Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP2698

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
01-02-2011
Zaaknummer
20-001906-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beslissingen van het hof op de verzoeken gedaan op de eerste regiezitting in de zaak Guus K..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Verkort proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, meervoudige kamer voor strafzaken, op 21 en 22 december 2010 en 1 februari 2011.

Tegenwoordig:

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. S.C. van Duijn,

mr. H.E.G. Peters en mr. C.E. Pronk-Jordan, advocaten-generaal,

mr. C.A. Blokx-van Roosmalen en mr. M.F.S. ter Heide, griffiers.

De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1942],

wonende te [woonplaats], [adres],

correspondentieadres volgens opgave ter terechtzitting:

[adres] te [woonplaats].

Als raadsvrouw van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. I.N. Weski, advocate te Rotterdam.

De voorzitter vermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

P.M.

Vervolgens voert de raadsvrouw het woord overeenkomstig de inhoud van de door haar aan het hof overgelegde pleitnotities preliminair verweer.

P.M.

De advocaat-generaal mr. Pronk-Jordan merkt het volgende op.

P.M.

De conclusie van het openbaar ministerie luidt dat niet gezegd kan worden dat het openbaar ministerie geen rekening houdt met de belangen van verdachte en dat het op die grond niet-ontvankelijk verklaard moet worden.

P.M.

De voorzitter onderbreekt hierop het onderzoek ter terechtzitting voor beraad.

Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof het volgende mede.

Artikel 414 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt, voor zover thans van belang, dat zowel het openbaar ministerie als de verdediging het recht hebben in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging te overleggen. Dit leidt slechts uitzondering in de gevallen waarbij in strijd zou worden gehandeld met de beginselen van een goede procesorde.

Het hof is van oordeel dat de stukken zoals die door het openbaar ministerie zijn overgelegd bij het stuk van 17 november 2010 nieuwe stukken in de zin van artikel 414 van het Wetboek van Strafvordering zijn. Er is immers sprake van nieuwe stukken in het procesdossier. Hieraan doet niet af dat deze stukken al ter beschikking stonden van het opsporingsteam. Het openbaar ministerie komt het recht toe om het procesdossier samen te stellen waarna partijen nieuwe stukken eraan kunnen toevoegen. Het hof is van oordeel dat thans niet kan worden gesproken van een uitzonderingssituatie ingegeven door beginselen van goede procesorde als hiervoor bedoeld, zodat het hof toelaat dat de stukken die door het openbaar ministerie zijn aangereikt aan het dossier worden toegevoegd.

Het hof is voorts van oordeel dat thans niet is gebleken dat deze stukken door het openbaar ministerie zijn achter gehouden en dat het openbaar ministerie daardoor doelbewust in strijd met of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdediging heeft gehandeld. Het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging wordt daarom verworpen.

Het staat de verdediging uiteraard vrij om alsnog onderzoek te doen naar de omstandigheden waaronder de thans aan het dossier toegevoegde stukken door de politie en het openbaar ministerie zijn bewaard en behandeld.

Het hof nodigt het openbaar ministerie uit om de eerdergenoemde DVD met de digitale bestanden aan de verdediging te verstrekken. Het hof heeft zelf vooralsnog geen behoefte aan die DVD, aangezien het hof er volledig op vertrouwt dat zowel het openbaar ministerie als de verdediging stukken die zich in het digitale beslag bevinden en waarvan zij menen dat zij van belang kunnen zijn voor enige door het hof te nemen beslissing, aan het hof zullen verstrekken.

De voorzitter geeft hierop het woord aan de advocaten-generaal teneinde de zaak voor te dragen.

De advocaat-generaal mr. Pronk-Jordan draagt de zaak voor.

De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld wordt in de gelegenheid gesteld mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven. Hij geeft op ten onrechte te zijn veroordeeld.

P.M.

De voorzitter geeft het woord aan de advocaten-generaal.

De advocaat-generaal mr. Pronk-Jordan voert hierop het woord overeenkomstig de inhoud van het stuk “Aantekeningen van de zijde van het openbaar ministerie ten behoeve van de regiezitting d.d. 21 december 2010”, behoudens de gedeelten die zij reeds had voorgedragen in het kader van de bespreking van het preliminair verweer, welk stuk als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

P.M.

Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek tot de terechtzitting van 22 december 2010 om 09.30 uur.

Het hof hervat op 22 december 2010 in dezelfde samenstelling het onderzoek van de zaak in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de onderbreking op 21 december 2010.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1942],

wonende te [woonplaats], [adres],

correspondentieadres volgens opgave ter terechtzitting:

[adres] te [woonplaats].

Als raadsvrouw van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. I.N. Weski, advocate te Rotterdam.

De voorzitter vermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

De voorzitter geeft het woord aan de raadsvrouw.

Vervolgens voert de raadsvrouw het woord overeenkomstig de inhoud van de door haar aan het hof overgelegde pleitnotities ten aanzien van de onderzoekswensen.

P.M.

Daarop onderbreekt de voorzitter het onderzoek tot de terechtzitting van 1 februari 2011 om 16.00 uur.

Het hof hervat op 1 februari 2011 in dezelfde samenstelling het onderzoek van de zaak in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de onderbreking op 22 december 2010.

De verdachte genaamd:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1942],

wonende te [woonplaats], [adres],

correspondentieadres volgens opgave ter terechtzitting,

[adres] te [woonplaats],

is niet verschenen.

De raadsvrouw van verdachte, mr. I.N. Weski, advocate te Rotterdam, is evenmin ter terechtzitting verschenen.

P.M.

De voorzitter deelt mede dat het hof thans zijn beslissing zal geven op de ter terechtzitting van 21 en 22 december 2010 door de advocaten-generaal en de verdediging gedane verzoeken, alsmede op hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd ten aanzien van de omvang van het hoger beroep.

