Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP6724

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-03-2011
Datum publicatie
07-03-2011
Zaaknummer
20-002606-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ2361, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 287 Sr: Hof legt 154 weken gevangenisstraf op, waarvan 52 weken voorwaardelijk, voor doodslag op 3 weken oude baby (shaken baby). Baby overlijdt ruim een jaar later aan medische complicaties. Overweging m.b.t. opzet en causaal verband. Na sluiting van het onderzoek stuurt een medewerker van het ressortsparket belastende informatie over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aan het hof, maar niet aan de verdediging, naar aanleiding waarvan het hof het onderzoek heeft heropend en strafvermindering heeft toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002606-09

Uitspraak : 7 maart 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 10 juli 2009 in de strafzaak met parketnummer 03-702626-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte is door de rechtbank veroordeeld ter zake van poging tot doodslag tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Na het instellen van hoger beroep door de officier van justitie, is het slachtoffer overleden.

Op de terechtzitting in hoger beroep van 24 januari 2011 is op vordering van de advocaat-generaal de tenlastelegging gewijzigd aldus, dat primair niet een poging tot doodslag, maar het voltooide delict doodslag ten laste wordt gelegd.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren (doodslag) en de verdachte ter zake zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De vordering van de advocaat-generaal behelst voorts de hierna te vermelden standpunten met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen.

De verdediging heeft niet bestreden dat het primair ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard en terzake uitsluitend een strafmaatverweer gevoerd. Namens verdachte is bepleit om bij een eventuele veroordeling voor de voltooide doodslag de door de eerste rechter opgelegde straf in stand te laten. Mocht het hof tot een hogere strafoplegging komen, is subsidiair verzocht om deze hogere strafmaat tot uitdrukking te laten komen in een hogere voorwaardelijke straf.

Het onderzoek is op de terechtzitting van 24 januari 2011 gesloten. De uitspraak is bepaald op 7 februari 2011.

Op 1 februari 2011 heeft een medewerker van het ressortsparket te ’s-Hertogenbosch per email informatie over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, verschaft door twee medewerkers van de recherche te Maastricht, aan de voorzitter van de strafkamer verzonden. Deze informatie – die er op neer komt dat de verdachte op de terechtzitting van 24 januari 2011 zou hebben gelogen over het vaderschap van een kind van zijn nieuwe vriendin – is kennelijk niet aan de verdediging gezonden.

Het hof heeft hierin aanleiding gevonden om – bij brief van 2 februari 2011 van de voorzitter van de strafkamer – de betreffende email toe te zenden aan de raadsvrouwe van de verdachte en aan de advocaat-generaal. In deze brief is meegedeeld dat het hof voornemens was het onderzoek te heropenen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over deze gang van zaken en over de inhoud van de in de email vervatte informatie over de verdachte.

Vervolgens heeft de raadsvrouwe bij brief van 3 februari 2011 aan het hof laten weten dat en waarom de door de twee recherchemedewerkers getrokken conclusie onjuist was. Tevens heeft zij het hof verzocht de zaak niet te heropenen, aangezien een heropening voor alle betrokkenen belastend is.

De advocaat-generaal heeft het hof bij brief van 3 februari 2011 bericht dat de genoemde email buiten haar om op eigen initiatief van de parketmedewerker aan het hof is gezonden, dat dit niet had mogen gebeuren en dat zij hiervoor haar excuses aanbiedt aan het hof. De advocaat-generaal deelt verder mee dat zij het volledig eens is met het standpunt van de raadsvrouwe dat de conclusie van de recherchemedewerkers onjuist is. De advocaat-generaal verzoekt evenals de raadsvrouwe om niet tot heropening van de zaak over te gaan.

Het hof heeft niettemin bij tussenarrest van 7 februari 2011 het onderzoek heropend en tevens het onderzoek geschorst voor onbepaalde tijd. Het hof heeft de advocaat-generaal verzocht om een schriftelijke toelichting op het bovengenoemde incident van 1 februari 2011.

