Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP4451

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-02-2011
Datum publicatie
15-02-2011
Zaaknummer
20-004632-09
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:1299, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf in verband met handelen in strijd met artikel 3 van de Opiumwet en deelname aan een criminele organisatie in softdrugs. Verdachte is betrokken geweest bij (de organisatie van) het knippen van grote hoeveelheden hennep op verschillende locaties en het vervoeren van hennepstekken ten behoeve van de criminele organisatie. Met deze werkzaamheden leverde verdachte, als lid van de organisatie, een wezenlijk aandeel aan, dan wel ondersteunde hij in belangrijke mate, gedragingen die rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 11a van de Opiumwet bedoelde oogmerk tot het plegen van misdrijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-004632-09

Uitspraak : 15 februari 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 december 2009, parketnummer 01-889056-08 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 01-840197-07, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1973],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep heeft mede betrekking op de beslissing welke de eerste rechter heeft genomen op de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging alsnog van gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, voorwaardelijk aan de verdachte opgelegd bij onherroepelijk geworden vonnis van de enkelvoudige kamer te 's-Hertogenbosch van 22 oktober 2007 onder parketnummer 01-840197-07.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en te dien aanzien opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen ten aanzien van het onder 1, onder 2 en onder 3 primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van het voorarrest en met tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank te ’s-Hertogenbossch van 22 oktober 2007 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 3 maanden.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd. Daarnaast is door de eerste rechter niet voldaan aan het voorschrift als bedoeld in artikel 359, derde lid, eerste volzin van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 augustus 2007 tot en met 19 januari 2009 te Veghel en/of Oss en/of Beugen en/of Berghem en/of Nuenen en/of een of meer andere plaats(en) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, op –onder meer- het/de perce(e)l(en)

-[locatie 1],

- [locatie 2],

- [locatie 3] en/of

- [locatie 4]

(een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

zulks terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) voormeld opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken heeft/hebben gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 april 2008 tot en met

19 januari 2009 te Uden en/of Velp en/of Bemmel en/of Reek en/of Vianen en/of een of meer andere plaats(en) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) hennepstekken en/of hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, zulks terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) voormeld opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren heeft/hebben gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2007 tot en met 19 januari 2009 te Schaijk en/of Uden en/of een of meer andere plaatsen in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit een samenwerkingsverband van een of meer natuurlijke perso(o)n(en), te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 4] en/of [medeverdachte 4] en/of [bedrijf] en/of een of meer andere perso(o)n(en) en/of een of meer rechtsperso(o)en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het - al dan niet - in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of het buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, terwijl dit betrekking had op een of meer grote hoeveelhe(i)d(en) hennep;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 01 augustus 2007 tot en met 19 januari 2009 te Schaijk en/of Uden en/of een of meer plaatsen in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit een samenwerkingsverband van een of meer natuurlijke perso(o)n(en), te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [betrokkene 1] en/of

[betrokkene 4] en/of [medeverdachte 4] en/of [bedrijf] en/of een of meer andere perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of het buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep;

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, onder 2 en onder 3 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 01 mei 2008 tot en met 31 augustus 2008 te Veghel en Oss en Beugen en Berghem tezamen en in vereniging met een ander of anderen telkens opzettelijk heeft geteeld en/of verwerkt en/of bewerkt, op de percelen

- [locatie 1],

- [locatie 2],

- [locatie 3] en

- [locatie 4]

een grote hoeveelheid hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, zulks terwijl één van zijn mededaders, voormeld opzettelijk telen en/of bewerken en/of verwerken heeft gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf;

2.

hij op 17 juni 2008 in Nederland tezamen en vereniging met een ander opzettelijk heeft vervoerd, een grote hoeveelheid hennepstekken of hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

en

hij op 19 juli 2008 in Nederland tezamen en vereniging met een ander opzettelijk heeft vervoerd, een hoeveelheid hennepstekken of hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij in de periode van 1 mei 2008 tot en met 19 januari 2009 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en

[medeverdachte 4], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en bewerken en verwerken en verkopen en afleveren en vervoeren van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, terwijl dit betrekking had op grote hoeveelheden hennep.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A1.1

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

A1.2

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

A2.1

Van de zijde van de verdachte is aangevoerd dat verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde nauwelijks betrokken is geweest bij de hennepkwekerij in het pand

[locatie 1]. Voor zover verdachte enige rol heeft gespeeld bij de kwekerij op de [locatie 1] is zijn rol – aldus de verdediging – hoogstens faciliterend van aard geweest. Daarnaast is de rol van verdachte met betrekking tot het knippen van hennep op de locaties [locatie 2],[locatie 3] en [locatie 4] – aldus de verdediging - zeer beperkt gebleven.

A2.2

De verdediging heeft voorts bepleit verdachte, bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs, vrij te spreken van het onder 2 ten laste gelegde.

A2.3

De verdediging heeft ten slotte bepleit verdachte vrij te spreken van het onder 3 ten laste gelegde nu verdachte - voor zover sprake zou zijn van een criminele organisatie - niet als deelnemer van die criminele organisatie kan worden aangemerkt.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

A3

Op grond van het dossier alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof het volgende vast.

a. In april 2008 werd op grond van een gerezen verdenking tegen [medeverdachte 1] bestaande uit het aan het hoofd staan van een criminele organisatie die zich bezig houdt met bedrijfsmatige teelt, inkoop en verkoop en handel in softdrugs, gestart met het onderzoek genaamd [naam]. Er werden op grond hiervan opsporingsmiddelen ingezet op (onder meer) genoemde [medeverdachte 1] en verdachte. (Algemeen dossier, proces-verbaalnummer 27-084550, pagina 11)

b. Uit de opsporingsmiddelen bleek dat [medeverdachte 1] en verdachte in het kader van hennepgerelateerde werkzaamheden contact onderhielden met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en met een groep personen welke zij gebruikten voor het verwerken (knippen) van hennepplanten, waaronder medeverdachte [medeverdachte 4]. (Algemeen dossier, proces-verbaalnummer 27-084550, pagina’s 11-15)

Hennep knippen op locatie [locatie 3]

Telefonische contacten rond 14 mei 2008

c. Op 12 en 13 mei 2008 hebben verdachte en [medeverdachte 4] telefonisch contact met elkaar over ‘barbecueën’ op woensdag (14 mei 2008) Verdachte vraagt [medeverdachte 4] om te reserveren om zeven uur. (pagina’s 136-142)

d. Op 14 mei 2008 belt verdachte naar [medeverdachte 1] en vraagt of [medeverdachte 1] nog ‘deze kant’ uit komt. [medeverdachte 1] vraagt of binnen een uur goed is waarop verdachte antwoordt dat het met een half uur gemaakt is”. Blijkens de mastgegevens bevindt verdachte zich op dat moment in de omgeving van [locatie 3]. (pagina 142)