Hierop deelt de voorzitter als beslissing van het hof ten aanzien van de omvang van het hoger beroep het volgende mede.

De raadsvrouw heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ten aanzien van de gedeelten onder B van het onder 1., 2. en 3. aan verdachte ten laste gelegde, aangezien – kort gezegd – de vervolging te dien aanzien in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Daartoe is aangevoerd dat sprake is van een schending van het bij de verdachte opgewekte vertrouwen ten aanzien van de omvang van de vervolging.

Het hof stelt voorop dat de omvang van het beroep een gevolg is van de beslissing van de Hoge Raad. Deze heeft, na vernietiging van de beslissing van het Gerechtshof Den Haag, de zaak verwezen naar dit hof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. In aanmerking genomen dat de appelakte geen beperking inhoudt van het door de officier van justitie ingestelde beroep, terwijl van een latere partiële intrekking van het hoger beroep niet is gebleken, dient het hof over de zaak in volle omvang te beslissen.

In hoger beroep en na verwijzing door de Hoge Raad bij een (algehele) vernietiging van het arrest vindt bij het hof in beginsel een volledig nieuw onderzoek van de zaak plaats. Dat brengt mee dat in eerste aanleg begane verzuimen en vergissingen kunnen worden hersteld, en nader bekend geworden gegevens bij het onderzoek kunnen worden betrokken.

Er zijn in casu door het openbaar ministerie meerdere nieuwe stukken en onderzoeksgegevens aan het dossier toegevoegd. Voor het openbaar ministerie, dat in eerste aanleg en ten overstaan van het Gerechtshof Den Haag vrijspraak heeft gevorderd, kan er daarom gerede aanleiding bestaan thans niettemin een veroordeling na te streven.

De verdachte kan aan de enkele omstandigheid dat het openbaar ministerie toen en daar die standpunten heeft ingenomen niet zonder meer de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat de bedoelde onderdelen van de tenlastelegging thans in hoger beroep niet meer aan de orde zouden zijn.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is evenmin anderszins aannemelijk geworden dat de vervolging ten aanzien van de gedeelten onder B van het onder 1., 2. en 3. aan verdachte ten laste gelegde in strijd is met artikel 6 van het EVRM.

De niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging ten aanzien daarvan is dan ook niet aan de orde. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Vervolgens deelt de voorzitter als beslissing van het hof met betrekking tot de gedane verzoeken het volgende mede.

Algemeen

Bij de beoordeling van de verzoeken tot het horen van getuigen en deskundigen stelt het hof voorop dat na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad artikel 410, derde lid, Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en de daarmee samenhangende bepalingen, te weten artikel 414, tweede lid, tweede volzin, en artikel 418, derde lid, Sv niet van toepassing zijn.

Dat betekent dat wat betreft de opgave van getuigen en deskundigen artikel 263, tweede tot en met vijfde lid, en artikel 264 Sv onverkort gelden. Wel is na verwijzing artikel 418, tweede lid, Sv van toepassing. Dat betekent dat oproeping van een getuige of deskundige die ter terechtzitting in eerste aanleg dan wel door de rechter-commissaris is gehoord, door het hof kan worden geweigerd op grond van het zogenaamde ‘noodzaakcriterium’.

Voor de overzichtelijkheid zal het hof hierna de te horen getuigen voorzien van een opeenvolgende nummering.

Ten aanzien van de verzoeken van de zijde van het openbaar ministerie:

1.

Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, wijst het hof het verzoek om [getuige 1] (1), [getuige 2] (2) en [getuige 3] (3) als getuige te horen toe.

2.

Voorts wijst het hof het verzoek om A03 (4) en A04 (5) als getuige te horen toe. Het hof merkt daarbij op dat het niet kan beslissen of zij als bedreigde getuigen worden gehoord. Het openbaar ministerie kan daartoe, desgewenst, een vordering als bedoeld in artikel 226a, eerste lid, Sv indienen bij de raadsheer-commissaris bij dit gerechtshof, niet zijnde één van de raadsheren die over de zaak zal oordelen.

3.

De verzoeken om [getuige 6] (6) en [getuige 7] (7) als getuige te horen wijst het hof eveneens toe.

4.

Door de advocaten-generaal is verzocht een persoon die bij het OTP een verklaring heeft afgelegd, hierna te noemen: getuige Y (8), als getuige te horen. Het hof wijst dit verzoek toe, met dien verstande dat het openbaar ministerie op een nader te bepalen tijdstip de personalia van getuige Y dient bekend te maken aan de raadsheer-commissaris.

5.

Tevens wijst het hof de verzoeken om [getuige 9] (9) en [getuige 10] (10) als getuige te horen toe.

6.

Het hof zal aan een raadsheer-commissaris bij dit gerechtshof, niet zijnde één van de raadsheren die over de zaak zal oordelen, de opdracht geven om door de deskundige Ellis een rapport te doen opmaken.

Het openbaar ministerie en de verdediging zullen in de gelegenheid worden gesteld om vóór een door de raadsheer-commissaris te bepalen datum vragen aan de deskundige op te geven. Gelet op het vorenstaande acht het hof het horen van de deskundige Ellis, die ook reeds op 20 oktober 2005 door de rechter-commissaris is gehoord, niet noodzakelijk, zodat dat verzoek wordt afgewezen.

7.

Anders dan de raadsvrouwe heeft betoogd, wijst het hof het verzoek om de haven in Buchanan, the Loop in Buchanan, the Executive Mansion in Monrovia en White Flower in Monrovia opnieuw te schouwen toe. Daartoe zullen de stukken in handen worden gesteld van een raadsheer-commissaris bij dit gerechtshof. Gelet op het bepaalde in artikel 420, eerste lid, juncto artikel 316, tweede lid, Sv zal dit niet één van de raadsheren zijn die over de zaak zal oordelen.

