Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP5167

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-02-2011
Datum publicatie
21-02-2011
Zaaknummer
HV 200.081.783/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Verzoek tot verschoning naar aanleiding van het verschaffen van politie-informatie aan de strafkamer door een medewerker van het ressortsparket, na sluiting van het onderzoek en buiten de advocaat-generaal om.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer : 20-002606-09

Registratienummers : HV 200.081.783/01

143-02-2011

Datum uitspraak : 21 februari 2011

Beslissing van de verschoningskamer van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch,

op het verzoek zich te mogen verschonen als bedoeld in artikel 517 van het Wetboek van Strafvordering van:

[verzoeker]

raadsheer in de sector strafrecht van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch,

hierna te noemen “verzoeker”,

één van de raadsheren belast met de behandeling van de strafzaak met parketnummer

20-002606-09 van het openbaar ministerie tegen verdachte [verdachte].

1. Het procesverloop

Het verzoek is schriftelijk ingediend op 4 februari 2011.

Verzoeker, verdachte (door tussenkomst van zijn raadsvrouw), de raadsvrouw van verdachte mr. F.W. Oehlen, advocaat te Beek, en de raadsman van de benadeelde partij mr. M.M.H. Zuketto, advocaat te Maastricht, zijn in kennis gesteld van de zitting van de verschoningskamer van dit hof op 7 februari 2011.

Mr. Oehlen heeft schriftelijk gereageerd bij fax van 4 februari 2011.

Verzoeker en de raadsman van de benadeelde partij zijn ter terechtzitting verschenen.

De verschoningskamer heeft het verzoek in aanwezigheid van het openbaar ministerie in het openbaar behandeld op 7 februari 2011.

Bij die gelegenheid heeft verzoeker zijn verzoek nader toegelicht.

2. Het standpunt van verzoeker

Aan het verzoek om zich te mogen verschonen ligt het volgende ten grondslag.

Verzoeker was op 24 januari 2011 als raadsheer betrokken bij het onderzoek ter terechtzitting in de strafzaak tegen verdachte voornoemd. Na de sluiting van het onderzoek op genoemde datum, maar nog vóór de datum waarop uitspraak zou worden gedaan, te weten op 7 februari 2011, is door een medewerker van het ressortsparket te ’s-Hertogenbosch (ongevraagd) informatie betreffende de strafzaak, afkomstig van politieambtenaren, buiten de behandelend advocaat-generaal om, aan de voorzitter van de behandelend meervoudige strafkamer toegezonden en door laatstgenoemde ontvangen. De betreffende voorzitter heeft de leden van de strafkamer van de informatie in kennis gesteld, verzoeker daaronder begrepen.

Voorts is voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting in de strafzaak, te weten in de wandelgangen naar de zittingszaal, door de behandelend advocaat-generaal (ongevraagd) aan verzoeker meegedeeld dat de verdachte enige dagen na de zitting vader zou worden (verdachte wordt ten laste gelegd dat hij zijn zoontje heeft omgebracht door hem zeer heftig te schudden).

Door deze gang van zaken is volgens verzoeker tegenover verdachte de schijn gewekt dat hij, verzoeker, van de zijde van het openbaar ministerie en/of een betrokken opsporingsinstantie als rechterlijk ambtenaar ontvankelijk is voor het ontvangen van inlichtingen over een lopende strafzaak buiten het onderzoek ter terechtzitting om. Daardoor is zijn onpartijdigheid in deze zaak, maar mogelijk ook daarbuiten, aan twijfel onderhevig geworden.

3. Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek om zich te mogen verschonen.

4. De beoordeling

4.1. Uit het onderzoek ter zitting is het volgende gebleken.

4.1.1. Een medewerker van het ressortsparket heeft na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting en vóór de uitspraak een e-mailbericht ontvangen van bij de zaak tegen verdachte betrokken politieambtenaren met informatie omtrent diens persoonlijke omstandigheden. Deze medewerker heeft dit e-mailbericht, zonder daarvan de behandelend advocaat-generaal vooraf in kennis te stellen, doorgestuurd naar de voorzitter van de behandelende kamer van het hof.

De voorzitter van de strafkamer heeft aanstonds de overige leden van de kamer, de verdediging en de advocaat-generaal van de ontvangst van het betreffende e-mailbericht schriftelijk op de hoogte gesteld. De voorzitter heeft daarbij het voornemen geuit het onderzoek ter terechtzitting te heropenen teneinde de procesdeelnemers in de gelegenheid te stellen zich ter terechtzitting over de gang van zaken en de inhoud van de informatie uit te laten.

