Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP5808

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
25-02-2011
Zaaknummer
HD 200.037.803
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

- overlijdensrisicoverzekering;

- aansprakelijkheidassurantietussenpersoon;

- norm zorgvuldig handelen;

- verlengen voorlopige dekking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2011/58

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.037.803

arrest van de tweede kamer van 22 februari 2011

in de zaak van

de naamloze vennootschap INDEPENDER N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

voorheen ROBIN HOOD N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. M.T. Spronck,

tegen:

[X.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. K.L.M. Corstiaans,

op het bij exploot van dagvaarding van 25 juni 2009 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank ‘s Hertogenbosch gewezen vonnis van 20 mei 2009 tussen appellante - Independer - als gedaagde en geïntimeerde - [Y.] - als eiseres.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 150792/HA ZA 06-2363)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en de daaraan voorafgegane tussenvonnissen van 15 augustus 2007 en 11 juni 2008.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft Independer, onder overlegging van twee producties, vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [Y.].

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [Y.] de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de precieze inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. De grieven richten zich niet tegen de door de rechtbank in de overweging 2.1 tot en met 2.12 van het vonnis van 11 juni 2008 vastgestelde feiten, zodat het hof die feiten ook in dit hoger beroep tot uitgangspunt neemt. Het hof zal de feiten – voor zover in hoger beroep relevant- hierna duidelijkheidshalve herhalen en aanvullen.

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a) In december 2002 heeft [Y.] samen met haar echtgenoot de heer [Y.] (hierna: [Y.]) een woning gekocht. Het echtpaar heeft hypotheekadviseur en assurantietussenpersoon Independer opdracht gegeven hen te adviseren over en te bemiddelen bij de totstandkoming van de hypothecaire financiering van deze woning.

b) Naar aanleiding van een aanvraag van Independer bij Zwitserleven, heeft laatstgenoemde op 21 januari 2003 een offerte uitgebracht voor een hypotheekproduct met over en weer gekoppelde overlijdensrisicoverzekeringen voor beide echtelieden.

c) Op 21 januari 2003 is [Y.] medisch gekeurd.

d) Op 27 januari 2003 heeft Independer als gevolmachtigde van Zwitserleven aan [Y.] een voorlopige dekking van het overlijdensrisico afgegeven. Het formulier waarbij de voorlopige dekking is verleend bevat onder meer de volgende bepalingen:

“(…)

Zwitserleven neemt op grond van het bovenstaande het overlijdensrisico uit hoofde van de verzekering in voorlopige dekking op de navolgende voorwaarden:

(…)

2. De voorlopige dekking gaat in op de in het aanvraagformulier aangegeven ingangsdatum van de verzekering en duurt voort tot de datum van definitieve aanneming of afwijzing, doch niet langer dan tot 30 dagen na de dagtekening van de bovenstaande verklaring van goede gezondheid.

3. De voorlopige dekking wordt verleend voor het overlijdensrisico uit de hoofdverzekering en eventuele aanvullende verzekeringen echter ten hoogste tot € 150.000,=.

(…)”

e) Teneinde het transport van het huis op 13 februari 2003 mogelijk te maken hebben [Y.] en [Y.] op 10 februari 2003 aan Zwitserleven een verklaring verstrekt inhoudende:

“Wij zijn accoord met het passeren van de hypotheekacte met alleen een levensverzekering op naam van [X.]. Wij zijn ons ervan bewust dat de levensverzekering van [Y.] pas in een later stadium afgesloten wordt.”

f) Bij brief van 25 februari 2003 stelde Independer [Y.] ervan op de hoogte dat de adviserend geneeskundige van Zwitserleven aanvullend onderzoek door een cardioloog noodzakelijk achtte. Naar aanleiding hiervan heeft [Y.] een afspraak met een cardioloog gemaakt, welke niet eerder plaats kon vinden dan op 17 maart 2003.

g) Independer heeft het echtpaar niet attent gemaakt op het aflopen van de voorlopige dekking van de overlijdensrisicoverzekering van [Y.] op 27 februari 2003 en heeft evenmin aan hen aangegeven dat een verlenging van die voorlopige dekking mogelijk was.

h) Op 14 maart 2003 is [Y.] plotseling overleden en Zwitserleven is niet tot uitkering over gegaan omdat de geldigheid van de voorlopige dekking ten tijde van het overlijden was verstreken.