Zowel het openbaar ministerie als de verdediging worden uitgenodigd bij de schouwen een persoon aanwezig te doen zijn die zou kunnen verklaren over de situatie ter plaatse ten tijde van de aan verdachte ten laste gelegde feiten en daarvan tijdig tevoren opgave te doen aan de raadsheer-commissaris.

Voorts vraagt het hof het openbaar ministerie en de verdediging zich uit te laten over de vraag of zij bezwaar hebben tegen aanwezigheid als toeschouwer van een of meer leden van deze strafkamer bij de schouwen.

Het hof merkt daarbij op dat ook in dat geval de leiding over de schouwen geheel zal berusten bij voormelde raadsheer-commissaris. Deze zal van zijn bevindingen ook proces-verbaal doen opmaken.

Ten aanzien van de verzoeken van de verdediging

8.

De raadsvrouw heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep verzocht het openbaar ministerie de volgende (ruim honderd) vragen te laten beantwoorden:

(pagina 3 van de pleitnotities:)

1.1 Wanneer en door wie zijn de betreffende gegevens uit bijlagen 11, 12, 13 voor het eerst bekeken?

1.2 Wanneer en door wie zijn de betreffende gegevens binnen het openbaar ministerie en het opsporingsteam en eventuele anderen op mogelijke relevantie besproken in de fase voor de rechtbank en ten aanzien van de fase bij en na het Hof?

1.3 Wanneer en op welke wijze en ten aanzien van wie heeft het openbaar ministerie onderzocht waarom de betreffende stukken uit bijlagen 11, 12 en 13 tot op heden niet aan het dossier waren toegevoegd?

1.4 Waarom zijn deze gegevens niet gebruikt door het openbaar ministerie op enig moment ter toetsing van A03 en A04?

(pagina 7, 8, 10 en 11:)

2.1 Wat heeft het openbaar ministerie gedaan aan onderzoek, eventuele nadere confrontaties van [betrokkene 1] met deze uitlatingen, na kennisname van de SLT stukken? En met welke resultaten?

2.2 Indien het openbaar ministerie geen zodanig onderzoek heeft gedaan, is het openbaar ministerie überhaupt die vergaande discrepanties met de verklaringen van deze [betrokkene 1] tegenover de NR opgevallen?

2.3 Wie van het openbaar ministerie/de verbalisanten heeft zich met deze selectie van stukken bezig gehouden?

2.4 Heeft het openbaar ministerie ook de inhoud van de overige statements van [betrokkene 1] bij het SLT doorgenomen in vergelijking met de overige verklaringen van [betrokkene 1] en welk nader onderzoek heeft dit opgeleverd?

2.5 Waarom heeft het openbaar ministerie eerst thans en wanneer de betreffende verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bij het SLT opgevraagd en op welke gronden en onder welke voorwaarden heeft het openbaar ministerie dit van wie verkregen?

2.6 Waarom heeft het openbaar ministerie tot dat moment zich steeds verzet tegen het verkrijgen daarvan en de daaromtrent door de verdediging gestelde vragen?

2.7 De verdediging verzoekt het openbaar ministerie alle correspondentie omtrent alle van het SLT verkregen verklaringen en getuigen tot op heden tussen het openbaar ministerie, verbalisanten en het SLT in het dossier te voegen.

2.8 Waarom heeft het openbaar ministerie tot op heden nimmer inhoudelijk onderzoek heeft gedaan naar hetgeen in die verklaringen en überhaupt in verklaringen van andere van deze opgevoerde getuigen staat?

2.9 De verdediging verzoekt het openbaar ministerie alle ten aanzien van [betrokkene 1], [betrokkene 2] en de overige van het SLT verkregen getuigen geldende getuigenregelingen / immuniteitsbepalingen bij het SLT en/of het openbaar ministerie in het dossier te voegen.

2.10 Heeft het openbaar ministerie het materiaal van het SLT ook doorzocht op hetgeen over die door het openbaar ministerie van het SLT verkregen getuigen en hun verklaringen aan ontlastend materiaal bij het SLT berust en zo ja met welke resultaten?

2.11 Waarom zijn [betrokkene 1] en [getuige 15] niet meer “gebruikt” door de prosecution in het Taylor proces?

2.12 Waarom heeft het openbaar ministerie tot op heden geen onderzoek al of niet op basis van meineed gedaan naar de gebleken valsheden/onwaarheden van de verschillende getuigen, zoals [betrokkene 2], [betrokkene 1], [getuige 15], [getuige 11], [betrokkene 3], [betrokkene 4], Global Witness, enz.?

2.13. Heeft het openbaar ministerie ooit onderzoek gedaan aan de hand van deze en de overige vele zeer stellige antwoorden van Taylor en hetgeen hij aanhaalt aan ondersteunend materiaal, zoals de eerder door hem aangehaalde “trainees”, die kennelijk eveneens hetgeen [getuige 15] stelde, ontkrachtten? Zo ja, wat was daarvan het resultaat?

(pagina 30, 31 en 32:)

3.1 Is onderzoek gedaan naar die ontkrachtende elementen in het SLT materiaal ten aanzien van cliënt en met name ten aanzien van de door het openbaar ministerie van het SLT verkregen getuigen? Zo ja met welk resultaat?

3.2 Specifiek, op welk getuigenmateriaal doelt Taylor in het eerder door mij bedoelde verhoor ten opzichte van [getuige 15]?

3.3 Op welke getuigen van het SLT was nu een immuniteitsclausule van toepassing en in welke zin?

3.4 Verlaat het openbaar ministerie hiermee de stellingen omtrent het verondersteld vervoer van wapens met de Antarctic Mariner?

3.5 Heeft het openbaar ministerie nagezocht van wie voor wie de bedoelde wapens uit dat vliegtuig waren? En zo ja, wat was daarvan het resultaat?

