Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP2347

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-01-2011
Datum publicatie
28-01-2011
Zaaknummer
HD 200.039.492
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2009:BI3654, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BW9071, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BW9071
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werknemer ([geboortedatum] 1941) is met ingang va 10 juli 1998 arbeidsongeschikt voor 80-100% en is met ingang van 1 november 2006 met pensioen gegaan. Werknemer betwist het bedrag van het ouderdomspensioen, zoals door Pensioenfonds is berekend. Hof gaat na of Pensioenfonds de opgebouwde aanspraken en daarop vallende indexeringen juist heeft vastgesteld op basis van het voor werknemer geldende pensioenreglement.

Hof raadpleegt pensioenregelement op www.bpf-psl.nl

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2011/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.039.492

arrest van de achtste kamer van 11 januari 2011

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. S.G. Volbeda,

tegen:

STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR DE SCHOEN-, LEDER EN LEDERWARENINDUSTRIE,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. T. Meevis,

op het bij exploot van dagvaarding van 20 juli 2009 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Heerlen gewezen vonnissen van 3 december 2008 en 29 april 2009 tussen appellant - [X.] - als eiser en geïntimeerde – het pensioenfonds - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 290879 CV EXPL 08-3207)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.] onder overlegging van één productie vier grieven aangevoerd, zijn vordering vermeerderd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van zijn vermeerderde vordering.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft het pensioenfonds onder overlegging van één productie de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna hun standpunten doen bepleiten ter terechtzitting van het hof van 8 november 2010, waarbij voor [X.] optrad mr. Volbeda voornoemd en voor het pensioenfonds mr. Meevis voornoemd. De daarvan opgemaakte pleitnotities hebben partijen aan het hof overgelegd.

Mr. Volbeda heeft ten pleidooie vijf producties in het geding gebracht die hij bij brief van 26 oktober 2010 aan het hof had toegestuurd.

2.4. Partijen hebben vervolgens uitspraak gevraagd. Partijen hebben ermee ingestemd dat het hof uitspraak doet op de door [X.] ten behoeve van het pleidooi overgelegde kopieën van de gedingstukken.

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven I, II en de eerste grief III strekken ten betoge dat de kantonrechter het jaarlijks ouderdomspensioen van [X.] ten onrechte heeft vastgesteld op (slechts) € 21.064,56 met ingang van 1 november 2006.

De tweede grief III, die het hof hierna zal aanduiden met grief IV, strekt ten betoge dat de kantonrechter het pensioenfonds volledig in de kosten had moeten veroordelen.

Het hof verwijst voor de inhoud van de grieven naar hetgeen hierna onder de beoordeling is vermeld.

4. De beoordeling

4.1. [X.] heeft aan de pleitnota een stuk gehecht, voorzien van het opschrift “productie 3” waarin een berekening is opgenomen naar aanleiding van de tabel die het pensioenfonds als productie 1 bij memorie van antwoord had overgelegd. [X.] heeft toegelicht dat deze berekening onderdeel vormt van zijn pleitnota.

4.1.1. Het pensioenfonds heeft tegen overlegging van deze productie bezwaar gemaakt.

4.1.2. Het hof verklaart het bezwaar ongegrond. Bedoeld stuk is niet aan te merken als een productie, maar als een onderdeel van de pleitnota en daarmee van het pleidooi van [X.].

Het hof heeft er overigens nota van genomen dat het pensioenfonds de in dat stuk opgenomen berekening betwist.

4.2. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. [X.], geboren op [geboortedatum] 1941, is als werknemer in dienst geweest van NV [Y.] Schoenfabriek te [vestigingsplaats] vanaf mei 1957 totdat deze fabriek in maart 1997 failliet werd verklaard. [X.] is daarna ziek geworden en vanaf 10 juli 1998 arbeidsongeschikt in de zin van de WAO naar een percentage van 80-100.