Telefonische contacten en observaties rond 22 mei 2008

e. Op dinsdag 20 mei 2008 hebben [medeverdachte 4] en verdachte via sms contact over barbecueën op donderdag (22 mei 2008) met zes personen. Verdachte zegt tegen [medeverdachte 4] dat hij ‘hem’ nog niet heeft gesproken maar zo snel mogelijk iets laat weten. (pagina’s 150-154)

f. Op 21 mei 2008 stuurt [medeverdachte 4] een sms naar [medeverdachte 1] met de vraag of de barbecue morgen doorgaat waarop wordt afgesproken voor ‘zes personen’ om half acht. (tijdstip 11.15 uur) (pagina’s 155-159)

g. [medeverdachte 4] belt op 21 mei 2008 om 12.39 uur naar verdachte en vertelt dat ze al op de hoogte is en verdachte morgen ziet. [medeverdachte 4] vraagt of verdachte ook komt barbecueën waarop verdachte antwoordt dat hij ook komt. Verdachte zegt om 7 uur als dat kan waarop [medeverdachte 4] zegt dat zij dan aan de rest moet vragen of die eerder kunnen. (pagina 160)

h. Op donderdag 22 mei omstreeks 14.00 uur belt verdachte naar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] vraagt verdachte “hoe laat” waarop Verdachte zegt een half uurtje.

(pag. 167)

i. Uit observaties blijkt dat [medeverdachte 1] omstreeks 14.45 uur het perceel

[locatie 3] oprijdt. (pagina 385)

Telefonische contacten rond 4 juni 2008

j. Op maandag 2 juni 2008 stuurt [medeverdachte 1] een sms naar [medeverdachte 4] met de tekst “woensdag met zijn 4tjes uit eten”. [medeverdachte 4] antwoordt hierop “Is goed rond n uur of 8 moet ik reserveren” waarop [medeverdachte 1] antwoordt “Oke maar doe nog wel even reserveren”. (pagina’s 178-182)

k. Verdachte belt op 3 juni 2008 naar de reclassering en zegt dat hij morgen

(4 juni 2008) niet voor de kringloop kan werken, omdat hij voor zijn baas moet werken. (tijdstip 9.19 uur) (pagina 184)

l. Op 3 juni 2008 om 14.32 uur belt verdachte naar [medeverdachte 4] en vraagt hoe laat waarop [medeverdachte 4] zegt dat ze alles al geregeld heeft. [medeverdachte 4] zegt rond een uur of zeven ’s avonds waarop verdachte zegt ‘oke’ en [medeverdachte 4] tegen verdachte zegt dat ze hem dan morgenavond ziet. (pagina 185)

m. Verdachte belt op 3 juni om 14.33 uur naar een NN-man en zegt dat hij rond kwart voor zeven daar is. De NN-man zegt om half zeven dan waarop verdachte antwoordt dat hij er dan is. (pagina 186)

n. Op woensdag 4 juni 2008 om 9.06 uur belt verdachte naar [naam]. Er volgt een sociaal gesprek over haar zieke zoontje. Uit de mastgegevens blijkt dat verdachte zich op dat moment nabij [locatie 3] bevindt. (pagina 50 en pagina 187)

Telefonische contacten rond 2, 3 en 5 juli 2008

o. Op dinsdag 1 juli 2008 hebben verdachte en [medeverdachte 4] telefonisch contact waarbij [medeverdachte 4] zegt dat ze de barbecue hebben afgesproken voor ‘morgenavond zeven uur”. Verdachte zegt dat hij één persoon mee neemt en [medeverdachte 4] vijf. (pagina 207)

p. Even later om 15.52 uur op 1 juli 2008 stuurt verdachte een sms naar een NN en vraagt of hij morgen om zeven uur bij de boer kan zijn. Om 17.31 uur ontvangt verdachte van deze NN een sms met het bericht “kan er pas rond half acht zijn had je nog voor die kleintjes gevraagd”. (pagina’s 208-209)

q. Op 1 juli 2008 om 20.31 uur heeft verdachte een gesprek met een NN-man waarin hij zegt dat hij er morgen en donderdag vroeg uit moet. (pagina 210)

r. Op woensdag 2 juli 2008 heeft verdachte om 6.02 uur een telefoongesprek met [getuige 1]. [getuige 1] vraagt verdachte of hij al wakker is en dat hij moet opschieten. Verdachte belt om 6.21 uur naar [getuige 1] en zegt dat hij al wakker is en vraagt of hij eten moet meebrengen. (pagina’s 211 en 212)

s. Op woensdag 2 juli 2008 om 15.49 uur heeft [medeverdachte 1] een gesprek met een

NN-man die geen auto heeft en zegt dat hij had gehoord dat [naam] (het hof: verdachte) naar hem toe zou komen. [medeverdachte 1] zegt hierop dat [naam] niet kan komen, omdat die aan het werk is. (pagina 213)

t. Op 2 juli 2008 om 16.11 uur stuurt verdachte een bericht naar een NN met de tekst “zij (het hof begrijpt: wij) zijn klaar hoe laat ben je hier?”. Om 16.29 uur stuurt verdachte vervolgens het bericht “ik ga nu weg brengen bewaar de papieren voor jou”. (pagina’s 214-215)

u. Op 2 juli 2008 om 19.44 uur belt verdachte naar [medeverdachte 1] en zegt dat hij de hele dag hard gewerkt heeft. [medeverdachte 1] vraagt ‘morgen ook’ waarop verdachte ja zegt. Op vragen van [medeverdachte 1] zegt verdachte dat alles al geregeld is en [medeverdachte 1] zegt dat hij morgen dan wel even langs komt. (pagina 219)

v. Op 3 juli 2008 stuurt verdachte om 10.45 uur een sms naar een NN met het bericht dat hij 15 minuten later is. Volgens de mastlocatie bevindt de telefoon van verdachte zich dan in [woonplaats]. (pagina 223)

w. Op 3 juli 2008 om 13.32 uur stuurt verdachte een sms bericht naar een NN met de vraag of er iemand bij kan omdat het veel werk is en ze anders pas na zeven uur klaar zijn waarop NN reageert “Is goed komt er ook iets af”. (pagina’s 225-226)

x. Op 3 juli 2008 om 14.20 uur belt verdachte zijn vriendin [getuige 1] op met de vraag of ze kan komen helpen omdat hij het kei druk heeft. [getuige 1] zegt toe dat ze komt helpen. (pagina 228)

y. Op 5 juli 2008 om 7.11 uur stuurt verdachte vanaf[locatie 3] een sms naar

[getuige 3] en vraagt of ze zin heeft om mee naar ‘de markt te gaan’. [getuige 3] antwoordt dat zij niet kan omdat ze zo moet gaan werken.

