Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP3921

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
10-02-2011
Zaaknummer
HD 200.012.693
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toetsing of openbaarmaking op website onrechtmatig is, (mede) aan de hand van de Wet bescherming persoonsgegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.012.693

arrest van de zesde kamer van 1 februari 2011

in de zaak van

STICHTING DOCUMENTATIE- EN INFORMATIECENTRUM DE STELLING,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

[X.],

wonende te [woonplaats] (België),

geintimeerde,

advocaat: mr. J. van Zinnicq Bergmann,

op het bij exploot van dagvaarding van 30 juli 2008 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch onder zaaknummer 175262/KG ZA 08-299 gewezen vonnis van 4 juli 2008 tussen appellant – De Stichting – als gedaagde en geïntimeerde – [X.] – als eiser.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het beroepen vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft De Stichting onder overlegging van producties twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en, kort gezegd, tot afwijzing alsnog van de vorderingen van [X.].

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [X.] onder overlegging van producties de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de exacte tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 Geen grieven zijn gericht tegen de feiten als vastgesteld door de rechtbank in rechtsoverweging 2 van het beroepen vonnis. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet voldoende gemotiveerd betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van de relevante feiten.

(a) De Stichting heeft op haar website www.stelling.nl meerdere artikelen (prod. 1 inl. dagv.) geplaatst of doen plaatsen, waarin beweringen over [X.] worden gedaan. De artikelen (de bewuste artikelen) zijn geplaatst in de jaren 2000 en 2005 tot en met 2007.

(b) De website van De Stichting is een elektronische versie van een sedert begin 1977 bestaande en door haar uitgegeven papieren versie “Kleintje Muurkrant”. Blijkens het colofon van de website wil Kleintje Muurkrant via het openbaar maken van feiten, het geven van achtergrondinformatie en het plaatsen van discussiestukken, het verzet tegen misstanden in de maatschappij aanwakkeren en haarzelf en anderen aanzetten tot het zelfstandig kritisch denken en handelen en tegelijkertijd een platformfunctie vervullen voor actiegroepen in [plaatsnaam] en verre omgeving. Kleintje Muurkrant staat open voor een ieder die hieraan een bijdrage wil leveren. Het is mogelijk om via het gastenboek een reactie toe te voegen alsook direct een reactie te plaatsen naar aanleiding van de artikelen op de website.

(c) Bij brief van 4 januari 2008 heeft de raadsman van [X.] De Stichting gesommeerd om de artikelen waarin beweringen over [X.] worden gedaan van de website te verwijderen.

(d) De Stichting heeft de sommatie naast zich neergelegd.

4.2. In eerste aanleg heeft [X.] gevorderd:

a – De Stichting te veroordelen om de persoonsgegevens van [X.] van haar website te verwijderen, op straffe van een dwangsom;

b – De Stichting te verbieden om in het vervolg persoonsgegevens van [X.] op haar website de (laten) plaatsen, op straffe van een dwangsom;

c – veroordeling van De Stichting in de proceskosten.

4.3. De rechtbank heeft de vordering tot verwijdering van de persoonsgegevens (4.2 sub a) toegewezen, en de vordering om in het vervolg persoonsgegevens te plaatsen (4.2 sub b) afgewezen, onder compensatie van de proceskosten.

4.4. Aangezien [X.] woont in België heeft het geschil internationale aspecten, zodat moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is er kennis van te nemen. Dit is het geval: het geschil betreft een handelszaak als bedoeld in artikel 1 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-verordening). Nu De Stichting in eerste aanleg is verschenen voor de Nederlandse rechter zonder diens bevoegdheid te betwisten, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht ingevolge artikel 24 van genoemde verordening.

4.5. Partijen hebben zich niet uitgelaten over het toepasselijke recht. Het hof begrijpt (ambtshalve) uit het feit dat partijen – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep - in hun stellingen aansluiting zoeken bij het Nederlandse recht, terwijl tegen toepassing door de rechtbank van het Nederlandse recht ook niet is gegriefd, dat partijen – voor zover noodzakelijk - voor toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen.

