Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP5052

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
18-02-2011
Zaaknummer
HD 200.063.512
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Einde samenwoning.

Bewijslastverdeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.063.512

arrest van de zevende kamer van 8 februari 2011

in de zaak van

[A.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. B.A. van Mens,

tegen:

[B.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. G.E. Hattink,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 april 2010 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch gewezen vonnis van 10 maart 2010 tussen appellant - [A.] - als eiser in conventie, verweerder in reconventie en geïntimeerde - [B.] - als gedaagde in conventie, eiser in reconventie (alsmede [C.] als gedaagde in conventie).

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer/rolnummer 182569/HA ZA 08-2048)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar de daaraan voorafgaande tussenvonnissen van 24 december 2008 en 5 augustus 2009.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [A.] is tijdig van het eindvonnis van 10 maart 2010 in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven heeft [A.] twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen van 5 augustus 2009 en 10 maart 2010, voor zover in reconventie gewezen, en, kort gezegd, tot afwijzing van de reconventionele vordering van [B.] dan wel verstrekking van een bewijsopdracht aan [B.].

2.2 Bij memorie van antwoord heeft [B.] de grieven bestreden.

2.3 Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 De vaststelling van de feiten in het tussenvonnis van 5 augustus 2009 is niet bestreden, zodat het hof hiervan ook in hoger beroep uitgaat.

4.2 Het gaat in deze zaak, voor zover in dit hoger beroep van belang, om het volgende.

a) [A.] en [C.] (verder: [C.]) hebben van mei 2006 tot medio 2008 samengewoond.

b) Kort na het begin van de samenwoning heeft [A.] voor € 6.250,= een caravan gekocht. Ter financiering hiervan hebben [A.] en [C.] op 24 mei 2006 een bedrag van € 6.200,= van [B.] geleend. De handgeschreven overeenkomst van geldlening (prod. 1 cva/cve) vermeldt onder meer:

[PLAATSNAAM] 24-05-2006

SUB I

[A.] GEB. [GEBOORTEDATUM] 1946 [GEBOORTEPLAATS]

SUB II

[D.] GEB. [GEBOORTEDATUM] 1956 [GEBOORTEPLAATS] (= [C.])

VERKLAREN HIERBIJ EEN GELDLENING € 6200,- ZEGGE TWEE EN ZESTIG HONDERD EURO MET EEN MAANDELIJKSE AFLOSSING VAN € 200,= TE VOLDOEN OP EERSTE VAN DE MAAND;

RENTE 8% (...)

Het stuk is ondertekend door [A.] en [C.]. Op 22 juli 2008, na verbreking van de samenwoningrelatie, heeft [C.] de caravan ten titel van terugbetaling van het geleende geldbedrag aan [B.] geleverd. [A.] heeft de caravan op 25 september 2008 in conservatoir beslag tot afgifte doen nemen.

c) Bij brief van 20 oktober 2008 heeft [B.] [A.] doen aanschrijven over de eigendom van de caravan en de nakoming van de overeenkomst van geldlening (prod. 3 cva/cve). Hierin is [A.] gesommeerd binnen 14 dagen het bedrag van € 6.200,- terug te betalen.

4.3 In deze procedure heeft [A.] in conventie veroordeling van [C.] en [B.] gevorderd tot afgifte van de caravan. Deze vordering is ten aanzien van [C.] afgewezen en ten aanzien van [B.] toegewezen. In dit hoger beroep is deze vordering niet langer aan de orde.

4.4 Voor het geval zou komen vast te staan dat hij geen eigenaar is geworden van de caravan heeft [B.] in reconventie veroordeling van [A.] gevorderd tot betaling van het bedrag van € 6.200,=, vermeerderd met rente en kosten. [B.] heeft daartoe gesteld dat op het geleende bedrag nooit is afgelost.

4.5 Bij tussenvonnis van 24 december 2008 heeft de rechtbank een comparitie van partijen bepaald. Bij tussenvonnis van 5 augustus 2009 heeft de rechtbank geoordeeld dat [A.] en [C.] niet hoofdelijk voor het geheel zijn verbonden maar ieder voor de helft, derhalve € 3.100,= met rente. De rechtbank heeft [A.] toegelaten tot bewijslevering ten aanzien van zijn stelling dat hij € 3.350,= op de lening heeft afgelost. Bij eindvonnis van 10 maart 2010 heeft de rechtbank [A.] in dit bewijs niet geslaagd geoordeeld en de vordering van [B.] toegewezen tot een bedrag van € 3.100,=, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 november 2008 tot de dag der voldoening. [A.] is veroordeeld in de kosten van het geding in reconventie. Voor het overige is de reconventionele vordering van [B.] afgewezen.

4.6 Met grief 1 komt [A.] op tegen de bewijslastverdeling en de daaruit voortgevloeide bewijs-opdracht in het tussenvonnis van 5 augustus 2009. Grief 2 richt zich tegen de bewijswaardering en de beslissing in het eindvonnis van 10 maart 2010. [A.] is primair van mening dat de vordering van [B.] geheel afgewezen moet worden en subsidiair dat met betrekking tot de aflossing van de geldlening de bewijslast op [B.] rust. [B.] betwist deze standpunten.