3.6 Heeft het openbaar ministerie en met welk resultaat tot op heden de gebleken valsheden en onbetrouwbaarheden van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en hun banden en kennelijke beïnvloeding van andere getuigen onderzocht?

3.7 Waarom is [betrokkene 1] niet meer als getuige in het proces tegen Taylor gebruikt door de prosecution in dat proces?

3.8 De verdediging wenst wel degelijk ook de verklaringen van [betrokkene 2] in het RUF/Sesay proces van het SLT, nu deze [betrokkene 2] juist steeds per verklaring zijn eigen rol, plaats enz heeft gewijzigd en die verklaringen juist op dat gebied nadere toetsing mogelijk maken.

3.9 De verdediging wenst voorts alle overige stukken van het SLT, dat is verzameld over en van belang kan zijn voor het beoordelen van de betrouwbaarheid van de betreffende getuigen [getuige 15] en alle andere getuigen die van het SLT zijn verkregen.

(mondeling toegevoegd op pagina 32 onder 10:)

3.10 De verdediging wenst voorts alle overige stukken van het SLT, te weten: al het materiaal dat gebruikt wordt in het Taylor-proces. De verdediging wenst dat het

niet-openbare materiaal waaruit door het openbaar ministerie gekozen kon worden ter beschikking wordt gesteld, zodat de verdediging daarin kan kijken.

(pagina 33:)

3.11 Neemt het openbaar ministerie het oordeel van het SLT ten aanzien van mevr. [betrokkene 5], haar onkundigheid en bevooroordeeldheid over en welke gevolgen verbindt het daaraan?

(mondeling toegevoegd op pagina 33 onder 11:)

3.12 Waarom heeft het openbaar ministerie, indien het hiervan wist, dit nooit gemeld in de procedure tot op heden?

(pagina 35:)

3.13 De verdediging verzoekt derhalve alle doorzoekingsresultaten van het SLT ter beschikking voor selectie van deze verdediging te doen stellen.

(pagina 40:)

4.1 Heeft het openbaar ministerie de inhoud van dat TRC rapport en alle daarin benoemde vermeende bronnen nagetrokken, onderliggende stukken opgevraagd en op betrouwbaarheid feitelijk onderzocht? Zo ja dan gaarne de betreffende resultaten ontvangen, zo nee, waarom niet?

4.2 Heeft het openbaar ministerie specifiek de in het rapport vermeende feiten, zoals het hierboven genoemde export van hout en waarde nagetrokken? Bijvoorbeeld bij de daartoe bestaande overkoepelende toezichthouders en instanties, zoals de FDA, zo ja met welke resultaten en zo nee, waarom niet?

4.3 Heeft het openbaar ministerie enig onderzoek gedaan naar de achtergronden en onderlinge motieven van de opstellers van de betreffende rapportage van de TRC? Zo ja, wat waren daarvan de uitkomsten en zo nee, waarom niet?

4.4 Heeft het openbaar ministerie nagegaan in welke zin die door [betrokkene 6] in zijn rapport bij het rapport van het TRC gemaakte opmerkingen ten aanzien van de naar zijn stelling onwettige werkwijze zich verhouden met de inhoud van het TRC rapport en de voorliggende procedure? Zo ja, wat zijn de conclusies daarbij?

5.1 De verdediging zal gaarne per omgaande ontvangen het door het openbaar ministerie bedoelde “proces-verbaal dat informatie bevatte over het overdragen van gegevens aan een ander onderzoeksteam”.

5.2 Of en in welke zin is door het openbaar ministerie onderzoek gedaan naar de reden waarom de “laatste categorie” niet in het dossier zijn gevoegd?

5.3 Wat bedoelt het openbaar ministerie met de woorden “waarvan niet is gebleken dat hieromtrent overleg is geweest met het openbaar ministerie”? Heeft het openbaar ministerie ook hiernaar onderzoek gedaan en zo ja wat is daaruit gekomen?

5.4 De verdediging verzoekt alsnog aan de verdediging door het openbaar ministerie te doen verstrekken het proces-verbaal onder nummer 22, dat informatie zou bevatten ten aanzien van een aantal personen, die uiteindelijk niet mee wensten te werken aan het onderzoek.

(pagina 47:)

6.1 Toen het openbaar ministerie na terugverwijzing door de Hoge Raad in april 2010 de bedoelde bestanden besloot toe te voegen, is toen overwogen de inhoud daarvan nader na te trekken, te vergelijken met hetgeen deze A03 en A04 en andere getuigen in deze procedure hadden verklaard en hen te confronteren daarmee? zo ja, met welke resultaten? Zo nee, waarom niet?

(pagina 11:)

7.1 De verdediging zal gaarne alle verklaringen ontvangen van de door het openbaar ministerie genoemde 3 personen waarvan de identiteit thans is onthuld.

7.2 Sinds wanneer en van wie naar aanleiding waarvan heeft het openbaar ministerie kennis genomen van deze personen en hun verklaringen?

7.3 Welk onderzoek heeft het openbaar ministerie naar de betrouwbaarheid daarvan en van die personen en hun achtergrond en eventuele band met andere getuigen/VP’s/NGO’s in deze zaak en hun eventuele toepasselijke getuigen/immuniteitsregelingen?

(pagina 21 en 22:)

7.4 Welke onderzoeken en met welke resultaten heeft het openbaar ministerie gedaan naar de inhoud van de betreffende verklaringen?

7.5 Of en hoeveel geld is aan deze getuigen betaald?

7.6 Of en in welke zin zijn het openbaar ministerie of enige andere Nederlandse / internationale justitiële dienst anderszins hen ter wille is geweest, zoals het verstrekken van verblijf in Nederland of behulpzaam zijn met verblijf in andere landen, het verstrekken van goederen, verhuiskosten of andere “vergoedingen”.

