Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP8879

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
HV 200.075.503
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appel beëindiging schuldsanering zonder schone lei.

Frustreren schuldsaneringsregeling.

Verharding saniet en bewindvoerder.

Beëindiging disproportioneel.

Verlenging.

Temperament saniet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 22 maart 2011

Zaaknummer: HV 200.075.503/01

Zaaknummer eerste aanleg: R07.778

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [X.],

advocaat: mr. P.P. Klokkers.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 11 oktober 2010.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 oktober 2010, heeft [X.] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de regeling eindigt met toekenning van de schone lei.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 februari 2011.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [X.], bijgestaan door mr. P.P. Klokkers;

- mr. R. Raaijmakers, hierna te noemen: de bewindvoerder.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de stukken van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 18 oktober 2010;

- het eindverslag (met bijlagen) van de bewindvoerder, ingekomen ter griffie op 26 oktober 2010;

- de brief met bijlage van de advocaat van [X.] d.d. 28 oktober 2010;

- de pleitaantekeningen van de advocaat van [X.] in het kader van de behandeling in eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 8 november 2010;

- de brief met bijlage van de bewindvoerder d.d. 28 januari 2011;

- het faxbericht met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 7 februari 2011;

- het faxbericht van de advocaat van [X.] d.d. 10 februari 2011.

3. De beoordeling

3.1. Bij vonnis van 13 augustus 2007 is de voorlopige toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Op 15 oktober 2007 is de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen. [X.] is hiertegen in hoger beroep gegaan.

Het hof heeft op 5 december 2007 de op 15 oktober 2007 gegeven uitspraak van de rechtbank vernietigd en heeft ten aanzien van [X.] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.2. Bij vonnis van 13 januari 2010 heeft de rechtbank een voordracht van de bewindvoerder voor een tussentijdse beëindiging afgewezen. De rechtbank heeft [X.] er in dat vonnis op gewezen dat hij zelf verantwoordelijk is voor een goed verloop van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft [X.] er evenzeer op gewezen dat indien wederom zal blijken dat [X.] de schuldsaneringsregeling op enigerlei wijze belemmert dan wel frustreert dit een reden zal zijn om de schuldsaneringsregeling alsnog tussentijds te beëindigen; de rechtbank heeft, mede in dit verband, overwogen dat de toonzetting van de door [X.] aan onder meer de bewindvoerder gevoerde correspondentie, ongepast is.

De rechtbank heeft [X.] evenwel nog een laatste kans gegeven nu hij ter zitting heeft verklaard dat hij binnen afzienbare tijd de boedelachterstand zal inlopen en dat hij in het vervolg zijn volledige medewerking zal geven aan een goed verloop van zijn schuldsaneringsregeling.

3.3. Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) vastgesteld dat [X.] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.

De rechtbank heeft verstaan dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden doch dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen van [X.] eindigden op 13 augustus 2010. De rechtbank heeft daarbij geen toepassing gegeven aan artikel 354 lid 2 Fw, zodat op grond van artikel 358 lid 2 Fw aan [X.] geen “schone lei” is verleend.

De rechtbank heeft haar beslissing gemotiveerd als volgt.

3.3.1. Ten aanzien van de informatieplicht heeft de rechtbank overwogen dat [X.] de bewindvoerder had moeten informeren over het feit dat hij sinds april 2010 staat ingeschreven als bestuurder van de vennootschap Maku BV en sinds juni 2010 tevens enig aandeelhouder is van deze BV. Daarnaast is ter zitting in eerste aanleg naar voren gekomen dat [X.] sinds medio februari 2010 weer salaris wordt betaald. Ook hierin is hij tekort geschoten in zijn informatieverplichting.

Ten aanzien van de afdrachtverplichting heeft de rechtbank overwogen dat, anders dan hij ter zitting in december 2009 had toegezegd, [X.] de boedelachterstand niet heeft ingelopen. De verklaring van [X.] tijdens de mondelinge behandeling dat hij niet heeft afgedragen aan de boedel om de bewindvoerder onder druk te zetten om zodoende van hem de administratie van zijn eenmanszaak terug te krijgen, acht de rechtbank volstrekt onoirbaar. Door te trachten de bewindvoerder onder druk te zetten door geen afdrachten te doen, frustreert [X.] in ieder geval de schuldsaneringsregeling. [X.] heeft door de achterstand na de eindzitting alsnog in te lopen weliswaar voldaan aan de afdrachtverplichting, zij het te laat, maar het blijft het frustreren van de regeling, aldus de rechtbank.