Met ingang van 1 november 2006 is [X.] met pensioen gegaan.

b. Voorafgaand aan zijn pensionering heeft het pensioenfonds bij brief d.d. 21 juli 2006 (prod. 1 inl. dagv.) aan [X.] bericht dat het ouderdomspensioen van [X.] vanaf 1 november 2006 € 20.035,11 bruto per jaar bedraagt en het partnerpensioen ten behoeve van zijn partner ingeval van zijn overlijden € 13.107,95 bruto per jaar.

c. [X.] heeft tegen de hoogte van deze pensioenbedragen bezwaar gemaakt bij het pensioenfonds, omdat hij van mening is dat zijn pensioen en dat van zijn partner op een hoger bedrag moeten worden vastgesteld. Het pensioenfonds heeft deze bezwaren niet gehonoreerd.

d. Tijdens de procedure in eerste aanleg heeft het pensioenfonds een herrekening uitgevoerd waarbij het ouderdomspensioen van [X.] op een iets hoger bedrag uitkwam, te weten € 21.064,56 per jaar per 1 november 2006. Het pensioenfonds heeft toegezegd dat met ingang van 1 november 2006 het bedrag van € 21.064,56 als ouderdomspensioen van [X.] zal worden aangehouden (cvd pag. 2).

4.3. Bij eindvonnis d.d. 29 april 2009 heeft de kantonrechter het jaarlijks ouderdomspensioen van [X.] vastgesteld op € 21.064,56 met terugwerkende kracht tot 1 november 2006, te vermeerderen met de wettelijke rente over het verschil ten opzichte van

het uitgekeerde pensioen en te vermeerderen met de indexering vanaf voornoemde datum.

Hetgeen [X.] meer of anders heeft gevorderd heeft de kantonrechter afgewezen.

4.4. De vordering van [X.] in de onderhavige procedure, in aanmerking genomen dat hij zijn eis bij conclusie van repliek heeft gewijzigd en bij memorie van grieven heeft vermeerderd, houdt in de eerste plaats - kort gezegd - in dat het pensioenfonds het jaarlijks ouderdomspensioen van [X.] per 1 november 2006 op een hoger bedrag dan

€ 21.064,56 vaststelt (en het partnerpensioen op 70% daarvan), dat het pensioenfonds dat hogere bedrag, gecorrigeerd met de reguliere toeslagverlening, betaalt en dat het pensioenfonds hetgeen in het verleden te weinig is betaald, vermeerderd met de wettelijke rente, alsnog betaalt.

[X.] stelt in dat verband dat zijn jaarlijks ouderdomspensioen per 1 november 2006 primair moet worden vastgesteld op een bedrag van € 27.868,40, subsidiair op € 23.618,11 en meer subsidiair op € 23.191,85. Nog meer subsidiair heeft [X.] gevorderd dat het pensioenfonds de opbouw van zijn pensioen vaststelt conform het pensioenreglement van het pensioenfonds en dat pensioen per 1 november 2006 uitbetaalt.

4.4.1. Daarnaast vordert [X.] dat het pensioenfonds hem uit hoofde van zijn APS-pensioenaanspraak met ingang van 1 november 2006 een bedrag van € 705,97 per jaar betaalt, vermeerderd met bedragen wegens indexering en wettelijke rente, en voorts een bedrag van € 1.000,-wegens buitengerechtelijke kosten.

4.5. Het pensioenfonds stelt zich op het standpunt dat het ouderdomspensioen van [X.] niet op een hoger bedrag moet worden vastgesteld dan € 21.064,56 per jaar per

1 november 2006.