(pagina 27 en 28:)

7.7 De verdediging verzoekt het openbaar ministerie alle gegevens van deze getuigen en verklaringen per omgaande te verstrekken, opdat een onderbouwd verweer en oordeel kan worden gevormd.

7.8 Waarom heeft het openbaar ministerie niet eerder deze aangevoerd?

(pagina 23:)

8.1 Waarom heeft er nimmer van deze persoon een, zoals ook het verslag aan het eind aangeeft tactisch vervolg gesprek plaats gevonden?

(pagina 24 en 25:)

9.1 Waarom heeft het openbaar ministerie nooit onderzoek naar die kennelijk valse door [getuige 11] aangeleverde verklaring gedaan?

9.2 Waarom heeft het openbaar ministerie nooit de echte [getuige 2] willen horen, niet door de CIE, niet door het tactische team, niet door de rechter-commissaris, niet door de rechtbank, niet door het Hof Den Haag?

9.3 Waarom wenst het openbaar ministerie dus nu in rechte een beroep te doen op een kennelijk valselijk opgemaakt stuk namelijk die door [getuige 11] ingebrachte verklaring van een vermeende [getuige 2]?

(pagina 27:)

10.1 Waarom heeft het openbaar ministerie nooit onderzoek naar die kennelijk valse door [getuige 11] aangeleverde verklaring gedaan?

10.2 Waarom heeft het openbaar ministerie nooit [getuige 3] willen horen, niet door de CIE, niet door het tactische team, niet door de rechter-commissaris, niet door de rechtbank, niet door het Hof Den Haag?

10.3 Waarom wenst het openbaar ministerie dus nu in rechte een beroep te doen op een kennelijk valselijk opgemaakt stuk, namelijk die door [getuige 11] ingebrachte verklaring?

(pagina 11:)

11.1 Waarom heeft het openbaar ministerie tot op heden geen onderzoek gedaan meer specifiek naar hetgeen A03 en A04 hebben verklaard, bij voorbeeld aan de hand van hetgeen de verdediging in de Hof fase na het ontvangen van de samenvattingen van deze getuigen, aan eigen onderzoeksresultaten heeft gepresenteerd, of, zoals nu blijkt aan de hand van het haar ter beschikking staande materiaal (zoals bijlagen 11,12)?

11.2 De verdediging zal voorts gaarne alle verklaringen ontvangen van A03 en A04.

11.3 Sinds wanneer en van wie naar aanleiding waarvan heeft het openbaar ministerie kennis genomen van deze personen?

11.4 Welk onderzoek heeft het openbaar ministerie naar de betrouwbaarheid daarvan en van die personen en hun achtergrond en eventuele band met andere getuigen/VP’s/NGO’s in deze zaak heeft gedaan?

11.5 En dus ook alle correspondentie ten aanzien van die personen en hun statements.

(pagina 47):

11.6 Heeft het openbaar ministerie of het SLT deze getuigen ooit geconfronteerd met die feitelijke onjuistheden/ongerijmdheden/kennelijke onwaarheden? Zo ja, met welke resultaten? Zo nee, waarom niet?

11.7 Zijn de getuigen ooit geconfronteerd met de bedoelde “achtergehouden” digitale bestanden en de inhoud daarvan, dan wel de op basis daarvan eventueel verkregen onderzoeksbevindingen?

(pagina 54 en 55:)

11.8 Wanneer en via wie heeft het openbaar ministerie voor het eerst kennis genomen van het bestaan van de verklaringen van A03 en A04?

11.9 Via wie/wat zijn deze getuigen bij het SLT terecht gekomen?

11.10 Heeft het openbaar ministerie nagetrokken of dat een van zijn eigen ronselaars / VP’s / Global Witness / andere getuigen, zoals [betrokkene 2] was en in hoeverre deze eventueel een rol bij de inhoud van die verklaringen heeft gespeeld?

11.11 Wat was de inhoud van de eventueel toepasselijke getuigen/immuniteitsregeling?

11.12 In welke zin heeft het openbaar ministerie zich daaraan verbonden?

11.13 In welke zin heeft het openbaar ministerie de inhoud van die verklaringen en de achtergrond van die getuigen en wat zijn daar de resultaten van?

11.14 In welke zin heeft het openbaar ministerie hetgeen de verdediging heeft aangereikt aan ontkrachtende gegevens en bewijzen in relatie tot deze getuigen nader uitgezocht? En met welke resultaten? Indien het openbaar ministerie dit niet heeft gedaan, zal ik gaarne vernemen waarom niet?

11.15 Heeft het openbaar ministerie inmiddels nagetrokken of deze getuigen onder naam hebben verklaard bij het SLT? Zo ja onder welke naam en met welke verklaringen en wat is omtrent hen tijdens die procedure aan materiaal gebruikt door de verdediging?

11.16 Klopt het dat A03, de getuige [betrokkene 7] bij het SLT betreft?

11.17 Klopt het dat A04, de getuige [betrokkene 8] bij het SLT betreft?

11.18 Sinds wanneer is het openbaar ministerie op de hoogte van de identiteit van de betreffende getuigen?

11.19 Sinds wanneer weet het openbaar ministerie of deze onder naam zijn gehoord bij het SLT?

11.20 Zo nee, verzoekt de verdediging het openbaar ministerie dit alsnog na te trekken en de resultaten per omgaande te verstrekken.

11.21 Indien deze getuigen toch nog steeds protected witness en volledig anoniem zijn bij het SLT, zijn deze inmiddels aldaar ondervraagd ter zitting en wat zijn daarvan de resultaten en indien deze niet meer zijn gebruikt/gehoord, waarom niet?

