Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP8190

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
HV 200.077.219 & HV 200.077.228
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1:261 BW,

bevoegdheidsgebrek; ontvankelijkheid stichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 15 maart 2011

Zaaknummers: HV 200.077.219/01 en HV 200.077.228/01

Zaaknummers eerste aanleg: 152159 / OT RK 10-1105 en 152245 / OT RK 10-1117

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. Super,

tegen

Bureau Jeugdzorg Limburg, regio Maastricht-Heuvelland,

Locatie Maastricht

gevestigd te Maastricht

geïntimeerde,

hierna te noemen: de stichting.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 24 augustus 2010.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschriften met producties, ingekomen ter griffie op 17 november 2010 heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en alsnog de stichting niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, althans de verzoeken af te wijzen.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 januari 2011. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. M. Super;

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw J. Wolff.

2.3. De heer [Y.] (hierna: de vader) en de pleegouders van [A.] en [B.] zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 24 augustus 2010;

- de brieven van de stichting d.d. 2 december 2010;

- de brief van de stichting van 22 februari 2011.

3. De beoordeling

In de zaak met rekestnummer HV 200.077.219/01:

3.1. Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is geboren: [kind 1.] (hierna: [A.]), op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats].

[A.] is erkend door de vader. Blijkens het verzoek van de stichting in de eerste aanleg berust het gezag over [A.] alleen bij de moeder.

In de zaak met rekestnummer HV 200.077.228/01:

3.2. Uit de moeder is geboren: [kind 2.] (hierna: [B.]) op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats].

De moeder oefent alleen het gezag uit over [B.].

In de zaken met rekestnummers HV 200.077.219/01 en HV 200.077.228/01

3.3. [A.] en [B.] staan sinds medio 2007 onder toezicht van de stichting. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 1 september 2010.

[A.] en [B.] zijn op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 31 augustus 2007 uit huis geplaatst in een pleeggezin.

3.2.1. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking, heeft de rechtbank, de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing in een verblijf pleegouder van [A.] en [B.] verlengd tot 1 september 2011.

3.3. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4. De moeder voert in de beroepschriften, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat – aan dat de rechtbank heeft verzuimd de verzoekschriften van de stichting te toetsen op ontvankelijkheid, aangezien niet is gebleken of de verzoekschriften namens de stichting zijn ondertekend door een daartoe bevoegde persoon.

Met betrekking tot de uithuisplaatsing van [A.] en [B.] stelt de moeder zich op het standpunt dat haar de kans moet worden geboden om te laten zien dat zij met de hulp die de pleeggezinnen thans ontvangen in staat moet worden geacht [A.] en [B.] op te voeden.

Voorts stelt de moeder dat zij in staat is aan haar kinderen een veilige omgeving te bieden waarin zij kunnen opgroeien en zij dat met hulp van anderen ook in staat is de continuïteit van de opvoeding en verzorging van [A.] en [B.] te garanderen.

3.5. De stichting heeft bij brieven van 2 december 2010 gereageerd op de grieven van de moeder in het hoger beroep van [A.] en [B.].

3.5.1. Met betrekking tot [A.] voert de stichting – kort samengevat – aan dat haar gedrag door het MKD wordt gezien als moeilijk en aandachtvragend, hetgeen hulpverlening rechtvaardigt. De moeder acht hulpverlening ten aanzien van de ontwikkeling van [A.] niet nodig en zij blijft zich naar het MKD toe presenteren als een ouder die haar eigen belangen belangrijker vindt dan die van [A.].

Volgens de stichting ligt het verblijfsperspectief van [A.] in het bestaande pleeggezin en de aanvullende zorg sluit daar ook bij aan. Dit is regelmatig gecommuniceerd met de moeder, maar haar weerstand en frustratie lijken dusdanig groot dat dit verzandt in een strijd tegen de stichting, wat weer zijn weerslag krijgt op de samenwerking met de stichting en de pleegouders en op de ontwikkeling van [A.].

De stichting merkt tot slot nog op dat de mogelijkheid blijft bestaan om in het belang van [A.] een passende omgangsregeling met de moeder te ontwikkelen en te handhaven.

3.5.2. Met betrekking tot [B.] voert de stichting - kort samengevat - aan dat de weerstand van de moeder naar de stichting dusdanig groot is dat de stichting weinig of geen zicht heeft op de leerbaarheid en de pedagogische vaardigheden van de moeder.

Volgens de stichting erkent de moeder de zorgen vanuit het MKD onvoldoende en zij krijgt daardoor onvoldoende zicht op haar rol ten aanzien van het slagen van de ontwikkeling van [B.]. Tot slot merkt de stichting nog op dat de strijd van de moeder zijn weerslag heeft op de plaatsing van [B.], terwijl het hebben van duidelijkheid en voorspelbaarheid juist in het belang is van de ontwikkeling van [B.].

