Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP4348

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
14-02-2011
Zaaknummer
HV 200.063.954
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De man heeft zijn stellingen met betrekking tot zijn reële dan wel in redelijk te verwerven inkomen niet met bescheiden onderbouwd. Daarom gaat het hof voor de vaststelling van de draagkracht van de man tot betaling van alimentatie uit van een inkomen dat de man bij zijn voormalige werkgever had kunnen verdienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 9 februari 2011

Zaaknummer: HV 200.063.954/01

Zaaknummer eerste aanleg: 192909 / FA RK 09-2511

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. A.A.J.L. van Elk de Freese,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. H.P. Janssen-Wikkers.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 februari 2010.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 april 2010, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor wat betreft de daarin vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud van de kinderen en, opnieuw rechtdoende, de vrouw in haar oorspronkelijk verzoek om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar dat verzoek te ontzeggen als zijnde rechtens ongegrond en onbewezen.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 juli 2010, heeft de vrouw verzocht de man in zijn verzoeken niet ontvankelijk te verklaren dan wel de verzoeken van de man af te wijzen als zijnde niet bewezen en ongegrond en de bestreden beschikking dienaangaande te bekrachtigen.

Tevens heeft de vrouw incidenteel appel ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor wat betreft de daarin vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en, opnieuw rechtdoende, deze bijdrage vast te stellen op een bedrag van € 375,-- per kind per maand en deze beschikking verder aan te vullen in die zin dat het hof zal bepalen dat de man naast de in voornoemde beschikking vastgestelde kinderalimentatie van € 375,-- per kind per maand heeft te voldoen een bijdrage in de kosten van levensonderhoud voor de vrouw van € 950,-- per maand.

2.2.1. Bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 26 augustus 2010, heeft de man verzocht de vrouw in haar incidentele grieven niet ontvankelijk te verklaren althans haar deze grieven te ontzeggen als zijnde rechtens ongegrond en onbewezen met bekrachtiging van de beschikking, waarvan beroep, ten aanzien van deze grieven.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 januari 2011. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door mr. A.A.J.L. van Elk de Freese

- de vrouw, bijgestaan door mr. H.P. Janssen-Wikkers.

3. De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1. Partijen zijn op 4 oktober 1997 met elkaar getrouwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [A.] (hierna: [kind 1.]), op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats],

- [B.] (hierna: [kind 2.]), op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats],

- [C.] (hierna: [kind 3.]), op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats].

De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 19 augustus 2010 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3. Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van bovengenoemde kinderen moet voldoen een bedrag van € 290,-- per kind per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.4. Partijen kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5. De grieven van partijen richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de draagkracht van zowel de man als de vrouw, alsmede de (aanvullende) behoefte van de vrouw.

Daarnaast heeft de man gesteld dat het recht van de vrouw op alimentatie is geëindigd op het moment dat de vrouw is gaan samenwonen met haar nieuwe partner.

Samenwonen vrouw

3.6. Ter terechtzitting is gebleken dat de echtscheidingsbeschikking op 19 augustus 2010 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Nu de vrouw ter zitting onweersproken heeft gesteld dat zij met de kinderen met ingang van 27 juli 2010 over zelfstandige woonruimte beschikt en de nieuwe partner daar niet met haar samenwoont, heeft de man zijn stelling, dat de vrouw haar recht op alimentatie heeft verspeeld omdat zij ten tijde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking samenwoonde met een ander in de zin van artikel 1:160 BW, niet langer gehandhaafd.

Behoefte kinderen

3.7. De behoefte van de kinderen ad € 375,-- per kind per maand, zoals deze door de rechtbank is vastgesteld, is in hoger beroep niet in geschil.

Behoefte vrouw

3.7. De behoefte van de vrouw aan de verzochte onderhoudsbijdrage ad € 950,-- per maand is in hoger beroep wel in geschil.

3.8. Zoals uit de bestreden beschikking blijkt is de rechtbank niet toegekomen aan de vaststelling van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw, aangezien de rechtbank oordeelde dat bij betaling door de man van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 290,-- per kind per maand de grens van zijn draagkracht is bereikt.

3.9. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking ter bepaling van de behoefte van de kinderen als uitgangspunt genomen een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 3.600,-- per maand. Nu geen van partijen daartegen een grief heeft aangevoerd, zal voor de vaststelling van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw het hof eveneens uitgaan van dit netto besteedbaar gezinsinkomen.