De nadere terechtzitting is bepaald op donderdag 3 maart 2011. Op deze dag is het onderzoek, met toestemming van alle partijen, hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de sluiting ervan op 24 januari 2011, zulks op basis van het proces-verbaal van de laatstgenoemde terechtzitting.

Op de terechtzitting van 3 maart 2011 is aan de orde geweest een brief van de advocaat-generaal d.d. 25 februari 2011 waarin de door het hof gestelde vragen zijn beantwoord.

Het hof stelt op grond van de verkregen inlichtingen van de advocaat-generaal het volgende vast:

(i) De rechercheurs hebben, na de terechtzitting van het hof op 24 januari 2011, in opdracht van de officier van justitie onderzoek gedaan in het bevolkingsregister naar de namen van het kind waarvan de verdachte ter terechtzitting had verklaard dat hij de vader was.

(ii) Na dit onderzoek hebben de rechercheurs telefonisch contact gezocht met de advocaat-generaal, maar zij hebben deze niet kunnen bereiken. Zij hebben toen telefonisch gesproken met een medewerker van het ressortsparket. Zij hebben deze medewerker gevraagd om de informatie die zij hadden verzameld te verstrekken aan de voorzitter van de strafkamer.

(iii) Op verzoek van de parketmedewerker hebben de rechercheurs hun informatie gemaild aan de parketmedewerker. Deze heeft de email van de rechercheurs doorgezonden aan de voorzitter van de strafkamer en aan de (wegens ziekteverlof afwezige) advocaat-generaal.

(iv) De parketmedewerker heeft de email niet toegezonden aan de verdediging omdat daarvoor geen toestemming was van de advocaat-generaal.

(v) De advocaat-generaal was niet vooraf op de hoogte van het feit dat haar medewerker de email van de rechercheurs doorzond aan de voorzitter van de strafkamer.

(vi) De raadsvrouwe van de verdachte heeft een logische op de wet gebaseerde verklaring gegeven voor het feit dat het kind niet de achternaam van de verdachte of van de moeder heeft gekregen. De advocaat-generaal stemt in met deze verklaring. Daarmee staat vast dat de rechercheurs uit de resultaten van hun onderzoek de onjuiste conclusie hebben getrokken dat de verdachte ter terechtzitting van het hof heeft gelogen over het vaderschap.

(vii) Het hof kan thans, gelet op het voorgaande en gehoord de partijen, vaststellen dat de inhoud van de email van de rechercheurs voor de verdachte geen nadelige invloed heeft.

(viii) Het hof stelt verder vast dat de onder iii. bedoelde toezending aan de voorzitter van de strafkamer, zonder gelijktijdige toezending aan de verdediging, niet is geschied in opdracht van de advocaat-generaal, maar moet worden toegeschreven aan een onvoldoende doordachte gedraging van een parketmedewerker, die heeft gehandeld op verzoek van de rechercheurs en bij afwezigheid van de advocaat-generaal. Het is niet aannemelijk geworden dat hierbij is gehandeld met de intentie om doelbewust tekort te doen aan de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

(ix) Dat neemt niet weg dat door de handelwijze zijdens het ressortsparket de belangen van de verdachte op een grove wijze zijn veronachtzaamd. Het gevolg hiervan is in ieder geval dat het onderzoek door het hof is heropend en de zaak opnieuw is behandeld op de terechtzitting van 3 maart 2011. De einduitspraak in deze beladen strafzaak wordt niet gedaan op 7 februari 2011, zoals oorspronkelijk de bedoeling was, maar pas op 7 maart 2011. Overigens is dit niet alleen bezwaarlijk voor de verdachte, maar ook voor de overige betrokkenen in deze strafzaak, waarbij het hof in bijzonder denkt aan de moeder van het slachtoffer in deze strafzaak en overige familie.