4.6. [X.] stelt dat, alhoewel hoger beroep is ingesteld, De Stichting nadien bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt in het bestreden vonnis te berusten. Immers, De Stichting heeft meer dan twee jaar geen proceshandelingen verricht en nadat de zaak op 19 januari 2010 ambtshalve is geroyeerd, heeft De Stichting pas 9 maanden later actie ondernomen.

Het hof stelt voorop dat van berusting slechts sprake kan zijn ingeval de in het ongelijk gestelde partij na de uitspraak jegens de wederpartij een houding heeft aangenomen waaruit in het licht van de omstandigheden van het geval ondubbelzinnig blijkt dat zij zich bij de uitspraak neerlegt. Indien de wederpartij uit haar uitlatingen heeft afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze heeft mogen afleiden dat de in het ongelijk gestelde partij op ondubbelzinnige wijze haar wil om in het vonnis te berusten tot uitdrukking heeft gebracht, kan jegens die wederpartij op het ontbreken van die wil geen beroep worden gedaan. Berusting kan ook blijken uit gedragingen of uit een proceshouding waaruit in het licht van de omstandigheden van het geval blijkt dat iemand zich ondubbelzinnig bij de uitspraak heeft neergelegd.

In het licht van het vorenstaande heeft [X.] onvoldoende duidelijk concrete feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat De Stichting bij hem de gerechtvaardigde indruk heeft gewekt in het bestreden vonnis te berusten. Het enkele feit dat De Stichting lange tijd geen proceshandelingen heeft verricht is daartoe onvoldoende, ook al gaat het hier op een kort geding.

4.7. Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een spoedeisend belang (4.8). Grief 2 is gericht tegen de toewijzing door de rechtbank van de vordering tot verwijdering van de persoonsgegevens (4.9-4.27).

Het hof zal de grieven hierna afzonderlijk behandelen.

4.8. [X.] stelt dat De Stichting door haar weigering de bewuste artikelen van haar website te verwijderen, de eer en goede naam van [X.] aantast.

Nu een dergelijke vordering naar haar aard spoedeisend is, kan [X.] naar het voorlopig oordeel van het hof worden ontvangen in deze vordering en staat tevens de bevoegdheid van het hof als voorzieningenrechter vast. Derhalve faalt grief 1.

4.9. Ter onderbouwing van de vordering tot verwijdering van de bewuste artikelen van de website legt [X.] deze artikelen – circa 20 in getal - over, en stelt dat hierin beweringen over [X.] worden gedaan die onjuist, onvolledig en niet ter zake dienend zijn. Nu De Stichting voor het gebruik van zijn persoonsgegevens geen toestemming heeft verkregen van [X.] en voor dit gebruik ook geen noodzaak bestaat, handelt De Stichting in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens (WBP), en derhalve onrechtmatig. Aangezien [X.] in de bewuste artikelen in verband wordt gebracht met ‘de Hakkelaar’ en witwaspraktijken, is zijn eer en goede naam aangetast en lijdt hij schade, aldus [X.].

4.10. De Stichting voert onder meer het verweer dat de bewuste artikelen het karakter hebben van perspublicaties, zodat de WBP niet van toepassing is. Of artikelen over [X.] worden gepubliceerd mag niet afhankelijk zijn van zijn toestemming, nu anders de vrije pers aan banden zou worden gelegd. Verder wijst De Stichting erop dat [X.] destijds is gearresteerd vanwege zijn banden met ‘De Hakkelaar’, terwijl [X.] bovendien ook in publicaties van andere media in verband wordt gebracht met ‘De Hakkelaar’. De (vriendschappelijke) band met ‘De Hakkelaar’ maakt [X.] tot een persoon die door de pers kritisch mag worden gevolgd, aldus De Stichting.