(pagina 56:)

12.1 Heeft het openbaar ministerie die piloot dan kunnen traceren? Is daar enig zicht op?

12.2 Wat heeft het openbaar ministerie gedaan aan nader onderzoek met de gegevens uit het achtergehouden materiaal en die “fotobrief”, maar ook die andere brieven ten aanzien van de piloot ter eventuele bevestiging van hetgeen daar staat?

(pagina 57:)

13.1 Heeft het openbaar ministerie ooit onderzoek gedaan naar de grondslag van al die kennelijke onjuistheden in die rapportages van Global Witness? En zo ja met welke resultaten en zo nee, waarom niet?

(mondeling toegevoegd op pagina 57 onder 16:)

13.2 Is deze persoon getraceerd en, zo ja, is daar dan überhaupt uitzicht op?

(pagina 11:)

14.1 Sinds wanneer en van wie naar aanleiding waarvan heeft het openbaar ministerie kennis genomen van een mogelijke, zoals het openbaar ministerie dat noemt OTP statement?

14.2 Welk onderzoek heeft het openbaar ministerie naar de betrouwbaarheid daarvan en van die persoon, diens achtergrond en eventuele band met andere getuigen/VP’s/NGO’s gedaan?

14.3 En dus ook alle correspondentie ten aanzien van die statement, alsmede alle verklaringen van die persoon.

(pagina 36:)

14.4 De verdediging verzoekt per omgaande alle verklaringen van deze persoon op naam te doen verstrekken aan de verdediging, zodat de inhoud van die verklaringen nog kan worden nagetrokken en getoetst.

14.5 Waarom wenst het openbaar ministerie eerst nu deze getuige in te brengen?

14.6 De verdediging verzoekt aan het openbaar ministerie om aan te geven alle gegevens te verstrekken omtrent de betreffende persoon, ook met betrekking tot diens politieke/stam/ militaire/eventuele rebellen achtergrond en diens eventuele relatie tot andere getuigen/VP’s/ NGO’s in dit dossier

14.7 alsmede aan de verdediging te verstrekken alle door deze persoon bij het SLT afgelegde verklaringen

14.8 De verdediging verzoekt alle materiaal dat bij het SLT berust over deze getuige (eventuele andere getuigen, die over deze getuige zijn ondervraagd of materiaal waarmee deze getuige dient of is geconfronteerd) te verstrekken.

14.9 Indien het openbaar ministerie dit niet heeft nagetrokken, waarom is dit bij deze getuige niet gedaan?

14.10 Is de inhoud van de betreffende verklaring en eventuele overige verklaringen door deze persoon afgelegd nagetrokken (dus inhoudelijk, ten aanzien van bronnen van wetenschap, plaats, gebeurtenis, figuranten, bestaan daarvan enz) en met welke resultaten?

14.11 De verdediging verzoekt het openbaar ministerie voorts aan de verdediging ter beoordeling van de relevantie en inhoudelijke betrouwbaarheid van deze getuige te verstrekken alle op deze persoon van toepassing zijnde getuigen/immuniteitsregelingen van het SLT en/of het Nederlandse openbaar ministerie.

(pagina 60:)

15.1 Heeft het openbaar ministerie tot op heden de verklaringen van [betrokkene 2], [getuige 9] en [getuige 10], mede in relatie tot hun onderlinge connecties, inhoudelijk nagetrokken, en op welke wijze en met welk resultaat? Mocht het openbaar ministerie dit niet hebben gedaan, waarom heeft het openbaar ministerie dat niet gedaan?

15.2 Heeft het openbaar ministerie op basis van die kennelijke valsheden de aan [betrokkene 2] en aan [getuige 9] en [getuige 10] uitgekeerde aanzienlijke bedragen terug gevorderd?

15.3 Waarom heeft het openbaar ministerie ondanks die kennelijke valsheden [betrokkene 2] verzocht andere getuigen te zoeken, althans hem daarbij een rol heeft laten spelen en zelfs gevraagd heeft getuigen van de verdediging te benaderen (zoals [betrokkene 9] en cliënts chauffeur)?

(pagina 61:)

16.1 Heeft het openbaar ministerie thans wel uitzicht op een verblijfplaats van die getuige en een mogelijkheid van spoedig verhoor?

(pagina 65:)

17.1 Wat heeft het openbaar ministerie ooit überhaupt aan technisch/feitelijk onderzoek op enige plaats genoemd door haar getuigen verricht? En met welk resultaat?

17.2 Indien het openbaar ministerie dit niet heeft verricht, waarom niet?

17.3 Welk specifiek technisch sporenonderzoek meent het openbaar ministerie thans in 2010 ten aanzien van het te laste gelegde te vinden?

(pagina 58:)

18.1 De verdediging verzoekt het openbaar ministerie nogmaals die valsheden te onderzoeken en strafvervolging te doen instellen tegen [getuige 11] en de medewerker die deze valsheden mede heeft gepleegd.

18.2 Heeft het openbaar ministerie op basis van die kennelijke valsheden de aan [getuige 11] uitgekeerde aanzienlijke bedragen terug gevorderd of gaat dit gebeuren?

(pagina 62:)

19.1 Heeft het openbaar ministerie ooit nog een onderzoek gedaan naar die valse documenten van [betrokkene 1], de rol van [getuige 14] daarbij en hun relatie en die met [betrokkene 10] in het kader van de door haar afgelegde verklaringen, alsmede een onderzoek naar de inhoud van hetgeen zij verklaard heeft en zo ja, wat waren daarvan de resultaten? Zo nee, waarom heeft het openbaar ministerie nimmer onderzoek daarnaar gedaan?

19.2 Heeft het openbaar ministerie de aan [betrokkene 1] en eventueel [getuige 14] betaalde gelden gelet op die valsheden terug gevorderd?

