Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP4685

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-02-2011
Datum publicatie
16-02-2011
Zaaknummer
HV 200.075.722
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eindoordeel schuldsanering.

Verschil tussentijdse beëindiging na verloop reguliere termijn.

Arrest HR 28-01-11 (LJN BO5760)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 15 februari 2011

Zaaknummer: HV 200.075.722/01

Zaaknummer eerste aanleg: 07/653 R

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [X.],

advocaat: mr. L.G.M. van Vugt-van Moorsel.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 13 oktober 2010.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 oktober 2010, heeft [X.] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te beslissen tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling na verloop van de termijn met toekenning van de “schone lei”, althans te beslissen tot verlenging van de termijn tot toepassing van de schuldsaneringsregeling tot maximaal vijf jaren.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 februari 2011. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [X.], bijgestaan door mr. Van Vugt-van Moorsel;

- mevrouw W.B.F. Mombarg, hierna te noemen: de bewindvoerder;

- mevrouw B. Aderholz, hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 15 september 2010;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [X.] d.d. 21 januari 2011;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 1 februari 2011.

3. De beoordeling

3.1. Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [X.] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld.

Ter zitting in hoger beroep heeft de beschermingsbewindvoerder - desgevraagd - verklaard in te stemmen met het hoger beroep dat [X.] heeft ingesteld, zodat [X.] in zoverre ontvankelijk is in het hoger beroep.

3.2. Bij arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 juni 2007 is ten aanzien van [X.] de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.3. Bij vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 maart 2010 is de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [X.] tussentijds beëindigd.

Van voormeld vonnis heeft [X.] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

3.4. Bij arrest van 12 juli 2010 heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het bestreden vonnis vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank ter verdere afdoening op de voet van artikel 354 Faillissementswet (Fw).

3.5. Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 354 lid 1 Fw vastgesteld dat [X.] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De rechtbank heeft verstaan dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden. De rechtbank heeft daarbij geen toepassing gegeven aan artikel 354 lid 2 Fw, zodat op grond van artikel 358 lid 2 Fw aan [X.] geen “schone lei” is verleend.

3.6. [X.] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.7. [X.] heeft in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat de in het dictum van het hof opgenomen terugverwijzing van de zaak naar de rechtbank Breda een kennelijke verschrijving is.

[X.] is van mening dat het hof terecht de zaak heeft terugverwezen naar de rechtbank, omdat in het geval het hof tevens een eindoordeel had gegeven [X.] een instantie zou zijn ontnomen.

Ter zitting in hoger beroep heeft [X.] erkend dat zij tekort is geschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. [X.] stelt echter dat deze tekortkomingen - ten gevolge van haar psychische aandoening - niet aan haar kunnen worden toegerekend. [X.] stelt dat het niet nakomen van de verplichtingen verband houdt met haar ernstige psychische problemen. Ter zitting van het hof heeft [X.] verklaard dat er tevens sprake is van een laag intelligentieniveau. Subsidiair is [X.] van mening dat de eventuele toerekenbare tekortkomingen vanwege de geringe betekenis buiten beschouwing dienen te blijven.

Ter zitting in hoger beroep heeft [X.] voorts verklaard dat zij in september 2010 is gestart met een dagbehandeling van vijf dagen per week voor haar psychische problemen. [X.] stelt dat zij er in redelijkheid van uit mocht gaan dat door de beschermingsbewindvoerder voldaan werd aan de plicht tot het verstrekken van de financiële gegevens van [X.]. [X.] voert aan dat de nieuwe schuld bij VGZ/GGZ inmiddels is voldaan en dat er voor het overige geen nieuwe schulden aanwezig zijn. [X.] betwist dat zij uitsluitend vacatures aan de bewindvoerder heeft overgelegd. Voorts betwist [X.] dat er nu pas verklaringen worden overgelegd en hulpverlening wordt opgezet. [X.] is van mening dat zij een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling niet heeft belemmerd noch heeft gefrustreerd. Voorts is er sprake van een boedelvoorstand van ruim € 2.000,--. [X.] is van mening dat zij in het laatste gedeelte van de looptijd van de schuldsaneringsregeling meer dan voorheen adequate hulp heeft geaccepteerd, waardoor één en ander meer inzichtelijk is geworden. In het geval dat er geen “schone lei” aan [X.] wordt verleend, heeft zij geen bezwaar tegen verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling.