4.11. Nu het gaat om oudere artikelen en de website van De Stichting blijkens de kopie van haar homepage van 11 april 2008 (prod. 1 eerste aanleg De Stichting) over een archief beschikt, neemt het hof aan dat de bewuste artikelen ten tijde van het instellen van de onderhavige vordering tot verwijdering van de artikelen, in het archief waren geplaatst. Het hof gaat er derhalve vanuit dat de vordering tot verwijdering van artikelen erop is gericht dat de bewuste artikelen uit het archief van de website van De Stichting worden verwijderd.

4.12. Het hof begrijpt het betoog van [X.] aldus dat hij twee zelfstandige grondslagen voor zijn vordering tot verwijdering van de bewuste artikelen uit het archief aanvoert, namelijk:

(1) dat reeds de aanvankelijke publicaties van de afzonderlijke artikelen in de jaren 2000 en 2005 tot en met 2007 onrechtmatig waren, zodat deze – onrechtmatige - artikelen ook nooit hadden mogen worden gearchiveerd (4.19-4.21); en

(2) dat De Stichting, wanneer niet aannemelijk mocht worden dat reeds de aanvankelijke publicaties van de afzonderlijke artikelen in de jaren 2000 en 2005 tot en met 2007 onrechtmatig waren, deze hoe dan ook na verloop van tijd - en in ieder geval nadat [X.] De Stichting daartoe begin 2008 had gesommeerd - uit het archief had moeten verwijderen (4.22-4.26).

4.13. Partijen strijden allereerst over de vraag aan de hand van welk beoordelingskader de op onrechtmatige daad gebaseerde vordering tot verwijdering van de artikelen uit het archief moet worden beoordeeld.

[X.] stelt dat zijn vordering dient te worden beoordeeld aan de hand van (uitsluitend) de WBP.

De Stichting betoogt dat de vordering moet worden beoordeeld aan de hand van de voor onrechtmatige openbaarmakingen gebruikelijke belangenafweging, en niet aan de hand van (enige bepaling in) de WBP.

Het hof overweegt wat betreft het toepasselijke beoordelingskader als volgt (4.14-4.15).

4.14. Indien een persoon stelt door (het handhaven van) een openbaarmaking in zijn eer en goede naam en/of persoonlijke levenssfeer te zijn/worden aangetast, moet het antwoord op de vraag of degene die verantwoordelijk is voor de openbaarmaking hierdoor onrechtmatig handelt of heeft gehandeld, worden gevonden door een afweging van twee fundamentele rechten namelijk enerzijds het recht op bescherming van de eer en goede naam en/of op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer van de desbetreffende persoon en anderzijds het recht op vrijheid van meningsuiting aan de zijde van degene die verantwoordelijk is voor de openbaarmaking (HR 18 januari 2008, LJN: BB3210). Tussen de vrijheid van meningsuiting enerzijds en het recht op bescherming van de eer en goede naam en/of op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer anderzijds bestaat geen rangorde; geen van beide rechten weegt bij de belangenafweging op voorhand zwaarder.

De vraag welk van beide rechten in een concreet geval zwaarder weegt, moet worden beantwoord door een afweging van alle relevante omstandigheden van het geval. Tot deze omstandigheden kunnen onder meer behoren enerzijds de aard van de publicatie en de ernst van de te verwachten gevolgen hiervan voor de benadeelde en anderzijds de ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand die de publicatie aan de kaak probeert te stellen, de mate waarin ten tijde van de publicatie de feiten steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal, de inkleding van de feiten, en – tenslotte – de mate van (de in het gegeven geval vereiste) zorgvuldigheid van het door de openbaarmaker aan zijn publicatie ten grondslag gelegde onderzoek.

De in deze rechtsoverweging (4.14) verwoorde uitgangspunten gelden ook voor het onderhavige geval.

4.15. Indien een benadeelde ter onderbouwing van zijn vordering tot verwijdering van zekere beweringen op Internet stelt dat degene die verantwoordelijk is voor (handhaving van) publicatie van deze beweringen de WBP overtreedt, dient te worden onderzocht of de WBP – al dan niet gedeeltelijk - van toepassing is. Is de WBP (gedeeltelijk) van toepassing, dan dient vervolgens te worden onderzocht of de bepalingen uit de WBP waarvan de benadeelde stelt dat ze zijn overtreden, ook werkelijk zijn geschonden.