(pagina 66:)

20.1 Heeft het openbaar ministerie de verklaringen van deze getuige inhoudelijk getoetst en zo ja met welke resultaten?

20.2 Mocht het openbaar ministerie toch niet dat onderzoek hebben verricht, waarom niet?

(pagina 68:)

21.1 Heeft het openbaar ministerie deze VP’s ooit nog geconfronteerd met alle door de verdediging na onderzoek verzamelde gegevens, althans daar überhaupt onderzoek naar gedaan, ten aanzien van de leugenachtigheid/onbetrouwbaarheid van de door hen aangeleverde getuigen en de kennelijke groepsgewijze regie daarbij door hen of derden en naar de eventuele in dat kader spelende belangen? Zo ja, met welke resultaten, zo nee, waarom niet?

Het hof verzoekt het openbaar ministerie voormelde vragen (zo mogelijk gedocumenteerd) schriftelijk te beantwoorden respectievelijk de verzochte stukken over te leggen.

Voor zover het openbaar ministerie een of meer van voormelde vragen niet wil of niet kan beantwoorden, dan wel de verzochte stukken niet over wil of niet over kan leggen, verzoekt het hof zulks schriftelijk en gemotiveerd aan het hof te berichten.

9.

De verzoeken van de verdediging om [getuige 11] (11), [getuige 12] (12), [getuige 13] (13), [getuige 14] (14) en [getuige 15] (15) als getuige te horen, wijst het hof toe.

10.

Het verzoek om deskundige Combs te horen wordt afgewezen. Echter, het hof zal -zoals ook met betrekking tot de deskundige Ellis is overwogen- aan een raadsheer-commissaris bij dit gerechtshof, niet zijnde één van de raadsheren die over de zaak zullen oordelen, de opdracht geven om door de deskundige Combs een rapport te doen opmaken.

Het openbaar ministerie en de verdediging zullen in de gelegenheid worden gesteld om vóór een door die raadsheer-commissaris te bepalen datum vragen aan de deskundige op te geven. De verdachte wordt door de afwijzing van het verzoek bijgevolg niet in zijn verdediging geschaad.

Het verzoek om het boek “Fact-Finding Without Facts. The Uncertain Evidentiary Foundations of International Criminal Convictions” van Nancy A. Combs aan het dossier toe te voegen wordt eveneens afgewezen. Uit hetgeen de verdediging ter ondersteuning van het verzoek heeft betoogd, heeft het hof niet kunnen afleiden dat de inhoud van alle pagina’s van het boek van belang zijn voor de verdediging. Omdat wellicht enkele passages wel van belang kunnen zijn, zou de verdachte in beperkte mate in zijn verdediging kunnen worden geschaad.

Dit moet worden gecompenseerd. Het hof stelt de verdediging mede daarom in de gelegenheid om de deskundige schriftelijk te bevragen, dus ook omtrent de inhoud van het boek.

11.

Het verzoek van de verdediging om de ingezette vertrouwenspersonen (16a, 16b, ….) als getuige te horen wijst het hof toe. Het hof acht het horen van deze personen van belang in verband met verdachtes recht op een eerlijke behandeling als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Voorts acht het hof het horen van deze personen in het belang van de waarheidsvinding. Aan het openbaar ministerie zal worden opgedragen om vóór de nadere terechtzitting de personalia van deze personen aan het hof kenbaar te maken.

12.

Het hof wijst het verzoek om Charles Taylor (17) als getuige te horen toe. Deze getuige zal worden gehoord ter terechtzitting van het hof, waartoe op een nadere terechtzitting zijn oproeping zal worden bevolen.

13.

Het verzoek van de verdediging om de kapiteins en de eerste stuurmannen van de schepen die tegelijkertijd met de Antarctic Mariner in de haven van Buchanan verbleven, wijst het hof af. Naar het oordeel van het hof wordt verdachte daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Daartoe overweegt het hof, dat mochten deze personen verklaren dat zij niet hebben gezien dat er wapens uit de Antarctic Mariner kwamen, zulks immers nog geen afbreuk kan doen aan het hieromtrent door het openbaar ministerie gestelde.

14.

Het verzoek om de officieren van justitie Polescuk en Den Hartigh alsmede de advocaat-generaal Van Die als getuige te horen, wijst het hof eveneens af. Het horen van officieren van justitie en advocaten-generaal past, behoudens in bijzondere gevallen waarvan thans niet is gebleken, niet in het Nederlandse stelsel van strafvordering. Daarnaast wordt verdachte door de afwijzing niet in zijn verdediging geschaad, in aanmerking genomen dat het hof het openbaar ministerie heeft verzocht de bovenstaande vragen van de verdediging te beantwoorden.

15.

De raadsvrouwe heeft voorwaardelijk, te weten: indien het verzoek om [getuige 2] en [getuige 3] als getuige te horen zou worden toegewezen, verzocht om [getuige 18] (18), [getuige 19] (19), [getuige 20] (20), [getuige 21] (21), [getuige 22] (22), [getuige 23] (23), [getuige 24] (24), [getuige 25] (25) en [getuige 26] (26) als getuige te horen. Aan voormelde voorwaarde is voldaan. Het hof wijst het verzoek tot het horen van deze getuigen toe.

16.

De raadsvrouwe heeft voorwaardelijk, te weten: indien het verzoek om [getuige 2] en [getuige 3] als getuige te horen zou worden toegewezen, verzocht om alle identiteitsbewijzen van de door [getuige 11] gehoorde personen. Het hof is de noodzaak daarvan evenwel niet gebleken, in aanmerking genomen dat de identiteit van de te horen getuigen bij hun verhoor zal worden onderzocht, zodat het verzoek wordt afgewezen.

17.

Het hof acht het ambtshalve wenselijk dat [getuige 27] (27) als getuige zal worden gehoord. Daarbij heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de hiervoor onder 1. en 14. genomen beslissingen.

Het hof overweegt voorts nog het volgende.