4.5.1. Het pensioenfonds heeft het bedrag van deze aanspraak als volgt gespecificeerd.

A. Opgebouwd per 31 december 1987 over de daaraan

voorafgaande periode f. 13.150,17

B. Opgebouwd per 31 december 1996 over de periode

1 januari 1988 tot en met 31 december 1996,

telkenjare vermeerderd met de indexering van de

reeds opgebouwde aanspraken f 12.951,37

totaal f 26.101,54

= € 11.844,36

Het pensioenfonds stelt overigens de aanspraak

per 31 december 1996 op een hoger bedrag

in euro’s, namelijk € 11.882,23 per jaar, en

gaat in zijn verdere berekening uit van een nog

hoger totaalbedrag, te weten (zie cvd pag. 2) € 11.972,-

C. Opgebouwd per 1 november 2006 over de periode

1 januari 1997 tot 1 november 2006 (=pensioendatum),

telkenjare vermeerderd met de indexering van de reeds

opgebouwde aanspraken € 9.092,56

Totaal opgebouwde ouderdomspensioenaanspraak

per 1 november 2006 € 21.064,56

4.6. Deze specificatie heeft het pensioenfonds als volgt nader toegelicht.

A. Het bedrag van f 13.150,17 is samengesteld uit twee bedragen, te weten (a) een ouderdomspensioenaanspraak van f 1.025,39 en (b) een ouderdomspensioenaanspraak van

f 12.124,78 per jaar (zie pensioenopgave per 1 januari 1988: prod. bij akte d.d. 5 januari 2009).

a. De aanspraak van f 1.025,39 betreft de zogenaamde APS-pensioenaanspraak. Deze heeft [X.] verworven als deelnemer in het pensioenfonds voor handarbeiders in de schoenindustrie in de periode van mei 1957 tot 1 januari 1988. Partijen zijn het over de hoogte van dit bedrag eens (zie cvr punt 6, laatste alinea, productie bij akte d.d. 5 januari 2009 en antwoordakte d.d. 4 februari 2009 slot).

b. De aanspraak van f 12.124,78 per jaar heeft [X.] verworven als deelnemer in het pensioenfonds voor de beambten in de schoenindustrie en lederwarenindustrie in de periode van november 1966 tot 1 januari 1988 (prod. bij akte d.d. 5 januari 2009). In dit geding is overgelegd het pensioenreglement van dit fonds d.d. 6 april 1966 en een samenvatting van het reglement van dit fonds dat gold met ingang van 1 juli 1969 (prod. 7 cva).

[X.] is het met de hoogte van deze aanspraak niet eens (zie antwoordakte d.d.

4 februari 2009, slot).

B. Het bedrag van f 12.951,37 is samengesteld uit de bedragen waarmee in de periode vanaf 1 januari 1988 tot 1 januari 1997 de reeds opgebouwde pensioenaanspraken, te beginnen met de per 1 januari 1988 opgebouwde aanspraak van f 13.150,17, zijn geïndexeerd (a) en waarmee in die periode pensioenaanspraken jaarlijks verder zijn opgebouwd (b) op basis van de pensioengrondslag van het betreffende jaar (1,75% van de pensioengrondslag (c). Het hof verwijst naar de tabel opgenomen in de akte d.d. 5 januari 2009, waarin (a) is vermeld in kolom 3, (b) in kolom 4 en (c) in kolom 5. In die tabel is tevens weergegeven dat de ouderdomspensioenaanspraak van [X.] in deze periode is gestegen van f 13.150,17 per 1 januari 1988 tot f 26.101,54 (= € 11.844,36 ) per 31 december 1996.

Het pensioenfonds stelt, zoals gezegd, de aanspraak per 31 december 1996 op een bedrag van € 11.882,23 per jaar en gaat bij haar verdere berekening uit van € 11.972,00 per jaar (cvd pag. 2).

[X.] is het met de berekeningen en uitkomsten van deze tabel niet eens (zie antwoordakte d.d. 4 februari 2009).

C. Het bedrag van € 9.092,56 is samengesteld uit de bedragen waarmee in de periode vanaf 1 januari 1997 tot 1 november 2006 (= pensioendatum) de reeds opgebouwde pensioenaanspraken, te beginnen met een per 31 december 1996 opgebouwde aanspraak van € 11.972,00, zijn geïndexeerd (a) en waarmee in die periode pensioen- aanspraken jaarlijks verder zijn opgebouwd (b) op basis van de pensioengrondslag van het betreffende jaar (1,75% van de pensioengrondslag (c).

