Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP1071

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
20-000861-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2010:BL5982, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep inzake BL5982. Veroordeling wegens twee pogingen tot zware mishandeling, wederrechtelijke vrijheidsberoving, mishandeling en vernieling tot 15 maanden gevangenisstraf en de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Het hof heeft vastgesteld dat bij verdachte tijdens het begaan van de bewezen verklaarde feite een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, ondanks dat hij heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan psychologisch en psychiatrisch onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000861-10

Uitspraak : 18 januari 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het

gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 februari 2010 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers

01-845624-08, 01-841280-08, 01-845103-08 en 01-845565-08, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 01-851150-07, tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1988],

wonende te [woonplaats], [adres],

verblijvende in P.I. Vught - Nieuw Vosseveld 2 HVB te Vught,

waarbij:

- verdachte werd vrijgesproken van het bij parketnummer 01-845624-08 onder 1. primair en het onder parketnummer 01-845103-08 primair en subsidiair ten laste gelegde;

- verdachte werd ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder parketnummer 01-845103-08 meer subsidiair bewezen verklaarde;

- verdachte ter zake van:

o “poging tot zware mishandeling”

o “opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden”

o “poging tot zware mishandeling”

o “opzettelijk niet voldoen aan een bevel krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast”

o “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd”

o “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen”

o “mishandeling”

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht alsmede de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging werd opgelegd;

- aan verdachte twee schadevergoedingsmaatregelen ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht werden opgelegd;

- de vorderingen van twee in het vonnis nader genoemde benadeelde partijen werden toegewezen;

- twee in het vonnis nader genoemde benadeelde partijen in hun vorderingen

niet-ontvankelijk werden verklaard;

- de tenuitvoerlegging werd gelast van de onder parketnummer 01-851150-07 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk niet te zijn gericht tegen de beslissingen van de rechtbank met betrekking tot het onder parketnummer 01-845103-08 ten laste gelegde.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Het hof merkt daarbij op dat daardoor de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging eveneens niet aan het oordeel van het hof onderworpen is, aangezien deze vordering berustte op de grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd had schuldig gemaakt aan een of meer strafbare feiten, zoals ten laste gelegd onder parketnummer 01-845103-08.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal bevestigen.

De verdediging heeft:

- zich met betrekking tot de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten en de vorderingen van de benadeelde partijen gerefereerd aan het oordeel van het hof;

- bepleit dat aan verdachte niet de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal worden opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde – ten laste gelegd dat:

Parketnummer 01-841280-08

hij op of omstreeks 03 mei 2008 te Uden opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 424 Wetboek van Strafrecht en/of artikel 2.1.1.1. lid 1 en/of artikel 2.1.1.1. lid 2 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Uden, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift, gedaan door [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] (beiden hoofdagent van Regiopolitie Brabant-Noord), die was belast met de uitoefening van enig toezicht en/of die was belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten), immers heeft hij toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtena(a)r(en) hem had(den) bevolen, althans van hem had(den) gevorderd weg te gaan en niet terug te komen bij pand [adres] of in de onmiddellijke nabijheid van pand [adres], geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering;

Parketnummer 01-845565-08

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 09 november 2008 te Oss opzettelijk en wederrechtelijk

- een of meer ruit(en) van (een) woning(en) (gelegen aan de [adres] en/of [adres]) en/of

- een of meer deur(en) en/of vloer(en) en/of een trapleuning en/of een of meer gordijn(en) (gelegen aan de [adres]),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [slachtoffer 1] en/of stichting Brabant Wonen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, te weten door voornoemde ruiten te forceren en/of met bebloede hand(en) de woning (gelegen aan de [adres]) van die [benadeelde 1] binnen te gaan en/of een of meer voorwerp(en) vast te pakken en/of vast te houden;

2.

hij op of omstreeks 09 november 2008 te Oss opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde 1]), heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Parketnummer 01-845624-08

1.

primair

hij op of omstreeks 22 december 2008 te Uden aan een persoon genaamd

[benadeelde 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een of meer snijwonden aan het gezicht en/of hoofd), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een spiegel en/of (een stuk) glas, althans een scherp en/of puntig voorwerp, te slaan en/of te steken en/of te snijden;

subsidiair

hij op of omstreeks 22 december 2008 te Uden ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde 2] met een spiegel en/of een stuk glas, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft geslagen en/of gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 22 december 2008 te Uden opzettelijk [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door die [slachtoffer 2] opzettelijk en wederrechtelijk

