Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP3888

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-02-2011
Datum publicatie
10-02-2011
Zaaknummer
HV 200.077.696
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1:261 BW

Thuisplaatsing van een van de drie minderjarigen. Geen perspectief op langere termijn in pleeggezin. Duidelijkheid op korte termijn is in het belang van de minderjarigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 3 februari 2011

Zaaknummer: HV 200.077.696/01

Zaaknummers eerste aanleg: 220803 JE RK 10-1027

221497 JE RK 10-1114

in de zaak in hoger beroep van:

[X.] en [Y.],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: de vader respectievelijk de moeder,

gezamenlijk te noemen: de ouders,

advocaat: mr. B.G.M. de Ruijter,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Midden- en West Brabant, locatie Tilburg,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de raad.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 22 september 2010.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 november 2010, hebben de ouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen [dochter A.], [zoon B.] en [zoon C.] en opnieuw rechtdoende de verzoeken van de raad tot verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een verblijf 24-uur af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

2.2. De raad heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een verweerschrift in te dienen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 januari 2011. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de ouders, bijgestaan door mr. B.G.M. de Ruijter;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw E.A.P. van den Dam;

- de Stichting William Schrikker Jeugdbescherming (hierna: de stichting), vertegenwoordigd door mevrouw N. Wielaard, namens Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna: Stichting Bureau Jeugdzorg).

2.3.1. De heer en mevrouw [D.], de tijdelijke pleegouders van [zoon C.], zijn, zoals aangekondigd bij hun brief van 26 december 2010, niet ter zitting verschenen.

2.3.2. De heer en mevrouw [E.], de tijdelijke pleegouders van [dochter A.] en [zoon B.], zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief met bijlagen van de advocaat van de ouders d.d. 31 december 2010.

3. De beoordeling

3.1. Uit de relatie van de moeder en de vader, zijn geboren:

- [dochter A.] (hierna: [dochter A.]), op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats];

- [zoon B.] (hierna: [zoon B.]), op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats];

- [zoon C.] (hierna: [zoon C.]), op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats].

3.2. [zoon C.] staat sinds 23 juni 2010 en [dochter A.] en [zoon B.] staan sinds 9 juli 2010 voorlopig onder toezicht van Stichting Bureau Jeugdzorg en zijn op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds genoemde data uit huis geplaatst in een verblijf pleegouder 24-uur tot uiterlijk 23 respectievelijk 30 september 2010.

3.3. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank [dochter A.], [zoon B.] en [zoon C.] (verder) onder toezicht gesteld tot 23 maart 2011 en aan Stichting Bureau Jeugdzorg een (nadere) machtiging verleend om de minderjarigen met ingang van 30 respectievelijk 23 september 2010 tot uiterlijk 23 maart 2011 en uit huis te plaatsen in een verblijf pleegouder 24-uur.

3.3. De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4. De ouders voeren in hun beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, aan dat zij van mening zijn dat de gezinsvoogd onvoldoende stappen heeft ondernomen om andere mogelijkheden te bezien dan die van een uithuisplaatsing van de minderjarigen.

Pas op 16 november 2010 is door Kompaan een netwerkscreening bij de grootouders in gang gezet.

De ouders voeren aan dat de kinderrechter in haar beschikking heeft overwogen dat van Stichting Bureau Jeugdzorg wordt verwacht dat zij er op toezien dat gedurende de verlengingsperiode van de uithuisplaatsing een (nieuwe) IQ test wordt afgelegd door de ouders. Stichting Bureau Jeugdzorg weigert echter een IQ-test te laten uitvoeren, aldus de ouders. Uiteindelijk hebben de ouders zelf via stichting MEE weten te bereiken dat zij een nieuwe IQ-test kunnen ondergaan welke op 27 januari 2011 zal worden afgenomen.

De ouders zijn van mening dat binnen het gezin inmiddels voldoende hulpverlening is georganiseerd. Thebe Jeugdgezondheidszorg pleit ook voor verdere hulpverlening binnen het gezin. Vanuit het project Kind Eerst! wordt door projectmedewerker mevrouw [F.] in het gezin gemiddeld acht uur per week hulpverlening geboden.

