Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP7391

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-02-2011
Datum publicatie
11-03-2011
Zaaknummer
HV 200.078.362
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1:261 Bw,

onderzoek Ambulatorium; noodzaak nader onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 15 februari 2011

Zaaknummer: HV 200.078.362/01

Zaaknummer eerste aanleg: 222719 JE RK 10-1378

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.D. van Bruggen,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te Eindhoven en mede kantoorhoudende te Breda,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de stichting.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 9 september 2010.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 december 2010, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, opnieuw recht te doen en het verzoek van de stichting alsnog af te wijzen, althans op een in goede justitie te bepalen wijze te formuleren dat er een uitgebreid onderzoek dient te worden gedaan door “De Bocht” welk onderzoek gericht dient te zijn op de pedagogische vaardigheden van de moeder, zulks in het licht van de kindeigen problematiek van [Z.].

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 december 2010, heeft de stichting verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de beschikking van 9 september 2010 van de kinderrechter te Breda in stand te laten.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 januari 2011. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. M.D. van Bruggen;

- de vader;

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw C. Willemsen en de heer C. Labee;

- mevrouw [Y.], hierna te noemen: de pleegmoeder.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 2 september 2010;

- het plan van aanpak ondertoezichtstelling van 30 juli 2010, ingekomen ter griffie op 23 december 2010;

- de brief met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 5 januari 2011;

- de brief van stichting Kompaan en de Bocht d.d. 13 januari 2011.

3. De beoordeling

3.1. Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is geboren:

- [zoon] (hierna: [Z.]), op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats].

De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [Z.].

3.2. [Z.] staat sinds 6 april 2004 onder toezicht. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 20 maart 2011.

[Z.] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds oktober 2006 uit huis geplaatst in een pleeggezin.

3.2.1. Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de aan de stichting verleende machtiging verlengd om [Z.] met ingang van 10 september 2010 tot uiterlijk 20 maart 2011 uit huis te plaatsen in een verblijf pleegouder 24-uurs.

3.3. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4. De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

De moeder stelt zich op het standpunt dat er nog steeds alle aanleiding is om te werken aan een thuisplaatsing van [Z.] en dat een breed onderzoek daartoe moet worden verricht door “De Bocht.” Volgens de moeder is het onderzoek door het Ambulatorium niet dermate breed geweest dat een afdoend oordeel kan worden gegeven over haar opvoedingscapaciteiten.

De moeder merkt voorts op dat het enkele belang om [Z.] niet gedurende een periode van zes weken uit de bestaande situatie te halen niet opweegt tegen het algemene belang dat een kind in beginsel bij zijn moeder behoort te zijn.

3.5. De stichting voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - aan dat een onafhankelijk onderzoek is uitgevoerd door het Ambulatorium naar de pedagogische vaardigheden van de moeder en naar de mogelijkheid of [Z.] al dan niet op termijn thuis kan worden geplaatst. Uit dit onderzoek is gebleken dat terugplaatsing van [Z.] bij de moeder niet wenselijk is, gezien de complexiteit van de problematiek van [Z.] in combinatie met de zwakke pedagogische vaardigheden van de moeder.

De stichting ziet een meerwaarde van het door de moeder voorgestelde onderzoek door “De Bocht”niet.

3.6. Op grond van artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een machtiging verlenen om een minderjarige uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.6.1. Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:261 BW en overweegt daartoe het volgende.

3.6.2. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat door het Ambulatorium een neutraal onderzoek is verricht, waarbij niet alleen de pedagogische vaardigheden van de moeder tegen het licht zijn gehouden, maar daarnaast het Ambulatorium ook de mogelijkheid heeft onderzocht of [Z.] op termijn thuisgeplaatst zou kunnen worden bij zijn moeder.

Het hof stelt vast dat alle door het hof in zijn beschikking van 25 februari 2010 geformuleerde vraagpunten door het Ambulatorium uitgebreid zijn beantwoord.

Op basis van de inhoud van dit rapport is het hof niet gebleken dat het onderzoek door de stichting zou zijn beïnvloed, zoals de advocaat van de moeder het doet voorkomen.

3.6.3. De moeder heeft naar het oordeel van het hof niet inzichtelijk gemaakt in welk opzicht het onderzoek van het Ambulatorium te kort schiet met betrekking tot haar pedagogische vaardigheden en een nader onderzoek door De Bocht noodzakelijk zou zijn.

Zoals uit het rapport van het Ambulatorium blijkt heeft een uitgebreid gesprek met de moeder plaatsgevonden en een interactieobservatie tussen de moeder en [Z.].

Het Ambulatorium heeft onder meer op basis daarvan en de persoonlijke problematiek rond [Z.] geconcludeerd dat terugplaatsing van [Z.] bij de moeder niet wenselijk is gezien zijn complexe problematiek in combinatie met de zwakke pedagogische vaardigheden van de moeder. Met de stichting is het hof dan ook van oordeel dat door het Ambulatorium een deugdelijk onderzoek heeft plaatsgevonden.

3.6.4. Met betrekking tot het door de moeder verzochte onderzoek door De Bocht overweegt het hof voorts nog het volgende.

Niet gebleken is of, en zoja, op welke termijn een onderzoek naar de pedagogische vaardigheden van de moeder in De Bocht zou kunnen plaatsvinden. Ter zitting is door de stichting onweersproken gesteld dat, indien een onderzoek kan plaatsvinden door De Bocht, dit zou betekenen dat [Z.] niet zes weken, maar drie maanden in De Bocht zou moeten verblijven.

Met de stichting is het hof van oordeel dat het belang van [Z.] niet is gediend hem voor een dergelijke lange periode aan zijn vertrouwde omgeving te onttrekken.

Dit klemt temeer, nu de pleegmoeder ter zitting onweersproken heeft gesteld dat de plaatsing van [Z.], gelet op zijn forse persoonlijke problematiek, op een moeizame wijze tot stand is gekomen. [Z.] maakt een positieve ontwikkeling door hetgeen wordt bevestigd in de brief van stichting Kompaan en De Bocht d.d. 13 januari 2011. Het risico van terugval is groot indien [Z.] voor een periode van drie maanden in de Bocht zou worden geplaatst.

Het hof is dan ook anderszins van oordeel dat het belang van de moeder tot een hernieuwd onderzoek niet opweegt tegen de zwaarwegende belangen van [Z.].

3.7. Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Breda van 9 september 2010;

Deze beschikking is gegeven door mrs. Brants, Lamers, en Bogaerts-Tholen en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2011.