3.6. Het hof overweegt het volgende.

3.6.1. Ter zitting heeft de moeder haar grieven tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling ingetrokken, zodat deze geen nadere bespreking meer behoeven.

3.6.2. Met betrekking tot het beroep van de moeder op de niet-ontvankelijkheid van de stichting merkt het hof het navolgende op. Het hof heeft de stichting gevraagd om toezending van het register waarin delegatie en bevoegdheden van de medewerkers van de stichting nader zijn geregeld. De stichting heeft daarop middels brief van 22 februari 2011 gereageerd. Uit voornoemde brief blijkt dat de stichting thans niet in staat is om een dergelijk register in het geding te brengen. De reden daarvoor is dat de stichting tot zeer recent ieder half jaar aan de rechtbanken een lijst verstrekte van medewerkers die bevoegd waren de stichting in rechte te vertegenwoordigen bij verzoeken in het kader van de wettelijke taken. Thans wordt er binnen de stichting gewerkt aan een zogeheten bevoegdhedenregister waarvan een register van delegatie en bevoegdheden onderdeel zal zijn.

Uit het vorenstaande kan worden afgeleid dat het hof niet kan nagaan of aan het in primo ingediende verzoekschrift een bevoegdheidsgebrek kleeft. Zo daarvan al sprake mocht zijn acht het hof dat gebrek geheeld. Immers uit de aanwezigheid ter zitting van mevrouw Wolff als procesvertegenwoordigster namens de stichting mag worden afgeleid dat de stichting de verzoeken die thans in beroep voorliggen voor haar rekening neemt.

3.6.3. Op grond van artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een machtiging verlenen om een minderjarige uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.6.4. Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:261 BW.

3.7. Het hof overweegt voorts nog het volgende:

3.7.1. Zoals de rechtbank in haar beschikking heeft overwogen, is het niet in het belang van de kinderen dat zij door de moeder worden verzorgd en opgevoed, omdat de moeder onder andere relaties aangaat met verkeerde partners en de daarmee gepaard gaande escalaties leiden tot het gevoel van onveiligheid voor de kinderen.

Ter terechtzitting heeft de moeder geen duidelijkheid verschaft over haar huidige partner, die momenteel in detentie zit. Met name laat moeder in het midden of zij deze relatie wenst voort te zetten en welke toekomstplannen zij met hem heeft. Het hof acht dit van belang omdat uit het proces-verbaal in eerste aanleg immers blijk, dat tussen de moeder en haar partner in het verleden sprake is geweest van agressie en geweldsvoorvallen.

Omgang tussen de moeder en haar huidige partner leidt tot een onveilige situatie voor de kinderen indien zij in het gezin van de moeder verblijven en de moeder nog steeds contacten onderhoudt met haar huidige partner.

Het hof is dan ook van oordeel dat, zolang de moeder niet in staat is een veilige opvoedingssituatie voor de kinderen te creëren, er vooralsnog geen perspectief is dat de kinderen bij de moeder thuis kunnen worden geplaatst.

3.8. Het hof is daarnaast van oordeel dat de moeder meer dan thans het geval is door de stichting dient te worden begeleid in haar contacten met haar grootmoeder en haar moeder als zij de kinderen bezoekt. Dit geldt temeer nu er een duidelijke plek is voor de moeder in het leven van haar kinderen, omdat zij de kinderen dagelijks bezoekt. Het belang van de kinderen is daar het meest mee gediend.

Uitgaande van de situatie waarin de kinderen zich thans bevinden dient de stichting ook meer te investeren in het in stand houden van de onderlinge contacten tussen de moeder ten opzichte van haar moeder en haar grootmoeder in hun hoedanigheid van pleegmoeders van respectievelijk [A.] en [B.], waarbij vooral rekening moet worden gehouden met de onderlinge familierelaties.

3.9. Zoals uit het verzoekschrift van de stichting strekkende tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [A.] en [B.] blijkt, heeft de stichting aan deze verzoeken onder andere ten grondslag gelegd dat bij de moeder sprake is van beperkte pedagogische vaardigheden, waardoor een thuisplaatsing niet mogelijk is.

Uit de inhoud van de processtukken is het hof evenwel gebleken dat geen uitgebreid onderzoek is verricht en dus ook geen rapportage is opgemaakt die deze conclusie rechtvaardigt. Het hof acht de noodzaak tot een dergelijk onderzoek aanwezig.

Het hof gaat ervan uit dat binnen afzienbare tijd door de stichting een onderzoek wordt verricht naar de pedagogische vaardigheden van de moeder in relatie tot [A.] en [B.].

3.10. Eerst wanneer een onderzoek is verricht en een rapportage is opgemaakt kan worden bezien of thuisplaatsing van [A.] en [B.] bij de moeder mogelijk is.

Aangezien dit op dit moment niet duidelijk is dient de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te worden bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 24 augustus 2010,voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Lamers, Brants en Bogaarts-Tholen en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2011.