Op dit gezinsinkomen worden de door de rechtbank vastgestelde kosten van de kinderen van in totaal afgerond € 1.125,-- in mindering gebracht.

Van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen wordt op grond van het Rapport Alimentatienormen aan de vrouw 60% toegerekend wegens de hogere kosten van het niet langer voeren van een gezamenlijke huishouding.

Op grond van de hierboven vermelde gegevens becijfert het hof de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw aldus op € 1.485,-- netto per maand.

3.11. De man heeft aangevoerd dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien. De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist. Ter zitting heeft de vrouw onweersproken gesteld dat zij deels arbeidsongeschikt is en wel naar een percentage van 25/30% en dat zij een WAO uitkering ontvangt van € 390,68 per maand en een invaliditeitspensioen van € 86,37 per maand.

3.11.1. Het hof oordeelt als volgt:

Vaststaat dat de vrouw, die thans 42 jaar is, in 1998 in de ziektewet terecht is gekomen en dat zij tot op heden een WAO-uitkering ontvangt. De vrouw heeft sinds jaren niet meer deelgenomen aan het arbeidsproces en gedurende het huwelijk van partijen heeft zij grotendeels voor de kinderen gezorgd.

Thans hebben de kinderen, die inmiddels 7, 5 en 3 jaar oud zijn, het hoofdverblijf bij de vrouw en worden zij door haar verzorgd en opgevoed.

Gezien deze omstandigheden en mede gelet op de situatie op de arbeidsmarkt valt thans niet vast te stellen wanneer de vrouw geheel in haar eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien. Wel kan van haar worden verwacht dat zij zich inspant om eigen inkomen uit arbeid te verwerven. De aanvullende behoefte van de vrouw aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud is dan ook voldoende aannemelijk geworden.

Gelet op het vorenoverwogene becijfert het hof deze aanvullende behoefte van de vrouw op een bedrag van afgerond € 1.008,-- netto per maand.

Hieruit volgt dat de vrouw in ieder geval behoefte heeft aan het door haar gevraagde bedrag van € 950,-- bruto per maand.

Draagkracht

3.12. De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om enige bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw en in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te voldoen.

3.13. Met betrekking tot de financiële situatie van de man gaat het hof uit van de volgende gegevens. Voor zover die gegevens in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

A. Inkomen van de man

3.14. Zoals uit de bestreden beschikking blijkt, heeft de rechtbank de man in de gelegenheid gesteld nadere gegevens over te leggen betreffende zijn mogelijke WW-uitkering dan wel andere inkomensgegevens.

De man heeft de rechtbank laten weten hiertoe niet tijdig in staat te zijn.

3.14.1. Het hof stelt vast dat de man ook in hoger beroep heeft verzuimd verificatoire bescheiden in het geding te brengen die zijn stellingen onderbouwen.

Zo heeft de man gesteld dat hij na een arbeidsconflict met zijn werkgever is ontslagen en dat is komen vast te staan dat dit ontslag niet door eigen toedoen is ontstaan. De man heeft ook in hoger beroep daarvan geen bescheiden overgelegd, zoals de uitspraak van de kantonrechter waaruit dit had kunnen blijken en waaruit tevens zou kunnen blijken of de man een ontbindingsvergoeding heeft ontvangen.

3.14.2. De man heeft gesteld dat hij met ingang van 1 januari 2010 eerst een ziektewetuitkering heeft ontvangen, op enig moment gevolgd door een WW-uitkering.

Op grond van deze WW-uitkering zou het besteedbaar inkomen van de man € 2.390,-- per maand bedragen. Voorts heeft de man gesteld dat hij met ingang van 1 februari 2011 met zijn huidige partner een dierenartspraktijk gaat starten in [vestigingsplaats 1.] en dat hij in de tussenliggende periode niet in staat is geweest inkomen uit arbeid te generen, omdat hij gebonden was aan het concurrentiebeding dat in zijn arbeidsovereenkomst was opgenomen, welk beding inhield dat hij tot 1 januari 2011 in de omgeving van [vestigingsplaats 2.] geen eigen dierenpraktijk mocht beginnen.

