Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP5800

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
25-02-2011
Zaaknummer
HD 200.067.209
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht.

Algehele gemeenschap van goederen; aanspraak op pensioenrechten.

Gelet op de datum van echtscheiding (in 1991) is op de onderhavige situatie het arrest Boon/Van Loon (HR 27 november 1981, NJ 1982, 503) van toepassing, hetgeen betekent dat de vrouw in beginsel recht heeft op de helft van de tot het einde van het huwelijk opgebouwde pensioenrechten.

Blijkens een notariële akte van 1992 hebben partijen verklaard dat de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is voltooid en dat zij niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar over en weer volledige kwijting en decharge verlenen. Naar het oordeel van het hof leidt uitleg op basis van het Haviltex-criterium ertoe, dat de man er niet van mocht uitgaan en de vrouw niet hoefde te begrijpen dat de kwijtingsbepaling ook zag op de pensioenrechten.

Het hof is voorts van oordeel dat er geen sprake is van een gedraging of een nalaten van de vrouw waardoor bij de man een zodanig vertrouwen werd gewekt, dat zij geen aanspraak meer kan maken op de pensioenrechten.

Het hof komt ten slotte tot het oordeel dat de aanspraak van de vrouw op het pensioen niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, ook niet indien zou komen vast te staan dat zij samenwoonde met een ander als waren zij gehuwd, terwijl zij van de man een uitkering tot levensonderhoud ontving.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 81
Burgerlijk Wetboek Boek 1 93
Burgerlijk Wetboek Boek 1 160
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 179
Burgerlijk Wetboek Boek 3 182
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2011/44
RFR 2011/74
PJ 2011/131
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.067.209

arrest van de zevende kamer van 22 februari 2011

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.J.M. Strijbosch,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C.A.M.J.M. Joosten,

op het bij exploot van dagvaarding van 20 mei 2010 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Roermond gewezen vonnis van 3 maart 2010 tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 95858/HA ZA 09-653)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het vonnis van 11 november 2009.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft de man 10 grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten in beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft de vrouw, onder overlegging van producties, de grieven bestreden.

2.3. De man heeft een akte genomen en daarbij een productie overgelegd.

2.4. De vrouw heeft een akte genomen.

2.5. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de memorie van grieven en naar de memorie van antwoord.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

Partijen zijn op 7 september 1963 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Het huwelijk is op 21 februari 1991 door echtscheiding geëindigd.

Tijdens het huwelijk heeft de man pensioen opgebouwd bij het Pensioenfonds PGGM. De man ontvangt sinds 15 april 2009 een pensioenuitkering.

Gelet op de echtscheidingsdatum is op de onderhavige situatie het arrest Boon - Van Loon (HR 27 november 1981, NJ 1982, 503) van toepassing, hetgeen betekent dat de vrouw in beginsel recht heeft op de helft van de tot het einde van het huwelijk opgebouwde pensioenrechten.

4.2. De vrouw heeft in eerste aanleg gevorderd voor recht te verklaren, dat de vrouw aanspraak kan maken op uitkering van de periodiek geïndexeerde waarde van het verdeelde pensioen dat per 15 april 2009 geldend werd en de man te veroordelen tot maandelijkse betaling van het bedrag waarop de vrouw aanspraak kan maken, althans veroordeling van de man om binnen vijf werkdagen na ontvangst van zijn pensioenuitkering van PGGM zorg te dragen voor doorbetaling aan de vrouw van het daarvan aan haar toekomende deel, met veroordeling van de man in de proceskosten.