(x) De raadsvrouwe van de verdachte heeft op de terechtzitting van 3 maart 2011 gepleit voor strafvermindering op de voet van art. 359a Sv. Het hof zal inderdaad enige strafvermindering toepassen, zoals nader wordt overwogen onder de “Op te leggen straf”.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 januari 2009, in elk geval in of omstreeks het tijdvak van 5 januari 2009 tot en met 24 januari 2009, in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht, opzettelijk [naam slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2009, van het leven heeft beroofd, door met dat opzet genoemde [naam slachtoffer] een of meermalen heftig te schudden en/of een of meermalen stomp mechanisch geweld toe te passen op die [naam slachtoffer], tengevolge waarvan die [naam slachtoffer] is overleden;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 januari 2009, in elk geval in of omstreeks het tijdvak van 5 januari 2009 tot en met 24 januari 2009, in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht, een of meermalen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2009, van het leven te beroven, met dat opzet, genoemde [naam slachtoffer] een of meermalen hevig heeft geschud en/of een of meermalen stomp mechanisch geweld heeft toegepast op die [naam slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 januari 2009, in elk geval in of omstreeks het tijdvak van 5 januari 2009 tot en met 24 januari 2009, in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht, een of meermalen (telkens), aan een persoon genaamd [naam slachtoffer], zijnde zijn, verdachtes, kind, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (onder meer) uitgebreide hersenbeschadigingen en/of een fractuur, heeft toegebracht, door deze opzettelijk een of meermalen hevig te schudden, en/of door op deze [naam slachtoffer] een of meermalen stomp mechanisch geweld toe te passen, terwijl dat feit de dood van die [naam slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 24 januari 2009, in de gemeente Maastricht, opzettelijk [naam slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2009, van het leven heeft beroofd, door met dat opzet genoemde [naam slachtoffer] meermalen heftig te schudden, tengevolge waarvan die [naam slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Aangaande het bewezenverklaarde opzet overweegt het hof het volgende:

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in de ochtend van 24 januari 2009 de controle over zichzelf heeft verloren door (ondermeer) het huilen van [naam slachtoffer]. Verdachte heeft naar zijn zeggen [naam slachtoffer] dientengevolge onder zijn okseltjes vastgepakt met het gezicht van [naam slachtoffer] naar zich toe en [naam slachtoffer] heen en weer geschud (van zich af en naar zich toe). Verdachte kan niet met zekerheid zeggen hoe lang hij [naam slachtoffer] geschud heeft maar schat dat het 5 seconden heeft geduurd, waarbij het hoofdje van [naam slachtoffer] naar schatting zo’n 20 tot 30 maal heen en weer is gegaan. Verdachte zag dat het hoofdje van [naam slachtoffer] daarbij steeds van voor naar achteren bewoog, waarbij het kinnetje van [naam slachtoffer] op zijn borst kwam. Het hof leidt hieruit af dat verdachte zijn zoontje [naam slachtoffer] met kracht en behoorlijke snelheid door elkaar heeft geschud.

Het hof acht het een feit van algemene bekendheid dat een baby kwetsbaar is en dat de kwetsbaarheid groter is naarmate de baby jonger is. Het is algemeen bekend dat bij een baby van drie weken oud botten, spieren en weefsels nog zo weinig ontwikkeld en draagkrachtig zijn, dat bij het oppakken en in de omgang met een baby uiterste voorzichtigheid is geboden. Een babylichaam, en in het bijzonder het relatief grote en zware hoofd, dient zoveel mogelijk te worden ondersteund. Indien in strijd met deze behoedzaamheid wordt gehandeld, kan dit gemakkelijk leiden tot ernstig letsel. Het fors schudden van het hoofd kan, als gevolg van schade aan de nek of in de hersenen, leiden tot de dood van een baby.

Het hof is van oordeel dat de kans dat een baby van drie weken oud komt te overlijden aan de gevolgen van het hevig door elkaar schudden zoals hier met [naam slachtoffer] is gebeurd, naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten en dat dit een feit is van algemene bekendheid.