- (met kracht) bij de arm en/of haren beet te pakken en/of

- (vervolgens) met zich mee te trekken en/of te duwen en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer 2] in de toiletruimte te duwen en/of

- (vervolgens) de deur van die toiletruimte (aan de binnenzijde) op slot te draaien en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer 2] te slaan en/of te bijten en/of bij haar keel en/of hals te pakken;

3.

primair

hij op of omstreeks 22 december 2008 te Uden ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- de keel en/of hals van die [slachtoffer 2] heeft dichtgedrukt en/of dichtgedrukt gehouden (waardoor die [slachtoffer 2] geen lucht meer kreeg) en/of

- die [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of

- die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal heeft gebeten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 22 december 2008 te Uden opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]),

- bij haar keel en/of hals heeft gepakt en/of die keel en/of hals heeft dichtgedrukt en/of dichtgedrukt gehouden en/of

- die [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of

- die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal heeft gebeten,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Parketnummer 01-841280-08

De tenlastelegging is toegespitst op het misdrijf van artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat onder meer strafbaar stelt het niet opvolgen van een vordering door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast. Het betreffende wetsartikel vereist dat de vordering door de ambtenaar is gedaan krachtens wettelijk voorschrift.

Het hof overweegt omtrent dit laatstgenoemde bestanddeel als volgt.

In de tenlastelegging wordt bovengenoemd bestanddeel nader gespecificeerd als een vordering, krachtens artikel 424 Wetboek van Strafrecht en/of artikel 2.1.1.1. lid 1 en/of lid 2 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Uden (hierna: APV Uden), in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift, gedaan.

Artikel 2.1.1.1. van de APV Uden, zoals deze op 3 mei 2008 van kracht was, luidt – voor zover relevant – als volgt.

“1. Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing, zich onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.

2. Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

(…)”

Het hof overweegt ten aanzien van het in artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht genoemde vereiste dat het bevel of de vordering is gedaan krachtens wettelijk voorschrift, dat een dergelijk voorschrift uitdrukkelijk moet inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering.

Naar het oordeel van het hof bepaalt artikel 2.1.1.1. van de APV Uden evenwel niet uitdrukkelijk dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering. Immers, een zodanige bevoegdheid wordt in deze bepaling niet met zoveel woorden toegekend maar zou daarin moeten worden ingelezen.

De toelichting op de onderhavige APV verwijst met een aantal uitzonderingen naar de model-APV van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). De artikelen 2 en 12 van de Politiewet 1993, waarnaar in verband met (soortgelijke) bepalingen als het onderhavige artikel 2.1.1.1. van de APV Uden wordt verwezen in de toelichting op de model-APV van de VNG, bevatten respectievelijk een algemene taakomschrijving voor de politie en de toewijzing van het gezag over de politie aan de burgemeester (waaronder het geven van “aanwijzingen”) in het kader van de handhaving van de openbare orde.

Deze bepalingen noch artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht kunnen naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht moet worden voldaan.

Nu ook overigens geen wettelijk voorschrift voorhanden is, op grond waarvan de betrokken ambtenaar in onderhavig geval gerechtigd was tot het doen van de vordering, komt het hof tot het oordeel dat de vordering niet krachtens wettelijk voorschrift is gedaan, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder parketnummer 01-841280-08 ten laste gelegde feit.

Parketnummer 01-845624-08

Het hof acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij parketnummer 01-845624-08 onder 1. primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Daartoe overweegt het hof dat het bij [benadeelde 2] geconstateerde letsel niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij parketnummer

01-845565-08 onder 1. en 2. en het bij parketnummer 01-845624-08 onder 1. subsidiair, 2. en 3. primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Parketnummer 01-845565-08

1.

hij op tijdstippen op 09 november 2008 te Oss opzettelijk en wederrechtelijk

- ruiten van woningen gelegen aan de [adres] en [adres], toebehorende aan stichting Brabant Wonen, heeft vernield, te weten door voornoemde ruiten te forceren en