Het hof verwijst naar de tabel opgenomen in de conclusie van dupliek, waarin (a) is vermeld in kolom 3, (b) in kolom 4 en (c) in kolom 5. In die tabel is tevens weergegeven dat de ouderdomspensioenaanspraak van [X.] in deze periode is gestegen van € 11.972,00 per 31 december 1996 tot € 21.064,56 per 1 november 2006.

[X.] is het met de berekeningen en uitkomsten van deze tabel niet eens (zie cvr en antwoordakte d.d. 4 februari 2009).

4.7. Het hof zal thans overgaan tot beoordeling van de bezwaren van [X.] tegen de toelichting van de specificatie van het pensioenfonds en daarbij tevens de grieven bespreken.

4.8. [X.] bestrijdt dat de APS-pensioenaanspraak van f 1.025,39 onderdeel vormt van de per 31 december 1987 opgebouwde pensioenspraak van f 13.150,17 (rov. 4.6. sub A.a.). Volgens [X.] dient de APS-pensioenaanspraak apart te worden uitbetaald (antwoordakte d.d. 4 februari 2009, slot). In de toelichting op grief II (mvg pag. 10, laatste alinea) beroept [X.] zich daartoe op de berekening van [Z.] van 10 januari 2007 (prod. 3, laatste bladzijde bij inl. dagv.).

4.9. Het hof verwerpt het standpunt van [X.]. Blijkens de pensioenopgave van 1 januari 1988 (prod. bij akte d.d. 5 januari 2009) vormt de aanspraak van f 1.025,39 onderdeel van de pensioenaanspraak van f 13.150,39 per jaar. De berekening van [Z.] leidt niet tot een ander oordeel. Het feit dat [Z.] in zijn berekening uitkomt op een lager bedrag aan opgebouwde aanspraken per 1 november 2006 (€ 18.987,24) dan is berekend door het systeem (€ 20.041,52) is kennelijk een gevolg van het feit dat [Z.] in zijn berekening over de periode 1997-2006 alleen de bedragen van de in die jaren opgebouwde pensioenaanspraken heeft bijgeteld (€ 5.322,21) en niet de bedragen van de indexering in die jaren van de reeds opgebouwde pensioenaanspraken, zoals die zijn vermeld in de tabel die is opgenomen in de conclusie van dupliek pag. 2, kolom 2. Indien laatstgenoemde indexeringsbedragen, totaal belopend € 3.770,34, bij het bedrag van € 18.987,24 worden geteld, resulteert een bedrag van € 22.757,58 aan pensioenaanspraken per 1 november 2006, derhalve niet een lager, maar een hoger bedrag dan het systeem heeft berekend. De berekening van [Z.], resulterend in een lager bedrag, levert dus geen argument op ten gunste van het standpunt van [X.], maar een bevestiging van de juistheid van het standpunt van het pensioenfonds.

Grief II faalt op dit punt. De kantonrechter heeft de vordering van [X.] met betrekking tot de APS-pensioenaanspraak terecht afgewezen.

4.10. [X.] bestrijdt de hoogte van de per 31 december 1988 opgebouwde aanspraak van f 12.124,78 per jaar (rov. 4.6. sub A.b.).

Volgens [X.] moet dit bedrag hoger zijn omdat hij in de jaren vóór 1988 steeds een salaris heeft gehad dat zo hoog was dat zijn pensioengrondslag in die periode telkenjare op het maximale bedrag uitkwam. Daarom moet volgens [X.] telkenjare worden uitgegaan van de maximale pensioengrondslag en maakt het niet uit of de pensioenregeling van het pensioenfonds voor de beambten een middelloonregeling dan wel een eindloonregeling was (toelichting grief II).