De ouders achten zich in staat om de opvoeding van de minderjarigen weer zelf ter hand te nemen. Zeker gezien de nog jonge leeftijd van de minderjarigen is het van groot belang dat zij op korte termijn weer thuis gaan wonen zodat hechting in het stamgezin kan plaatsvinden.

De advocaat van de ouders voert ter zitting aan dat duidelijk uit de stukken blijkt welke stappen de ouders hebben ondernomen om de hulpverlening te realiseren. Zowel de vader als de moeder volgen therapie voor hun eigen problematiek. De vader werkt inmiddels 32 uur per week. Het schuldsaneringstraject is beëindigd en opa moederszijde begeleidt hen op financieel gebied. De ouders voeren aan dat de begeleide omgangsregeling met de minderjarigen beperkt is en zij het moeilijk vinden dat zij de minderjarigen maar één uur per twee weken mogen zien.

3.5. De raad stelt dat de ouders hard hebben gewerkt en goed op weg zijn de zorgpunten uit het raadsrapport te verbeteren. Echter dient eerst het project Kind Eerst! te worden afgerond voordat kan worden overgegaan tot een mogelijke thuisplaatsing van de minderjarigen. Thuisplaatsing dient niet overhaast te geschieden, aldus de raad.

3.6. De stichting heeft ter zitting mondeling verweer gevoerd. Daarbij heeft de stichting aangevoerd dat de ouders zich positief hebben ontwikkeld. Deze ontwikkeling is mede te danken aan de hulpverlening vanuit het project Kind Eerst! Het uitgangspunt bij dit project vormt het zogeheten Wraparound Care voor het werken met multiproblemgezinnen. De werkgroep van het project Kind Eerst! wordt mede gevormd uit een vertegenwoordiging van Thebe Jeugdgezondheidszorg en Amarant.

De stichting vindt de stap naar een thuisplaatsing van de minderjarigen op dit moment nog te groot, omdat er nog een aantal verbeterpunten is waaraan door de ouders gewerkt moet worden. Zonder hulpverlening en begeleiding vallen de ouders snel terug in hun oude patroon. De gezinssituatie dient stabiel te zijn voordat kan worden gewerkt aan een thuisplaatsing. Beide ouders dienen eerst therapie te volgen voor hun eigen problematiek. De stichting stelt dat de frequentie van de huidige omgangsregeling tussen de ouders en de minderjarigen voldoende is, en gaat pas over tot een verruiming van de omgangsregeling indien dit in het belang van de minderjarigen wordt geacht. Met de minderjarigen gaat het in de pleeggezinnen goed. Met betrekking tot [dochter A.] voert de stichting aan dat zij vijf dagen per week in een pedagogisch dagcentrum verblijft. In het vervolgtraject zal bij de minderjarigen een onderzoek worden verricht naar de eventuele aanwezigheid van genetische afwijkingen.

De huidige pleeggezinnen zijn geen perspectiefbiedende pleeggezinnen en derhalve niet voor langere tijd beschikbaar.

3.7. Het hof overweegt het volgende.

3.7.1. Het hoger beroep is niet gericht tegen de ondertoezichtstelling van de minderjarigen.

3.7.2. Op grond van artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een machtiging verlenen om een minderjarige uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.7.3. Blijkens de voorhanden gedingstukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de ouders zich positief hebben ontwikkeld. De zorgpunten zoals benoemd in het raadsrapport zijn verbeterd. Beide ouders zijn gaan inzien dat zij opvoedkundig tekortschieten en hulp behoeven. Beide ouders hebben een gerichte hulpvraag en hebben daartoe contact opgenomen met Stichting MEE. De ouders werken voorts actief mee aan het project Kind Eerst!. Ter zitting heeft de stichting verklaard dat dit project binnen het gezin goed verloopt en toegezegd haar medewerking hieraan te zullen verlenen.

De vader heeft inmiddels een dienstbetrekking, de financiële zaken zijn op orde en de thuissituatie is verbeterd.

