Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP8669

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
22-03-2011
Zaaknummer
HD 200.037.561 E
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op HR 30 januari 2009, waarbij de zaak werd verwezen (C07/186HR LJN BG5053) en tussenuitspraak van dit hof van 13 april 2010 HD 200.037.561 T bekend onder LJN BG8668.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.037.561

arrest van de achtste kamer van 15 maart 2011

in de zaak van

[X.],

hierna: [X.],

wonende te [woonplaats],

eiser na verwijzing,

advocaat: mr. E.A.M. van Gaal-Gerritsen,

tegen:

de besloten vennootschap [Y.] RAADGEVEND TECHNISCH BUREAU B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna: [Y.] RTB

verweerster na verwijzing,

advocaat: mr. E.G.M. van Ewijk,

als vervolg op het tussenarrest van 13 april 2010 in het geding na verwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 30 januari 2009.

5. Het tussenarrest van 13 april 2010

Bij dit arrest is [Y.] RTB toegelaten te bewijzen dat zij met [X.] in het jaar 2000 een overeenkomst van geldlening ter grootte van € 18.089,30 heeft gesloten en is iedere verdere beslissing aangehouden.

6. Het verdere verloop van de procedure

[Y.] RTB heeft ter uitvoering van voormelde bewijsopdracht op 25 mei 2010 twee getuigen doen horen, te weten de heer [A.], statutair directeur van [Y.] RTB en de echtgenote van [A.], mevrouw [B.], administratief medewerkster/financieel directeur bij [Y.] RTB.

[X.] heeft in contra-enquête op 7 september 2010 drie getuigen doen horen, te weten zichzelf, zijn echtgenote mevrouw [J.] en de heer [D.].

[Y.] RTB heeft een memorie na enquête genomen en [X.] een antwoordmemorie na enquête.

Vervolgens hebben partijen hun procesdossiers in kopie overgelegd en uitspraak gevraagd.

7. De verdere beoordeling in appel na verwijzing

7.1. Het hof verwijst naar en blijft bij hetgeen in het tussenarrest is overwogen.

7.2. Beoordeeld dient te worden of [Y.] RTB in het haar opgedragen bewijs is geslaagd.

[A.] is statutair directeur van [Y.] RTB en is daarom aan te merken als partijgetuige in de zin van artikel 164 Rv. De door de statutair directeur [A.] als getuige afgelegde verklaring kan met inachtneming van artikel 164 lid 2 Rv. daarom alleen bewijs in het voordeel van [Y.] RTB opleveren, indien aanvullend bewijs voorhanden is dat zodanig sterk is en zulke essentiële punten betreft dat het de verklaring van [A.] voldoende geloofwaardig maakt. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is op grond van het volgende.

Mevrouw [B.] heeft als getuige omtrent de vermeende lening verklaard dat zij weet dat er geld geleend is aan [X.] omdat zij de facturen (ten name van [Y.] RTB, afkomstig van [Z.] en feitelijk betreffende de verbouwing van het huis van [X.], hof) gezien heeft. Zij heeft verder verklaard van haar echtgenoot, de heer [A.], en van [X.] te hebben gehoord dat er een afspraak is gemaakt om het geld te lenen. Deze verklaring levert niet een zodanig sterk en essentiële punten betreffend bewijs op, dat het de verklaring van [A.] voldoende geloofwaardig maakt. Het aantreffen van de facturen van [Z.] zegt immers niets over het bestaan van de beweerdelijke geldlening, terwijl het feit dat mevrouw [B.] van haar echtgenoot en [X.] heeft gehoord, dat er tussen haar echtgenoot en [X.] is afgesproken dat het geld voor de verbouwing door [X.] geleend zou worden, evenmin sterk bewijs oplevert, omdat de verklaring op dit punt erg algemeen en niet specifiek is. Mevrouw [B.] heeft immers bijvoorbeeld niet aangegeven wanneer, waar, in welke bewoordingen en onder welke omstandigheden zij een en ander gehoord heeft.

