Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP3509

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
20-001367-09
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:679, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. Artikel 8.1 Wet milieubeheer

2. Verdachte heeft haar inrichting veranderd (onder meer) door een binnen die inrichting gelegen loods te verhuren ten behoeve van de opslag van metaalachtige producten en die opslag toe te staan voordat dit aan haar was vergund, danwel voordat de verhuurde opslagruimte(n) ten behoeve van een nieuwe inrichting van de huurders feitelijk (en juridisch) was losgemaakt van haar inrichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 20-001367-09

Uitspraak : 8 februari 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Breda van 8 april 2009 in de strafzaak met parketnummer

02-994918-07 tegen:

[verdachte BV],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode juni 2005 tot en met 24 augustus 2006 te Heerewaarden, gemeente Maasdriel samen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk een in of op perceel [adres] gelegen inrichting, te weten een handels- en exploitatieonderneming, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 9 en/of 11 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, in elk geval een inrichting genoemd in voormelde Bijlage I,

- zonder daartoe verleende vergunning heeft veranderd of de werking daarvan heeft veranderd door het opslaan van bedrijfsafvalstoffen, te weten metaalafval, met een capaciteit van meer dan 35 m3 en/of het overslaan en/of het bewerken, te weten zeven en/of sorteren van voormelde afvalstoffen en/of

- nadat die inrichting was veranderd of de werking daarvan was veranderd deze inrichting ten aanzien van die veranderingen en/of die veranderde werking zonder daartoe verleende vergunning inwerking heeft gehad;

subsidiair,

zij in of omstreeks de periode juni 2005 tot en met 24 augustus 2006 te Heerewaarden, gemeente Maasdriel samen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in of op perceel [adres] gelegen inrichting voor het opslaan van bedrijfsafvalstoffen, te weten metaalafval, met een capaciteit van meer dan 35 m3 en/of het overslaan en/of het bewerken, te weten zeven en/of sorteren van voormelde afvalstoffen, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 28 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, in werking heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode juni 2005 tot en met 24 augustus 2006 te Heerewaarden, gemeente Maasdriel samen en in vereniging met één of meer anderen opzettelijk een op perceel [adres] gelegen inrichting, te weten een handels- en exploitatieonderneming, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 9 en 11 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I,

- zonder daartoe verleende vergunning heeft veranderd door het opslaan van bedrijfsafvalstoffen, te weten metaalafval, met een capaciteit van meer dan 35 m3 en het overslaan en het bewerken, te weten zeven en sorteren van voormelde afvalstoffen en

- nadat die inrichting was veranderd deze inrichting ten aanzien van die veranderingen zonder daartoe verleende vergunning inwerking heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

B.

De verdediging heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging, omdat zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de opslag van grote hoeveelheden metaalafval op haar terrein. [huurder 1] - later [huurder 2] - huurde van verdachte bedrijfsruimte voor de opslag van metaalafval. Zij exploiteerde daarin een eigen inrichting die vergunningsplichtig was. Dat de huurder(s) niet aan de vergunningsplicht heeft (hebben) voldaan, kan verdachte niet worden verweten. Verdachte heeft bovendien direct ingegrepen toen hij constateerde dat de huurder(s) grote hoeveelheden afvalmetaal opsloeg(en), oversloeg(en) en bewerkte(n).

Het hof overweegt het volgende.

C.1

Verdachte heeft een vergunning aangevraagd en gekregen voor het op- en overslaan van verschillende (grond)stoffen, zoals graszaden, veevoeders, zand en grind. De op- en overslag van metaalhoudende afvalstoffen was echter - zoals de vertegenwoordiger van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep ook heeft erkend - niet vergund. Desalniettemin heeft verdachte een loods, behorende bij haar inrichting, verhuurd aan [huurder 1] voor de opslag van metaalachtige producten.

C.2

[huurder 1] - later [huurder 2] - heeft een aantal vrachten metaalafval opgeslagen, overgeslagen en bewerkt in de binnen de inrichting van verdachte gelegen loods.