Er zijn geen contra-indicaties dat dit bij verdachte niet bekend was, integendeel. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard: “Ik wist dat het niet goed is om met zo’n baby’tje te schudden. Ik heb altijd al geweten dat het niet goed is om met een kindje te rammelen. (…) Mij is gezegd hoe ik een kind uit zijn wiegje moet halen en dat ik daarbij het hoofdje moet ondersteunen. Dat wist ik. [moeder van het slachtoffer] heeft aan me verteld dat ik het hoofdje goed moest ondersteunen. Ze heeft me niet uitgelegd waarom. Ik denk zelf omdat dat hoofdje ontzettend zwak is, die spieren zijn nog niet ontwikkeld”. Voorts heeft verdachte bij de politie verklaard “Dat is nooit goed om te rammelen met een baby. Dat weet iedereen” (pagina 416 van het dossier).

Het hof leidt uit vorenstaande af dat verdachte wist dat het schudden van de drie weken oude [naam slachtoffer] op bovengemelde wijze een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel meebracht.

Naar het oordeel van het hof kan het met kracht en snel door elkaar schudden van [naam slachtoffer], op de wijze en de duur zoals verklaard door verdachte, in het bijzonder gelet op de aard van deze gedraging, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden beschouwd als zo zeer te zijn gericht op het toebrengen van dodelijk letsel aan [naam slachtoffer], dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg ook heeft aanvaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen contra-indicaties naar voren gekomen welke tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Mitsdien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, zoals in de bewezenverklaring is omschreven.

Aangaande het causaal verband overweegt het hof het volgende.

De bewezenverklaarde gedragingen hebben plaats gevonden op 24 januari 2009.

[naam slachtoffer] is overleden op 17 april 2010.

Op hem is sectie verricht.

Op grond van het sectieverslag en de bijbehorende medische rapporten heeft de forensisch geneeskundige R.A.C. Bilo, kort weergegeven, het volgende geconcludeerd:

[naam slachtoffer] heeft op de leeftijd van ongeveer drie weken een neurotrauma opgelopen. Dit trauma is toen geduid als toegebracht (niet-accidenteel) hersenletsel. Als gevolg van dit trauma zijn bij [naam slachtoffer] ernstige hersenafwijkingen ontstaan. Ter behandeling is een drain geplaatst in de hersenkamers die onderhuids verliep tot in de buikholte. Bij obductie bleek sprake van een ontsteking van de drain, zowel in de schedel (beeld van een pussende hersenvliesontsteking) als in de buikholte (beeld van een buikvliesontsteking en een miltontsteking). Volgens de patholoog is [naam slachtoffer] overleden als gevolg van de pussende hersenvliesontsteking en de buikvliesontsteking. [naam slachtoffer] is dus overleden aan de verwikkelingen van een medische behandeling die noodzakelijk was in verband met verwikkelingen van het neurotrauma dat [naam slachtoffer] op de leeftijd van ongeveer drie weken had opgelopen. Zoals de patholoog reeds concludeert in het sectieverslag, is sprake van causaal verband tussen het eerder ontstane hersenletsel en het overlijden van [naam slachtoffer].

Op grond van de medische rapporten is het hof van oordeel dat het overlijden van [naam slachtoffer] redelijkerwijze aan (de bewezenverklaarde gedragingen van) de verdachte kan worden toegerekend.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag van [naam slachtoffer], zijn volstrekt weerloze, aan zijn zorg toevertrouwde zoontje van destijds drie weken oud. Verdachte heeft zijn zoontje op 24 januari 2009 op een zodanige manier heen en weer geschud dat zijn zoontje als gevolg hiervan ernstig hersenletsel heeft opgelopen en uiteindelijk na langdurig lijden en vele ziekenhuisopnames is komen te overlijden op 17 april 2010.

Door verdachtes hardhandige en onbeheerste handelen heeft hij zijn zoontje het meest elementaire recht, het recht op leven ontnomen en voorafgaand aan diens dood veel leed bezorgd. Daarnaast heeft verdachte door zijn handelen immens verdriet en ontreddering veroorzaakt bij de moeder en de naaste familie van het slachtoffertje.

