Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP4449

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-02-2011
Datum publicatie
15-02-2011
Zaaknummer
20-004634-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van handelen in strijd met artikel 3, onder B van de Opiumwet en deelname aan een criminele organisatie in softdrugs. Niet onomstotelijk kan worden vastgesteld of bezoeken van deelnemers van een criminele organisatie in softdrugs aan het bedrijf van verdachte verband hielden met het wegbrengen van (te drogen/voor opslag bestemde) hennep. Gelet op deze vrijspraak kan naar het oordeel van het hof evenmin wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte als deelnemer betrokken is geweest bij de genoemde criminele organisatie. Verdachte had in het kader van zijn bedrijf weliswaar contact met personen uit deze organisatie en heeft aan deze personen c.q. organisatie wellicht diensten geleverd en/of goederen heeft verkocht, maar het hof is niet gebleken dat verdachte een zodanige betrokkenheid bij die organisatie had dat van het opzettelijk ‘deelnemen’ daaraan in de zin van art. 11 van de Opiumwet kan worden gesproken. Veroordeling verdachte tot taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf in verband met handelen in strijd met artikel 3 onder C van de Opiumwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 20-004634-09

Uitspraak : 15 februari 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 december 2009 in de strafzaak met parketnummer 01-845444-08 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1963],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en te dien aanzien opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen ten aanzien van het onder 1 en onder 2, primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

Namens verdachte is – kort samengevat – bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde en ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken van hetgeen meer of anders ten laste is gelegd dan het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennep op 27 augustus 2008.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd. Daarnaast is door de eerste rechter niet voldaan aan het voorschrift als bedoeld in artikel 359, derde lid, eerste volzin van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 augustus 2007 tot en met 19 januari 2009 te Ravenstein en/of een of meer andere plaats(en) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, op –onder meer- het perceel [adres],

(een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, zulks terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) voormeld opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken heeft/hebben gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2007 tot en met 19 januari 2009 te Ravenstein en/of Schaijk en/of Uden en/of een of meer andere plaatsen in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit een samenwerkingsverband van een of meer natuurlijke perso(o)n(en), te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4]en/of [mededader] en/of [medeverdachte 5] en/of [bedrijf] en/of een of meer andere perso(o)n(en) en/of een of meer rechtsperso(o)en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het - al dan niet - in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of het buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, terwijl dit betrekking had op een of meer grote hoeveelhe(i)d(en) hennep;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 01 augustus 2007 tot en met 19 januari 2009 te Ravenstein en/of Schaijk en/of Uden en/of een of meer plaatsen in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit een samenwerkingsverband van een of meer natuurlijke perso(o)n(en), te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [mededader] en/of [medeverdachte 5] en/of [bedrijf] en/of een of meer andere perso(o)n(en) en/of een of meer rechtsperso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of het buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

A1

Het hof stelt op grond van het dossier alsmede het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep het volgende vast.

- In april 2008 werd op grond van een gerezen verdenking tegen [medeverdachte 1] bestaande uit het aan het hoofd staan van een criminele organisatie die zich bezig houdt met bedrijfsmatige teelt, (in)verkoop- en handel in softdrugs, gestart met het onderzoek genaamd [naam]. Er werden op grond hiervan opsporingsmiddelen ingezet op (onder meer) genoemde[medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 3].

- Uit de opsporingsmiddelen ingezet op [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] bleek dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] regelmatig (vanuit kniplocaties) een bezoek brachten aan de[bedrijf] gelegen aan [adres] Dit bedrijf betreft een groothandel in tuinbouwartikelen waarvan verdachte en medeverdachte

[mededader] eigenaar zijn. [bedrijf] levert artikelen aan – onder meer – hennepkwekerijen zoals voedingsproducten, kabels, knipmachines en drogerijen.

- Uit de opsporingsmiddelen bleek verder dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in het kader van hennepgerelateerde werkzaamheden contacten onderhielden met ondermeer medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] en met een groep personen welke zij gebruikten voor het verwerken (knippen) van hennepplanten, waaronder[medeverdachte 5].