Tot slot wordt ten aanzien van de verklaring van mevrouw [B.] opgemerkt, dat haar antwoord op de vraag waarom de beweerdelijke lening niet in de eindafrekening met [X.] was opgenomen niet kan overtuigen.

De schriftelijke verklaring van [C.] van [G.] Accountants en Belastingadviseurs (zie 3.7.7. van het tussenarrest) kan ook niet als (sterk) bewijs worden beschouwd, nu daarin alleen wordt geconstateerd dat in de geconsolideerde balans per 31 december 2000 een bedrag van (omgerekend) € 18.805,= is opgenomen als “lening personeel” betreffende een vordering op [X.]. Dit zegt niets omtrent de juistheid daarvan gezien het feit dat voor bedoelde jaarrekening een zgn. samenstellingsverklaring is afgegeven. Daarbij is van belang dat ingevolge die verklaring de jaarstukken 2000 kennelijk in november 2001 zijn samengesteld, toen de problemen tussen partijen reeds waren ontstaan.

[Y.] RTB heeft geen (ander) aanvullend bewijs aangevoerd in haar memorie na enquête en zich geheel geconcentreerd op de stelling van [X.] met betrekking tot de extra tantièmeregeling. Deze stelling lag echter, anders dan eerder door de kantonrechter te Tiel en het hof Arnhem in deze zaak was beslist, (nu juist) niet te bewijzen voor.

De verklaring van partijgetuige [A.] kan op grond van het vorenstaande dus geen bewijs in het voordeel van [Y.] RTB opleveren.

Verder is het hof van oordeel dat de door [X.] en zijn echtgenote mevrouw [J.] afgelegde tegengetuigenverklaringen, dat en waarom er geen sprake was een geldlening, een zodanig gewicht in de schaal leggen, dat de conclusie moet luiden dat [Y.] RTB niet in het haar opgedragen bewijs omtrent het bestaan van de gestelde geldlening is geslaagd. Dat betekent dat haar vordering afgewezen dient te worden.

7.3. Gezien r.o. 3.7.7. van het tussenarrest dient het tussenvonnis in conventie van de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Tiel van 15 december 2004 vernietigd te worden. Het eindvonnis in conventie van deze rechtbank van 25 januari 2006 dient – onder verbetering van de gronden – bekrachtigd te worden.

Op de vordering van [X.] bij exploot van 29 juni 2009 tot terugbetaling van een bedrag van € 26.498,52, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2007 hoeft niet meer beslist te worden, nu [X.] zijn vordering ter zake bij memorie na verwijzing (punt 20 en 21) heeft ingetrokken op een bedrag van € 130,51 aan wettelijke rente na omdat [Y.] RTB die vordering op genoemd bedrag na intussen had voldaan, en nu [Y.] RTB bij haar memorie na verwijzing onbetwist heeft gesteld dat zij ook het bedrag van € 130,51 inmiddels heeft voldaan. [Y.] RTB dient als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van de procedure in hoger beroep, gevoerd bij het hof Arnhem, te dragen. Tevens dient [Y.] RTB de kosten van de bij dit hof gevoerde procedure na verwijzing door de Hoge Raad te dragen.

8. De uitspraak

Het hof:

na verwijzing door de Hoge Raad:

vernietigt het tussen partijen gewezen tussenvonnis van de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Tiel van 15 december 2004;

bekrachtigt het tussen partijen gewezen eindvonnis van de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Tiel van 25 januari 2006 onder verbetering van de gronden waarop dit vonnis rust;

veroordeelt [Y.] RTB in de kosten van de voor het hof Arnhem in hoger beroep gevoerde procedure, alsmede in de kosten van de voor dit hof na verwijzing door de Hoge Raad gevoerde procedure, welke kosten aan de zijde van [X.] worden begroot op € 248,= aan verschotten en op € 894,= aan salaris advocaat ter zake van de voor het hof Arnhem gevoerde procedure en op € 85,98 aan verschotten en € 2.682,= aan salaris advocaat ter zake van de voor dit hof gevoerde procedure;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, Smeenk-van der Weijden en Venner-Lijten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 maart 2011.