(pagina’s 238 en 239)

z. Op 5 juli 2008 belt [medeverdachte 1] verdachte en vraagt of hij voor zichzelf begonnen is. verdachte zegt dat het daar wel op lijkt en dat hij de hele dag vanaf vanmorgen zes uur heeft gewerkt. [medeverdachte 1] zegt “och verrek ja” en dat hij het alweer vergeten was. (pagina 242)

Inval en aanhoudingen op 7 augustus 2008, [locatie 3]

aa. naar aanleiding van CIE-informatie dat op 7 augustus 2008 hennep geknipt werd in één van de loodsen aan de [locatie 3] wordt op 7 augustus 2008 een inval gedaan door de politie op het genoemde perceel. Er wordt een hennepknipperij aangetroffen waarin – onder meer - [medeverdachte 4], verdachte, [medeverdachte 2] en de betrokkenen[getuige 9], [getuige 7], [getuige 3] en [getuige 8] aan het werk waren. Na de aanhouding verklaarde [getuige 4], eigenaar van het pand aan de[locatie 3], dat hij in het voorjaar van 2008 door een man, genaamd [naam] (het hof begrijpt: verdachte) benaderd is of hij een ruimte wilde verhuren voor het knippen van hennep. Hij had verdachte enkele malen gezien met een gele [auto]. Hij verklaarde verder ongeveer vijf keer geld van verdachte gehad te hebben voor de verhuur van de ruimte. De andere bovengenoemde personen verklaarden allemaal op de [locatie 3] aanwezig te zijn om hennep te knippen. (pagina’s 555-590)

Hennep knippen op locatie [locatie 2]

Telefonische contacten en observaties rond 11 juli 2008

bb. Op 9 juli 2008 belt [medeverdachte 4] verdachte op en er wordt gesproken over eten op vrijdag (11 juli 2008). [medeverdachte 4] vraagt waar en verdachte zegt dat ze in Oss gaan eten om een uur of zeven. [medeverdachte 4] zegt dat ze verdachte nog iets laat horen maar dat het 100% gaat lukken. (pagina 244)

cc. Op 10 juli 2008 belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] en zegt dat hij net gehoord heeft dat het morgen 100% zeker is. (pagina 245)

dd. Op 11 juli 2008 stuurt [medeverdachte 4] om 10.53 uur een sms naar verdachte en vraagt of hij om 12.30 komt en geld meebrengt voor boodschappen, waarop verdachte antwoordt ‘okee tot straks’. Om 12.45 uur stuurt [medeverdachte 4] een sms naar verdachte met de vraag waar hij is waarop hij antwoordt dat hij voor de deur staat.

(pagina’s 247 en 251-252)

ee. Uit observaties blijkt dat verdachte om 12.47 uur stopt op het perceel [locatie 2] en met een weegschaal het genoemde perceel oploopt. (pagina 401)

Bakengegevens

Uit onderzoek bleek dat verdachte gebruik maakte van een gele bedrijfsauto, [merk], voorzien van het kenteken [kenteken]. Op dit voertuig is een observatiebaken geplaatst. Uit de verkregen observatiebakengegevens bleek dat dit voertuig:

I. op 2 juli 2008 om 6.22 uur is vertrokken vanaf de woning van verdachte en om 7.02 uur aankomt op de [locatie 3].

II. op 3 juli 2008 om 11.10 uur op de [locatie 3] aankomt en vervolgens die dag verschillende malen van de [locatie 3] naar andere adressen, waaronder het adres van [medeverdachte 1] ([adres]) rijdt

III. op 11 juli 2008 om 13.28 uur op de [locatie 2] aankomt en vervolgens om 13.58 uur weer wegrijdt naar andere adressen als [adres] (adres [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]) en [locatie 4] (adres [medeverdachte 3]). (pagina’s 409-410)

Hennepteelt in het pand [locatie 1] en knippen op [locatie 4]

ff. Op 26 mei 2008 wordt verdachte gebeld door [naam] van

[bedrijf].[naam] zegt dat het de aardlekschakelaar betreft en dat ze op 15 mei 2008 bij ‘u’ op de [adres] langs zijn geweest. [naam] vraagt of de monteur donderdagochtend (29 mei 2008) langs kan komen. Verdachte zegt dat dat kan. Op 2 juni 2008 belt [medeverdachte 1] naar verdachte of het ‘bij hem in de buurt’ nu al gemaakt is. Verdachte zegt dat het sinds gisteren weer goed is. (pagina’s 42-43)

gg. Op dinsdag 10 juni 2008 komt er bij de politie Brabant-Noord een melding binnen dat er op het adres [adres] mogelijk een hennepkwekerij aanwezig zou zijn. (pagina 169)

hh. Op donderdag 12 juni 2008 omstreeks 12.05 uur wordt door het observatieteam waargenomen dat de gele [auto], voorzien van kenteken [kenteken], in gebruik bij verdachte stond geparkeerd op [locatie 1]. Om 12.26 uur wordt waargenomen dat verdachte de woning

[adres] uitgelopen komt. (pagina 133)

ii. Op vrijdag 13 juni 2008 omstreeks 02.00 uur wordt een warmtemeting gedaan in het pand [locatie 1] en wordt opvallend warmteverschil gemeten ten opzichte van de naastgelegen panden. (pagina 191)

jj. Op vrijdag 13 juni 2008 om 8.50 uur belt verdachte naar [betrokkene 5] en zegt dat ze vannacht een controle hebben uitgevoerd en dat het vandaag nog weg moet. Even later hebben [medeverdachte 1] en verdachte verschillende malen telefonisch contact over ‘of het allemaal geregeld is’. [medeverdachte 1] gaat bij [medeverdachte 3] (eigenaar locatie [locatie 4]) langs en vervolgens vinden er diverse telefonische contacten plaats met [medeverdachte 4]. [medeverdachte 4] wordt gevraagd om voor morgen ‘alles te regelen’ en verdachte zegt ‘doe maar om 8 (acht) uur. Verdachte neemt contact op met [medeverdachte 2] en vraagt of hij tijd heeft om dat ding leeg te maken maar [medeverdachte 2] heeft geen tijd. Om 19.13 uur belt verdachte [medeverdachte 3] en vraagt of het morgenvroeg om 8 (acht) uur kan waarop [medeverdachte 3] antwoordt dat het kan. (pagina’s 44-65)

kk. Op vrijdagavond 13 juni 2008 worden [medeverdachte 1] en verdachte gebeld door knipsters [getuige 3] en [getuige 9] die aangeven dat ze morgen kunnen. Verdachte heeft nog contact met andere personen die niet kunnen op 14 juni 2008. (pagina’s 66-72)

ll. Op zaterdagavond 14 juni 2008 heeft verdachte contact met [medeverdachte 4] over reserveren voor maandag voor 4 personen (16 juni 2008). Op zondagavond