4.11. Het hof verwerpt dit standpunt.

De pensioenregeling van het pensioenfonds voor de beambten was een middelloonregeling en kende een maximum pensioengrondslag, te weten f 10.000,- conform artikel 6, lid 2 pensioenreglement d.d. 6 april 1966 en f 20.000,-, conform de regeling die gold met ingang van 1 juli 1969, zulks met toepassing van indexering conform de loonontwikkeling (prod. 7 cva).

Blijkens de overgelegde pensioenopgaven (zie onder prod. 6 cva) gold voor [X.] met ingang van 1 juli 1969 een pensioengrondslag van f 6.951,-, met ingang van 1 januari 1970 van f 12.345,-, met ingang van 1 januari 1971 van f 11.555,- en met ingang van 1 januari 1973 van f 17.029,-.

Deze bedragen zijn alle lager dan de in die jaren op basis van het pensioenreglement geldende maximale pensioengrondslagen. Niet gesteld of gebleken is dat [X.] tegen deze pensioenopgaven destijds bezwaar heeft gemaakt nadat hij ze had ontvangen. Het hof kan er dan ook niet van uitgaan dat [X.] in deze periode steeds in aanmerking kwam voor een pensioenopbouw op basis van de maximale pensioengrondslag. Daarom kan ook niet worden geconcludeerd dat het niet uitmaakt of er sprake is van een middelloon- regeling dan wel een eindloonregeling. Dat maakt wel degelijk uit.

Overigens kan het hof er ook niet van uitgaan dat [X.] in de jaren vóór 1988 geen salarissprongen heeft gemaakt die uitstegen boven de voor de pensioengrondslagen gehanteerde indexpercentages. Zo is het bruto-loon van [X.] van f 14.879,75 in het jaar 1969 in een periode van vijf jaar gestegen tot f 29.705,43 in het jaar 1973, dus gestegen met circa 100% in vijf jaar (zie loonopgaven: prod. 6 cva).

Grief II faalt dus ook op dit onderdeel.

4.12. [X.] bestrijdt dat de hoogte van het bedrag van de pensioenaanspraak per 31 december 1996 op een bedrag van € 11.972,- per jaar kan worden gesteld (rov. 4.6. sub B). Volgens [X.] moet die aanspraak wordt gesteld op een bedrag van € 13.665,03.

4.13. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Het uitgangspunt van [X.] dat hij per 1 januari 1997 een ouderdomspensioen had opgebouwd van € 13.665,03 is onjuist.

[Z.] heeft het bedrag van € 13.665,03 berekend alsof de pensioenregeling voor de beambten een eindloonregeling inhield (30,1 jaren x 1,75% x (de pensioengrondslag per 1 januari 1997 van) € 25.942,16 = € 13.665,03). Nu er geen sprake is van een eindloonregeling, maar van een middelloonregeling met een maximale pensioengrondslag, kan [X.] zich op die berekening niet met vrucht beroepen. Het pensioenfonds heeft de onduidelijkheid daarover rechtgezet bij brief van 10 januari 2007 (prod. 3 inl. dagv.), zodat [X.] er niet van uit mocht gaan dat het pensioenfonds in de conclusie van antwoord d.d. 11 juni 2008 op pagina 3 Ad 1 heeft erkend dat het per 1 januari 1997 opgebouwde ouderdomspensioen van [X.] een bedrag van € 13.665,03 beliep.

In de pleitnota (pag. 3) stelt [X.], kennelijk in aansluiting op de memorie van grieven punt 8, dat hij met [Z.] een overeenkomst heeft gesloten inhoudende dat voor wat betreft de opbouw tot 1 januari 1997 zou worden uitgegaan van de maximale pensioengrondslag per 1 januari 1997 (30,1 jaren x 1,75% x maximale pensioengrondslag per 1 januari 1997) en dat [X.] mocht aannemen dat [Z.] bevoegd was om een dergelijke overeenkomst te sluiten.