Is de WBP van toepassing en overtreden, dan dient dit gegeven te worden meegewogen bij beantwoording van de vraag of degene die verantwoordelijk is voor (handhaving van) publicatie van de beweringen hierdoor onrechtmatig handelt of heeft gehandeld (4.14).

Het voorgaande brengt voor het onderhavige geval met zich dat het hof moet onderzoeken of de WBP van toepassing is (4.16-4.17).

4.16. Artikel 1 sub a WBP bepaalt dat een persoonsgegeven in de zin van de WBP elk gegeven is betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

Artikel 1 sub b WBP bepaalt dat de verwerking van persoonsgegevens in de zin van de WBP is elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder onder meer het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren en verspreiden van gegevens.

Uit artikel 2 lid 1 WBP volgt dat de WBP onder meer van toepassing is op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens.

Nu [X.] niet of nauwelijks weersproken heeft gesteld dat De Stichting via Internet persoonsgegevens van [X.] verspreidt en bewaart, dan wel heeft verspreid en bewaard, is naar het voorlopig oordeel van het hof de WBP in casu van toepassing.

4.17. De Stichting beroept zich op artikel 3 lid 1 WBP waarin wordt bepaald dat de WBP niet van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens voor uitsluitend journalistieke doeleinden, en dat in dit geval slechts de bepalingen van hoofdstuk 1 en de artikelen 6-11, 13-15, 25 en 49 WBP van toepassing zijn.

[X.] betwist dat De Stichting een beroep kan doen op artikel 3 lid 1 WBP.

Naar het hof begrijpt stelt [X.] dat De Stichting de artikelen 8 en 11 WBP (4.20) overtreedt. Nu deze artikelen zowel van toepassing zijn in het geval De Stichting een beroep toekomt op artikel 3 lid 1 WBP als wanneer dit niet het geval is, laat het hof in het midden of De Stichting zich al dan niet rechtsgeldig op deze bepaling kan beroepen.

Het feit dat [X.] in het geval De Stichting geen beroep zou toekomen op artikel 3 lid 1 WBP de rechtbank bij verzoekschrift had kunnen vragen De Stichting te bevelen de bestreden persoons-gegevens uit het archief te verwijderen (artikel 46 in verband met artikel 36 WBP), laat de bevoegdheid van het hof als voorzieningenrechter hoe dan ook onverlet (4.8).

4.18. Het hof zal hierna ingaan op de vordering tot verwijdering van de artikelen voor zover gebaseerd op de grondslag dat reeds de aanvankelijke publicaties van de afzonderlijke artikelen in de jaren 2000 en 2005 tot en met 2007 onrechtmatig waren, zodat deze – onrechtmatige - artikelen ook nooit hadden mogen worden gearchiveerd (4.12, grondslag 1).

Het hof zal eerst de wederzijdse belangen afwegen aan de hand van de omstandigheden van het geval (4.19), en vervolgens ingaan op de vraag of de WBP is geschonden (4.20).

4.19.1. Wat betreft ‘de aard van de publicatie’ en ‘de inkleding van de feiten’ stelt [X.] dat de beweringen over hem in de bewuste artikelen onjuist, onvolledig, suggestief en niet ter zake dienend zijn, en niet meer dan roddel en achterklap betreffen. Naar het voorlopig oordeel van het hof blijft [X.] echter in gebreke deze conclusies voldoende te onderbouwen, bijvoorbeeld door aan te geven op welke beweringen in welke artikelen – al dan niet in onderlinge samenhang – de conclusies zijn gebaseerd. Hiertoe volstaat niet het enkele overleggen door [X.] van de bewuste artikelen en de enkele stelling dat [X.] in de artikelen ten onrechte in verband wordt gebracht met ‘De Hakkelaar’ en witwaspraktijken. Dit geldt temeer daar [X.] het betoog van De Stichting dat [X.] banden onderhield met ‘De Hakkelaar’ en destijds is gearresteerd vanwege zijn betrokkenheid bij ‘De Hakkelaar’, niet of nauwelijks heeft weersproken. Daarbij geeft [X.] ook niet aan in welk artikel op welke wijze - volgens hem - een verband wordt gelegd tussen [X.] en witwaspraktijken. Nu het gissen blijft tegen welke beweringen in de bewuste artikelen [X.] precies ageert, wordt het De Stichting (te) moeilijk gemaakt zich naar behoren te verweren.