- Bij het onderzoeksteam ontstond op grond van informatie die uit tapgesprekken tussen [medeverdachte 1]/[medeverdachte 3] en verdachte en/of [mededader] naar voren kwam alsmede uit de bezoeken van [medeverdachte 3] aan [bedrijf], het vermoeden dat het bedrijfspand van [bedrijf], door de vermeende criminele organisatie van [medeverdachte 1] gebruikt werd als opslag/drogerij van (de kort tevoren geknipte) hennep.

- Uit observaties en tapgesprekken in de periode mei - augustus 2008 blijkt dat hennep is geknipt – onder meer –:

o op 22 mei 2008, 4 juni 2008, 2, 3 en 5 juli 2008 en 7 augustus 2008 op de[loatie 1];

o op 14 en 16 juni 2008 op de [loatie 2];

o op 11 juli 2008 op de[loatie 3];

o op 28 juli 2008 op de[loatie 4];

- Uit de opgenomen telefoongesprekken blijkt dat er op en/of rond de knipdagen 22 mei, 16 juni, 2 juli, 3 juli, 5 juli, 11 juli en 28 juli telefonisch contact is tussen [medeverdachte 3] en verdachte en/of [mededader]. Daarnaast blijkt uit observaties en bakengegevens dat [medeverdachte 3] op een aantal knipdata (meerdere keren) een bezoek bracht aan [bedrijf].

- In de periode 9 -12 juli 2008 heeft verdachte contact met [medeverdachte 1] waarbij het gaat over “spullen” die verdachte van [medeverdachte 1] krijgt. Verdachte zegt vervolgens dat het ‘te grof’ is en dat het moet worden omgewisseld.

- In de nacht van 21 op 22 augustus 2008 wordt door de politie een zogenoemde inkijkoperatie in het pand[adres] uitgevoerd. Hierbij werd vastgesteld dat in de loods van[adres] een witte zeecontainer stond en dat er materialen lagen toebehorend aan een zogenoemde growshop.

- In de nacht van 26 op 27 augustus 2008 wordt er melding gedaan van een inbraakalarm bij het bedrijf [bedrijf] te[adres]. Als de politie ter plaatse komt, treffen zij verdachte aan. Op grond van het waarnemen van hennepgeur wordt vervolgens het pand doorzocht en wordt in een container een droogruimte aangetroffen waarop henneptoppen liggen te drogen. Verder worden diverse hoeveelheden verpakte hennep en hennepresten aangetroffen. In totaal is er een hoeveelheid van ruim 33 kilogram henneptoppen aangetroffen en in beslag genomen. Verdachte heeft verklaard dat de aangetroffen hennep van hem is.

A2.1

Anders dan de advocaat-generaal kan naar het oordeel van het hof, tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is weergegeven, niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, voor zover het betreft het telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken van hennep. Immers kan enkel worden vastgesteld dat er op zogenoemde knipdagen telefonisch contact is geweest tussen [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en verdachte en/of [mededader] en dat [medeverdachte 3] op een aantal knipdagen een bezoek bracht aan [adres]

Echter niet kan onomstotelijk worden vastgesteld of die bezoeken van [medeverdachte 3] aan[adres] verband hielden met het wegbrengen van (te drogen/voor opslag bestemde) hennep. Ook uit de inhoud van de telefoongesprekken kan hieromtrent onvoldoende worden afgeleid. Het hof overweegt in dit verband in het bijzonder dat, gelet op de aard van het bedrijf [bedrijf], namelijk het verhandelen van Growshop materialen en het verhuren van knipmachines, het niet uitgesloten kan worden dat [medeverdachte 3] contact had met verdachte en/of [mededader] in verband met door [bedrijf] te leveren (aanverwante) tuinbouwproducten en/of in verband met de huur van een knipmachine.

