Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP8585

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
22-03-2011
Zaaknummer
20-004546-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 10.37 Wet milieubeheer. 2,3-dimethylbutaan is een gevaarlijke afvalstof. Kleurloos opzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-004546-09

Uitspraak : 22 maart 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Breda van 2 december 2009 in de strafzaak met parketnummer 02-993116-06 tegen:

[bedrijf],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats], [adres],

waarbij:

- de officier van justitie niet ontvankelijk werd verklaard in de vervolging van verdachte voor het ten laste gelegde feit voor zover dit een overtreding betreft;

- verdachte ter zake van “Overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 10.37 van de wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd” werd veroordeeld tot een geldboete van EUR 5.600,=, waarvan EUR 2.000,= voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

De verdediging heeft bepleit dat:

- verdachte zal worden vrijgesproken van het impliciet primair ten laste gelegde misdrijf;

- het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging ten aanzien van de impliciet subsidiair ten laste gelegde overtreding.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat de rechtbank in strijd met het wettelijk systeem voortijdig tot een oordeel over de impliciet subsidiair ten laste gelegde overtreding is gekomen.

Immers, de rechtbank had telkens eerst over de bewezenverklaring van het impliciet primair ten laste gelegde dienen te beslissen en vervolgens zich slechts tot de veroordeling van het impliciet primair ten laste gelegde dienen te beperken, hetgeen zij heeft nagelaten.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 5 september 2005 tot en met 16 februari 2006 te Barneveld, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, (telkens) zich door afgifte aan een ander van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, te weten 2,3-dimethylbutaan, heeft ontdaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op tijdstippen in de periode 5 september 2005 tot en met 16 februari 2006 te Barneveld opzettelijk telkens zich door afgifte aan een ander van gevaarlijke afvalstoffen, te weten 2,3-dimethylbutaan, heeft ontdaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen worden in het geval van beroep in cassatie vermeld in de aanvulling als bedoeld in artikel 365a van het Wetboek van Strafvordering, welke aanvulling in dat geval aan het arrest wordt gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

B.

Het hof stelt voorop dat het [betrokkene 1] en [betrokkene 2] houdt aan hun bij het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen, zijnde bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep geen feiten of omstandigheden gesteld dan wel (overigens) aannemelijk geworden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat daaraan minder geloof zou moeten worden gehecht dan aan de door hen nadien betrokken stellingen.

C.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat verdachte van het haar impliciet primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte zich opzettelijk heeft ontdaan van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat

2,3-dimethylbutaan geen afvalstof maar een product is.

Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

D.1

Op grond van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zoals die bepaling luidde ten tijde van het bewezenverklaarde, moeten onder "afvalstoffen" worden verstaan:

"alle stoffen, preparaten of andere producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen [hierna: de richtlijn], waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen".

D.2

Artikel 1 van voormelde richtlijn nr. 75/442/EEG luidde ten tijde van het ten laste gelegde als volgt:

"In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a. "afvalstof": elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is te ontdoen of zich moet ontdoen;

b. "producent": elke persoon wiens activiteit afvalstoffen heeft voortgebracht ("eerste producent") en/of elke persoon die voorbehandelingen, vermengingen of andere bewerkingen heeft verricht die leiden tot wijziging in de aard of de samenstelling van die afvalstoffen;

c. "houder": de producent van de afvalstoffen of de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in bezit heeft."

Het hof merkt op dat de richtlijn per 17 mei 2006 is ingetrokken en vervangen door Richtlijn 2006/12/EG. Per 12 december 2010 is Richtlijn 2006/12/EG ingetrokken en vervangen door Richtlijn 2008/98/EG.

D.3

Het hof overweegt dat in de bijlage I alsmede in de toelichting daarop de definitie van afvalstof wordt toegelicht met lijsten van stoffen en voorwerpen die als afval kunnen worden beschouwd. Deze lijsten zijn evenwel slechts indicatief en de kwalificatie ‘afvalstof’ hangt vooral af van het gedrag van de houder, namelijk of deze zich al dan niet van de betrokken stoffen wil ontdoen.

Het hof overweegt voorts dat bij de invulling van het begrip “afvalstof” de wijze van het “zich ontdoen” van de stof doorslaggevend is. Bij het uitleggen van deze term – en daarmee van het begrip “afvalstof” – moet – met inachtneming van alle omstandigheden – rekening worden gehouden met de doelstelling van de richtlijn en moet ervoor worden gewaakt dat aan de doeltreffendheid van de richtlijn geen afbreuk wordt gedaan.

D.4

Ten aanzien van de doelstelling bepaalt de considerans van de richtlijn dat iedere regeling op het gebied van de verwijdering van afvalstoffen als voornaamste doelstelling moet hebben, de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen de schadelijke invloeden veroorzaakt door het ophalen, het transport, de behandeling, de opslag en het storten van afvalstoffen. Het begrip “afvalstof” kan bijgevolg naar het oordeel van het hof niet restrictief worden uitgelegd.