4.19.2. Ter zake ‘de ernst van de te verwachten gevolgen’ van de beweringen in de bewuste artikelen voor [X.], heeft deze onder meer gesteld dat hij door het verband dat in de bewuste artikelen tussen hem en ‘De Hakkelaar’ en witwaspraktijken wordt gelegd, reputatieschade heeft geleden. Naar het voorlopig oordeel van het hof leiden de – gestelde - beweringen terzake een verband tussen [X.] en ‘De Hakkelaar’ en witwaspraktijken tot een aantasting van de eer en goede naam van [X.] en derhalve in beginsel tot reputatieschade, en heeft De Stichting dit gevolg van de (door De Stichting betwiste) aantasting van de eer en goede naam onvoldoende gemotiveerd weersproken.

[X.] heeft voorts gesteld dat hij door de publicaties over hem op Internet in 2007 en daarna nog eens zakelijke transacties is misgelopen. Naar het oordeel van het hof heeft [X.] deze stelling echter onvoldoende onderbouwd, nu hij bijvoorbeeld nauwelijks specificeert om wat voor soort transacties het gaat, en evenmin onderbouwt dat de transacties zijn misgelopen vanwege de publicaties op de website van De Stichting (en niet door andere publicaties op Internet).

4.19.3. Wat betreft ‘de ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand die de bewuste artikelen aan de kaak proberen te stellen’, heeft De Stichting gesteld dat in de artikelen een relevant maatschappelijk thema aan de orde wordt gesteld, namelijk de verwevenheid tussen onder- en bovenwereld. In dit verband was [X.] vanwege zijn connectie met ‘De Hakkelaar’ en zijn arrestatie destijds, een interessante persoon, aldus De Stichting. Daar komt bij dat [X.] betrokken was bij het beleggingfonds Terra Vitalis, zodat informatie over [X.] ook voor mogelijke beleggers in dit fonds van belang was. Juist omdat de Autoriteit Financiele Markten niet tegen dit fonds optrad lag hier een taak voor de pers, aldus De Stichting.

[X.] heeft naar het voorlopig oordeel van het hof de stelling van De Stichting dat bij publicatie van de bewuste artikelen een maatschappelijk belang bestond, onvoldoende gemotiveerd weersproken. Het enkele feit dat [X.] inmiddels circa 10 jaar geleden werd verdacht van betrokkenheid bij ‘De Hakkelaar’, laat onverlet dat dit gegeven in latere publicaties over verwevenheid tussen onder- en bovenwereld vermeldenswaard kan zijn. Dit geldt temeer daar [X.] niet heeft weersproken dat hij betrokken is geweest bij Terra Vitalis. Het enkele feit dat [X.] – tenminste volgens zijn eigen stellingen - sinds het najaar van 2002 niet meer betrokken was bij Terra Vitalis laat onverlet dat hij daarvoor kennelijk wel bij dit fonds betrokken is geweest.

4.19.4. De factor ‘de mate waarin ten tijde van de plaatsing van de bewuste artikelen de feiten steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal’ speelt met name een rol wanneer een benadeelde duidelijk heeft gesteld welke beweringen in welk artikel onrechtmatig waren. Nu [X.] in het onder-havige geval deze duidelijkheid nauwelijks heeft verschaft (4.19.1.), is deze factor navenant minder belangrijk. Dit geldt des te meer daar [X.] het betoog van De Stichting dat [X.] (vriendschappelijke) banden onderhield met ‘De Hakkelaar’ en destijds is gearresteerd vanwege zijn betrokkenheid bij ‘De Hakkelaar’, niet of nauwelijks heeft weersproken.

