Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP2552

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
31-01-2011
Zaaknummer
HD 200.048.137
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht.

Vordering tot nietigverklaring testament van niet overleden erflater.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.048.137

arrest van de zevende kamer van 18 januari 2011

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. F.G.F.M. Tripels,

tegen:

1. [Y.],

wonende te [woonplaats],

2. [Z.],

wonende te [woonplaats] (België),

3. [A.],

wonende te [woonplaats],

4. [B.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. M.M.J. Janssen,

op het bij exploot van dagvaarding van 20 oktober 2009 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 22 juli 2009 tussen appellant als eiser en geïntimeerden als gedaagden.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer/rolnummer 134792/HA ZA 08-1232)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het tussenvonnis van 28 januari 2009.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Appellant is tijdig van het eindvonnis van 22 juli 2009 in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven tevens akte wijziging van eis heeft appellant één grief aangevoerd, zijn eis gewijzigd en geconcludeerd zoals in de conclusie van deze memorie nader staat omschreven.

2.2 Bij memorie van antwoord hebben geïntimeerden de grieven bestreden.

2.3 Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grief verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a) Appellant en geïntimeerden sub 2, 3 en 4 zijn kinderen van geïntimeerde sub 1 (verder: moeder) en [C.] die op 13 december 1986 is overleden (verder: vader).

b) Erfgenamen van vader zijn moeder en de vier kinderen. Blijkens de verklaring van erfrecht d.d. 17 december 1986 (prod. 1 inl. dagv.) heeft vader alle bestanddelen van zijn nalatenschap toebedeeld aan moeder onder de verplichting, onder meer, om wegens overbedeling aan zijn kinderen uit te keren ieders erfdeel in contanten welke uitkeringen met de daarover verschuldigde rente ad 9% per jaar, eerst opeisbaar zijn bij overlijden van moeder, bij haar faillissement of aanvraag tot surseance van betaling.

c) Bij testament van 14 februari 2005 heeft moeder appellant uitgesloten als erfgenaam van haar nalatenschap en de drie andere kinderen tot haar enige erfgenamen benoemd (prod. 3 inl. dagv.).

d) Bij onderhandse akte d.d. 9 september 2005 heeft moeder aan geïntimeerden sub 2, 3 en 4 ieder € 35.000,= geschonken. Daarnaast heeft zij deze drie kinderen enkele inboedelgoederen geschonken.

4.2 In deze procedure stelt appellant zich op het standpunt dat het testament van zijn moeder van 14 februari 2005 nietig is en dat de schenkingen van zijn moeder aan zijn broers en zus vernietigbaar zijn. In eerste aanleg vorderde hij op grond hiervan een dienovereenkomstige verklaring voor recht, primair op grond van artikel 3:34 BW en subsidiair op grond van artikel 3:45 BW (1), alsmede hoofdelijke veroordeling van geïntimeerden tot betaling van schade, op te maken bij staat (2). Deze vorderingen zijn in eerste aanleg gemotiveerd bestreden. De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep geoordeeld dat appellant, nu en zolang zijn moeder nog leeft, geen redelijk belang heeft bij zijn vorderingen en hem om die reden daarin niet-ontvankelijk verklaard, met veroordeling van appellant in de proceskosten.

4.3 Tegen dit oordeel richt zich de enige grief van appellant. Tevens heeft hij in hoger beroep zijn eis gewijzigd in die zin dat hij thans vordert ofwel (primair) de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank Maastricht ofwel (subsidiair) zijn vorderingen alsnog toe te wijzen met dien verstande dat hij bij onderdeel (1) vordert te verklaren voor recht:

- dat de op 14 februari 2005 tot stand gekomen rechtshandeling nietig is op grond van artikel 3:34 BW, en voorts

- primair de op 9 september 2005 door geïntimeerde sub 1 aan geïntimeerden sub 2 tot en met 4 gedane schenkingen en de door haar aan hen gedane schenkingen van inboedelgoederen te vernietigen op grond van artikel 3:45 BW, en

- subsidiair te verklaren voor recht dat alle bedoelde schenkingen vernietigbaar zijn op grond van artikel 3:34 BW,

alles met hoofdelijke veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties.