Ten aanzien van de inspanningsverplichting heeft de rechtbank overwogen dat [X.] in de periode van april 2008 tot en met oktober 2008 geen dienstverband heeft gehad. Hij heeft in die periode geen sollicitaties aan de bewindvoerder overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat [X.] derhalve niet aan zijn inspanningsverplichting, zoals die ook in het destijds vastgestelde saneringsplan is vastgelegd, heeft voldaan. Bovendien heeft [X.] gesteld dat hij in de periode van april 2008 tot en met oktober 2008 “zwart” heeft gewerkt. De rechtbank is van oordeel dat “zwart werken” niet strookt met de verplichtingen in de schuldsanering. Dat mogelijk de belastingdienst van dit “zwart” werken op de hoogte is, doet daar niet aan af. Dat [X.] geen uitkering heeft aangevraagd omdat hij ervan uit ging dat hij daar toch niet voor in aanmerking kwam, kan hem ook worden verweten. Niet onaannemelijk is bijvoorbeeld dat geoordeeld zou zijn dat gelet op de bijzondere situatie van de schuldenaar niet verlangd kon worden dat hij het dienstverband liet voortduren.

Ten aanzien van de nieuwe schulden heeft de rechtbank overwogen dat het de verantwoordelijkheid van [X.] was om het energiecontract van de echtelijke woning, waar hij sinds oktober 2007 niet meer woont, over te laten zetten op de naam van zijn echtgenote. Niet valt in te zien dat dit de taak van de bewindvoerder zou moeten zijn. Nu dit niet is gebeurd en er energierekeningen kennelijk onbetaald zijn gebleven, is er een nieuwe schuld ontstaan.

Per saldo is de rechtbank van oordeel dat [X.] ook na het vonnis van de rechtbank van 13 januari 2010 (waarbij de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling werd geweigerd) geen van zijn verplichtingen is nagekomen, zodat hij niet in aanmerking komt voor de schone lei.

3.4. [X.] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5. [X.] heeft in het beroepschrift - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

Blijkens zijn eerste grief heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat [X.] toerekenbaar in gebreke is gebleven de bewindvoerder in te lichten. Hiertoe stelt [X.] dat er sprake is van wrijving over en weer tussen de bewindvoerder enerzijds en [X.] anderzijds. Om de handelsnaam van Maku BV niet verloren te laten gaan, heeft [X.] in het zicht van het einde van de schuldsaneringsregeling voor € 1,00 de besloten vennootschap Maku BV gekocht. Het betrof een lege en verplichtingsvrije vennootschap met als geen ander doel dan de bedrijfs- c.q. handelsnaam veilig te stellen. [X.] heeft deze aankoop niet bij de bewindvoerder gemeld gelet op het geringe aankoopbedrag en de nihil-verplichting van de vennootschap. Verder bestrijdt [X.] dat hij de bewindvoerder op de hoogte had moeten stellen dat de werkgever van [X.] hem in januari 2010 niet tijdig salaris kon betalen. [X.] stelt dat dit te wijten was aan een tijdelijke financiële dip waarvan vrijwel op voorhand vaststond dat deze zou worden hersteld.

Door middel van zijn tweede grief werpt [X.] op dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende aan de boedel heeft afgedragen en dat deze tekortkoming hem is toe te rekenen. Vrijwel direct na de zitting van 30 augustus 2010 bij de rechtbank heeft de raadsman met de bewindvoerder contact opgenomen over de hoogte van de boedelachterstand en onder meer om het rekeningnummer verzocht. Vervolgens is een bedrag van € 7.471,07 op of omstreeks 8 september 2010 overgemaakt op de opgegeven boedelrekening. Hiervan is door de bewindvoerder onverwijld melding gedaan aan de rechtbank. [X.] stelt dat voor zover er vertraging in de afdracht zou worden geconstateerd, dit dan niet ten nadele van de crediteuren is.

Ten aanzien van zijn inspanningsplicht stelt [X.] in zijn derde grief dat de rechtbank er blijkbaar geheel aan voorbijgaat dat in deze zaak een forse stand op de boedelrekening is bereikt, zijnde ruim € 143.000,00, hetgeen neerkomt op een derde van de erkende schulden.

[X.] voegt daar aan toe dat er tevens rekening dient te worden gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Hij heeft, na te zijn behandeld voor depressieve klachten en ondanks zijn leeftijd en de economische crisis, geprobeerd naar vermogen inkomen te verwerven. Daarbij komt dat hij niet in aanmerking kwam voor een uitkering krachtens de WW of WWB.