Verdachte was daarvan op de hoogte. De vertegenwoordiger van verdachte heeft immers bij de rechtbank verklaard en ten overstaan van het hof bevestigd dat hij op de aard van de opslag werd gewezen toen er de eerste keer werd gelost. Daarna is er nog een tweede keer gelost en heeft er bewerking plaatsgevonden.

De vertegenwoordiger van verdachte was van mening dat die werkzaamheden niet binnen de inrichting mochten plaatsvinden en heeft vertegenwoordigers van [huurder 1] en [huurder 2] dat medegedeeld.

[huurder 1] en [huurder 2] niet langer nieuwe activiteiten verrichtten vanuit de loods, heeft (de vertegenwoordiger van) verdachte het metaalafval dat daar lag opgeslagen nog een tijd onder zich gehouden. Hij oefende op die wijze zijn retentierecht uit.

C.3

Het hof is van oordeel dat verdachte haar inrichting, waar de aan haar verstrekte vergunning betrekking op had, heeft veranderd door

- een binnen die inrichting gelegen loods te verhuren ten behoeve van de opslag van metaalachtige producten en die opslag toe te staan voordat dit aan haar was vergund, danwel voordat de verhuurde opslagruimte(n) ten behoeve van een nieuwe inrichting van die hiervoor bedoelde B.V.’s feitelijk (en juridisch) was losgemaakt van haar inrichting,

- na de constatering dat er grote hoeveelheden metaalafval werden opgeslagen in elk geval nog een tweede vracht en de bewerking van het metaalafval toe te staan,

- haar retentierecht uit te oefenen en zodoende - onder eigen beheer - het metaalafval nog langer onvergund opgeslagen te houden in een binnen haar inrichting gelegen loods.

Met betrekking tot de uitoefening van het retentierecht overweegt het hof nog het volgende.

Verdachte heeft er bewust voor gekozen om, nadat Braja B.V. en Apwa B.V. hun bedrijfsmatige activiteiten hadden gestaakt, het metaalafval niet te verplaatsen naar een andere locatie, omdat - zoals de vertegenwoordiger van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard - zij de kosten die daarmee gemoeid waren niet op zich wilde nemen.

D.

Verdachte heeft voor de verandering van haar inrichting geen nieuwe vergunning of aanpassing van haar vergunning aangevraagd. Zij heeft derhalve de hiervoor omschreven verandering van haar inrichting doorgevoerd en de veranderde inrichting in werking gehad, zonder een daartoe verleende vergunning.

E.1

Gelet op het voorgaande, kan verder aan het door de verdediging gevoerde verweer worden voorbijgegaan. Het bewezen verklaarde behelst immers niet het verwijt dat verdachte een opslagplaats voor metaalafval heeft geëxploiteerd, maar dat zij zonder daartoe verleende vergunning haar eigen inrichting heeft veranderd door die exploitatie toe te staan.

E.2

Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer juncto artikel 1a, aanhef en onder 1°, en artikel 2, eerste lid, van de Wet op de economische delicten en strafbaar gesteld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder 1° van de Wet op de economische delicten, juncto artikel 51, tweede lid, aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de aard en hoedanigheid van de verdachte rechtspersoon en haar draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft haar inrichting veranderd en de veranderde inrichting in werking gehad, zonder daartoe verleende vergunning. Verdachte heeft daardoor het belang van de naleving van de vergunningplicht miskend. Immers, heeft zij door het bewezen verklaarde handelen de mogelijkheid van de overheid om verdachtes bedrijfsactiviteiten en de gevolgen daarvan voor het milieu middels voorschriften te reguleren en vervolgens te controleren en te reguleren, ondermijnd.

Het hof sluit wat betreft de hoogte van de straf aan bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Het hof acht derhalve een geldboete van € 2.500 passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24 en 51 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro).

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. J.W. de Ruijter en mr. F.P.E. Wiemans,

in tegenwoordigheid van mr. R. van den Munckhof, griffier,

en op 8 februari 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.