4.3. De man heeft verweer gevoerd en achtereenvolgens gesteld dat partijen elkaar ter zake van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap (met uitzondering van de inboedelgoederen) bij notariële akte van 28 oktober 1992 finale kwijting hebben verleend, dat sprake is van rechtsverwerking en dat het door de vrouw opeisen van de pensioenrechten in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

4.4. De rechtbank heeft de stellingen van de man verworpen en de vorderingen van de vrouw toegewezen.

4.5. De man is van dit vonnis in hoger beroep gekomen en heeft het hele geschil ter beoordeling aan het hof voorgelegd. Achtereenvolgens zal het hof behandelen:

a) het verweer van de man, dat partijen elkaar ter zake van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap (met uitzondering van de inboedelgoederen) bij notariële akte van 28 oktober 1992 finale kwijting hebben verleend; grieven 1 tot en met 7;

b) het verweer van de man, dat sprake is van rechtsverwerking; grief 8, en

c) het verweer van de man, dat het door de vrouw opeisen van de pensioenrechten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat zij jarenlang ten onrechte van de man een uitkering tot levensonderhoud heeft ontvangen; grief 9.

Grief 10 behoeft geen aparte bespreking.

4.6. Ad a) het verweer van de man, dat partijen elkaar ter zake van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap (met uitzondering van de inboedelgoederen) bij notariële akte van 28 oktober 1992 finale kwijting hebben verleend; grieven 1 tot en met 7

4.6.1. Bij notariële akte van 28 oktober 1992 zijn partijen onder meer het volgende overeengekomen:

“De comparanten (hierna ook te noemen: partijen) verklaarden:

(…)

dat de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, reeds tussen partijen is verdeeld, met uitzonderling van het hierna omschreven registergoed met de hypothecaire schuld, welke werd aangegaan ten behoeve van de aankoop van voormeld registergoed, zoals hierna vermeld;

(…)

De comparanten verklaarden tenslotte:

dat met de onderhavige verdeling van het registergoed met de hypothecaire schuld de verdeling der ontbonden huwelijksgemeenschap, echter met uitzondering van de verdeling der inboedelgoederen, waaromtrent tussen partijen nog geen volledige overeenstemming is bereikt, is voltooid en dat partijen uit dien hoofde, niets meer van elkaar te vorderen hebben, en elkaar dienaangaande over en weer volledige kwijting en decharge verlenen;

(…)”

4.6.2. Volgens de man volgt uit deze notariële akte dat de vrouw geen aanspraak meer kan maken op pensioenrechten. Partijen hebben immers blijkens de akte verklaard niets meer van elkaar te vorderen te hebben. Zij hadden de wil met de akte de afwikkeling van hun huwelijksgoederengemeenschap definitief te regelen.

Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst de man naar een uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van de Nederlandse Antillen en Aruba van 2 juni 2009, waarin het hof in een volgens de man vergelijkbare casus overwoog dat met de kwijtingsverklaring afstand gedaan is van het recht verrekening van de pensioenrechten te vorderen. Verder voert hij aan dat hij zich er nooit bij neergelegd zou hebben, dat hij niet alle goederen heeft gekregen waar hij volgens de verdeling recht op had en dat de voormalige echtelijke woning op een te laag bedrag is getaxeerd, als die kwijtingsbepaling er niet was geweest. Ten slotte wijst hij op het feit dat de toenmalige raadslieden van partijen ook betrokken zijn geweest bij de definitieve redactie van de kwijtingsbepaling.

4.6.3. Het hof stelt het volgende voorop. Indien de betekenis van een in een overeenkomst opgenomen beding onderwerp van geschil is, behoeft het beding uitleg. Die uitleg kan niet op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van het betrokken beding worden gegeven; het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (het Haviltex-criterium).

Naar het oordeel van het hof leidt uitleg op basis van deze maatstaf ertoe, dat de man er niet van mocht uitgaan en de vrouw niet hoefde te begrijpen dat de kwijtingsbepaling ook zag op de pensioenrechten. Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking.

