Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP8588

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
22-03-2011
Zaaknummer
20-004520-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 8.1 Wet milieubeheer. Begrip "één inrichting" a.b.i. art. 1.1 lid 4 Wet milieubeheer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2011/110 met annotatie van H.J.A. van Ham
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-004520-09

Uitspraak : 22 maart 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Breda van 2 december 2009 in de strafzaak met parketnummer 02-996045-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1955],

wonende te [woonplaats], [adres],

waarbij

- de officier van justitie niet ontvankelijk werd verklaard in de vervolging van verdachte voor zover het ten laste gelegde feit voor zover dit een overtreding betreft;

- de verdachte ter zake van “Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan” werd veroordeeld tot een geldboete van EUR 4.500,= subsidiair 55 dagen hechtenis.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat de rechtbank in strijd met het wettelijk systeem voortijdig tot een oordeel over de impliciet subsidiair ten laste gelegde overtreding is gekomen.

Immers, de rechtbank had eerst over de bewezenverklaring van het impliciet primair ten laste gelegde dienen te beslissen en vervolgens zich slechts tot de veroordeling van het impliciet primair ten laste gelegde dienen te beperken, hetgeen zij heeft nagelaten.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 oktober 2005 tot en met 16 februari 2006 te Yerseke, gemeente Reimerswaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, een in of op het perceel gelegen inrichting (aan of nabij de [adres]) voor het loonbedrijf met stalling van landbouwmachines, opslag van aardappelen en opslag van dieselolie, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 5 en/of 9 en/of 13 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, althans een inrichting als bedoeld in bijlage I van voornoemd Besluit heeft veranderd, althans de werking daarvan heeft veranderd, immers heeft hij, verdachte, toen en daar de inrichting uitgebreid met de opslag van een hoeveelheid 2,3-dimethylbutaan, zijnde een gevaarlijke afvalstof, althans toen en daar die inrichting ten aanzien van bovengenoemde verandering in werking heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

i.

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het impliciet primair ten laste gelegde feit, te weten – zakelijk weergegeven – het medeplegen van het opzettelijk veranderen van een inrichting door het uitbreiden van deze inrichting met de opslag van een hoeveelheid 2,3-dimethylbutaan.

Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

ii.

Op grond van artikel 1.1, vierde lid, Wet milieubeheer moeten als één inrichting worden beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Het hof ziet zich aldus gesteld voor de vraag of sprake is van technische, organisatorische en/of functionele bindingen tussen – kort gezegd – de opslag van 2,3-dimethylbutaan en verdachtes loonbedrijf.

iii.

Naar het oordeel van het hof was er geen sprake van een organisatorische binding, aangezien uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat de reële zeggenschap over de bedrijfsvoering van alle activiteiten die werden verricht bij dezelfde persoon of personen berustte. Immers, de reële zeggenschap over de bedrijfsvoering van het loonbedrijf berustte bij verdachte, terwijl uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat de reële zeggenschap over de bedrijfsvoering met betrekking tot de opslag van 2,3-dimethylbutaan bij verdachte berustte.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is evenmin aannemelijk geworden dat sprake was van technische binding tussen de opslag van 2,3-dimethylbutaan en verdachtes loonbedrijf, aangezien het voorhanden bewijs ervoor tekort schiet dat sprake was van gemeenschappelijk gebruik van voorzieningen.

Ten slotte is niet aannemelijk geworden dat sprake was van functionele binding, in aanmerking genomen dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet van feiten en omstandigheden is gebleken op grond waarvan kan worden aangenomen dat sprake was van uitwisseling van goederen, diensten, personeel of bedrijfsmiddelen tussen het loonbedrijf en de opslag van 2,3-dimethylbutaan.

iv.

Gelet op het vorenstaande vormden de opslag van 2,3-dimethylbutaan en verdachtes loonbedrijf niet één inrichting in de zin van artikel 1.1, vierde lid, Wet milieubeheer. Bijgevolg is de inrichting voor het loonbedrijf met stalling van landbouwmachines, opslag van aardappelen en opslag van dieselolie niet uitgebreid en aldus veranderd, doch is een tweede inrichting opgericht.

v.

Op grond van het vorenoverwogene schiet het bewijs ervoor tekort dat verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met anderen, een inrichting heeft veranderd, de werking van een inrichting heeft veranderd of een inrichting ten aanzien van een verandering in werking heeft gehad. Bijgevolg zal de verdachte worden vrijgesproken van het impliciet primair ten laste gelegde.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Aangezien verdachte zal worden vrijgesproken van het impliciet primair ten laste gelegde misdrijf, dient thans de impliciet subsidiair ten laste gelegde overtreding te worden beoordeeld.

Het impliciet subsidiair ten laste gelegde zou zijn gepleegd in de periode van 7 oktober 2005 tot en met 16 februari 2006.

Artikel 70, aanhef en onder 1., van het Wetboek van Strafrecht luidde in de ten laste gelegde periode als volgt:

“Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:

1°. in twee jaren voor alle overtredingen;

(…)”

Vanaf 1 januari 2008 luidt artikel 70, aanhef en onder 1., van het Wetboek van Strafrecht als volgt:

“Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:

1°. in drie jaren voor alle overtredingen;

(…)”

Ingeval van verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring geldt naar hedendaagse rechtsopvatting in strafzaken als uitgangspunt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd.

Bijgevolg verviel het recht tot strafvordering ten aanzien van de periode van 7 oktober 2005 tot en met 31 december 2005 na twee jaar en ten aanzien van de periode vanaf 1 januari 2006 na drie jaren, tenzij de verjaring ingevolge artikel 72 Wetboek van Strafrecht door een daad van vervolging mocht zijn gestuit.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is evenwel niet aannemelijk geworden dat gedurende de termijn van twee jaren respectievelijk drie jaren een daad van vervolging is verricht. De verjaringstermijn is derhalve vervuld, zodat het recht tot strafvordering ten aanzien van de impliciet subsidiair ten laste gelegde overtreding is komen te vervallen. De officier van justitie zal bijgevolg te dien aanzien in zijn strafvervolging alsnog niet ontvankelijk worden verklaard.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat verdachte het impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart de officier van justitie alsnog niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging met betrekking tot het impliciet subsidiair ten laste gelegde.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. F.P.E. Wiemans en mr. T.A. de Roos,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 22 maart 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. F.P.E. Wiemans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.