Ten aanzien van de nieuwe schulden voert [X.] in zijn vierde grief aan dat deze schulden buiten zijn medeweten zijn ontstaan. Het betreft energielevering aan zijn voormalige echtelijke woning. Deze schuld is niet ontstaan door opzet of kwade trouw.

De rechtbank heeft gelet op het voorgaande de schuldsanering ten onrechte beëindigd zonder schone lei nu er sprake is van enige (geringe) tekortkomingen. Het onthouden van de schone lei is disproportioneel, mede gelet op de stand van de boedelrekening. Niet gebleken is dat de crediteuren door [X.] zijn benadeeld. Wel is gebleken, aldus [X.], dat er sprake is geweest van een verstoorde relatie met de bewindvoerder. Dat [X.] van zijn hart geen moordkuil maakt is hoe dan ook een neveneffect dat de schuldeisers niet benadeelt.

Tot slot werpt [X.] in zijn vijfde en laatste grief tegen het door hem bestreden vonnis van de rechtbank op, dat de rechtbank ten onrechte het salaris van de bewindvoerder heeft vastgesteld op een bedrag van € 17.987,63 inclusief BTW. De hoogte van de toekenning van het salaris “is buiten proportioneel en benadeelt de schuldeisers op onevenredige wijze”.

3.5.1. Hieraan heeft [X.] ter zitting - kort samengevat - het volgende toegevoegd.

Ten aanzien van het salaris van de bewindvoerder wijst de advocaat van [X.] erop dat een feitelijke onderbouwing van dit (te hoge) salaris ontbreekt. Daarnaast benadrukt [X.] dat hij met de aankoop van Maku BV niet kon wachten tot na afloop van de schuldsaneringsregeling. Maku BV is voor [X.] van grote emotionele waarde en zijn wens om de naam veilig te stellen heeft geleid tot deze door emotie ingegeven beslissing. [X.] stelt door deze aandelentransactie als het ware een eigen schuld te hebben gekocht en dat de overige crediteren hierbij gebaat zijn.

3.5.2. De bewindvoerder heeft ter zitting zijn standpunt gemotiveerd gehandhaafd. Het grootste pijnpunt blijft wat betreft de bewindvoerder de omstandigheid dat [X.] door diens gedrag - in welk verband de bewindvoerder onder meer ook nog eens de aandacht heeft gevestigd op de wijze waarop [X.] hem tijdens de schuldsaneringsregeling heeft bejegend - de schuldsaneringsregeling gedurende de looptijd ervan heeft gefrustreerd.

3.6. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1. Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.

3.6.2. Anders dan [X.] is het hof van oordeel dat [X.] zowel de aankoop van Maku BV als de niet tijdige betaling van het salaris in januari 2010 bij de bewindvoerder had moeten melden. Op een saniet rust in het kader van de schuldsaneringsregeling immers een actieve inlichtingenplicht. Dit stelt de bewindvoerder in staat om te kunnen beoordelen of de betrokken saniet zijn of haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen daadwerkelijk nakomt. Of bepaalde informatie al dan niet relevant is, staat niet ter beoordeling van een saniet. Het is op grond van de wet enkel aan de bewindvoerder en, in voorkomend geval, tevens aan de rechter-commissaris om dit te beoordelen. Een saniet die om hem of haar moverende redenen bepaalde informatie niet wil verstrekken of anderszins het verstrekken van informatie nalaat, frusteert zodoende een goede werking van de schuldsaneringsregeling. Dit betekent dat [X.] de aankoop van Maku BV en de niet tijdige betaling van het salaris in januari 2010 (onverwijld en uit eigener beweging) aan de bewindvoerder had dienen te melden. In dit verband wijst, onder meer, het hof ook nog op artikel III, onder f, van het door [X.] op 8 oktober 2007 ondertekende saneringsplan – “De bewindvoerder is geen maatschappelijk werker; hij heeft de wettelijke taak erop toe te zien dat ik mijn verplichtingen nakom. In verband hiermee moet ik de bewindvoerder al die informatie verstrekken die nodig is om dit toezicht uit te oefenen, zoals gegevens m.b.t. mijn eigen inkomen…etc.” – als op het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch op 13 januari 2010 gewezen vonnis door middel van welke uitspraak [X.] naar aanleiding van de (uiteindelijk door de rechtbank afgewezen) voordracht tot beëindiging van de bewindvoerder nogmaals op is gewezen dat hij zich dient te houden aan “zijn spontane inlichtingenplicht”.

Dit betekent dat de eerste grief van [X.] faalt.