15 juni 2008 heeft verdachte contact met [medeverdachte 4] en [getuige 3] over het aanvangstijdstip de volgende dag en [getuige 3] vraagt verdachte om haar op te komen halen. [medeverdachte 4] kan pas om half negen waarop verdachte [medeverdachte 3] belt en vraagt of het morgen (16 juni 2008) om half negen kan. (pagina’s 79-88)

mm. Uit observaties blijkt dat (de auto van) verdachte op 16 juni 2008 geparkeerd stond

in de nabijheid van perceel [locatie 4]. (pagina’s136-137) Aan het eind van de dag om 16.39 uur heeft verdachte contact met [medeverdachte 1] die vraagt of het allemaal gelukt is waarop verdachte bevestigend antwoordt en zegt dat hij rond half zes bij [medeverdachte 1] is. (pagina 92)

nn. Op dinsdag 17 juni 2008 wordt in het pand [locatie 1] een niet in

gebruik zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Waarneembaar was dat de hennepplanten nog niet zo lang geleden geoogst waren, omdat de resten van de hennepplanten nog groen waren. In totaal werden ruim 400 kweekpotten aangetroffen. (pagina’s 169-170) Buurtbewoners (getuigen [getuige 5] en [getuige 6] verklaarden dat zij regelmatig een bestuurder van een gele [auto] in de woning aan de [adres] hebben gezien. (pagina’s 192-194)

oo. Op 20 juni 2008 belt [medeverdachte 1] verdachte en zegt dat verdachte morgen met drie man moet gaan opruimen zodat het weg is. (pagina 94) Er wordt vervolgens contact opgenomen met [medeverdachte 2] en [betrokkene 6]. (o.a. pagina’s 95-105) Op 21 juni 2008 komt een melding binnen dat er een man druk bezig is het pand [adres] leeg te halen. Ter plaatse wordt genoemde [betrokkene 6] aangetroffen die doende was met het uitruimen/schoonmaken van de woning [locatie 1].

(pagina’s 161-162)

pp. Op 23 juni 2008 wordt door het observatieteam waargenomen dat verdachte en [betrokkene 6] met de gele [auto] met aanhangwagen met opschrift ‘[naam]’ op de [adres] groene vuilniszakken gevuld met zwarte aarde, deeltjes steenwol en witte korrels lossen. Vervolgens wordt waargenomen dat de [auto] met aanhangwagen naar de [locatie 1] rijdt waarna wordt waargenomen dat verdachte en [betrokkene 6] meerdere malen met gevulde groene vuilniszakken en zwart plastic vanuit de woning naar de aanhangwagen lopen. Vervolgens wordt waargenomen verdachte en [betrokkene 6] weer (via de woning van verdachte) naar de [adres] rijden en de groene vuilniszakken en het zwart plastic uit de aanhangwagen in de containers gooiden. (pagina’s 140-43)

De aanhangwagen met opdruk bleek te zijn verhuurd aan [bedrijf] van welk bedrijf [medeverdachte 1] vennoot is. (pagina 163)

Bakengegevens

qq. Uit de verkregen observatiebaken bleek dat het voertuig van verdachte

([auto], kenteken [kenteken]):

I. Op 13 juni 2008 vanaf de omgeving [locatie 1] rijdt naar de [locatie 4] en vanuit de [locatie 4] twee maal naar een locatie waar hij knippers ophaalt;

II. Op 14 juni 2008 om 7.44 uur vanaf de woning van verdachte naar een locatie waar knipsters opgehaald worden ([locatie]) naar de [locatie 4] rijdt;

III. Op 14 juni 2008 verschillende malen vanaf de [locatie 4] rijdt naar een locatie waar afgesproken is om een knip(st)er op te halen;

IV. Op 15 juni 2008 ’s avonds omstreeks 22.00 uur bij de [locatie 1] is;

V. Op 16 juni 2008 om 8.00 uur ’s morgens aankomt op de [locatie 4] en die dag nog verschillende malen vanaf die locatie op en neer rijdt;

VI. Op 16 juni 2008 omstreeks om 17.48 uur aankomt bij de woning van [medeverdachte 1] en daar om 18.13 uur weer vertrekt;

VII. Op 21 juni 2008 omstreeks 13.29 uur aankomt bij de [locatie 1] en daar om 16.23 uur weer vetrekt;

VIII. Op 23 juni 2008 om 15.02 uur aankomt bij de woning van verdachte en om 16.20 uur daar weer vertrekt waarna hij om 16.37 uur aankomt op de [adres]. (pagina’s 157-158)

Verklaringen van getuigen

rr. De getuige [getuige 3] verklaart onder meer het volgende:

“Ik heb een aantal keren geknipt op [locatie 3], waar ik ben aangehouden. Als ik had gewerkt noemde [naam] weer een datum wanneer ik weer zou kunnen werken. Ik ben ongeveer vijf (5) keer wezen knippen in [locatie 3] en een (1 ) keer in[locatie]. Als we hennep gingen knippen zeiden we steeds dat we gingen eten. Als ik werd gebeld door[medeverdachte 4], vroeg ze of ik mee uit wilde gaan eten. Ik wist dan dat ze daarmee het knippen van hennep bedoelde. Ook [naam] zei dit wel eens tegen me. Hij wist ook dat uit eten, hennep knippen was. Ook als [naam] vroeg of ik mee naar de markt wilde gaan, wist ik dat hij bedoelde dat het om hennepknippen ging. Ik ga echt niet met [naam] naar de markt. [naam] knipte ook hennep. [naam] betaalde de knippers/knipsters ook uit.” (pagina’s 1019-1021)

ss. De getuige [getuige 7] verklaart onder meer het volgende:

“Ik ben een keer of vier in [locatie 3] geweest om te knippen. Eigenlijk drie en een half. Die halve keer ben ik opgepakt. De drie keer was voor dat wij daar gepakt waren. Ik heb elke keer 40 euro gekregen voor het knippen. [naam] (het hof begrijpt; verdachte) gaf het geld gewoon contant aan mij. Ik kreeg gewoon een sms om uit eten te gaan, winkelen te gaan. Ik wist dan dat het ging over hennep knippen” (pagina’s 1058-1059)

“Op de [locatie 2] hebben we hennep geknipt in een loods bij de woning. Ik kreeg een bericht om mee te gaan eten of winkelen. Misschien dat er in stond om mee naar de markt te gaan. Ik wist toen dat ik werd benaderd om hennep te knippen. De keren dat ik ben wezen knippen in [locatie 3] waren ook steeds de mensen aanwezig welke in augustus 2008 aldaar waren aangehouden. Alle keren heb ik gereden in mijn auto.”

(pagina’s 1065-1066) .

“Ik ben ook in [locatie 4] geweest om te knippen. Toen ik daar was zag ik dat [getuige 3] er ook was. Ik ben toen samen met [getuige 3] in die bouwkeet hennep gaan knippen. Volgens mij was er ook een knipmachine aanwezig. Als er iemand die machine bediende was [naam] dat. Soraya was ook aanwezig bij het knippen in [locatie 4]. [medeverdachte 3] kwam alleen kijken tijdens het knippen. [getuige 1] was ook in [locatie 4] bij het hennep knippen”.