Blijkens de als productie 3 door de vrouw in eerste aanleg overgelegde brief van 6 mei 1992 waren partijen onder meer – kort gezegd – verrekening van pensioenaanspraken overeengekomen conform de aan de brief gehechte berekening van PGGM. Als niet weersproken staat tussen partijen vast dat er na de brief van 6 mei 1992 geen onderhandelingen meer zijn geweest en dat partijen bij de notaris niet hebben gesproken over de verdeling van de pensioenaanspraken. Nu de vrouw op geen enkele wijze de suggestie heeft gewekt dat zij van deze post afstand wenste te doen, mocht de man in redelijkheid niet die betekenis aan de kwijtingsbepaling toekennen, dat de kwijting ook de pensioenaanspraken betrof. In het licht van wat partijen over en weer hebben aangevoerd is aannemelijk, dat zij samen met hun toenmalige advocaten de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap onderling hebben geregeld, dat eerdergenoemde brief van 6 mei 1992 een weergave is van die onderlinge regeling en dat partijen de gang naar de notaris hebben gemaakt uitsluitend om de woning aan de vrouw te laten toedelen. In die zin is de notariële akte een uitwerking van de eerder overeengekomen regeling, waarin weliswaar aanvullingen op die regeling zijn opgenomen, maar er is geen enkele aanwijzing dat ermee ook afwijkingen van die regeling zijn beoogd.

Het oordeel van het hof wordt niet anders vanwege de betrokkenheid van de toenmalige advocaten bij de definitieve redactie van de kwijtingsbepaling. Niet valt in te zien hoe uit hun betrokkenheid af te leiden valt dat met de kwijtingsbepaling in de notariële akte afstand werd gedaan van de pensioenaanspraken.

Zo al zou komen vast te staan dat de man niet alle goederen heeft gekregen waar hij volgens de verdeling recht op had en dat de voormalige echtelijke woning op een te laag bedrag is getaxeerd, dan mag het zo zijn dat de man zelf de conclusie heeft getrokken daar vanwege de kwijtingsbepaling verder geen werk van te maken, maar dat betekent nog niet dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de vrouw afstand deed van haar aandeel in de pensioenaanspraken.

Het beroep ten slotte dat de man doet op de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van de Nederlandse Antillen en Aruba is tevergeefs, omdat partijen in het geval waarover het Gemeenschappelijk Hof te oordelen had niet waren overeengekomen de pensioenaanspraken te verdelen.

Grieven 1 tot en met 7 van de man falen.

4.7. Ad b) het verweer van de man, dat sprake is van rechtsverwerking; grief 8

4.7.1. De man stelt dat sprake is van rechtsverwerking. Volgens de man heeft de vrouw gehandeld in strijd met de wettelijke bepalingen die een partij ertoe dwingen om binnen een redelijke termijn zekerheid te geven aan de wederpartij omtrent vermeende rechten en plichten. Door het lange stilzitten en het eerst nu aan de orde stellen van de pensioenrechten heeft de vrouw de man in bewijsnood gebracht. Had hij geweten dat de vrouw na twintig jaar nog verrekening van zijn pensioenrechten zou vorderen, dan zou de man de zaak niet hebben laten rusten maar hebben gestaan op een afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap conform afspraak, zo stelt de man.

4.7.2. Het hof stelt het volgende voorop. Rechtsverwerking ziet op het geval dat de houding of gedragingen van de rechthebbende jegens de wederpartij het uitoefenen van diens recht onaanvaardbaar maken. Voor een succesvol beroep op rechtsverwerking is enkel tijdsverloop niet voldoende. Hiervoor is meer nodig, namelijk een gedraging van de rechthebbende, die onder omstandigheden ook in een nalaten kan bestaan. Deze gedraging of dat nalaten dient bij de wederpartij een zodanig vertrouwen te hebben opgewekt of zijn positie zodanig onredelijk te hebben verzwaard, dat de rechthebbende in redelijkheid geen beroep meer kan doen op zijn desbetreffende recht. De omstandigheden van het geval zijn dienaangaande beslissend.

Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van een gedraging of een nalaten van de vrouw waardoor bij de man een zodanig vertrouwen werd gewekt, dat zij geen aanspraak meer kan maken op de pensioenrechten. De vrouw heeft de man in ieder geval in 1992 en in 1998 laten weten het pensioen te willen verdelen. Gelet op meergenoemde brief van 6 mei 1992 en de als productie 2 in eerste aanleg door de vrouw overgelegde brief van 26 november 1991 van Pensioenfonds PGGM waren partijen overeengekomen dat aan de vrouw vanaf de pensioendatum zou toekomen een bedrag van fl. 4.911,07. Er was dan ook geen aanleiding voor de vrouw om de pensioenaanspraken vóór de pensioendatum, 15 april 2009, nogmaals aan de orde te stellen.

Zonder nadere toelichting van de man op de door hem genoemde omstandigheid, dat hij in bewijsnood is gebracht omdat zowel beide toenmalige raadslieden van partijen als de notaris die de akte heeft opgesteld niet meer praktiserend zijn, welke ontbreekt, kan evenmin tot het oordeel worden gekomen dat sprake was van een gedraging of een nalaten van de vrouw waardoor de positie van de man zodanig onredelijk werd verzwaard, dat zij in redelijkheid geen beroep meer kan doen op de overeengekomen verrekening van de pensioenrechten.

Grief 8 van de man faalt.

4.8. Ad c) het verweer van de man, dat het door de vrouw opeisen van de pensioenrechten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat zij jarenlang ten onrechte van de man een uitkering tot levensonderhoud heeft ontvangen; grief 9

4.8.1. De man stelt dat de vrouw, terwijl zij van de man een uitkering tot levensonderhoud ontving, met een ander (haar tegenwoordige echtgenoot) samenwoonde als waren zij gehuwd. Dat maakt het volgens de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de vrouw aanspraak maakt op een deel van zijn pensioen.

4.8.2. Het hof is van oordeel dat de aanspraak van de vrouw op het pensioen niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, ook niet indien zou komen vast te staan dat zij samenwoonde met een ander als waren zij gehuwd, terwijl zij van de man een uitkering tot levensonderhoud ontving.

In het arrest Boon - Van Loon is overwogen dat ter zake van pensioenrechten als de onderhavige niet alleen verknochtheid bestaat met de rechthebbende op het pensioen, maar in de regel tevens een niet te verwaarlozen band met de persoon van de andere echtgenoot. Wat betreft de ouderdomspensioenen bestaat deze band hierin dat het pensioenrecht, zo de rechthebbende gehuwd is, uit maatschappelijk oogpunt bestemd is te voorzien in de behoeften van beide echtgenoten en dat voorts de opbouw van een zodanig pensioen in verband met de gehele of gedeeltelijke financiering daarvan uit de gemeenschap en de bij velen bestaande taakverdeling binnen het huwelijk, in beginsel moet worden gezien als het resultaat van de gemeenschappelijke inspanning van beide echtgenoten, voortvloeiende uit de zorg die zij krachtens artikel 1:81 BW aan elkaar verschuldigd zijn.

In die zin is het pensioen waar de vrouw aanspraak op maakt ook haar pensioen: het is bedoeld om mede in haar behoefte te voorzien en ook zij heeft zich voor de opbouw ervan ingespannen. Deze band, die door het huwelijk is ontstaan, wordt later niet geslecht indien zou komen vast te staan dat de vrouw na het huwelijk ten onrechte van de man een uitkering tot levensonderhoud heeft ontvangen. Het staat de man in dat geval vrij de door hem betaalde uitkering tot levensonderhoud terug te vorderen; de aanspraak van de vrouw op het pensioen wordt er echter niet onaanvaardbaar door.

Grief 9 van de man faalt.

4.9. Het in algemene termen gestelde bewijsaanbod van de man wordt door het hof als te vaag gepasseerd.

4.10. Nu de grieven van de man falen, dient het vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd.

In het feit dat partijen gewezen echtgenoten zijn, ziet het hof aanleiding de proceskosten in hoger beroep te compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Meulenbroek en Keizer en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 februari 2011.