Voorzover [X.] zijn vordering op deze stelling wil baseren (zijn betoog is op dit punt niet duidelijk) zijn door hem volstrekt onvoldoende feiten gesteld om tot de gestelde overeenkomst te kunnen concluderen, laat staan om te kunnen concluderen dat [Z.] bevoegd was om namens het pensioenfonds een dergelijke overeenkomst, die afweek van de inhoud van de toepasselijke pensioenregeling, te sluiten.

Al hetgeen [X.] overigens aanvoert ter bestrijding van de hoogte van de aanspraak per 31 december 1996 van € 11.972,- per jaar levert geen grond op deze aanspraak op een hoger bedrag vast te stellen. Grief II faalt dus ook op dit onderdeel.

4.14. [X.] bestrijdt de hoogte van de per 1 november 2006 opgebouwde pensioenaanspraak van € 21.064,56 (rov. 4.6. sub C).

4.14.1. Volgens [X.] heeft hij per 1 november 2006:

a. primair recht op € 27.868,40 (40 jaar x 1,75% x € 39.812,- = € 27.868,40). Het bedrag van € 39.812,- is de maximale pensioengrondslag per 1 januari 2006 (mvg punt 16);

b. subsidiair recht op € 23.618,11. Dit is het pensioenbedrag dat is berekend op basis van de pensioengrondslagen in de periode 1997-2006, die zijn vermeld in de brief van [A.] d.d. 5 september 2007 (prod. 11 cva) en ervan uitgaande dat per 1 januari 1997 reeds een ouderdomspensioenaanspraak van € 13.665,03 was opgebouwd (cvr punt 7 juncto punt 6);

c. meer subsidiair recht op € 23.191,85. Dit is het pensioenbedrag dat is berekend op basis van de pensioengrondslagen in de periode 1997-2006 die het pensioenfonds hanteert, zoals vermeld in de conclusie van dupliek pag. 2, en ervan uitgaande dat per 1 januari 1997 reeds een ouderdomspensioenaanspraak van € 13.665,03 was opgebouwd (cvr punt 7).

4.15. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

4.15.1. Het onder 4.14.1. sub a vermelde primaire standpunt van [X.] is onjuist, omdat [X.] er daarin ten onrechte van uitgaat dat voor hem gedurende 40 jaren van pensioen- opbouw de maximale pensioengrondslag van € 39.812,- gold. Gelet op hetgeen in rov. 4.11. en 4.13. is overwogen kan dat uitgangspunt niet als juist worden aanvaard.

4.15.2. Het onder 4.14.1. sub b. en c. vermelde subsidiaire en meer subsidiaire standpunt van [X.] is ook onjuist. [X.] gaat in zijn berekening uit van het gegeven dat per 1 januari 1997 door hem een ouderdomspensioenaanspraak van € 13.665,03 was opgebouwd. Gelet op hetgeen in rov. 4.13. is overwogen is dat uitgangspunt onjuist.

4.16. [X.] heeft nog meer subsidiair gevorderd dat het pensioenfonds de opbouw van zijn pensioen vaststelt conform het pensioenreglement van het pensioenfonds en dat pensioen per 1 november 2006 uitbetaalt.

4.17. Het pensioenfonds heeft gesteld dat de berekening in de conclusie van dupliek geheel conform artikel 5 van het in dit geding overgelegd pensioenreglement van het pensioenfonds, versie 1997 (prod. 7 inl. dagv) is opgesteld, derhalve ook – zo begrijpt het hof – voor wat betreft de daarin gehanteerde indexpercentages. In dit verband heeft het pensioenfonds voorts gesteld dat de pensioengrondslag van 1997 voor [X.] uitgangspunt voor de berekening is en blijft, omdat [X.] met ingang van 10 juli 1998 méér dan 65% arbeidsongeschikt was geworden en uit dien hoofde een uitkering op grond van de WAO is gaan ontvangen (zie prod. 8 cvr). Alsdan wordt op de voet van artikel 5, lid 3 sub a van het pensioenreglement de pensioengrondslag gefixeerd en op de voet van artikel 5, lid 4, slotzin van het pensioenreglement jaarlijks met een bepaald percentage verhoogd. De opstelling van maximale pensioengrondslagen, zoals weergegeven in de brief van [A.], is dan ook onjuist, aldus het pensioenfonds.