4.19.5. Wat betreft ‘de mate van (de in het gegeven geval vereiste) zorgvuldigheid van het door de openbaarmaker aan zijn publicatie ten grondslag gelegde onderzoek’ stelt [X.] dat onzorgvuldig is dat een derde op een door De Stichting gepubliceerd artikel kan reageren, en deze reactie – zonder dat De Stichting deze inhoudelijk controleert - bij het bijbehorende artikel op de website wordt geplaatst.

Naar het voorlopig oordeel van het hof is echter gesteld noch gebleken dat één van de bewuste artikelen een reactie van een derde is als door [X.] bedoeld, zodat voorshands niet aannemelijk is geworden dat zich bij de artikelen waarover [X.] klaagt de gestelde onzorgvuldigheid heeft voorgedaan.

4.19.6. Op basis van een belangenafweging aan de hand van de hierboven besproken omstandigheden van het geval is het hof voorlopig van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat De Stichting bij de aanvankelijke publicaties van de afzonderlijke artikelen in de jaren 2000 en 2005 tot en met 2007 onrechtmatig heeft gehandeld. Derhalve is ook niet aannemelijk geworden dat de artikelen op deze grond niet hadden mogen worden gearchiveerd.

4.20.1. Wat betreft de stelling van [X.] dat De Stichting de WBP zou hebben overtreden overweegt het hof als volgt.

4.20.2. [X.] stelt onder meer dat De Stichting artikel 8 WBP heeft overtreden, nu hij geen toestemming tot publicatie van de bewuste artikelen heeft gegeven (artikel 8 sub a).

Het hof is echter voorlopig van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat toestemming in casu nodig was, nu de beweringen over [X.] in de bewuste artikelen noodzakelijk waren voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van De Stichting, terwijl het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van [X.] niet prevaleerde (artikel 8 sub f). Ter motivering van deze beslissing verwijst het hof naar 4.19, met name 4.19.3.

4.20.3. Voorts stelt [X.] dat de beweringen door De Stichting over hem in de bewuste artikelen strijdig waren met artikel 11 WBP, met name omdat de beweringen onjuist, onvolledig, suggestief en niet ter zake dienend waren.

Het hof is echter voorlopig van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat De Stichting in strijd heeft gehandeld met artikel 11 WBP. Ter motivering van deze beslissing verwijst het hof naar 4.19, met name 4.19.1.

4.20.4. Het voorgaande brengt met zich dat voorshands niet aannemelijk is geworden dat De Stichting bij de aanvankelijke publicaties van de afzonderlijke artikelen in de jaren 2000 en 2005 tot en met 2007 in strijd met de WBP en derhalve onrechtmatig heeft gehandeld. Derhalve is ook niet aannemelijk geworden dat de artikelen op deze grond niet hadden mogen worden gearchiveerd.

4.21. Uit het bovenstaande (4.19 en 4.20) volgt dat de vordering tot verwijdering van de persoonsgegevens van [X.] niet toewijsbaar is op grondslag 1 (4.12).

4.22. Het hof zal hierna ingaan op de vordering tot verwijdering van de artikelen voor zover gebaseerd op de grondslag dat De Stelling de artikelen na verloop van tijd - en in ieder geval nadat [X.] De Stelling daartoe begin 2008 had gesommeerd – hoe dan ook uit het archief had moeten verwijderen, ook dus in het geval waarin niet aannemelijk is geworden dat de aanvankelijke publicaties van de afzonderlijke artikelen in de jaren 2000 en 2005 tot en met 2007 onrechtmatig waren (4.12; grondslag 2).

