

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met betrekking tot welke het onder 1 en 3 bewezen verklaarde is begaan en met behulp van welke het onder 2 bewezen verklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Schadevergoeding

De benadeelde partijen [E], [C], [D], [I], [B] en [F] hebben zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde.

De rechtbank heeft de benadeelde partij [F] in de vordering niet-ontvankelijk verklaard en de overige vorderingen geheel of gedeeltelijk toegewezen.

Alle benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw in het strafproces gevoegd ter zake van hun oorspronkelijke vorderingen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 16 maart 2011 is gebleken dat de verdachte op [datum in 2008] door de rechtbank ’s-Hertogenbosch persoonlijk in staat van faillissement is verklaard en dat het faillissement nog niet is afgewikkeld.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de benadeelde partijen, gelet op het inmiddels uitgesproken faillissement van de verdachte, in het strafproces niet in hun vorderingen kunnen worden ontvangen en dat zij hun vorderingen slechts bij de curator kunnen indienen. De Faillissementswet voorziet in een exclusieve procedure voor de afwikkeling van vorderingen op de failliete boedel, welke niet kan worden doorkruist door een andere procedure zoals de voeging in het strafproces. Het is niet aan de strafrechter om de vorderingen op de boedel vast te stellen. Om deze reden kan evenmin een schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.

Hieraan doet niet af dat het faillissement van de verdachte is uitgesproken nadat de benadeelden zich in eerste aanleg in het strafproces hebben gevoegd en nadat het beroepen vonnis werd gewezen.

Het hof ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding om te bepalen dat de kosten van het geding worden gecompenseerd, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 31a en 31b van de Auteurswet 1912 en de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 57, 63 en 326 en 326b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1.

Zijn beroep maken van het opzettelijk een voorwerp, waarin met inbreuk op eens anders auteursrecht een werk is vervat, openlijk ter verspreiding aanbieden en ter verspreiding voorhanden hebben en bewaren uit winstbejag.

2.

Oplichting, meermalen gepleegd.

3.

Opzettelijk een werk van kunst, waarop valselijk enige naam of enig teken is geplaatst, te koop aanbieden, afleveren en ten verkoop in voorraad hebben, als ware dat werk van de hand van degene wiens naam of teken daarop valselijk is aangebracht, meermalen gepleegd.

Verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond van het feit dat de verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen schilderijen en aquarellen, zoals door de FIOD-ECD gekenmerkt als bijlage bij het proces-verbaal met de volgende nummers: 10A t/m 25A, 27A, 29A t/m 42A, 46A, 48A, 49A, 62A, 95 t/m 108, 125, 126, 128, 129, 134 en 135.

Verklaart de benadeelde partij [E] in de vordering niet-ontvankelijk.

Compenseert de kosten aldus, dat de benadeelde partij [E] en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Verklaart de benadeelde partij [C] in de vordering niet-ontvankelijk.

Compenseert de kosten aldus, dat de benadeelde partij [C] en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Verklaart de benadeelde partij [D] in de vordering niet-ontvankelijk.

Compenseert de kosten aldus, dat de benadeelde partij [D] en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Verklaart de benadeelde partij [I] in de vordering niet-ontvankelijk.

Compenseert de kosten aldus, dat de benadeelde partij [I] en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Verklaart de benadeelde partij [B] in de vordering niet-ontvankelijk.

Compenseert de kosten aldus, dat de benadeelde partij [B] en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Verklaart de benadeelde partij [F] in de vordering niet-ontvankelijk.

Compenseert de kosten aldus, dat de benadeelde partij [F] en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. M.E.F.H. van Erve,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 30 maart 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. C.M. Hilverda en mr. M.E.F.H. van Erve zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.