(pagina’s 1070-1071)

tt. De getuige [getuige 1] verklaart onder meer het volgende:

“[naam] heeft mij gevraagd om hennep te knippen. Ik zou het een keer doen maar dit bleek later 3 a 4 keer te zijn geweest. In het telefoongesprek op 2 juli 2008 om 6.00 ’s morgens zeg ik tegen [naam] dat hij uit bed moet komen, omdat hij mij zou komen ophalen. We hadden zo vroeg afgesproken om hennep te gaan knippen. Op 3 juli 2008 om 14.20 uur belt [naam] mij om te komen helpen met het knippen van hennep. Ik moest richting [locatie 3] rijden”. (pagina’s 1103-1118)

uu. De getuige [getuige 8] verklaart onder meer het volgende:

“Mijn moeder is [medeverdachte 4]. Zij is degene die mij gevraagd heeft om op

7 augustus 2008 mee hennep te gaan knippen. We hebben op 11 juli 2008 hennep geknipt in een schuur achter de woning aan de [locatie 2]. Ik heb via mijn moeder

100 euro ontvangen voor het werk van die dag. Bij elkaar heb ik twee keer hennep geknipt.

1 keer op [locatie 3] waar ik ben aangehouden en 1 keer op de locatie aan de [adres]. “ (pagina 1041)

vv. De getuige [getuige 2] verklaart onder meer het volgende:

“Ik woon op de [locatie 2]. Iemand heeft aan mij gevraagd of er bij mij hennep geknipt kon worden. Die mensen hebben vervolgens bij mij hennep geknipt.

[medeverdachte 4] was bij mij aan het knippen met haar zoon. Er is twee keer bij mij in de schuur geknipt. Allebei de keren waren [medeverdachte 4], haar zoon en die dikkere vrouw bij mij aan het knippen. [medeverdachte 4] heeft mij geld gegeven. Ik kreeg 200 euro per keer dat ze kwamen knippen. [medeverdachte 4] heeft beide keren de afspraak bij mij gemaakt om hennep te knippen. [naam] heeft de hennep opgehaald.” (pagina’s 1215-1217)

“[getuige 7] is de vrouw die met [medeverdachte 4] mee kwam als er geknipt moest worden. Als er geknipt moest worden sms’te ik [medeverdachte 4] en die kwam dan knippen. Als het knippen achter de rug was sms’te ik [naam] en die haalde de geknipte hennep op. [naam] nam dan zelf een weegschaal mee om de geknipte hennep te wegen. Ik betaalde de knipsters

120 euro per persoon. Ze waren met zijn drieën dus betaalde ik 360 euro in totaal per keer knippen. Ik betaalde dit aan [medeverdachte 4]. Ik heb gezien dat zij het geld deelde met de andere twee. [naam] kwam de stekken brengen. Ik heb [naam] benaderd op het moment dat ik met de hennepkweek begon.” (pagina’s 1219-1221)

ww. De getuige [getuige 4] verklaart onder meer het volgende:

“[naam] was degene die de dingen regelde. In ieder geval heeft hij met mij afspraken over het gebruik van de loods gemaakt. [naam] kwam meestal een dag van te voren langs om te zeggen dat ze daar zouden komen knippen. Ik kreeg na gebruik geld, zo gemiddeld ongeveer 100 euro. [naam] was er elke keer bij. Ik heb [naam] wel eens vuilniszakken uit zijn auto zien laden.“ (pagina 1256)

xx. Medeverdachte [medeverdachte 2] verklaart onder meer het volgende:

“Ik heb in 2008 meerdere keren hennep geknipt op verschillende plaatsen en kreeg hiervoor betaald. Ik werd wel eens betaald door [naam] of door[medeverdachte 1]. Ik werd om te knippen het laatste jaar vaak gebeld door [naam] of hij vroeg het mij als we elkaar tegen kwamen. Ik werd vaak dan thuis opgehaald. Ook heb ik voor [medeverdachte 1] op zijn verzoek stekken van hennepplanten opgehaald en vervoerd in een auto, deze moesten worden afgeleverd in[adres]. Ik kreeg voor een dag knippen meestal 100 euro betaald. [naam] knipte zelf ook wel mee. Als ik gebeld wordt heb ik maar een half woord nodig om te weten dat men mij nodig heeft om hennep te knippen.” (pagina’s 901-902)

A4.1

Het hof leidt uit het vorenstaande af dat steeds wanneer er telefonische contacten waren over ‘uit eten gaan’, ‘barbecueën’ of ‘naar de markt gaan’, er afspraken werden gemaakt over het knippen van hennep. De (telefonische) contacten liepen steeds volgens het zelfde stramien, namelijk [medeverdachte 4] en/of verdachte had(den) één of enkele dagen voor een knipdag middels sms of telefoongesprek contact met elkaar en/of met [medeverdachte 1]. [medeverdachte 4] vroeg met hoeveel mensen en hoe laat er gegeten moest worden en verdachte en/of [medeverdachte 1] gaven de instructies. Uit de observatie- en bakengegevens blijkt dat op de afgesproken dagen de kniplocatie ook steeds bezocht werd door verdachte waarbij verdachte ook contact onderhield met [medeverdachte 1]. In tegenstelling tot de verdediging is het hof van oordeel dat de rol die verdachte heeft gespeeld met betrekking tot het knippen van hennep niet beperkt is gebleven. In tegendeel, uit de telefonische contacten en de verklaringen van de getuigen blijkt steeds dat verdachte (in overleg met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1]) voorafgaande aan een knipdag de voorbereidingen trof door contact op te nemen met de verhuurder van een knipruimte en met [medeverdachte 4] om knip(p)(st)ers te regelen. Verdachte zorgt vervolgens, indien nodig, op knipdagen dat knip(p)(st)ers op de kniplocatie gebracht worden, is zelf ook aanwezig bij het knippen, bedient de knipmachine en betaalt de knip(p)(st)ers uit. Verdachte zorgt verder voor de afvoer van de geknipte hennep. De rol van verdachte is derhalve verre van beperkt gebleven, hetgeen ook steun vindt in de verklaringen van de diverse getuigen en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 4]. Ook ten aanzien van de hennepkwekerij aan de [adres] is het hof van oordeel dat de rol die verdachte hierbij gespeeld heeft niet beperkt of slechts faciliterend is geweest. Verdachte heeft contact met een reparatiebedrijf over het repareren van een defecte aardlekschakelaar in het pand, is degene die door buurtbewoners regelmatig wordt gezien bij het pand en zodra bekend is dat er een warmtemeting heeft plaatsgevonden in het pand, is het verdachte die op 13 juni 2008 contact opneemt met[betrokkene 5] om te zeggen dat het zo snel mogelijk weg moet. In de dagen daarna houdt verdachte contact met [medeverdachte 1] over de stand van zaken, neemt contact op met [medeverdachte 4] ten einde knip(p)(st)ers te regelen en heeft (in overleg met [medeverdachte 1]) contact met [medeverdachte 2] en [betrokkene 6] voor het opruimen en schoonmaken van de woning aan de [adres]. Verdachte rijdt in die periode met grote regelmaat van en naar de [adres] en op 23 juni 2008 is hij de hele dag bezig met vuilniszakken uit het pand dragen en naar de milieustraat brengen. Al deze gedragingen geven naar het oordeel van het hof blijk van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de betrokken personen ten aanzien van de hennepkwekerij aan de [locatie 1], het afvoeren van de hennepopbrengst van deze kwekerij en het (met spoed) opruimen van de kwekerij.