Het hof zal eerst de belangen afwegen aan de hand van de omstandigheden van het geval (4.23 en 4.24) en vervolgens ingaan op de vraag of sprake is van strijd met de WBP (4.25).

4.23. Bij de belangenafweging stelt het hof voorop dat een publicatie over een persoon op Internet waarvan de onrechtmatigheid niet aannemelijk is geworden of is komen vast te staan, in beginsel op Internet mag worden gearchiveerd. Degene die het artikel archiveert dient hierbij echter wel behoorlijk en zorgvuldig om te gaan met de belangen van de desbetreffende persoon, bijvoorbeeld door af te wegen voor welke doelgroep hij het archief openstelt en gedurende welke termijn.

4.24. In het licht van het voorgaande (4.23) en hetgeen in het kader van de belangenafweging is overwogen bij de beoordeling van de al dan niet onrechtmatigheid van de aanvankelijke publicaties van de artikelen (4.19 en 4.20), heeft [X.] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat het archiveren van de artikelen onrechtmatig was. Zo heeft [X.] niets gesteld over de toegankelijkheid van de bewuste artikelen in het archief, bijvoorbeeld dat een te grote doelgroep toegang tot de bewuste artikelen zou hebben. Het enkele feit dat het gaat om oudere artikelen is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onvoldoende om het archiveren onrechtmatig te maken, temeer daar de bewuste artikelen – op één artikel uit 2000 na - van betrekkelijk recente datum zijn, namelijk van de periode 2005-2007.

4.25. Bij de beoordeling of De Stichting door de bewuste artikelen te archiveren in strijd met de WBP heeft gehandeld, geldt hetzelfde uitgangspunt als bij de belangen- afweging (4.23). In het licht van dit uitgangspunt en hetgeen in het kader van de beantwoording van de vraag of de aanvankelijke publicaties van de artikelen onrechtmatig waren is overwogen (4.19 en 4.20), heeft [X.] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat het archiveren van de artikelen onrechtmatig was. Ter motivering van dit oordeel verwijst het hof voorts naar 4.24.

4.26. Uit het voorgaande (4.22-4.25) volgt dat voorshands niet aannemelijk is geworden dat De Stelling de bewuste artikelen na verloop van tijd - en in ieder geval nadat [X.] De Stelling daartoe begin 2008 had gesommeerd – hoe dan ook uit het archief had moeten verwijderen, ook in het geval waarin niet aannemelijk is geworden dat de aanvankelijke publicaties van de afzonderlijke artikelen in de jaren 2000 en 2005 tot en met 2007 onrechtmatig waren. Nu derhalve niet aannemelijk is geworden dat De Stichting op deze grondslag onrechtmatig handelt of heeft gehandeld, is de vordering tot verwijdering van de bewuste artikelen ook niet toewijsbaar op deze grondslag (4.12; grondslag 2).

4.27. Duidelijkheidshalve overweegt het hof dat zij het betoog van [X.] niet aldus begrijpt dat hij zijn vorderingen (mede) baseert op artikel 6:196c BW. Voorzover [X.] wel heeft bedoeld zijn vorderingen op deze grondslag te baseren heeft hij daartoe onvoldoende duidelijk concrete feiten en omstandigheden gesteld.

4.28. Uit het voorgaande volgt dat grief 2 slaagt en de vordering tot verwijdering van de bewuste artikelen alsnog moet worden afgewezen. Duidelijkheidshalve zal het hof het gehele bestreden vonnis vernietigen en beide vorderingen (4.2 sub a en b) afwijzen.

[X.] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten van zowel de eerste aanleg als het appel.

5. De uitspraak

het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Hertogenbosch van 4 juli 2008, en opnieuw rechtdoende,

- wijst af de vorderingen van [X.];

veroordeelt [X.] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van De Stichting worden begroot op € 254,= aan verschotten en

€ 904,= aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 388,44 aan verschotten en € 894,= aan salaris advocaat voor hoger beroep;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Rothuizen-van Dijk, Antens en Van Harinxma thoe Slooten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 februari 2011.