3.14.3. De vrouw heeft daartegenover gesteld dat de man nimmer enig bewijs naar voren heeft gebracht dat hij tot 1 januari 2011 vanwege het concurrentiebeding geen inkomsten uit arbeid zou kunnen verwerven. Daarnaast heeft de vrouw gesteld dat het concurrentiebeding slechts een beperkte regio betrof, de man tijdens het huwelijk van partijen regelmatig van werkgever is veranderd, dat zij in verband daarmee regelmatig zijn verhuisd en dat de man nooit problemen heeft gehad met het vinden van werk. De vrouw heeft via internet lijsten met vacatures aan de man overgelegd.

3.14.4. Het hof stelt vast dat door de man geen bescheiden zijn overgelegd die zijn stellingen onderbouwen ter zake van de hoogte en periode van de WW-uitkering, ter zake van reële belemmeringen door het concurrentiebeding en de op te starten dierenartspraktijk van de man.

Voorts is het hof niet gebleken dat de man, vanaf het moment dat hij een WW-uitkering ontvangt, zich heeft ingespannen om inkomsten uit arbeid te verwerven.

Niet gebleken is dat de man actief heeft gesolliciteerd naar een dienstbetrekking dan wel zich beschikbaar heeft gesteld als waarnemer. Ter zitting zei de man te duur te zijn als waarnemer en slechts enkele dagen als waarnemer te hebben gewerkt in een dierenartsenpraktijk, doch ook daarvan heeft hij geen bescheiden in het geding gebracht.

3.14.5.Het hof is van oordeel dat, nu de vrouw de stellingen van de man met betrekking tot zijn reële dan wel in redelijkheid te verwerven inkomen gemotiveerd heeft betwist, het op de weg van de man had gelegen zijn stellingen nader te onderbouwen.

3.15. Genoegzaam is komen vast te staan dat de man in zijn dienstbetrekking bij dierenartspraktijk [vestigingsplaats 3.] een bruto-inkomen had kunnen verdienen van € 70.000,-- per jaar, zoals valt te lezen in de e-mails van de man die opgenomen zijn in het door de man overgelegde verzoekschrift ontbinding arbeidsovereenkomst met deze werkgever. De man heeft ter zitting toegegeven dat hij bij deze werkgever niet heeft aangedrongen op dit hogere salaris, omdat hij er dan zelf niets aan zou hebben en het slechts zou leiden tot een hogere alimentatie.

Uit de door de vrouw bij verweerschrift in hoger beroep overgelegde salarisspecificatie van de voormalige werkgever van de man, Intervet International BV, is gebleken dat de man in 2008 een jaarsalaris verdiende van € 69.772,--.

3.15.1. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat de man in staat moet zijn geweest ook na de ontbinding van zijn laatste dienstbetrekking, doch in ieder geval met ingang van 19 augustus 2010, de datum waarop in het kader van de onderhavige procedure de draagkracht van de man moet worden vastgesteld, een bruto-inkomen van € 70.000,-- te verdienen. Het hof neemt dit inkomen als uitgangspunt voor de beoordeling van de draagkracht van de man.

Het hof kan bij gebrek aan gegevens over het reële inkomen van de man niet nagaan hoe groot het verschil is tussen deze inkomsten en de verdiencapaciteit waar het hof van uitgaat.

Voor zover de reële inkomsten lager zijn, betrekt het hof in zijn overweging dat de man de € 42.000,-- die hij uit de overwaarde van de echtelijke woning heeft ontvangen eventueel kan aanwenden om aan zijn onderhoudsverplichting te voldoen. De stelling van de man dat dit bedrag door hem zo goed als volledig is besteed komt het hof niet zonder meer aannemelijk voor. De grieven 1 en 2 van de man falen, terwijl grief 6 van de vrouw slaagt.

Ter zitting heeft de man grief 3 ingetrokken, zodat die geen bespreking behoeft.

De man zou bij een inkomen uit arbeid recht hebben op de volgende heffingskortingen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting;

maar niet meer dan de ingehouden loonheffing.

B. Lasten van de man

Wwb-normbedrag

Het hof houdt rekening met het op de Wet werk en bijstand (Wwb) gebaseerde normbedrag, exclusief de ondergrens woonkostencomponent, voor een zelfstandig wonende alleenstaande, inclusief de maximale toeslag, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

Woonlasten

De man heeft in [plaatsnaam] een woning gekocht voor € 145.000,-- en hij is ter financiering van deze woning een geldleningsovereenkomst bij de partner van zijn moeder aangegaan voor een bedrag van € 172.000,-- tegen een rentepercentage van 6,25%.