Het hof neemt verdachte bovendien ernstig kwalijk dat hij, terwijl hij wist dat zijn zoontje als gevolg van zijn handelen op 24 januari 2009 ernstige lichamelijke klachten vertoonde en opgenomen moest worden op de kinderintensive-care van het AZM ziekenhuis te Maastricht, niets heeft gezegd over de ware toedracht en achtergrond van deze klachten en zijn aandeel in het ontstaan daarvan. Dat heeft het stellen van de juiste diagnose en een passende behandeling vertraagd. Pas op 6 februari 2009, toen verdachte een aantal dagen door de politie was verhoord en zijn vriendin [naam], de moeder van [naam slachtoffer], ook al een aantal dagen in voorarrest zat, heeft hij opgebiecht wat hij op 24 januari 2009 had gedaan.

Het hof neemt voorts in aanmerking, en wil verdachte daarin ook volgen, dat verdachte heeft verklaard dat hij niet heeft gehandeld uit gevoelens van boosheid jegens [naam slachtoffer], maar uit een gevoel van onmacht. Uit de over hem opgemaakte psychologische en psychiatrische rapportages van P.M.F. Brookhuis en prof. dr. H.F. Kraan blijkt dat hierbij sprake is geweest van verdrongen (opgekropte) en verplaatste emoties van agressie, verlating en wellicht ook jaloezie, voortkomend uit de positieveranderingen in het gezin na de geboorte van zijn kinderen. Voorts achten zij aannemelijk dat stressoren in de periode vlak voor het delict (hoge werkdruk) en tijdens het delict (veel lawaai) en een controlevermindering door slaapgebrek, het weerstandsvermogen van de verdachte hebben ondermijnd.

Beide gedragsdeskundigen hebben geconcludeerd dat bij de verdachte geen sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

Verdachte heeft verklaard zich te schamen voor en zich schuldig te voelen over wat hij zijn zoontje heeft aangedaan en verdachte komt daarbij authentiek over. Het hof houdt bij het opleggen van de straf rekening met de omstandigheid dat ook verdachte is geconfronteerd met de dood van zijn zoontje, en hij dit verlies zijn verdere leven met zich zal meedragen.

Er zijn geen aanwijzingen dat de verdachte [naam slachtoffer] structureel zou hebben mishandeld. Het moet ervoor worden gehouden dat op 24 januari 2009 sprake is geweest van een eenmalig incident. Het strafblad van de verdachte laat geen andere strafbare feiten zien die duiden op structurele agressiviteit van de verdachte.

Wel is de verdachte op 15 januari 2010 veroordeeld wegens (telefonische) belaging van zijn voormalige partner, de moeder van [naam slachtoffer], gepleegd medio 2009 nadat de voorlopige hechtenis van de verdachte was geschorst. De genoemde psychiater en psycholoog hebben geconcludeerd dat dit stalkend gedrag is gepleegd vanuit een verwerkingsproces (rouwproces) en moet worden gezien als een in tijd beperkt gevolg van de aanpassingen na verdachtes terugkeer uit detentie en dat dit niet wijst op een psychiatrische stoornis. Het hof neemt deze conclusie over. Niet is gebleken dat de verdachte zich na het belagingsincident opnieuw heeft misdragen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

In de regel legt het hof in het geval dat doodslag bewezen wordt verklaard geen lagere straf op dan zes jaren gevangenisstraf.

Uit de bekende rechtspraak over shaken baby blijkt dat in zulke gevallen veelal een lagere straf wordt opgelegd.

In de geschetste bijzondere omstandigheden van dit geval en afgezien van het incident dat heeft geleid tot heropening van de zaak ziet het hof aanleiding om een gevangenisstraf op te leggen van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk.

Het hof volgt dus de eis van de advocaat-generaal, met dien verstande dat het hof kiest voor een langer voorwaardelijk strafdeel.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

In de uitgebrachte gedragsdeskundige rapporten en het voorlichtingsrapport van de reclassering heeft het hof geen grond gevonden om bijzondere voorwaarden te verbinden aan het voorwaardelijke strafdeel.