3.6.3. De tweede grief van [X.] ziet op de kwestie van de boedelachterstand. Ter zitting in hoger beroep heeft de bewindvoerder bevestigd dat de achterstand op de boedelrekening is ingelopen. In dit verband wijst het hof tevens op productie II bij het appelschrift van [X.], waaruit blijkt dat op 8 september 2010 een bedrag van € 7.471,07 op de boedelrekening is gestort. Het voorgaande kan naar het oordeel van het hof echter niet wegnemen dat [X.] met de door hem eerder aangenomen houding, namelijk het ondanks een eerder door hem gedane toezegging niet inlopen van de boedelachterstand van bijna € 7000,-- om zodoende de bewindvoerder onder druk te zetten opdat hij de boekhouding van [X.] aan [X.] zou teruggeven, in elk geval de schuldsaneringsregeling heeft gefrustreerd; ook het pas na de eindzitting inlopen van de boedelachterstand kan worden opgevat als het door [X.] frustreren van de schuldsaneringsregeling (vgl. ook de rechtbank in het bestreden vonnis, blz. 4, 8e regel). Het vorengaande betekent dat de tweede grief van [X.] slechts gedeeltelijk slaagt, namelijk voor zover deze grief verband houdt met de stelling van [X.] dat er feitelijk geen sprake meer is van een boedelachterstand (hetgeen de bewindvoerder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft bevestigd).

3.6.4. De derde grief van [X.] houdt verband met de inspanningsverplichting. Deze grief faalt, nu, anders dan in het appelschrift wordt gesuggereerd, er wel degelijk een omschrijving bestaat van de wijze waarop een saniet inkomen dient te genereren. In dit verband wijst het hof op, onder meer, artikel 3.5 van de zogenoemde Recofa-richtlijnen alsook op artikel I van het door [X.] op 8 oktober 2007 ondertekende saneringsplan, welk artikel in essentie overeenkomt met artikel 3.5. van de Recofa-richtlijnen. Die essentie is dat een saniet aantoonbaar minimaal 4 keer per maand solliciteert en de rechter-commissaris verzoekt om hem of haar geheel of gedeeltelijk uit de inspanningsplicht te ontslaan als de saniet van oordeel is dat er redenen zijn die hem of haar verhinderen aan de inspanningsplicht te voldoen. [X.] heeft niet dan wel onvoldoende bestreden dat hij in elk geval in de periode van april 2008 tot en met oktober 2008 geen bewijsstukken van sollicitaties aan de bewindvoerder heeft doen toekomen, terwijl, daargelaten nog dat [X.] gedurende deze periode “zwart” zou hebben gewerkt, niet gebleken is van een volledige of gedeeltelijke ontheffing van de inspanningsplicht door de rechter-commissaris. Daarmee heeft [X.] in strijd gehandeld met de op hem rustende verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling, in elk geval waar het de periode van april 2008 tot en met oktober 2008 betreft. Dat een forse stand op de boedelrekening is bereikt doet aan het op een dergelijke wijze door [X.] frustreren van de schuldsaneringsregeling niet af, daargelaten nog dat het bedrag van ruim € 143.000,-- op de boedelrekening slechts in geringe mate het gevolg is van door [X.] tijdens de schuldsaneringsregeling gedane maandelijkse, boedelafdrachten (op grond van bijvoorbeeld door hem genoten inkomen uit arbeid).

3.6.5. De vierde grief van [X.] heeft betrekking op het ontstaan van nieuwe schulden, met name de schuld aan EON Benelux Levering. Ofschoon het hof met de rechtbank van oordeel is dat (ook) in dezen niet op de bewindvoerder maar op de saniet, in dit geval [X.], een actieve verplichting rust, kan, gelet althans op hetgeen zowel [X.] als de bewindvoerder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft verklaard, deze grief in de kern van de zaak slagen, nu het hof, met overigens de bewindvoerder, van oordeel is dat, door de onderliggende omstandigheden, [X.] wat betreft de genoemde nieuwe schuld geen verwijt kan worden gemaakt.