4.2.1. Nadat op haar verzoek een voorlopig getuigenverhoor had plaatsgevonden, heeft [Y.] in eerste aanleg onder inbreng van de getuigenverklaringen gevorderd een verklaring van recht dat Independer aansprakelijk is voor het niet tot uitkering komen van de overlijdensrisicoverzekering van [Y.] en veroordeling van Independer tot betaling van € 150.000,= vermeerderd met rente en kosten met inbegrip van de kosten van het voorlopig getuigenverhoor. Daarnaast vorderde [Y.] een bedrag van € 2.842,= als vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke kosten.

Aan haar vorderingen heeft [Y.] –kort gezegd- ten grondslag gelegd tekortschieten althans onrechtmatig handelen van Independer als assurantietussenpersoon door haar en [Y.] niet te waarschuwen voor het verstrijken van de termijn van de voorlopige dekking en geen zorg te dragen voor een verlenging van die termijn, althans voor een nieuwe voorlopige dekking.

4.2.2. Bij tussenvonnis van 11 juni 2008 heeft de rechtbank geoordeeld dat in deze zaak allereerst ter beoordeling staat of Independer tegenover [Y.] heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon mag worden verwacht. Met betrekking tot die vraag heeft de rechtbank een deskundigenbericht bevolen. Op gezamenlijk voorstel van partijen is een deskundige benoemd (hierna: de deskundige) die aan de rechtbank heeft gerapporteerd.

4.2.3. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank op grond van het deskundigenbericht geoordeeld dat de handelwijze van Independer niet heeft voldaan aan wat van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon mocht worden verwacht.

Verder heeft de rechtbank overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat de overlijdensrisicoverzekering van de heer [Y.] tot uitkering zou zijn gekomen indien Zwitserleven voorafgaande aan het verstrijken van de termijn van de voorlopige dekking akkoord zou zijn gegaan met een verlenging van die termijn. De rechtbank heeft onder meer op grond van de getuigenverklaringen geconstateerd dat met voldoende zekerheid is komen vast te staan dat Zwitserleven desgevraagd bereid zou zijn geweest om de termijn van de voorlopige dekking met 30 dagen te verlengen. Het causaal verband tussen het niet aanvragen van een verlenging van de voorlopige dekking door Independer en het niet tot uitkering komen van de overlijdensrisicoverzekering van de heer [Y.] staat daarmee vast, zo oordeelde de rechtbank.

Het door Independer gedane beroep op eigen schuld aan de zijde van [Y.] heeft de rechtbank verworpen. De rechtbank overwoog dat, gezien de bevindingen van de deskundige en bij gebrek aan door Independer aangevoerde feiten of omstandigheden waaruit zou kunnen blijken dat van [Y.] en/of van de heer [Y.] meer inzicht of initiatief mocht worden verwacht dan van een gemiddelde kandidaat-verzekerde, het eigen aandeel van het echtpaar [Y.] in het ontstaan van de schade in verhouding tot de nalatigheid van Independer verwaarloosbaar klein was. De vorderingen van [Y.] zijn toegewezen.

4.3.1. Met grief I klaagt Independer dat de rechtbank in rechtsoverweging 2.5. van het bestreden vonnis ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de handelwijze van Independer niet voldeed aan wat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam assurantietussenpersoon mocht worden verwacht.