Het hof ziet in het incident dat heeft geleid tot de heropening van de zaak aanleiding om de straf enigszins te matigen. De reden hiervoor is niet dat de Raad voor de Kinderbescherming, na de terechtzitting van 24 januari 2011, een onderzoek heeft ingesteld met voor de verdachte en zijn nieuwe partner vervelende gevolgen. Dit onderzoek staat namelijk op zichzelf los van dit incident, maar is ingegeven door het feit dat de Raad voor de Kinderbescherming bekend werd met het recente vaderschap van verdachte tegen de achtergrond van deze strafzaak. De grond voor strafvermindering ligt in het feit dat de verdachte, door toedoen van het openbaar ministerie, ten onrechte voor leugenaar (over een gevoelige kwestie) is uitgemaakt alsmede in de omstandigheid dat de einduitspraak in deze strafzaak niet op 7 februari 2011, maar pas op 7 maart 2011 wordt gedaan, waardoor onder meer de verdachte langer dan nodig in grote onzekerheid heeft verkeerd.

Deze strafvermindering kan niet rechtstreeks worden gebaseerd op art. 359a Sv, aangezien het niet gaat om een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, maar wordt door het hof toegepast op grond van een schending van de beginselen van een goede procesorde.

De hierboven genoemde straf wordt ter compensatie verminderd met twee weken. Het hof zal daarom opleggen een gevangenisstraf van 154 weken, waarvan 52 weken voorwaardelijk. Dit komt overeen met een gevangenisstraf van 36 maanden minus twee weken, waarvan 12 maanden voorwaardelijk.

Schadevergoeding

De vordering van [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij, [benadeelde partij 1], vertegenwoordigd door mr. M.M.H. Zuketto, heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding bij wijze van voorschot tot een bedrag van EUR 6.626,84 (bestaande uit een bedrag van EUR 1.626,84 aan ziekenhuisdagvergoeding en kilometervergoeding, alsmede uit een bedrag van EUR 5.000,-- aan toekomstige materiële schade). Over het bedrag van EUR 1.626,84 werd gevorderd deze te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2009. Over het bedrag van EUR 5.000,-- werd verzocht deze te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2009. Voorts werd verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen terzake voornoemd bedrag.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 1.628,84.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep - binnen de grenzen van de oorspronkelijke vordering - opnieuw gevoegd, met dien verstande dat de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gematigd tot een bedrag van EUR 4.487,85 (bestaande uit een bedrag van

EUR 4.025,-- aan ziekenhuisdagvergoeding, alsmede uit een bedrag van EUR 161,-- aan parkeerkosten en een bedrag van 301,85 aan kilometervergoeding). De vordering van de benadeelde partij is ter terechtzitting nader beperkt tot een bedrag van EUR 3.287,85 nu is gebleken dat een bedrag van EUR 1.200,-- reeds is vergoed door de verdachte.

De vordering van de benadeelde partij in hoger beroep strekt derhalve tot betaling van het bedrag van EUR 3.287,85 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2009 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] behoort te worden toegewezen.

De vordering van de benadeelde partij is door of namens verdachte niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] als gevolg van verdachtes primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 3.287,85. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Verdachte is tevens gehouden de gevorderde wettelijke rente te vergoeden.

Ten aanzien van de toe te wijzen schadevergoeding zal het hof tevens de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vordering van [benadeelde partij 2/slachtoffer]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2/slachtoffer], in deze wettelijk vertegenwoordigd door [moeder van het slachtoffer], op haar beurt weer vertegenwoordigd door mr. M.M.H. Zuketto, heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding bij wijze van voorschot tot een bedrag van EUR 100.000,--, bestaande uit immateriële schade en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2009. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep - binnen de grenzen van de oorspronkelijke vordering - opnieuw gevoegd, met dien verstande dat de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is beperkt tot een bedrag van EUR 15.000,--. Dit betreft een schadevergoeding voor de immateriële schade, bij wijze van voorschot toe te wijzen.

De vordering van de benadeelde partij in hoger beroep strekt derhalve tot betaling van het bedrag van EUR 15.000,-- bij wijze van voorschot, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde behoort te worden toegewezen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet dermate eenvoudig is dat deze in het strafproces is vast te stellen. De benadeelde partij kan derhalve niet in de vordering worden ontvangen.