Behoudens wat betreft getuige Charles Taylor (17) neemt het hof thans nog geen beslissing ten aanzien van de vraag waar en door wie de te horen getuigen gehoord zullen worden. Het hof verzoekt het openbaar ministerie en de verdediging op te geven waar de te horen getuigen zich bevinden en of ze redelijkerwijs naar Nederland kunnen komen om gehoord te worden.

Na de tweede regiezitting zal het hof dan, zoveel als mogelijk, een beslissing nemen over de vraag op welke locatie de getuigen gehoord zullen worden en over de vraag wie de verhoren zal afnemen.

Het openbaar ministerie en de verdediging hebben zich uitgelaten over het recht dat van toepassing is bij het horen van getuigen in het buitenland.

Het hof zal dat dit telkens vaststellen aan de hand van het desbetreffende rechtshulpverdrag. Ten aanzien van Liberia houdt artikel XIII van de ‘Overeenkomst tusschen Nederland en Liberia tot regeling der wederzijdsche uitlevering van misdadigers’ in dat aan een rogatoire commissie tot het horen van getuigen gevolg zal worden gegeven met inachtneming van de wetten van het land waar de getuigen zullen worden uitgenodigd te verschijnen.

Ten aanzien van het verzoek van de raadsvrouw dat de Liberiaanse advocaat [naam advocaat] bij verhoren van getuigen in Liberia aanwezig mag zijn, zal het hof geen beslissing nemen. Immers, op grond van artikel 187c Sv kan de rechter-commissaris dan wel de

raadsheer-commissaris bijzondere toegang verlenen tot het verhoor van een getuige of een deskundige.

Wel beveelt het hof de in deze zaak nog te benoemen rechter-commissaris dan wel de raadsheer-commissaris aan, toe te staan dat [naam advocaat] ter ondersteuning van en enkel in het gezelschap van de raadsvrouw bij verhoren aanwezig mag zijn. Hem zou dan geen zelfstandige positie toekomen, zodat hij geen vragen mag stellen, doch enkel de raadsvrouw mag adviseren, opdat zij adequate vragen kan stellen.

Het hof beveelt die rechter-commissaris dan wel de raadsheer-commissaris op eenzelfde wijze aan, desverzocht, toe te staan dat een politieambtenaar ter ondersteuning van en enkel in het gezelschap van een advocaat-generaal bij verhoren aanwezig zal zijn.

Het hof zal de behandeling van de zaak schorsen tot de terechtzitting van 1 maart 2011 om 13.30 uur. Dan zal de tweede regiezitting plaatsvinden.

Het hof nodigt het openbaar ministerie en de verdediging uit eventuele aanvullende wensen tijdig voor deze zitting schriftelijk aan het hof kenbaar te maken.

Het hof:

Schorst het onderzoek tot de terechtzitting van 1 maart 2011 te 13.30 uur, met bevel tot oproeping van verdachte tegen voormelde datum en tijdstip, en met tijdige kennisgeving hiervan aan de raadsvrouw van verdachte.

Stelt het openbaar ministerie en de verdediging in de gelegenheid vóór een door de raadsheer-commissaris bij dit gerechtshof te bepalen datum aan het hof de vragen aan deskundigen Ellis en / of Combs en eventuele onderliggende stukken te doen toekomen.

Stelt de stukken in handen van een raadsheer-commissaris bij dit gerechtshof, niet zijnde een van de raadsheren die over de zaak zal oordelen, met de opdracht om:

a.

- door prof. dr. S.D.K. Ellis, hoogleraar aan de Faculteit der Sociale Wetenschappen van de Vrije Universiteit te Amsterdam, De Boelelaan 1081, 1081 HV Amsterdam, alsmede als onderzoeker werkzaam bij het African Studies Centre van de Universiteit Leiden, postbus 9555, 2300 RB Leiden, en

- door Nancy A. Combs, professor of law aan de William and Mary Law School te

613 South Henry Street, Williamsburg, Virginia 23185, Verenigde Staten, e-mailadres: [e-mailadres], tevens als gastonderzoeker verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en het T.M.C. Asser Instituut,

een deskundigenrapport te doen opmaken ter beantwoording van de vragen die zijn opgegeven door het openbaar ministerie en / of de verdediging.

b.

de navolgende locaties te schouwen en van hetgeen aldaar wordt waargenomen beeldopnames te doen vervaardigen:

- de haven in Buchanan, Liberia

- the Loop in Buchanan, Liberia,

- the Executive Mansion in Monrovia, Liberia

- White Flower in Monrovia, Liberia.

Verzoekt het openbaar ministerie en de verdediging schriftelijk aan het hof mede te delen of bezwaar wordt gemaakt tegen de eventuele aanwezigheid als toeschouwer van een of meer leden van deze strafkamer bij die schouwen.

Verzoekt het openbaar ministerie voormelde vragen van de raadsvrouw -zo mogelijk gedocumenteerd- schriftelijk te beantwoorden respectievelijk de verzochte stukken over te leggen. Voor zover het openbaar ministerie een of meer van deze vragen niet wil of niet kan beantwoorden dan wel de verzochte stukken niet over wil of niet over kan leggen, verzoekt het hof zulks schriftelijk en gemotiveerd aan het hof te berichten.

Draagt het openbaar ministerie op de personalia van de vertrouwenspersonen schriftelijk aan het hof kenbaar te maken.

Verzoekt het openbaar ministerie en de verdediging schriftelijk aan het hof op te geven waar de te horen getuigen zich bevinden en of ze naar Nederland zouden kunnen komen om gehoord te worden.

Verstaat dat aanvullende stukken en eventuele aanvullende onderzoekswensen tijdig vóór de nadere rechtsdag van 1 maart 2011 ter griffie van dit gerecht zullen worden neergelegd.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffiers is vastgesteld en ondertekend.