Independer voert daartoe aan dat het bij een andere verzekeraar aanvragen van een voorlopige dekking (wat door de deskundige als een reëel alternatief werd gezien) niet tot voorlopige dekking zou hebben geleid omdat [Y.] op dat moment niet meer had kunnen verklaren dat hij een goede gezondheid genoot, aangezien hij toen wist van het keuringsrapport en het noodzakelijk geachte onderzoek door de cardioloog. Verder is Independer van mening dat ook het door de deskundige aangegeven spoedadvies om diezelfde reden niet tot de mogelijkheid van het realiseren van een overlijdensdekking voor [Y.] had kunnen leiden.

4.3.2. Daargelaten het feit dat [Y.] dit betoog van Independer gemotiveerd betwist, miskent Independer hiermee dat de rechtbank haar oordeel niet (in een rechtens relevante mate) gegrond heeft op wat de deskundige opgemerkt heeft over de inhoud van de alternatieven die Independer had moeten aanbieden of onderzoeken indien een verlenging niet tot de mogelijkheden behoorde.

De rechtbank heeft, met inachtneming van het deskundigenbericht, geoordeeld dat het bewaken van medische acceptatietrajecten en het tijdig signaleren van vertraging een essentiële taak is van een assurantietussenpersoon en dat deze dan ook verplicht is ervoor zorg te dragen dat er tijdig een verlenging wordt gevraagd, óók als - zoals in dit geval - de kandidaat-verzekerde en zijn echtgenote op de hoogte zijn van de beperkte geldigheidsduur van de voorlopige dekking. Daarnaast dient hij - indien verlenging niet mogelijk blijkt - zijn cliënt op de consequenties daarvan en de eventuele alternatieven daarvoor te wijzen.

Het hof stelt vast dat Independer het tussenvonnis van de rechtbank van 11 juni 2008 niet in het hoger beroep heeft betrokken en tegen dat vonnis geen grieven heeft aangevoerd. Van de in overweging 4.2. van dat vonnis opgenomen vaststelling van het feit, dat Independer [Y.] en [Y.] niet attent heeft gemaakt op het aflopen van de voorlopige dekking van de overlijdensrisicoverzekering van [Y.] op 27 februari 2003 en evenmin aan hen aangegeven heeft dat een verlenging van die voorlopige dekking mogelijk was, gaat het hof dan ook uit. Nu Independer ook geen feiten of omstandigheden heeft gesteld, waaruit zou moeten worden geconcludeerd dat zij [Y.] en [Y.] wel (tijdig) op de consequenties van het aflopen van de voorlopige dekking heeft gewezen en/of wel naar alternatieven heeft gezocht, is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat Independer niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon mocht worden verwacht.

Dat het voor [Y.] duidelijk was dat de voorlopige dekking 30 dagen duurde en dat [Y.] zich na het overlijden van haar echtgenoot realiseerde dat hij nog niet verzekerd was - zoals Independer onder deze grief ook nog aanvoert – maakt dat oordeel niet anders. Grief I faalt.

4.3.3. In de toelichting op grief I heeft Independer nog nader bewijs aangeboden van haar stelling dat het vragen van een spoedadvies door Independer niet tot de realisatie van een volledige dekking van [Y.] zou hebben geleid. Het hof passeert dit bewijsaanbod, dat alleen betrekking heeft op een van de alternatieven die volgens de deskundige [Y.] ten dienste zouden hebben gestaan, als niet terzake dienende. Voor zover het bewijsaanbod geacht moet worden een ruimere strekking te hebben, acht het hof het onvoldoende gespecificeerd nu de vraag of [Y.] een verlenging van de voorlopige dekking zou hebben kunnen krijgen zowel bij de voorlopige getuigenverhoren als bij het deskundigenbericht al uitgebreid onderwerp van discussie is geweest en door Independer niet is gesteld welk nader bewijs zij zou willen bijbrengen dat bij voormelde gelegenheden nog niet aan de orde heeft kunnen zijn.