4.7 In de toelichting op zijn grieven gaat [A.] er – terecht – van uit dat volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv op hem de bewijslast rust van zijn stelling dat hij op de lening heeft afgelost. Hij meent evenwel dat in dit geval de eisen van redelijkheid en billijkheid een omkering van de bewijslast meebrengen. Hij voert daartoe aan dat [B.] de mogelijkheden van [A.] om bewijs te leveren heeft gefrustreerd doordat [B.] niet in de schriftelijke overeenkomst vermeld wilde worden, het bedrag dat [B.] aan [A.] en [C.] uitleende zwart geld betrof, [B.] geen betaling via de bank accepteerde en geen aanmaningen heeft verstuurd toen (volgens [B.]) aflossingen uitbleven. Een betalingsherinnering d.d. 23 november 2006, die [B.] stelt verzonden te hebben, heeft [A.] niet ontvangen. Verder voert [A.] aan dat hij door bankafschriften heeft aangetoond dat hij geregeld contante bedragen opnam en dat uit de getuigenverklaring van [C.]s dochter blijkt dat [B.] regelmatig langskwam; dat laatste had volgens [A.] geen ander doel dan het incasseren van geld. Volgens [A.] moet ernstig worden getwijfeld aan de oprechtheid van [B.] en is een en ander zo zwaarwegend dat de bewijslast omgekeerd dient te worden.

4.8 [B.] betwist dat er iets bijzonders aan de hand is met de overeenkomst van geldlening of dat sprake is van zwart geld. Hij had geen bezwaar tegen betalingen via de bank en heeft niet vaker op betaling aangedrongen omdat hij op de hoogte was van de slechte financiële situatie van [A.]. Voor omkering van de bewijslast, zoals [A.] voorstaat, is volgens [B.] geen grond.

4.9 Het hof overweegt hierover het volgende. Artikel 150 Rv bepaalt dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast draagt van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Hetgeen [A.] naar voren heeft gebracht biedt geen aanknopingspunten om aan te nemen dat in dit geval enige bijzondere regel, geschreven of ongeschreven, tot een andere bewijslastverdeling noopt dan uit de hoofdregel voortvloeit. Resteert de vraag of in dit geval uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een dergelijke bewijslastverdeling voortvloeit. Die situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer een partij de mogelijkheden van de wederpartij om bewijs te leveren frustreert of door toedoen van een partij de wederpartij in een onredelijk zware bewijspositie is geraakt. De omstandigheden die [A.] in dit verband heeft aangevoerd, wijzen er niet op dat een dergelijke situatie zich hier voordoet. De wijze van vastlegging van de overeenkomst van geldlening is hierbij niet relevant: de inhoud van die overeenkomst staat immers niet (meer) ter discussie. De achtergrond van het door [B.] aan [A.] en [C.] uitgeleende geld doet in dit verband evenmin ter zake: alleen dat het geld is uitgeleend en terugbetaald diende te worden is van belang en dat staat niet ter discussie. Indien juist is dat [B.] aflossingen in contanten verlangde, hetgeen [B.] betwist, is daaraan geen argument te ontlenen. Immers, niet alleen betalingen via een bank bieden mogelijkheden tot bewijs van betaling, ook bij betalingen in contanten kunnen kwitanties of andere betalingsbewijzen worden verstrekt. Gesteld noch gebleken is dat [A.] bij enige door hem gestelde betaling tevergeefs om een betalingsbewijs heeft verzocht. Het gestelde ontbreken van aanmaningen is in dit verband evenmin relevant, nu daardoor de bewijspositie van [A.], en daar gaat het hier om, niet wordt benadeeld. Ook voor het overige zijn naar het oordeel van het hof geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die de conclusie rechtvaardigen dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.

4.10 De slotsom is dat met betrekking tot de bewijslastverdeling geen grondslag aanwezig is voor een uitzondering op de hoofdregel van artikel 150 Rv. Grief 1 wordt daarom verworpen.

4.11 Hetzelfde geldt voor grief 2. Met de producties die [A.] in de procedure in het geding heeft gebracht en met de verklaringen die in eerste aanleg naar aanleiding van het tussenvonnis van 5 augustus 2009 zijn afgelegd is ook naar het oordeel van het hof het bewijs van de stelling die [A.] diende te bewijzen niet geleverd. De overgelegde producties tonen de betalingen niet aan en de afgelegde verklaringen betreffen geen betalingen. Ook in onderlinge samenhang bezien is er onvoldoende bewijs aan te ontlenen. Door [A.] is in hoger beroep verder geen nader bewijs aangeboden.

4.12 Nu beide grieven zijn verworpen dienen de vonnissen waarvan beroep te worden bekrachtigd. Voor een bewijsopdracht aan [B.], zoals [A.] subsidiair vordert is gezien het vorenstaande geen aanleiding. [A.] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep;

veroordeelt [A.] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [B.] begroot op € 314,= aan vast recht en op € 632,= aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. Meulenbroek, Keizer en Van Ham en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 februari 2011.