Met de vrouw acht het hof een rentepercentage van 6,25% in het licht van de in de huidige markt gebruikelijke rentepercentages bovenmatig. Het hof zal daarom in redelijkheid uitgaan van een rentepercentage van 5%, hetgeen neerkomt op een hypotheekrente van afgerond

€ 717,-- per maand.

Voorts wordt rekening gehouden met forfaitaire eigenaarlasten van € 95,-- per maand.

Met betrekking tot de woonlasten overweegt het hof dat, nu de man samenwoont en per 1 februari 2011 met zijn huidige partner een dierenartspraktijk gaat opstarten, deze partner in staat moet worden geacht in haar eigen levensonderhoud te voorzien en voor de helft bij te dragen in de woonlasten van de man.

Dat betekent dat aan hypotheekrente rekening wordt gehouden met een bedrag van € 358,-- per maand en aan forfaitaire eigenaarlasten € 47,50 per maand.

Ziektekosten

Het hof houdt rekening met de navolgende maandelijkse lasten:

€ 130,79 aan basispremie Zorgverzekeringswet (ZVW);

€ 195,-- aan inkomensafhankelijke premie ZVW;

€ 13,00 aan verplicht eigen risico;

minus € 43,00 zijnde het in het Wwb-normbedrag begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande.

Kosten zorgregeling

De kosten van de zorgregeling zijn in hoger beroep niet in geschil.

Het hof houdt evenals de rechtbank rekening met de verblijfkosten verbonden aan de zorgregeling ad € 167,50 per maand en reiskosten ad € 102,-- per maand.

Rente en aflossing schulden

Evenals de rechtbank zal het hof rekening houden met een aflossing van € 130,-- per maand op de studieschuld van de man. Het hof acht het te billijken dat de man deze schuld niet vervroegd heeft afgelost gezien de financieel onzekere situatie waarin hij door de echtscheiding en ontslag is komen te verkeren.

Grief 8 van de vrouw faalt dus.

Vaststelling van de alimentatie

3.16. Bovengenoemd inkomen van de man resulteert in een netto besteedbaar inkomen van ongeveer € 3.807,-- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende fiscale aspecten: de hiervoor genoemde toepasselijke heffingskortingen, de helft van het eigenwoningforfait, welk forfait het hof evenals de rechtbank becijfert op in totaal € 946,--, en de helft van de redelijk geoordeelde hypotheekrente betreffende de woning van de man.

3.16.1. Na aftrek van voormelde lasten van het bovenstaande netto besteedbaar inkomen heeft de man een draagkrachtruimte van € 2.419,-- per maand. Daarvan is 70% beschikbaar voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en voor het overige 60% voor een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw.

3.16.2. Op grond van hetgeen hierboven is overwogen en rekening houdend met alle relevante fiscale aspecten is het hof van oordeel dat de man in staat moet worden geacht een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen te leveren van € 375,-- per kind per maand en daarnaast een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw van € 529,-- per maand.

Grief 5 van de man faalt, terwijl grief 4 van de vrouw slaagt.

3.16.3. De vrouw is met haar inkomen uit WAO, invaliditeitspensioen en de hierboven vastgestelde partneralimentatie, mede gelet op de door haar verschuldigde huur van € 620,-- per maand, niet in staat een bijdrage te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen, zoals door de man is betoogd.

Grief 4 van de man faalt mitsdien.

De beschikking waarvan beroep, dient dus gedeeltelijk te worden vernietigd.

4. De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 1 februari 2010, voor zover daarbij is bepaald dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen moet betalen van € 290,-- per kind per maand en voor zover daarbij het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud is afgewezen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van

- [A.] geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats],

- [B.] geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats], en

- [C.] geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats]

zal voldoen een bedrag van € 375,-- per kind per maand met ingang van 19 augustus 2010, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

bepaalt voorts dat de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal voldoen een bedrag van € 529,-- per maand met ingang van 19 augustus 2010, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Renckens, Mertens-Steeghs en Van Teeffelen en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2011.