4.4. Grief II richt zich tegen het oordeel van de rechtbank onder rechtsoverweging 2.7 van het vonnis waarvan beroep dat tussen partijen niet in geschil is dat de overlijdensrisicoverzekering van [Y.] na zijn overlijden op 14 maart 2003 tot uitkering zou zijn gekomen indien Zwitserleven voorafgaand aan het verstrijken van de termijn van voorlopige dekking akkoord zou zijn gegaan met een verlenging van die termijn.

Onder deze grief betoogt Independer dat een eventuele verlenging van de voorlopige dekking niet tot een uitkering zou hebben geleid omdat de verlengde termijn van 30 dagen na 13 februari 2003 ook al weer verstreken zou zijn geweest op de datum waarop [Y.] overleed. Het hof kan dit betoog niet volgen. Los van het feit dat een verlenging van 30 dagen per 13 februari 2003 volgens het hof geleid zou hebben tot een einddatum 14 (of 15) maart 2003, verstreek de termijn van de oorspronkelijke voorlopige dekking pas op 27 februari 2003 (zie onder 4.1. sub d en g). Een vóór die datum aangevraagde en afgegeven verlenging van die termijn met 30 dagen zou dan ook pas na de datum van overlijden zijn geëindigd en daardoor tot uitkering hebben geleid.

Op grond van het voorgaande deelt het hof het oordeel van de rechtbank dat het causale verband tussen het nalaten van Independer en de schade is gegeven indien komt vast te staan dat Zwitserleven bereid zou zijn geweest om de termijn van de voorlopige dekking van het overlijdensrisico van [Y.] te verlengen als Independer daar tijdig om had verzocht. Grief II faalt daarom eveneens.

4.5.1 Met grief III komt Independer op tegen het oordeel van de rechtbank dat met voldoende zekerheid is komen vast te staan dat Zwitserleven desgevraagd bereid zou zijn geweest om de termijn van de voorlopige dekking te verlengen. Naar de mening van Independer heeft de rechtbank zich bij dat oordeel - kort gezegd - ten onrechte uitsluitend verlaten op de getuigenverklaringen van de heren [A.] en [B.] en is de rechtbank ten onrechte voorbij gegaan aan wat de deskundige daarover heeft bericht en ondersteund wordt door de getuigenverklaringen van mevrouw[C.] en mevrouw [D.].

4.5.2. Het hof stelt voorop dat de hoofdregel van het bewijsrecht, verwoord in art. 152 lid 2 Rv, bepaalt dat de rechter vrij is in de waardering van het bewijs. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat de verlenging van de voorlopige dekking op het leven van [Y.] zou zijn verleend. Niet alleen de getuigen de heer [A.], sinds 1976 medisch beoordelaar bij Zwitserleven, en de heer [B.], sinds 1978 medisch beoordelaar bij Zwitserleven, hebben als getuige en met kennis van het dossier in deze zaak verklaard dat een verzoek om verlenging zou zijn gehonoreerd. Ook de heer [E.] (hierna: [E.]), senior beoordelaar en coördinator dagelijkse gang van zaken op de medische afdeling en sinds 1979 werkzaam bij Zwitserleven, heeft als getuige verklaard dat hij op grond van wat hij in het dossier heeft gezien een verzoek om verlenging zou hebben gehonoreerd.

Independer voert weliswaar met een beroep op het deskundigenbericht aan dat Zwitserleven bij een beoordeling van het verlengingsverzoek niet alleen zou zijn afgegaan op de gezondheidsverklaring van [Y.], maar dat zij ook de tot op dat moment bekende gegevens uit het keuringsrapport - waaronder het verzoek tot het laten maken van een echo - zou hebben bekeken, maar de medisch beoordelaar [B.] verklaart op dat punt:

“De verklaring van de verzekerde omtrent zijn gezondheidssituatie in geval van een verlengingsverzoek, zoals ik hierboven heb uitgelegd, is van belang voor de beslissing om verlenging al of niet te verlenen, naast eventueel inmiddels verkregen verdere informatie. Daarin stond echter geen medische informatie die tot afwijzing van een verlengingsverzoek had moeten leiden. (onderstreping hof)”