Zowel de verdediging als het openbaar ministerie hebben in reactie op dat voornemen de voorzitter kenbaar gemaakt, dat zij geen prijs stellen op heropening van het onderzoek ter terechtzitting en dat kan worden overgegaan tot het wijzen van een eindarrest.

4.1.2. Zoals gesteld door verzoeker en niet door het openbaar ministerie weersproken kan voorts worden vastgesteld, dat de advocaat-generaal voorafgaande aan de zitting aan verzoeker de genoemde mededeling heeft gedaan. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de betreffende mededeling ook op de terechtzitting is besproken.

4.2. De verschoningskamer overweegt op het verzoek als volgt.

Ingevolge artikel 517, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan een rechter die een zaak behandelt verzoeken zich te mogen verschonen op grond van feiten of omstandigheden waardoor diens onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.3. Vooropgesteld dient te worden dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen zouden kunnen opleveren voor het oordeel dat de rechter een vooringenomenheid koestert, althans dat bij de verdachte daarvoor, objectief gerechtvaardigd, de vrees kan ontstaan.

De vraag of er reden kan zijn voor verschoning moet aldus worden beoordeeld aan de hand van een subjectieve toets, waarbij het gaat om de persoonlijke overtuiging van een rechter in een bepaalde zaak, en aan de hand van een objectieve toets, waarbij moet worden vastgesteld of bij een partij de vrees voor partijdigheid van een rechter kan ontstaan, rekening houdend met de uiterlijke schijn.

4.4. Verzoeker heeft zijn verzoek niet gegrond op feiten of omstandigheden die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat hij, naar zijn persoonlijke overtuiging, een vooringenomenheid jegens de verdachte koestert of naar aanleiding van hetgeen is voorgevallen zou kunnen koesteren. Aanwijzingen voor een subjectieve vooringenomen van verzoeker heeft de verschoningskamer niet aangetroffen.

4.5. De verschoningskamer stelt verder voorop dat, voor zover verzoeker meent niet ontvankelijk te mogen zijn voor inlichtingen over een lopende strafzaak buiten het onderzoek ter terechtzitting om, die stelling in haar algemeenheid niet juist is. Dit kan anders zijn indien de wijze waarop de inlichtingen ter kennis worden gebracht ongeoorloofd is, de inlichtingen niet ter kennis van de verdachte worden gebracht of anderszins in strijd wordt gehandeld met het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

4.6. Uit de onder 4.1.1 weergegeven toedracht heeft het hof geen aanwijzing gevonden voor het oordeel dat verzoeker de schijn zou hebben gewekt ontvankelijk te zijn voor het op ongeoorloofde wijze ontvangen van inlichtingen van politiezijde of van de kant van het ressortsparket, buiten de behandeld advocaat-generaal en buiten de zitting om. Het gaat hierbij kennelijk om een incidentele misslag van een ressortmedewerker. Op de gang van zaken is bovendien door de Kamervoorzitter terstond adequaat gehandeld waardoor ook een eventuele uiterlijke schijn van partijdigheid onmiddellijk en doeltreffend is verhinderd.

4.7. Ook het feit dat de advocaat-generaal voorafgaande aan de zitting in de wandelgangen aan verzoeker de genoemde mededeling heeft gedaan doet, naar het oordeel van de verschoningskamer, aan zijn onpartijdigheid, naar objectieve maatstaven gemeten, niet af.

Door het (ongevraagd) aanhoren van de betreffende mededeling heeft verzoeker geen blijk gegeven ontvankelijk te zijn voor op ongeoorloofde wijze ontvangen van inlichtingen, waaruit zijn vooringenomenheid zou moeten blijken. In het voorliggende geval te minder, omdat de inhoud van die mededeling later bij de behandeling van verdachtes strafzaak aan de orde is geweest.

4.8. Op grond van al het bovenstaande komt de verschoningskamer tot de slotsom dat de door verzoeker genoemde feiten en omstandigheden geen zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel, dat hij jegens verdachte vooringenomenheid zou koesteren.

Evenmin bieden die omstandigheden een rechtvaardiging voor de kennelijk bij hem bestaande veronderstelling dat bij verdachte daarvoor, objectief gerechtvaardigd, de vrees voor partijdigheid van verzoeker kan ontstaan.

Het verzoek om zich te mogen verschonen dient daarom te worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

wijst het verzoek af;

beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, aan verdachte, aan diens raadsvrouw, aan het openbaar ministerie en de benadeelde partij en aan de raadsman van de benadeelde partij.

Aldus gedaan door mr. W.H.B. den Hartog Jager, mr. H.D. Bergkotte en mr. H. Harmsen, in tegenwoordigheid van mr. J. Biljard als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2011.