A4.2

Gelet op het hiervoor onder A4.1 overwogene, in onderlinge samenhang en verband bezien met de onder A3 weergegeven feiten en omstandigheden alsmede de overige bewijsmiddelen in het dossier, is het hof van oordeel dat verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan het telen en/of verwerken en/of bewerken van grote hoeveelheden hennepplanten – onder meer – op de locaties

[locatie 1], [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4]. Gelet op de rol die verdachte heeft gespeeld bij deze activiteiten, zoals blijkt uit de tapgesprekken en de verklaringen van de getuigen en medeverdachten, de frequentie van de werkzaamheden en het aantal hennepkwekerijen waarbij verdachte betrokken is geweest, is het hof van oordeel dat verdachte deze feiten tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf zoals onder 1 bewezen is verklaard.

Het verweer wordt in zoverre verworpen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

A5.1

Met de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van de tapgesprekken die tussen

22 april en 25 april 2008 tussen verdachte, [medeverdachte 1] en [betrokkene 7] hebben plaatsgevonden, niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat verdachte zich op 25 april 2008 schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren van hennepstekken.

A5.2

Het hof stelt op grond van het dossier alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep – onder meer – het volgende vast.

a. Op 17 juni 2008 belt [medeverdachte 1] om 13.56 uur naar [betrokkene 1] en [betrokkene 1] zegt ‘het zo’n beetje op 4 te kunnen krijgen’. [medeverdachte 1] zegt dat dat geweldig is en dat ‘hij’ nu de andere kant op is maar om een uur of 5/6 bij [betrokkene 1] is. [medeverdachte 1] belt vervolgens om 13.58 uur naar verdachte en zegt dat hij ‘direct door kan rijden naar die ouwe’, hij heeft ‘die ouwe’ net gebeld. Om 15.56 uur heeft verdachte weer contact met [medeverdachte 1] en zegt dat hij ‘nu aanrijdt naar die ouwe’ (pagina’s 41-43)

b. [betrokkene 1] is woonachtig op de [adres]. Uit de verkregen observatiebaken bleek dat het voertuig van verdachte (gele [auto], kenteken [kenteken]) op 17 juni 2008 om 16.42 uur aankomt op de [adres] en daar om 16.57 uur weer wegrijdt. Vervolgens komt het voertuig om 17.57 uur aan op de [adres] (woning [medeverdachte 1]) en gaat daar om 18.26 uur weer weg. (pagina 191)

c. Op 15 juli 2008 heeft [medeverdachte 1] contact met [betrokkene 1] dat het zaterdag

(19 juli 2008) om 18.00 uur moet lukken. Even later heeft [medeverdachte 1] contact met [betrokkene 2] en zegt [medeverdachte 1] dat het zaterdag zeker is. Op 17 juli 2008 hebben [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] contact en vraagt [betrokkene 2] opnieuw of het zaterdag doorgaat waarop [medeverdachte 1] antwoordt dat het zeker is. Op 19 juli 2008 wordt [medeverdachte 1] om 12.08 uur door [betrokkene 2] gebeld. [betrokkene 2] vraagt of hij [naam] (het hof begrijpt: verdachte) die kant op laat komen. [medeverdachte 1] zegt dat dat klopt en dat het vandaag moet, omdat [naam] de volgende dag op vakantie gaat. [medeverdachte 1] zegt dat het zeven acht uur zal worden. Om 12.45 uur belt verdachte naar [betrokkene 2] en [betrokkene 2] zegt dat hij net van de baas van verdachte heeft gehoord dat verdachte vanavond zijn kant op zal komen. Later die dag om 15.49 uur heeft verdachte opnieuw contact met [betrokkene 2]. Verdachte zegt dat hij er om zeven uur is. [betrokkene 2] zegt dat verdachte naar die langharige (het hof begrijpt: [betrokkene 8]) moet gaan, omdat hij zelf op de kermis is. Op

19 juli om 19.00 uur belt verdachte naar [betrokkene 8] en zegt dat hij pas om negen uur bij hem kan zijn. [betrokkene 8] zegt hierop dat het te laat wordt en dat ze het dan beter morgen kunnen doen. Verdachte zegt hierop dat dan ‘die andere erbij komt’. Even later heeft verdachte contact met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 2] vraagt of verdachte het voor morgen geregeld heeft. Verdachte zegt dat hij in Arnhem zit te wachten en morgenvroeg de auto naar [medeverdachte 2] zal komen brengen. Volgens de mastgegevens bevindt het telefoontoestel dat verdachte in gebruik heeft zich op dat moment nabij het adres van [betrokkene 1] te [woonplaats]. Om 21.15 uur heeft [medeverdachte 1] contact met

[betrokkene 2] en zegt dat met [betrokkene 8] is afgesproken dat ze morgen (20 juli 2008) komen. Op 20 juli 2008 heeft verdachte contact met [betrokkene 2]. [betrokkene 2] vraagt of verdachte nog bij [betrokkene 8] is geweest en verdachte zegt het te laat was geworden en dat [medeverdachte 2] vandaag om één uur komt. [betrokkene 2] belt op 21 juli 2008 naar [medeverdachte 1] en zegt dat ‘de jongen gisteren is geweest’ en dat het “alleen iets minder” is. (Pagina’s 49-67)

d. [betrokkene 8] is woonachtig op de [adres]. Uit de verkregen observatiebaken bleek dat het voertuig van verdachte ([auto], kenteken 57-[kenteken]_[kenteken]) op 20 juli 2008 om 12.57 uur op de [adres] aankomt en daar om 13.21 uur weer wegrijdt.

e. Op 4 november 2008 belt [medeverdachte 1] naar [betrokkene 1] en vraagt aan [betrokkene 1] of 8 goed is. [betrokkene 1] zegt dat hij ’s avonds even moet bellen. [medeverdachte 1] heeft ’s avonds opnieuw contact met [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] vraagt [betrokkene 1] ‘1 rond’ te doen. Even later heeft [medeverdachte 1] contact met [betrokkene 3] en zegt dat net is afgesproken dat het 100% morgen komt. ’s Avonds heeft [medeverdachte 1] opnieuw telefonisch contact met [betrokkene 1] en zegt [betrokkene 1] dat 8 in ieder geval rond is en dat andere vrijwel zeker ook. [medeverdachte 1] zegt dat hij zal zorgen dat hij er om

7 uur is. Enkele uren later belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 2] en zegt [medeverdachte 2] dat hij langs [medeverdachte 1] zal komen. Vervolgens belt [medeverdachte 2] met de telefoon van [medeverdachte 1] naar [betrokkene 1] en zegt dat hij er morgenvroeg om 10.00 uur zal zijn.

f. Op woensdag 5 november 2008 wordt door het observatieteam waargenomen dat [medeverdachte 2] iets voor 10.00 uur met een [auto]bij [betrokkene 1] op het adres [adres] te [woonplaats] aankomt en daar even later weer wegrijdt. (pagina 189)

Korte tijd later wordt [medeverdachte 2] met de genoemde [auto] aangehouden en worden achter in de laadruimte kartonnen dozen met in totaal 1005 hennepstekken aangetroffen. (pagina’s 196-199)

g. Op 6 november 2008 wordt [betrokkene 1] gebeld dat het gisteren is mis gegaan en zegt een NN-man dat hij een ander zal sturen. [betrokkene 1] zegt dat hij 1 rond wel heeft. Even later belt [betrokkene 9] naar [betrokkene 1] en zegt dat hij bij hem is voor [medeverdachte 1]. [betrokkene 1] zegt dat hij niet thuis is en even een kwartiertje moet wachten. Even later hebben [betrokkene 9] en [medeverdachte 1] contact. (pagina’s 162-169)

h. [medeverdachte 2] verklaart dat hij regelmatig stekken op ging halen voor [medeverdachte 1].