4.18. [X.] stelt daartegenover dat de pensioengrondslagen over de periode na 1997 door het pensioenfonds niet juist zijn vastgesteld, omdat het pensioenfonds niet de maximale pensioengrondslagen hanteert zoals die door het pensioenfonds zijn gepubliceerd (prod. 9 cvr). [X.] verwijst naar de pensioengrondslagen zoals [A.] die in zijn brief d.d. 5 september 2007 heeft vermeld (prod. 11 cva), eindigend in een pensioengrondslag voor 2006 van € 39.812,-.

[X.] heeft zijn standpunt nader toegelicht met het betoog dat latere wijzigingen in het pensioenreglement van het pensioenfonds meebrengen dat zijn pensioengrondslag telkens moet worden vastgesteld conform de gewijzigde maximale pensioengrondslag (cvr punt 6 juncto prod. 9 cvr). Tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft [X.] voorts nog gesteld dat hij als deelnemer is aan te merken in het pensioenreglement 2002 van het pensioenfonds, te vinden op de website van het pensioenfonds. Het pensioenfonds heeft de vindplaats van die website (www.bpf-psl.nl) ten pleidooie opgegeven en het standpunt van [X.] dat hij deelnemer is in het pensioenreglement 2002 bestreden.

4.19. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

4.19.1. In de toelichting op grief I bestrijdt [X.] niet dat de pensioengrondslag in zijn geval (arbeidsongeschikt voor tenminste 65%) jaarlijks op de voet van artikel 5, lid 4, slotzin van het pensioenreglement wordt geïndexeerd, zoals het pensioenfonds heeft gesteld. De overweging van de kantonrechter in het tussenvonnis van 3 december 208 waartegen grief I zich richt, moet dan ook worden verstaan op de wijze zoals onder 4.17. is vermeld. Grief I faalt daarom.

4.19.2. De stellingen van [X.], vermeld in rov. 4.18., verwerpt het hof.

[X.] stelt zich ten onrechte op het standpunt dat latere – gewijzigde -pensioenreglementen op hem van toepassing zijn en dat hij als deelnemer is aan te merken in het pensioenreglement 2002 van het pensioenfonds. [X.] onderbouwt dit standpunt nauwelijks en, voorzover hij zijn standpunt onderbouwt, is die onderbouwing ondeugdelijk.

Op [X.] blijft van toepassing het pensioenreglement dat gold in 1998, zoals het pensioenfonds heeft gesteld.

Het hof heeft het pensioenreglement 2002 van het pensioenfonds op de website geraadpleegd (www.bpf-psl.nl), nu [X.] daarnaar heeft verwezen. Voorts heeft het hof de statuten van het pensioenfonds via de website geraadpleegd. Nu partijen zich ten pleidooie over het beweerdelijk deelnemerschap van [X.] in het pensioenreglement 2002 hebben uitgelaten, overweegt het hof dienaangaande het volgende.

4.19.3. In het pensioenreglement 2002 is in de aanhef van artikel 1 (begripsomschrijvingen) bepaald:

“In dit reglement,(….), gelden de begripsomschrijvingen die zijn opgenomen in artikel 2 van de statuten van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Schoen-, Leder- en Lederwarenindustrie.”

In artikel 2 van de statuten van het pensioenfonds is bepaald:

“In deze statuten wordt verstaan onder:

(….)

f. werknemers: de werknemers die in dienst zijn van een aangesloten onderneming.

g. deelnemers: de werknemers, die overeenkomstig de bepalingen van het pensioenreglement aan de pensioenregeling van het fonds deelnemen.”