4.4 Ten aanzien van de vordering van appellant met betrekking tot het testament van moeder van 14 februari 2005 overweegt het hof als volgt. Artikel 4:42 BW bepaalt onder meer dat een uiterste wilsbeschikking een eenzijdige rechtshandeling is, waarbij een erflater een beschikking maakt, die eerst werkt na zijn overlijden. Deze bepaling is niet anders te verstaan dan dat deze rechtshandeling voorafgaande aan het overlijden van de erflater geen enkele werking heeft. Bij nietigverklaring van een rechtshandeling die nog geen enkele werking heeft en die wellicht ook nooit enige werking zal hebben (een testament kan immers herroepen worden) heeft niemand enig rechtens relevant belang en dus ook niet bij een verklaring voor recht met die strekking. Het moge zo zijn dat appellant meent belang te hebben bij een vaststelling dat het testament nietig zal zijn of dat hij verwacht dat zijn moeder niet meer in staat zal zijn haar testament te herroepen, maar deze beweegredenen van appellant laten onverlet dat aantasting van een testament gelet op artikel 4:42 BW niet eerder zal kunnen geschieden dan op het moment dat daaraan enige werking toekomt, dat wil dus zeggen na het overlijden van moeder en niet eerder en dat ook een tot datzelfde doel strekkende verklaring voor recht thans prematuur is. Dat betekent in het onderhavige geval dat appellant niet ontvangen kan worden in zijn vordering met betrekking tot het testament.

4.5 Bij zijn vorderingen met betrekking tot de schenkingen door zijn moeder aan zijn broers en zus treedt appellant op in zijn hoedanigheid van schuldeiser van moeder uit hoofde van de nalatenschap van zijn vader. Hoe appellant zijn vorderingen ook formuleert, uiteindelijk komt het steeds hierop neer dat volgens hem zijn moeder door de schenkingen aan de andere kinderen zijn rechten op zijn erfdeel illusoir maakt. Hij verwijt zijn moeder in dit verband primair paulianeus handelen in de zin van artikel 3:45 BW; subsidiair stelt appellant zich op het standpunt dat de schenkingen zijn gedaan onder invloed van een geestelijke stoornis in de zin van artikel 3:34 BW.

4.6 Bij zowel de ene als bij de andere grondslag dient voorop gesteld te worden dat appellant op dit moment geen opeisbare vordering op moeder heeft uit hoofde van de nalatenschap van vader. Moeder kan volledig naar eigen goeddunken over de nalatenschap van haar overleden echtgenoot beschikken en kan deze eventueel volledig tot nihil reduceren. Dat is de consequentie van de uiterste wilsbeschikking van vader. Als schuldeiser van moeder uit hoofde van de nalatenschap van vader kan appellant slechts opkomen tegen door moeder verrichte rechtshandelingen waardoor hij in zijn verhaalsmogelijkheden wordt beperkt, indien aan de vereisten die artikel 3:45 BW daarvoor stelt is voldaan. Door geïntimeerden is in hun conclusie van antwoord aangegeven dat het zuivere saldo van de nalatenschap van vader ƒ 61.470,= bedraagt (punt 8) en dat het vermogen van moeder ook na de schenkingen ruimschoots voldoende is (punt 10). Een en ander is door appellant niet betwist, zodat van de juistheid van deze gegevens uitgegaan dient te worden. Dat betekent dat van een benadeling van schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden thans geen sprake is, zodat reeds om deze reden appellant geen belang heeft bij de door hem primair gevorderde vernietiging van de schenkingen op grond van artikel 3:45 BW.

4.7 Gelet op deze gegevens ontbreekt bij appellant eveneens een voldoende belang bij de subsidiair gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van de vernietigbaarheid van de schenkingen op grond van artikel 3:34 BW. De rechtsgeldigheid van de schenkingen raakt op dit moment zijn positie als schuldeiser van moeder uit hoofde van de nalatenschap van vader immers niet. Voor zover appellant meent belang te hebben bij een vaststelling dat de schenkingen te zijner tijd vernietigbaar zullen zijn, is een vordering in die richting op dit moment prematuur.

4.8 De slotsom is dat bij appellant vooralsnog een rechtens relevant belang bij zijn vorderingen met betrekking tot de schenkingen ontbreekt, zodat hij ook in deze vorderingen niet ontvangen kan worden.

4.9 Bij deze stand van zaken bestaat evenmin enig belang bij onderdeel (2) van zijn vordering, terwijl voor terugverwijzing naar de rechtbank in dit geval geen wettelijke grondslag bestaat. De grief van appellant wordt verworpen, het vonnis waarvan beroep wordt bekrachtigd en in hetgeen in hoger beroep meer of anders is gevorderd is appellant eveneens niet-ontvankelijk. Appellant zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

verklaart appellant eveneens niet-ontvankelijk in het in hoger beroep meer of anders gevorderde;

veroordeelt appellant in de kosten van het geding inhoger beroep, tot op deze uistrpaak aan de zijde van geïntimeerden begroot op € 314,= aan vast recht en op € 894,= aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Meulenbroek en Van Ham en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 januari 2011.