(pagina 902 dossier hennepknippen opslag en drogerij)

Verder verklaart [medeverdachte 2] dat hij [betrokkene 1] wel eens in Arnhem heeft gezien en dat hij wel eens achter hem is aangereden naar [medeverdachte 1]. (pagina’s 251-252)

i. [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 23 november 2009 – onder meer – het volgende verklaard:

“Ten aanzien van het taalgebruik over de taps zeg ik dat die “1 rond” de 1000 hennepstekken waren waarmee [medeverdachte 2] gepakt is. Het is twee of drie keer voorgekomen dat [medeverdachte 2] voor mij met hennepstekken heeft gereden. Hij woonde naast mij en als het moest gebeuren dan gebeurde het en ging hij. Met die 1000 stekken heb ik hem ook geholpen.”

A5.3

Uit hetgeen hiervoor onder e, f, g en h is weergegeven in combinatie met de inhoud van de overige tapgesprekken met [betrokkene 1] zoals opgenomen in het dossier, leidt het hof af dat [betrokkene 1] leverancier van hennepstekken is en dat [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] regelmatig contact met elkaar hadden over het leveren van hennepstekken door [betrokkene 1] aan [medeverdachte 1] en/of aan contactpersonen van [medeverdachte 1] (o.a. [betrokkene 8], [betrokkene 3], [betrokkene 2]).

Op 4 november 2008 vraagt [medeverdachte 1][betrokkene 1] om ‘1 rond’ te doen. [medeverdachte 2] wordt op

5 november 2008 naar [betrokkene 1] gestuurd en wordt op de terugweg aangehouden met 1005 hennepstekken in de auto. De volgende dag wordt meteen iemand anders ([betrokkene 9]) gestuurd om de bestelling (1 rond) alsnog op te gaan halen. De bestelling van ‘1 rond’ ziet, mede gelet op de verklaring van [medeverdachte 1] hierover, op 1.000 stekken. Het hof leidt hieruit af dat bestellingen steeds werden geduid met enkeltallen, zoals 4 (zie onder a) ziet op 400 stekken en 8 (zie onder e) ziet op 800 stekken. Dit wordt ondersteund door de inhoud van de overige tapgesprekken met [betrokkene 1] zoals opgenomen in het dossier waarin het steeds gaat over door [betrokkene 1] te leveren ‘aantallen’ zoals: “3 moest je er toch hebben” (pagina 107), “Ik heb het rond 1” (pagina 79) “je moest toch 5 hebben” (pagina 138).

Uit het vorenstaande en de inhoud van de contacten tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] en verdachte op 17 juni 2008, alsmede de contacten tussen [medeverdachte 1], verdachte, [betrokkene 2], [betrokkene 8] en [medeverdachte 2] in de periode van 15 juli 2008 tot en met 20 juli 2008 in combinatie met hetgeen uit de observaties, baken- en mastgegevens naar voren is gekomen, leidt het hof af dat de telefonische contacten met [betrokkene 1] rond 17 juni 2008 en rond 19 juli 2008, ook gingen over de levering van hennepstekken door [betrokkene 1] aan [medeverdachte 1] of aan één van de contactpersonen van [medeverdachte 1] en dat verdachte (in opdracht van [medeverdachte 1]) deze hennepstekken op 17 juni 2008 en op 19 juli 2008 bij [betrokkene 1] heeft opgehaald en derhalve (in ieder geval) op genoemde data een (grote) hoeveelheid hennepstekken heeft vervoerd zoals onder 2 bewezen is verklaard.

Het verweer wordt in zoverre verworpen.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

A6.1

De raadsman heeft ten aanzien van de onder 3 (primair en subsidiair) ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie bepleit dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De raadsman voert hiertoe – zo begrijpt het hof – primair aan dat geen sprake is van een organisatie als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet, dan wel artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht en subsidiair stelt de verdediging dat, zo er al sprake is van een organisatie, verdachte niet als deelnemer van die organisatie aangemerkt kan worden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

A6.2

Artikel 11a van de Opiumwet is een specialis van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (generalis). Onder een organisatie als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet wordt verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één ander persoon. Het hof is van oordeel dat op grond van het dossier alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep vastgesteld kan worden dat er in de periode 1 april 2008 tot en met 19 januari 2009 sprake is geweest van een samenwerkingsverband als hiervoor bedoeld en dat dit samenwerkingsverband, bestaande uit de natuurlijke personen [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 4], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], zich, voor zover in de onderhavige zaak relevant, heeft bezig gehouden met het bedrijfsmatig telen, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren en vervoeren van softdrugs.

Binnen deze organisatie vervulde iedere deelnemer zijn eigen rol dan wel taak. [medeverdachte 1] gaf leiding aan de organisatie en had de contacten met leveranciers en afnemers van hennep, bepaalde daarbij de (ver)koopprijs en organiseerde het vervoer van hennep. Tevens had [medeverdachte 1] contact met de vaste leverancier van hennepstekken en plaatste hij bestellingen. Verdachte of [medeverdachte 1] had contact met [medeverdachte 4] wanneer er knippers geregeld moesten worden voor een bepaalde knipsessie. [medeverdachte 4] en verdachte regelden knippers en verdachte woog de geknipte hennep, bediende de knipmachine, zorgde voor de aan- en afvoer van de hennep en betaalde de knippers. Verdachte maakte daarnaast de afspraken met de verhuurders van knipruimte en zorgde in opdracht van [medeverdachte 1] voor het vervoer van hennepstekken. [medeverdachte 3] stelde ruimte ter beschikking voor het knippen en de opslag van de hennep. [medeverdachte 2] zorgde in opdracht van [medeverdachte 1] voor het vervoer van de hennepstekken en werd ook ingezet om te knippen. De leden van de organisatie stemden regelmatig voor of nadat bepaalde activiteiten hadden plaatsgevonden telefonisch af met [medeverdachte 1], of ontmoetten hem om verantwoording af te leggen. Er werd dan gesproken in versluierde taal of er werden codes gehanteerd die voor een buitenstaander niet begrijpelijk waren. Bij calamiteiten (onder meer een inbraak bij [medeverdachte 3] en de aanhouding van [medeverdachte 2] op 5 november 2011) werd [medeverdachte 1] spoedig ervan op de hoogte gesteld. Voorts zijn bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] technische hulpmiddelen en een grote hoeveelheid GSM’s aangetroffen. Met deze hulpmiddelen kunnen strafbare handelingen verborgen worden en kan de opsporing bemoeilijkt worden.

