Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP4421

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-02-2011
Datum publicatie
14-02-2011
Zaaknummer
20-003270-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van oplichting, opzet- en schuldheling en verduistering betrekking hebbende op cheque dan wel enig geldbedrag; het wel bewezen verklaarde kan niet leiden tot kwalificatie van enig strafbaar feit; ontbreken bestanddelen in de tenlastelegging; ontslag van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003270-09

Uitspraak : 11 februari 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 september 2009 in de strafzaak met parketnummer

01-820644-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1959],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende verdachte zal veroordelen tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis, ter zake van:

- primair: de primair ten laste gelegde oplichting;

- subsidiair: de subsidiair ten laste gelegde schuldheling;

- meer subsidiair: de meer subsidiair ten laste gelegde verduistering.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij in of omstreeks de periode 11 augustus 2008 tot en met 27 oktober 2008 te Eindhoven met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[bedrijf], althans een bank, heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag € 7500, in elk geval van enig goed, immers is verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid met een cheque (van de [bedrijf 2]) welke cheque door verdachte of een andere persoon op zijn, verdachtes, naam gesteld was en welke cheque hem, verdachte, niet toekwam, naar het [bedrijf] aan de [adres] gegaan en heeft verdachte zich ten overstaan van (een) medewerker(s) van voornoemd kantoor voorgedaan als de rechthebbende van/op die cheque en/of het op die cheque genoemde bedrag van € 7500, waardoor de [bedrijf]en/of een andere bank werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 9 augustus 2008 tot en met 27 oktober 2008 te Helmond en/of te Eindhoven, in elk geval in Nederland, een cheque en/of het aan die cheque gekoppelde waarde bedrag van € 7500 heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die cheque en/of het aan die cheque gekoppelde waarde bedrag van € 7500 wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren)/geldbedrag(en) betrof;

meer subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 9 augustus 2008 tot en met 27 oktober 2008 te Eindhoven opzettelijk een cheque en/of het aan die cheque gekoppelde waarde bedrag van € 7500, in elk geval enig goed/geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) cheque verdachte anders dan door misdrijf onder zich had -hij, verdachte, ontving de op zijn naam gestelde cheque via de post van een Amerikaans/Nigeriaans internetcontact- zich heeft toegeëigend.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

1. primair.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is het hof van oordeel dat, gelet op de door verdachte ter zitting in hoger beroep afgelegde verklaring over de wijze waarop hij in het bezit is gekomen van deze op zijn naam gestelde en door hem bij de [bedrijf] ingewisselde cheque van de [bedrijf 2] en op grond van de door verdachte aan de politie verstrekte en aan het dossier toegevoegde enveloppe, niet bewezen kan worden dat hij wist dat deze cheque van misdrijf afkomstig was.

Mitsdien acht het hof het in de tenlastelegging opgenomen bestanddeel “met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen” niet wettig en overtuigend bewezen en dient hij van de primair ten laste gelegde oplichting te worden vrijgesproken.

2. subsidiair

Wegens het ontbreken van deze onder 1. bedoelde wetenschap (‘wist’) acht het hof tevens de subsidiair ten laste gelegde opzetheling niet bewezen.

Evenmin acht het hof bewezen dat verdachte, gelet op de omstandigheden waaronder hij in het bezit is gekomen van de cheque, redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze van misdrijf afkomstig was.

Mitsdien dient verdachte van zowel de subsidiair ten laste gelegde opzet- als schuldheling te worden vrijgesproken.

3. meer subsidiair

3.1 Blijkens de verklaring van verdachte afgelegd ter zitting in hoger beroep was hij aanvankelijk, te weten ten tijde van het innen bij de [bedrijf] van de cheque met een waarde van € 7500,=, nog van plan de belofte, inhoudende het overmaken van dit geldbedrag aan de persoon die hem deze cheque had toegezonden, na te komen. Eerst later heeft hij het plan opgevat en is hij vervolgens ook overgegaan tot het zich toe-eigenen van het inmiddels op zijn rekening gestorte bedrag van € 7500,=.

3.2. Aangezien geen andersluidend scenario is gebleken, is het hof van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte, zoals ten laste gelegd, van de aanvang af opzettelijk zich deze cheque, die hij anders dan door misdrijf onder zich had, heeft toegeëigend.

Mitsdien spreekt het hof verdachte vrij van de meer subsidiair door de steller van de tenlastelegging bedoelde verduistering van de cheque.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het impliciet meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 9 augustus 2008 tot en met 27 oktober 2008 te Eindhoven opzettelijk een geldbedrag toebehorende aan een ander dan aan verdachte zich heeft toegeëigend.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan is bewezen verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen worden in het geval van beroep in cassatie vermeld in de aanvulling als bedoeld in artikel 365a van het Wetboek van Strafvordering, welke aanvulling in dat geval aan het arrest wordt gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het hof is van oordeel dat het bewezen verklaarde niet als misdrijf is voorzien en strafbaar gesteld. Het hof overweegt daartoe het volgende.

De steller van de tenlastelegging heeft mogelijk bedoeld aan verdachte ook verduistering van enig geldbedrag ten laste te leggen, doch de hiervoor vereiste bestanddelen, te weten “enig geldbedrag dat hij anders dan door misdrijf onder zich had” en “wederrechtelijk zich heeft toegeëigend” ontbreken in de tenlastelegging en zijn mitsdien ook niet bewezen verklaard.

Diefstal van enig geldbedrag, zoals voorzien en strafbaar gesteld in artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht, zou mogelijk eveneens (impliciet) door de steller van de tenlastelegging in het meer subsidiaire gedeelte bedoeld kunnen zijn.

Het hof komt echter ook niet toe aan de kwalificatie van dit strafbare feit, nu de voor dit misdrijf vereiste bestanddelen “oogmerk” en “wederrechtelijk” niet in de tenlastelegging zijn opgenomen en mitsdien evenmin door het hof bewezen zijn verklaard.

Gelet op het vorenoverwogene kan het bewezen verklaarde niet leiden tot kwalificatie van enig strafbaar feit. Verdachte zal mitsdien van alle rechtsvervolging worden ontslagen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het meer subsidiair (met betrekking tot het geldbedrag) ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard (met betrekking tot de cheque) en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het meer subsidiair bewezen verklaarde feit niet strafbaar.

Ontslaat verdachte met betrekking tot dat feit van alle rechtsvervolging.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. M.E.F.H. van Erve en mr. J.W.A. Nieuwenhuijsen,

in tegenwoordigheid van mr. A.R. Veldt, griffier,

en op 11 februari 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.W.A. Nieuwenhuijsen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.