Uit het telefoongesprek met [medeverdachte 1] omtrent de geleverde spullen en het omwisselen omdat het ‘te grof’ was, kan het hof, mede gelet op de aannemelijke verklaring van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] hierover, ook niet afleiden dat het in dat geval om geleverde hennep gaat. Hetgeen is aangetroffen tijdens de inkijkoperatie in de nacht van 21 op 22 augustus 2008 kan evenmin leiden tot bewezenverklaring van dit gedeelte van het onder 1 ten laste gelegde.

A2.2

Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof evenmin wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte als deelnemer betrokken is geweest bij de criminele organisatie van [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] zoals onder 2 ten laste is gelegd.

Op grond van de telefonische contacten die er zijn geweest tussen verdachte en/of [mededader] en leden van de genoemde criminele organisatie en de bezoeken afgelegd door leden van de criminele organisatie aan het bedrijf van verdachte en [mededader], kan niet meer worden vastgesteld dan dat verdachte contact had met personen van die organisatie en dat zijn bedrijf (op knipdagen) werd bezocht door personen van die organisatie, hetgeen gelet op de aard van het bedrijf [bedrijf], niet vreemd hoeft te zijn. Verdachte en [mededader] hebben immers ook verklaard dat hun bedrijf zeer regelmatig werd gebeld en bezocht in verband met levering van gemalen erwten, potaarde, kabeltjes of voor de verhuur van een knipmachine. Het hof is niet gebleken dat deze verklaringen onjuist of onbetrouwbaar zijn. Derhalve stelt het hof vast dat verdachte in het kader van zijn bedrijf weliswaar contact had met personen uit de voornoemde organisatie en aan deze personen c.q. organisatie wellicht diensten heeft geleverd en/of goederen heeft verkocht, maar dat het hof overigens niet is gebleken dat verdachte een zodanige betrokkenheid bij die organisatie had dat van het opzettelijk ‘deelnemen’ daaraan in de zin van art. 11 van de Opiumwet kan worden gesproken.

A3

Gelet op het vorenstaande acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, voor zover het betreft het telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken van hennep in de periode 1 augustus 2007 tot en met 19 januari 2009 en acht het hof evenmin wettig en overtuigen bewezen dat verdachte deelnemer is geweest van een criminele organisatie zoals onder 2 primair en subsidiair ten laste is gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht met de advocaat-generaal en de verdediging wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 27 augustus 2008 te Ravenstein opzettelijk aanwezig heeft gehad, op het perceel [adres]een grote hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht, zoals hiervoor onder A overwogen, niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, aanhef en onder C van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid en vijfde lid van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

B1

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

B2

Het hof heeft acht geslagen op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op de omstandigheid dat drugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend. Het hof houdt daarnaast rekening met de omstandigheid dat verdachte het bewezen verklaarde feit heeft gepleegd in augustus 2008 terwijl verdachte in 2004 ook is veroordeeld in verband met handelen in strijd met artikel 3 van de Opiumwet.

B3

Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat in beginsel niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Volgens de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, zou voor overtreding van artikel 3, onder B, van de Opiumwet bij een hoeveelheid van 500 tot 1000 hennepplanten, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 weken als passend kunnen worden beschouwd.

Het hof zoekt, gelet op de bij verdachte aangetroffen hoeveelheid van 33 kilogram hennep, hetgeen enigszins vergelijkbaar is met 500-1000 planten, aansluiting bij dit oriëntatiepunt.

B4

Bij de straftoemeting heeft het hof anderzijds rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht, alsmede het feit dat na het tijdstip waarop het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden inmiddels ruim twee en een half jaar is verstreken en verdachte in de tussenliggende periode zich niet schuldig heeft gemaakt aan (andere) strafbare feiten.

B5

Het hof vindt in het vorenstaande aanleiding om verdachte niet te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, doch tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor na te melden duur alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Beslag

Van hetgeen in beslag genomen en nog niet teruggegeven is, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 bewezen verklaarde oplevert:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond van het feit dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- een geldbedrag van € 26.750,00

- een videocamera

- een videorecorder

- een vacuümpomp

- een zegeltang

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. F.P.E. Wiemans,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Blokx- van Roosmalen, griffier,

en op 15 februari 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.