Ten aanzien van de deelname door verdachte aan de organisatie overweegt het hof het volgende.

A6.3

Van het aan een organisatie als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet deelnemen is slechts dan sprake, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen (dan wel die ondersteunt) die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 11a van de Opiumwet bedoelde oogmerk tot het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en/of vijfde lid, 10a, eerste lid of 11, derde, vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet. Voor deelneming aan een dergelijke organisatie is het voldoende, wanneer de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De betrokkene behoeft derhalve niet rechtstreeks wetenschap te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. Om als deelnemer van een organisatie te kunnen worden aangemerkt is het niet vereist dat een persoon moet hebben samengewerkt, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.

A6.4

Uit hetgeen hiervoor onder A3, A4 en A5 is weergegeven, blijkt naar het oordeel van het hof dat verdachte in de periode van 1 mei 2008 tot en met 19 januari 2009 behoorde tot het hiervoor onder A6.2 bedoelde samenwerkingsverband en zich in deze periode binnen dit samenwerkingsverband (hoofdzakelijk) bezig heeft gehouden met het inrichten en onderhouden van een hennepkwekerij aan de [locatie 1], het organiseren van knipdagen, onder meer op de locaties [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4], het maken van afspraken met de verhuurders van knipruimte, het organiseren van personeel voor (onder meer de onder 1 bewezen verklaarde) knipsessies, het afvoeren van de geknipte hennep, het bedienen van de knipmachine, het uitbetalen van de knippers en het vervoeren van hennepstekken. Verdachte wordt ten aanzien van deze activiteiten hoofdzakelijk aangestuurd door [medeverdachte 1] en legt ook verantwoording af aan [medeverdachte 1]. Dit blijkt onder meer uit de gang van zaken bij het ophalen van de hennepstekken door verdachte op 17 juni 2008 en op 19 juli 2008. Ten aanzien van de hennepkwekerij aan de [locatie 1] wordt door verdachte ook steeds contact gehouden met [medeverdachte 1]. Eerst met betrekking tot de defecte aardlekschakelaar en later als de kwekerij opgeruimd moet worden geeft [medeverdachte 1] verdachte de opdracht om met drie mensen te gaan opruimen. Ten aanzien van het knippen van de hennep houdt verdachte ook steeds ruggespraak met [medeverdachte 1] en is verdachte weer degene die [medeverdachte 4] aanstuurt met betrekking tot het regelen van personeel voor het knippen van de hennep. Verdachte spreekt regelmatig over ‘zijn baas’ als het over [medeverdachte 1] gaat en ook anderen noemen [medeverdachte 1] de baas van verdachte (zie onder meer hiervoor onder A3, onder k en A5.2 onder c). Dit blijkt ook wel uit de toon die wordt gezet door [medeverdachte 1] in verschillende telefoongesprekken met verdachte. (zie o.a. telefoongesprekken [medeverdachte 1] en [verdachte] op 6 mei 2008, 7 juni 2008 (pagina’s 194, 198 delictdossier criminele organisatie en telefoongesprek tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] op 28 juli 2008, pagina 309 dossier hennepknippen opslag en drogerij)

Verdachte is ten slotte degene die de werkzaamheden van [medeverdachte 1] overneemt op het moment dat [medeverdachte 1] in het ziekenhuis verblijft in juni 2008.

(pagina’s 202-207 delictdossier criminele organisatie)

Met al deze werkzaamheden leverde verdachte, als lid van de organisatie, een aandeel aan, dan wel ondersteunde hij, gedragingen die rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 11a van de Opiumwet bedoelde oogmerk tot het plegen van misdrijven.

A6.5

Gelet op het voorgaande, bezien in onderlinge samenhang met de gebezigde bewijsmiddelen, verwerpt het hof het verweer zoals weergegeven onder A6.1 in al zijn onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 is voorzien bij artikel 3, aanhef en onder B van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 11, derde lid van de Opiumwet in samenhang bezien met artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1° van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 2 is voorzien bij artikel 3, aanhef en onder B van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid en vijfde lid van de Opiumwet in samenhang bezien met artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1° van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 3 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 11a, eerste lid, van de Opiumwet, zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Zij worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

B1

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

B2

Het hof heeft acht geslagen op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op de volgende omstandigheden:

- Verdachte heeft (tenminste) gedurende een periode van ruim 8 maanden deelgenomen aan een criminele organisatie die zich op grote schaal bezig hield met het telen, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren en vervoeren van softdrugs.

- Dit soort organisaties hebben veelal een ontwrichtende werking op de maatschappij, doordat zij in belangrijke mate bijdragen aan het zwargeldcircuit dat alleen via de inzet van (andere) criminele middelen kan worden witgewassen of dat in rechtstreekse zin weer kan worden aangewend voor verdere criminele activiteiten.

- Verdachte is betrokken geweest bij (minstens) acht zogenoemde ‘knipdagen’ en heeft hierover veelvuldig rechtstreeks contact gehad met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4]. Verdachte is daarnaast betrokken geweest bij een hennepkwekerij en heeft hennepstekken opgehaald en vervoerd in opdracht van [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] en verdachte vervulden een bovengeschikte, leidende en organiserende rol binnen de organisatie.

- (Soft) Drugs als de onderhavige levert, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren op voor de gezondheid van die gebruikers, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.

Het hof houdt daarnaast rekening met de omstandigheid dat verdachte in 2004 en 2007 ook is veroordeeld in verband met handelen in strijd met artikel 3 van de Opiumwet.

B3

Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

B4

Bij de straftoemeting heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht, alsmede het feit dat na het tijdstip waarop het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden inmiddels ruim twee en een half jaar is verstreken en verdachte in de tussenliggende periode zich niet schuldig heeft gemaakt aan (andere) strafbare feiten.

B5

Het hof vindt in het vorenstaande aanleiding om verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

B6

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Het hof is ten aanzien van de vordering van het openbare ministerie te 's-Hertogenbosch van 17 april 2009, tot tenuitvoerlegging van het bij vonnis van de enkelvoudige kamer te 's-Hertogenbosch van 22 oktober 2007 onder parketnummer 01-840197-07 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, van oordeel, dat - nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt - de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis, dient te worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3, 11 en 11a van de Opiumwet en de artikelen 14g, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1, onder 2 en onder 3 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1, onder 2 en onder 3 primair bewezen verklaarde oplevert:

1.

Medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

2.

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel

en

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

3.

Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid en vijfde lid van de Opiumwet.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond van het feit dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de enkelvoudige kamer te 's-Hertogenbosch van 22 oktober 2007 met parketnummer 01-840197-07, te weten van:

Gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden maanden.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. F.P.E. Wiemans,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Blokx- van Roosmalen, griffier,

en op 15 februari 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.