D.5

Het hof stelt vast dat de richtlijn niet een beslissend criterium bevat aan de hand waarvan de wil van de houder om zich van een bepaalde stof of een bepaald voorwerp te ontdoen, kan worden vastgesteld.

D.6

Het hof is van oordeel dat bepaalde omstandigheden een aanwijzing kunnen zijn voor een handeling, een voornemen of een verplichting om zich van een stof of een voorwerp te ontdoen in de zin van artikel 1, sub a, van de richtlijn. In het bijzonder is dit het geval wanneer de stof een productieresidu is, dat wil zeggen een product dat niet als zodanig was beoogd.

D.7

Voorts is het hof van oordeel dat het mogelijk is dat bij productieprocessen, die niet in de eerste plaats op de productie van bepaalde goederen, materialen of (grond)stoffen zijn gericht, zulke goederen, materialen of (grond)stoffen toch vrijkomen en geen residu vormen, maar een bijproduct waarvan de onderneming zich niet wil ontdoen, doch die zij in een later stadium, in voor haar gunstige omstandigheden, wil exploiteren of op de markt brengen zonder voorafgaande bewerking.

Een dergelijke redenering ten aanzien van bijproducten dient – gelet op de verplichting om het begrip afvalstoffen ruim uit te leggen teneinde de nadelen en de schadelijke gevolgen die deze stoffen naar hun aard met zich brengen, te beperken – evenwel te worden beperkt tot situaties waarin hergebruik van een goed, materiaal of (grond)stof niet slechts mogelijk, maar zeker is, zonder voorafgaande bewerking en als voortzetting van het productieproces.

Aldus is naast de hoedanigheid van productieresidu van een stof de mate waarin het waarschijnlijk is dat deze stof zonder voorafgaande bewerking wordt hergebruikt een criterium dat relevant is om te beoordelen of het om een afvalstof in de zin van richtlijn gaat.

E.1

Met inachtneming van het hiervoor onder D. overwogene, zal het hof nagaan of 2,3-dimethylbutaan al dan niet moet worden aangemerkt als ‘afvalstof’ in de zin van de richtlijn en de Wet milieubeheer.

E.2

[betrokkene 3], werkzaam bij verdachte, heeft op 25 april 2006 bij de VROM Inlichtingen- en opsporingsdienst een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“U vraagt mij naar de afvalstof Dimethylbutaan, DMB. Deze afvalstof komt binnen [bedrijf] vrij bij de productie van Musk. DMB wordt gevormd tijdens een proces. Het ontstaan van DMB is een onbedoelde stap in het proces. Er wordt dus niet bewust DMB gemaakt bij [bedrijf].”

E.3

Ter terechtzitting in hoger beroep van 8 maart 2011 heeft voormelde [betrokkene 3] als getuige een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Het is juist dat DMB binnen verdachte vrijkomt bij de productie van Musk. DMB wordt door verdachte niet bewust geproduceerd.”

E.4

[betrokkene 4], werkzaam bij verdachte, heeft op 25 april 2006 bij de VROM Inlichtingen- en opsporingsdienst een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“DMB is een stof die gevormd wordt in een bepaald proces. Dat proces is niet gericht op de vorming van DMB. Wij kunnen er niets mee, doen er niets mee en moeten ons er derhalve van ontdoen.”

E.5

Op grond van de hiervoor weergegeven verklaringen moet 2,3-dimethylbutaan naar het oordeel van hof worden aangemerkt als productieresidu, in aanmerking genomen dat het geen stof was waarvan de productie door verdachte was beoogd. Dat de stof als een productieresidu moet worden gekwalificeerd is naar het oordeel van het hof een belangrijke indicatie dat het hier om een afvalstof gaat.

E.6

Naar het oordeel van het hof was het hergebruik van 2,3-dimethylbutaan zonder voorafgaande bewerking en als voortzetting van het productieproces niet zeker. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen vloeit voort dat verdachte geen enkel zicht had op wat er met het 2,3-dimethylbutaan – die voor haar geen waarde had en waar zij vanaf wilde – gebeurde. Immers, verdachte ging zelf niet tot hergebruik over, maar zette het materiaal af. Vanuit het gezichtspunt van verdachte kon dan ook geen zekerheid hebben bestaan omtrent het hergebruik van het 2,3-dimethylbutaan.

E.7

Op grond van het vorenstaande is het 2,3-dimethylbutaan te duiden als een afvalstof in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer waarvan verdachte zich als houder heeft ontdaan door afgifte daarvan aan medeverdachte [medeverdachte] die handelde onder de naam [naam].

F.1

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat dimethylbutaan is opgenomen in de Europese afvalstoffenlijst onder de Euralcode 07 07 04 *. Op grond van artikel 3 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst is het 2,3-dimethylbutaan derhalve een gevaarlijke afvalstof in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

F.2

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer en kwalificeert het 2,3-dimethylbutaan als gevaarlijke afvalstof.