Daarnaast verklaart de medisch beoordelaar [A.] op dat punt:

“In dit dossier moest er nog aanvullend onderzoek worden gedaan. Indien daarom zou zijn gevraagd zou verlenging voor 30 dagen toegestaan zijn. (…) Er blijken uit het dossier geen medische indicaties om een eventuele verlenging van de voorlopige dekking af te wijzen. (onderstreping hof)”

Independer voert weliswaar aan dat [B.] niet degene zou zijn geweest die het verlengingsverzoek zou hebben beoordeeld, maar uit de verklaring van [E.] blijkt dat bij geen bezwaar van de medisch beoordelaar verlenging pleegt te volgen.

4.5.3. Aan het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet afdoen de getuigenverklaring van de heer [F.] omdat hij als sinds 1993 niet meer bij Zwitserleven werkt en slechts in algemene zin over het beleid bij Zwitserleven heeft verklaard en niet op basis van kennis van de inhoud van het dossier.

Daarnaast acht het hof de door [E.] en [B.] als getuigen afgelegde verklaringen als hiervoor beschreven op dit punt overtuigender dan de verklaring van mevrouw [C.] dat na het overlijden van [Y.] door [B.] en/of [E.] aan haar meegedeeld zou zijn dat in deze kwestie niet verlengd kon worden omdat het onderzoek nog liep. Het hof constateert verder dat mevrouw [D.] op dit punt niets relevants heeft verklaard.

Nu Independer geen andere feiten of omstandigheden heeft gesteld, waaruit zou moeten blijken dat Zwitserleven een verlengingsaanvraag in dit concrete geval niet zou hebben gehonoreerd, faalt grief III.

4.6. Grief IV richt zich tegen rechtsoverweging 2.14 van het bestreden vonnis, waarin de rechtbank tot het oordeel komt dat de eigen schuld van de familie [Y.] in het ontstaan van de schade in verhouding tot de nalatigheid van Independer verwaarloosbaar klein is en dat de plicht van Independer tot vergoeding van de schade van [Y.] daarom geheel in stand blijft. Deze grief faalt. Naar het oordeel van het hof is de rechtbank met recht en op goede gronden tot het onder deze grief bestreden oordeel gekomen op basis van de constatering dat door Independer geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat zij van [Y.] en/of [Y.] meer inzicht en initiatief mocht verwachten dan van de gemiddelde kandidaat-verzekerde waaraan de deskundige refereert.

De omstandigheden die Independer in hoger beroep aanvoert, doen aan dat oordeel niet af.

Uit het enkele feit dat er uitgebreid overleg tussen Independer en de familie is gevoerd over het laten doorgaan van het transport terwijl de levensverzekering op het leven van [Y.] nog niet tot stand was gekomen, volgt dat niet zonder meer, laat staan dat daaruit volgt dat [Y.] en [Y.] het risico van overlijden van [Y.] zonder dekking daarmee bewust hebben laten ontstaan en genomen, zoals Independer stelt. Ook het feit dat [Y.] als afgestudeerd econoom en zelfstandig ondernemer al voordat hij zich tot Independer wendde een medische keuring had geregeld omdat hij ervaring had in een eerder traject met een arbeidsongeschiktheidsverzekering, rechtvaardigt niet de conclusie dat van [Y.] meer initiatief dan van een gemiddelde kandidaat-verzekerde mocht worden verwacht ter voorkoming van het verstrijken van de termijn van voorlopige dekking.

4.7. Grief V heeft, naar Independer zelf stelt, naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis. Deze grief faalt in het kielzog van de andere grieven.

4.8. De slotsom van het voorgaande is dat geen van de grieven doel kan treffen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Independer zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Independer in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [Y.] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 1.185,= aan verschotten en € 2.632,= aan salaris advocaat en welke kosten op de voet van het bepaalde in artikel 243 Rv dienen te worden voldaan aan de griffier van dit hof.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schaik-Veltman, Fikkers en Van Craaikamp en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 februari 2011.