Na de indiening van deze vordering in eerste aanleg en na de beslissing door de rechtbank op deze vordering is [benadeelde partij 2/slachtoffer] overleden. Deze vordering behoort tot zijn nalatenschap. Zijn erfgenamen kunnen als rechtsopvolgers onder algemene titel de voeging overnemen. Het hof houdt het ervoor dat in hoger beroep de vordering is overgenomen door de erfgenamen van [benadeelde partij 2/slachtoffer].

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2/slachtoffer] door het bewezen verklaarde handelen nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan.

Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op tenminste een bedrag van EUR 15.000,--, welk bedrag het hof bij wijze van voorschot zal toekennen.

Verdachte is tevens gehouden de gevorderde wettelijke rente te vergoeden vanaf de datum van de behandeling van de vordering op de terechtzitting van de rechtbank van 26 juni 2009.

Het hof overweegt met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding dat het evident is dat [benadeelde partij 2/slachtoffer] zeer ernstig geestelijk letsel heeft geleden. [naam slachtoffer] heeft zeer vele medische ingrepen moeten ondergaan en heeft 161 dagen van zijn korte leven doorgebracht in het ziekenhuis. Dat [naam slachtoffer] zo jong was en dat hij ernstig hersenletsel had opgelopen, waardoor allicht sprake was van verminderd bewustzijn, doet hieraan niet, althans niet in belangrijke mate af. Ook doet aan het geestelijk letsel niet, althans niet in belangrijke mate af dat [naam slachtoffer] niet een leeftijd heeft bereikt waarop hij zich mogelijk van de aard en de ernst van het letsel bewust had kunnen worden. Naar de beschrijvingen door de moeder in haar dagboek heeft [naam slachtoffer] voelbaar geleden onder het hem toegebrachte letsel en de daarop volgende medisch noodzakelijke handelingen.

De advocaat van [naam slachtoffer] heeft de hoogte van de vordering onderbouwd door te vergelijken met de schadevergoeding die ingevolge art. 89 van het Wetboek van Strafvordering gewoonlijk per dag wordt toegekend aan een vrijgesproken verdachte, die voorarrest heeft ondergaan, en door het aantal dagen die [naam slachtoffer] in het ziekenhuis heeft gelegen voor de hoogte van de schadevergoeding te vergelijken met een dag in detentie doorgebracht.

Deze redenering komt het hof niet onbillijk voor. Echter hierdoor wordt de gevorderde schade mede gebaseerd op omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de terechtzitting van de rechtbank, terwijl de civiele vordering in een strafzaak in hoger beroep niet mag worden vermeerderd (art. 421 lid 2 Sv). Dit neemt naar het oordeel van het hof niet weg, nu het slechts gaat om een vergelijking en niet om een gelijkstelling, dat het gevorderde bedrag billijk kan worden genoemd zodat de vordering volledig kan worden toegewezen.

Ten aanzien van de toe te wijzen schadevergoeding zal het hof tevens de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 60a, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het primair bewezen verklaarde oplevert:

Doodslag.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 154 (honderdvierenvijftig) weken.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 52 (tweeënvijftig) weken niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond van het feit dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, een bedrag te betalen van EUR 3.287,85 (drieduizend tweehonderdzevenentachtig euro en vijfentachtig cent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2009 tot de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [benadeelde partij 1], gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde partij 1], wonende te [woonplaats], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 3.287,85 (drieduizend tweehonderdzevenentachtig euro en vijfentachtig cent, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 42 (tweeënveertig) dagen hechtenis), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2009 tot de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij, thans de erfgenamen van [benadeelde partij 2/slachtoffer], toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, een bedrag te betalen van EUR 15.000,00 (vijftienduizend euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2009 tot de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2/slachtoffer] aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 15.000,00 (vijftienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 110 (honderdtien) dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2009 tot de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. A.B.A.P.M. Ficq,

in tegenwoordigheid van mr. J.W. van der Linden, griffier,

en op 7 maart 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. C.M. Hilverda is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.