3.8. De bewindvoerder heeft in haar brief d.d. 1 februari 2011 en ter zitting in hoger beroep haar standpunt gemotiveerd gehandhaafd. [X.] heeft nagelaten om tijdens de reguliere looptijd van de schuldsaneringsregeling stukken over te leggen waaruit blijkt dat zij in het geheel niet in staat zou zijn om betaalde arbeid te verrichten. Het feit dat [X.] sinds medio september 2010 in dagbehandeling is bij het GGZ is niet relevant, nu dit betrekking heeft op de periode na de reguliere looptijd van de schuldsaneringsregeling. Bovendien zijn tot op heden de beschikkingen van de huur- en zorgtoeslag niet door [X.] overgelegd. Voorts is onduidelijk sinds wanneer er geen kosten voor kinderopvang meer zijn. Ter zitting van het hof heeft de bewindvoerder verklaard dat zij alleen bekend was met de depressiviteit van [X.]. De thans gediagnosticeerde psychische problemen van [X.] zouden het één en ander over het verloop van de schuldsaneringsregeling kunnen verklaren, maar dit is evenwel pas bekend geworden na het einde van de looptijd van de schuldsaneringsregeling en daarom niet meer relevant. Ter zitting in hoger beroep heeft de bewindvoerder zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank terecht de schuldsaneringsregeling van [X.] heeft beëindigd zonder de toekenning van de “schone lei”.

3.9. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep - kort samengevat - verklaard dat naar aanleiding van een vermoeden van psychische problemen extra hulpverlening is opgestart. Daarna is de dagbehandeling van [X.] gestart. De beschermingsbewindvoerder is van mening dat [X.] baat heeft bij de dagbehandeling, omdat zij thans beter haar afspraken nakomt. Het daadwerkelijk verkrijgen van hulpverlening vergde enige tijd.

3.10. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.10.1. Allereerst overweegt het hof dat op 1 januari 2008 de Wet van 24 mei 2007 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met herziening van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen in werking is getreden (Staatsblad 2007, nummer 192). Ingevolge artikel IV lid 2 van deze wet, waarin het overgangsrecht is neergelegd, blijft op een saneringsplan dat op de datum van inwerkingtreding van voornoemde wet door de rechter reeds is vastgesteld het recht van toepassing zoals dat gold voor de datum van inwerkingtreding van deze wet. Gelet op het voorgaande zijn op de wijziging van de ingevolge deze saneringsplannen vastgestelde looptijd van schuldsaneringen aldus de bepalingen van de Faillissementswet (Fw) van toepassing zoals deze golden vóór 1 januari 2008.

3.10.2. Het hof overweegt dat, als gevolg van een eerdere verschrijving in rechtsoverweging 3.1. in het arrest van 12 juli 2010, de zaak logischerwijs (maar daarmee nog wel ten onrechte) vervolgens is terugverwezen naar de verkeerde rechtbank, te weten de rechtbank Breda. Het hof stelt vast dat de juiste rechtbank, zijnde de rechtbank 's-Hertogenbosch, inmiddels heeft beslist op deze onjuiste terugverwijzing, zodat [X.] geen belang meer heeft bij de behandeling van haar eerste grief.

3.10.3. Ten aanzien van grief 2 overweegt het hof dat wanneer het hof in het arrest van 12 juli 2010 tevens een eindoordeel in de zin van artikel 354 Fw had gegeven, [X.] een instantie zou zijn ontnomen. Het hof is daarom van oordeel dat grief 2 van [X.] terecht naar voren is gebracht. Voor zover [X.] door middel van haar tweede grief nog heeft willen betogen dat er onderscheid dient te worden gemaakt tussen enerzijds een tussentijdse beëindiging ex artikel 350 Fw en anderzijds beëindiging na verloop van de drie-jarentermijn ex artikel 352 Fw juncto artikel 354 Fw, treft ook dit betoog doel, in welk verband het hof kortheidshalve naar de door Advocaat-Generaal L. Timmerman vóór het arrest van de Hoge Raad d.d. 28 januari 2011 (LJN:BO5760) genomen conclusie (onder 2.2.) verwijst. Overigens merkt het hof op dat het in zijn arrest van 5 juli 2010, dat aanleiding heeft gegeven tot voormeld arrest van de Hoge Raad, geenszins heeft overwogen dat een schuldsanering eindigt met het verstrijken van de termijn. Het hof heeft enkel geoordeeld dat, wanneer de termijn van de schuldsanering is verstreken, een tussentijdse beëindiging (art. 350 Fw) niet meer aan de orde is, maar dat een eindoordeel (art. 354 Fw) moet worden gegeven. Juist om de schuldenaar geen instantie te ontnemen besliste het hof dat die eindbeoordeling eerst door de rechtbank moet worden gegeven. Dat is iets wezenlijk anders dan na het verstrijken van de reguliere termijn beslissen over een tussentijdse beëindiging, zoals de Hoge Raad wil.