Uit deze bepalingen blijkt dat alleen werknemers die in dienst zijn van een aangesloten onderneming deelnemen aan de vanaf 1 januari 2002 geldende pensioenregeling. [X.] voldeed niet aan de omschrijving van het begrip deelnemer in de statuten. [X.] was immers op 1 januari 2002 geen werknemer meer.

Bovendien zijn in het pensioenreglement 2002 overgangsbepalingen opgenomen waarin onder meer het volgende is bepaald (art. 32, lid 9, sub b):

“Voor de navolgende groepen deelnemers aan het tot 1 januari 2002 geldende pensioenreglement blijft dit oude pensioenreglement van toepassing:

a. (…..)

b. De deelnemers aan wie op grond van artikel 12 van het tot 1 januari 2002 geldende pensioenreglement gehele vrijstelling van premiebetaling ingeval van arbeidsongeschiktheid is verleend, indien en zolang zij geen deelnemer zijn op grond van het bepaalde in artikel 2, lid 1, van het vanaf 1 januari 2002 geldende pensioenreglement;

c. (….)

d. (….)”

Vaststaat dat [X.] een deelnemer was aan wie op grond van artikel 12 van het tot 1 januari 2002 geldende pensioenreglement gehele vrijstelling van premiebetaling is verleend.

4.19.4. De stelling van [X.] dat het pensioenfonds de pensioengrondslagen te laag heeft vastgesteld moet dan ook als onvoldoende onderbouwd worden verworpen. Grief II faalt ook op dit onderdeel. De nog meer subsidiaire vordering van [X.] is niet toewijsbaar nu niet is komen vast te staan dat het pensioenfonds de ouderdomspensioenaanspraak van € 21.064,56 van [X.] op een te laag bedrag heeft vastgesteld.

4.20. In de (eerste) grief III betoogt [X.] dat een oud-collega van hem een aanzienlijk hoger ouderdomspensioen ontvangt dan hij, terwijl de situatie van [X.] in feite dezelfde is, behoudens enkele verschillen (mvg pag. 6 en 11). Volgens [X.] handelt het pensioenfonds in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

4.21. Ook dit betoog faalt.

Gelet op de verschillen die [X.] zelf noemt is er in casu in het geheel geen sprake van dezelfde situatie met betrekking tot de pensioenopbouw in vergelijking met die oud-collega. De oud-collega van [X.] is niet arbeidsongeschikt geweest, zoals [X.], de oud-collega is, terwijl hij in dienstbetrekking werkzaam was, niet vervroegd uitgetreden op zijn 62-ste jarige leeftijd en heeft doorgewerkt tot zijn 65-ste jarige leeftijd.

Grief III faalt.

4.22. Nu de grieven I, II en (de eerste grief) III falen, faalt ook grief IV. Het bewijsaanbod van [X.] passeert het hof als niet terzake dienend. Het beroepen vonnis moet worden bekrachtigd.

4.23. [X.] heeft in hoger beroep tevens buitengerechtelijke kosten gevorderd ten bedrage van € 1.000,-.

Deze kosten zijn toewijsbaar, nu [X.] in de inleidende dagvaarding voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt tot genoemd bedrag, mede gelet op de complexiteit van de onderhavige materie.

4.24. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij wordt [X.] veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen van 3 december 2008 een 29 april 2009, waarvan beroep;

veroordeelt het pensioenfonds tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 1.000,-;

wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders is gevorderd;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt [X.] in de kosten van dit geding, welke kosten voorzover aan de zijde van het pensioenfonds gevallen, worden begroot op € 262,- wegens griffierecht en op € 2.682,- wegens salaris van de advocaat;

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, Smeenk-Van der Weijden en Venner-Lijten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 januari 2011.