G.

Voorts is namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat verdachte van het haar impliciet primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte zich opzettelijk heeft ontdaan van gevaarlijke afvalstoffen aan iemand die niet bevoegd was gevaarlijke afvalstoffen in te zamelen dan wel nuttig toe te passen of te verwijderen.

Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2], medewerkers van verdachte, niet het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, hadden om zich namens [bedrijf] te ontdoen van gevaarlijke afvalstoffen en dat aan iemand die niet bevoegd was gevaarlijke afvalstoffen in te zamelen dan wel nuttig toe te passen of te verwijderen.

H.

In het economisch strafrecht dient de term opzet te worden uitgelegd als ‘kleurloos’ opzet. Dit betekent dat verdachtes opzet slechts gericht behoeft te zijn op de gedraging en niet op de wederrechtelijkheid daarvan. In het onderhavige geval houdt dat in dat verdachtes opzet gericht diende te zijn op het zich ontdoen van 2,3-dimethylbutaan door afgifte daarvan aan een ander. Verdachtes opzet hoefde niet (tevens) gericht te zijn op het feit dat het ging om gevaarlijke afvalstoffen dan wel op het feit dat de afgifte plaatsvond aan iemand die niet bevoegd was gevaarlijke afvalstoffen in te zamelen dan wel nuttig toe te passen of te verwijderen.

I.

Het hof overweegt voorts dat verdachte eenvoudig had kunnen voorkomen dat zij handelde in strijd met artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Zij had immers kunnen nagaan of 2,3-dimethylbutaan een gevaarlijke afvalstof was en [medeverdachte] kunnen vragen of deze bevoegd was gevaarlijke afvalstoffen in te zamelen dan wel nuttig toe te passen of te verwijderen. Van verdachte, een professionele speler in de productie van geurstoffen, kon dat zeker verwacht worden. Van een onderneming welke deelneemt aan het economisch verkeer wordt immers verwacht dat deze zich voorafgaande aan haar handelen vergewist van de van toepassing zijnde rechtsregels.

Zij dient zich ook te realiseren dat de (Europese) milieuregelgeving op dit gebied over het algemeen streng is, teneinde de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen de schadelijke invloeden.

K.1

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat in de ten laste gelegde periode acht maal een hoeveelheid 2,3-dimethylbutaan van verdachte door [betrokkene 2] opzettelijk is afgegeven aan [medeverdachte] die handelde onder de naam [naam].

K.2

Naar het oordeel van het hof kunnen de gedragingen en het opzet van [betrokkene 2] worden toegerekend aan verdachte. Bij dat oordeel heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat [betrokkene 2] in de ten laste gelegde periode als coördinator productie in dienst was bij verdachte en dat hij heeft gehandeld overeenkomstig zijn taak en functie en in lijn met wat verdachte wilde.

L.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is telkens als misdrijf voorzien bij artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer, juncto artikel 1a, aanhef en onder 1°, en artikel 2, eerste lid, van de

Wet op de economische delicten en strafbaar gesteld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder 1° van de Wet op de economische delicten, juncto artikel 51, tweede lid, aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte – kort weergegeven – zich schuldig heeft gemaakt aan het zich meermalen door afgifte aan een ander ontdoen van gevaarlijke afvalstoffen.

De eerste rechter heeft de verdachte ter zake van dat feit een geldboete van EUR 5.600,00, waarvan EUR 2.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, opgelegd.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de aard en hoedanigheid van de verdachte rechtspersoon, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op: de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het haar betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.

9 februari 2011, waaruit blijkt dat zij eerder ter zake milieudelicten transacties heeft betaald;

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Aan de hand daarvan acht het hof oplegging van een geldboete ter hoogte van EUR 7.500,00 in dit geval een passende reactie.

De inhoud van het procesdossier geeft het hof evenwel aanleiding te onderzoeken of in de onderhavige zaak het recht van verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden.

De termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 25 april 2006, de dag waarop een van de bestuurders van verdachte werd gehoord.

Het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 2 december 2009. Alzo is er sprake van een tijdsverloop van meer dan twee jaar na aanvang van de hiervoor genoemde termijn tot aan de afronding van de behandeling in eerste aanleg, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die deze overschrijding rechtvaardigen.

Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

Een en ander brengt met zich mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden, hetgeen in casu moet leiden tot strafvermindering.

In de hiervoor geconstateerde schending van het recht van de verdachte op een openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn ziet het hof aanleiding een geldboete ter hoogte van EUR 6.750,00 op te leggen.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een straf als gevorderd door de advocaat-generaal of opgelegd door de eerste rechter omdat daarin de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 10.37 van de Wet milieubeheer, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.37, eerste lid, van de

Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 6.750,00 (zesduizend zevenhonderdvijftig euro).

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. F.P.E. Wiemans en mr. T.A. de Roos,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 22 maart 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. F.P.E. Wiemans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.