3.10.4. Ten aanzien van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling overweegt het hof dat bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, op de voet van artikel 354 lid 1 Fw dient te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.

3.10.5. Ter zitting in hoger beroep heeft [X.] erkend dat zij tekort is geschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Het hof stelt echter vast dat uit de door [X.] overgelegde verklaring van het GGZ Oost-Brabant d.d. 17 januari 2011 volgt dat bij [X.] depressieve klachten en een posttraumatische stresstoornis zijn gediagnosticeerd. Voorts volgt uit voornoemde verklaring dat uit onderzoek is gebleken dat [X.] voor wat betreft haar cognitieve capaciteiten functioneert op zwakbegaafd niveau. Ter zitting van het hof is verder gebleken dat [X.] vanaf september 2010 een 5-daagse dagbehandeling volgt vanwege voornoemde klachten. Het hof is daarom van oordeel dat de tekortkomingen van [X.] in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, gelet op voornoemde psychische klachten, in sterk verminderde mate aan [X.] toerekenbaar zijn. Het hof acht het aannemelijk dat - hoewel deze diagnose na het einde van de reguliere looptijd van de schuldsaneringsregeling is gesteld - deze psychische klachten reeds gedurende de reguliere looptijd van de schuldsaneringsregeling [X.] hebben gehinderd bij de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Dat [X.] wat betreft haar cognitieve capaciteiten functioneert op zwakbegaafd niveau verklaart waarom zij bij herhaling en, in voorkomend geval, in het kader van dezelfde zitting op bepaalde verplichtingen moest worden gewezen (zie onder meer het proces-verbaal terechtzitting d.d. 1 oktober 2009).

3.10.6. Het hof ziet in het vorenstaande aanleiding om het verzoek van [X.] tot verlenging van de schuldsaneringsregeling in te willigen. Door middel van een wijziging van het saneringsplan zal het hof de looptijd van de schuldsaneringsregeling van [X.] verlengen met een extra termijn van twee jaren, te weten tot 12 juni 2012. Verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling is thans geregeld in artikel 349a Fw, maar was ook reeds mogelijk onder het vóór 1 januari 2008 geldende recht.

Het hof overweegt dat indien [X.] meent niet aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende inspanningsverplichting te kunnen voldoen, zij om een vrijstelling van de inspanningsverplichting bij de rechter-commissaris dient te verzoeken. Voorts gaat het hof ervan uit dat [X.] tezamen met de beschermingsbewindvoerder extra hulpverlening zal inschakelen die noodzakelijk is om ervoor zorg te dragen dat [X.] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren kan nakomen.

Het hof benadrukt dat het [X.] hiermee de allerlaatste mogelijkheid biedt om de schuldsaneringsregeling alsnog tot een goed einde te brengen. [X.] dient deze extra termijn te benutten om alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren na te komen, bij gebreke waarvan alsnog tussentijdse beëindiging kan volgen.

3.11. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en het hof zal de zaak terugverwijzen naar de rechtbank in verband met de continuering van de schuldsaneringsregeling.

4. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt voortgezet;

wijzigt het op 12 juni 2007 door de rechtbank te ' s-Hertogenbosch vastgestelde saneringsplan in die zin, dat de termijn gedurende welke de schuldsaneringsregeling van toepassing is, eindigt op 12 juni 2012;

wijst de zaak terug naar de rechtbank 's-Hertogenbosch in verband met de voortzetting van de schuldsaneringsregeling;

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit arrest is gewezen door mrs. Pellis, Pouw en Coster en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2011.