3.7.4. Gelet op de leeftijd van de minderjarigen en de duur van de uithuisplaatsing acht het hof het in het belang van de minderjarigen dat op korte termijn duidelijkheid komt over de mogelijkheden van een thuisplaatsing, temeer nu gebleken is dat de pleeggezinnen waarin de minderjarigen thans verblijven geen perspectief kunnen bieden op langere termijn en het netwerkpleeggezin, blijkens het netwerkonderzoek door Kompaan en De Bocht, niet positief is gescreend.

3.7.5. Het hof is echter van oordeel dat een uithuisplaatsing van [dochter A.] en [zoon B.] in het belang van hun verzorging en opvoeding thans nog steeds is aangewezen. De fase waarin de ouders thans verkeren en de kindeigen problematiek van met name [dochter A.] maakt een thuisplaatsing (nog) niet mogelijk. Ook bij [zoon B.] zou mogelijk op basis van onderstimulatie de algemene ontwikkeling achter kunnen gaan lopen.

Ten aanzien van [dochter A.] en [zoon B.] dienen nog nadere onderzoeken te worden verricht om hun behoeften en de noodzakelijke hulpverlening in beeld te brengen. De stichting heeft ter zitting verklaard dat in januari 2011 het vervolgtraject voor de minderjarigen zal worden besproken en dat in dat kader onderzoeken zullen worden verricht naar de eventuele aanwezigheid van genetische afwijkingen. Vervolgens zal worden bezien of de ouders in staat zijn aan [dochter A.] en [zoon B.] de voor ieder van hen noodzakelijke verzorging en opvoeding te bieden. Het hof is dan ook van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing in het belang van de verzorging en opvoeding van [dochter A.] en [zoon B.] op dit moment nog steeds noodzakelijk is. Beide minderjarigen vragen meer pedagogische vaardigheden dan die de ouders thans kunnen bieden.

3.7.6. Anders beoordeelt het hof de situatie ten aanzien van [zoon C.]. [zoon C.] lijkt zich leeftijdsadequaat te ontwikkelen. Voor [zoon C.] is een opvoedingssituatie noodzakelijk waarin voldoende aandacht is voor de verzorging die een prematuur geboren baby nodig heeft en affectieve aandacht in het kader van het hechtingsproces. Het hof is van oordeel dat de ouders, gezien de recente ontwikkelingen in het gezin en hun betrokkenheid op de minderjarigen, de vereiste zorg en veiligheid aan [zoon C.] kunnen bieden indien deze professioneel wordt ondersteund. De complexiteit van de problematiek in het gezin is afgenomen en beide ouders zijn gaan inzien dat zij, naast de verwerking van hun eigen individuele problematiek, hulp behoeven bij de opvoeding. De ouders maken een positieve ontwikkeling door en staan open voor hulp. Voor de gezinsvoogd is een coördinerende taak weggelegd die het hulpverleningsproces moet bewaken en indien nodig moet bijsturen. Met name de pedagogische vaardigheden van de ouders zullen, gelet op hun beperkingen, permanent aandacht en ondersteuning behoeven.

Gelet op het vorenstaande oordeelt het hof dat de stichting, wat betreft [zoon C.], vanaf de datum van deze beschikking dient te werken naar een thuisplaatsing, welke thuisplaatsing op 15 maart 2011 daadwerkelijk gerealiseerd dient te zijn.

3.8. Het hof zal de beschikking waarvan beroep derhalve bekrachtigen voor zover de rechtbank een (nadere) machtiging tot uithuisplaatsing van [dochter A.] en [zoon B.] heeft verleend en vernietigen voor zover de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van [zoon C.] heeft verleend die het tijdstip van 15 maart 2011 overschrijdt.

4. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Breda van 22 september 2010 doch uitsluitend voor zover de rechtbank daarbij een machtiging tot uithuisplaatsing van [zoon C.] in een verblijf pleegouder 24-uur heeft verleend, voor zover deze het tijdstip van 15 maart 2011 overschrijdt;

en opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog af het verzoek van de raad tot verlening van een machtiging uithuisplaatsing van [zoon C.] voor wat betreft de periode vanaf 15 maart 2011;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Breda, vestigingsplaats Tilburg;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Dijkhuizen, Everaars-Katerberg en Brants en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2011.