3.6.6. In diens vijfde grief beklaagt [X.] zich, kort gezegd en zakelijk weergegeven, erover dat het hem onthouden van de schone lei disproportioneel is, mede nu er sprake is van geringe tekortkomingen; in dit verband wijst [X.] er onder meer op dat er sprake is geweest van een gestoorde relatie met de bewindvoerder. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

Het gaat in het geval van [X.] grotendeels om tekortkomingen die, enkel op zichzelf genomen, het hem onthouden van de schone lei niet rechtvaardigen - in welk verband het hof onder meer wijst op het enkele feit van het door [X.] niet (onverwijld en actief) bij de bewindvoerder melden dat hij in januari 2010 geen salaris had ontvangen - maar die, in onderlinge samenhang beschouwd, wel degelijk tot het oordeel kunnen leiden dat [X.] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. In essentie hebben de - meeste - gedragingen van [X.] met elkaar gemeen dat hierdoor de schuldsaneringsregeling is gefrustreerd. Ook stelt het hof vast, zoals ook ter zitting in hoger beroep door zowel [X.] als de bewindvoerder is gesteld, dat er eigenlijk voortdurend een slechte verstandhouding tussen [X.] en de bewindvoerder is geweest. De omstandigheid dat [X.] van zijn hart geen moordkuil maakt lijkt hieraan mede te hebben bijgedragen; in dit verband wijst het hof op de, later door de rechtbank afgewezen, voordracht tot tussentijdse beëindiging d.d. 20 oktober 2009, waarbij de bewindvoerder, in verband met de afdrachtverplichting, op blz. 2, onder 3, 3e alinea, uit een faxbericht van [X.] citeert (“…ik ga wel proberen om de hoer te spelen in [plaats] om geld bij elkaar te krijgen om jouw salaris te kunnen betalen…).

Gelet op enerzijds de aard van de verstandhouding tussen [X.] en de bewindvoerder en anderzijds het gegeven dat, mede als gevolg van de mondelinge behandeling in hoger beroep, meer naar voren is gekomen dat deze verstandhouding niet geheel los kan worden gezien van de wijze waarop [X.] zich heeft opgesteld als het om de nakoming van diens uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen ging, acht het hof het onder dergelijke, specifieke, omstandigheden disproportioneel om thans aan [X.] de schone lei te onthouden. Dit neemt niet weg dat het hof zijn ogen niet kan sluiten voor het gegeven dat [X.] feitelijk de werking van de schuldsaneringsregeling na – onder meer – het vonnis van 13 januari 2010 tot op zekere hoogte verwijtbaar heeft gefrustreerd waarbij het, in zijn totaliteit bezien, niet gaat om tekortkomingen die gezien hun bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing kunnen blijven. Per saldo leidt dit ertoe dat het hof ambtshalve zal beslissen om de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [X.] te verlengen tot 1 januari 2012. Daarbij verstaat het hof dat de voor [X.] uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zullen herleven met ingang van de datum van de uitspraak van het hof in deze procedure in hoger beroep. Het hof vertrouwt erop dat [X.] gedurende deze verlengde looptijd van de schuldsaneringsregeling alle verplichtingen uit de saneringsregeling zal nakomen en spreekt, mede opdat hij de schuldsaneringsregeling uiteindelijk tot een goede einde kan brengen, tevens de hoop uit dat [X.] gedurende deze verlengde looptijd meer dan voorheen in staat zal blijken bepaalde emoties te beheersen (zie bijvoorbeeld ook hiervóór, bij r.o. 3.5.1, 2e alinea; mogelijk kan de advocaat van [X.] zijn cliënt in dezen van praktisch advies dienen.

3.6.7. Wat betreft het salaris van de bewindvoerder, waarop de zesde en laatste grief van [X.] ziet, heeft het hof op verzoek van [X.] aan de bewindvoerder tijdens de zitting om nadere informatie gevraagd, op welke informatie [X.] vervolgens heeft gereageerd.

Daargelaten dat, op het eerste gezicht, het hof van oordeel is dat de bewindvoerder zowel de wijze van totstandkoming als de hoogte ervan met het door hem overleggen van de door [X.] gewenste stukken in elk geval op papier inzichtelijk heeft gemaakt, kan het hof in een echte inhoudelijke beoordeling van de kwestie van het salaris van de bewindvoerder niet treden, omdat uit het stelsel van de Faillissementswet immers voortvloeit dat hiertegen geen hoger beroep openstaat (zie onder Hoge Raad 26 september 2003, LJN: AI0364).

3.6.8. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en het hof zal de zaak terugverwijzen naar de rechtbank in verband met de continuering van de schuldsaneringsregeling.

4. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verlengt de schuldsaneringsregeling van [X.], geboren op [geboortedatum] 1947 te [geboorteplaats] en wonende te [woonplaats], tot 1 januari 2012;

verstaat dat de voor [X.] uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen herleven met ingang van de datum van de uitspraak van het hof, zijnde 22 maart 2011;

verwijst de zaak terug naar de rechtbank ’s-Hertogenbosch in verband met de voortzetting van de schuldsaneringsregeling;

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit arrest is gewezen door mrs. Pellis, Pouw en Coster en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2011