- een gordijn gelegen aan de [adres], toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft beschadigd, te weten door met bebloede handen de woning gelegen aan de [adres] van die [benadeelde 1] binnen te gaan en dat gordijn vast te pakken en/of vast te houden;

2.

hij op 09 november 2008 te Oss opzettelijk mishandelend een persoon, te weten

[benadeelde 1], heeft gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Parketnummer 01-845624-08

1.

hij op 22 december 2008 te Uden ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde 2] met een spiegel heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 22 december 2008 te Uden opzettelijk [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [slachtoffer 2] opzettelijk en wederrechtelijk

- (met kracht) bij de arm en haren beet te pakken en

- met zich mee te trekken en

- die [slachtoffer 2] in de toiletruimte te duwen en

- de deur van die toiletruimte (aan de binnenzijde) op slot te draaien en

- die [slachtoffer 2] te bijten en bij haar keel en/of hals te pakken;

3.

hij op 22 december 2008 te Uden ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- de keel en/of hals van die [slachtoffer 2] heeft dichtgedrukt en/of dichtgedrukt gehouden en

- die [slachtoffer 2] meermalen heeft gebeten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen worden in het geval van beroep in cassatie vermeld in de aanvulling als bedoeld in artikel 365a van het Wetboek van Strafvordering, welke aanvulling in dat geval aan het arrest wordt gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder parketnummer 01-845565-08 onder 1. is telkens als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 350, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder parketnummer 01-845565-08 onder 2. is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 300, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder parketnummer 01-845624-08 onder 1. en 3. is telkens als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 302, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, juncto artikel 45, eerste lid van dat wetboek, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Het bewezen verklaarde onder parketnummer 01-845624-08 onder 2 is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 282, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Zij worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en maatregel

A.

Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

- opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd;

- opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;

- mishandeling;

- poging tot zware mishandeling;

- opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, en

- poging tot zware mishandeling.

De eerste rechter heeft de verdachte ter zake van

- poging tot zware mishandeling;

- opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

- poging tot zware mishandeling;

- opzettelijk niet voldoen aan een bevel krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast;

- opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd;

- opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, en

- mishandeling

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht en de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd.

De advocaat-generaal heeft tot dezelfde strafoplegging gerequireerd.

Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het onder parketnummer 01-841280-08 en komt aldus tot een bewezenverklaring van minder feiten dan de eerste rechter en van minder feiten dan waarvan de advocaat-generaal bij het bepalen van zijn vordering is uitgegaan.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat aan verdachte niet de maatregel van terbeschikkingstelling kan worden opgelegd, omdat – zakelijk weergegeven – bij verdachte geen sprake is van een stoornis dan wel dat niet bewezen is dat bij verdachte sprake is van een stoornis.

B.1

Het hof ziet zich derhalve gesteld voor de vraag of in het onderhavige geval de maatregel van terbeschikkingstelling moet worden opgelegd, eventueel in combinatie met een straf.

Bij de beantwoording van deze vraag heeft het hof allereerst in aanmerking genomen de inhoud van het de verdachte betreffend rapport, d.d. 22 maart 2009, opgemaakt door

M.J.A. Pulles, psycholoog, onder meer – zakelijk weergegeven – inhoudende als conclusies en adviezen van voornoemde deskundige:

“Onderzochte weigert mee te werken aan het onderzoek en hij motiveert zijn weigering vanuit de beleving dat hij ten onrechte in detentie zit. Onderzochte presenteert zich vooral als slachtoffer en het delict wordt door hem gebagatelliseerd. In het proces-verbaal van verhoor van 23 december 2008 wordt aan onderzochte gevraagd wat hij vindt van het feit dat hij aanklaagster K. heeft gebeten en van haar vrijheid heeft beroofd. Onderzochte antwoordt daarop: "Ik weet zeker dat ik als ik met haar ga praten dat het uit de lucht zal zijn."

Gevoelens van schuld worden door onderzochte niet benoemd en klinken ook niet door in hetgeen wel door hem verteld wordt. Onderzochte doet een sociaal wenselijk en zeer positief gekleurd verslag van zijn recente leven en zijn toekomstplannen. Zaken als volwassenheid, respect en verantwoordelijkheid nemen in dat verhaal een prominente plaats in. De minder fraaie aspecten van het leven van onderzochte worden niet benoemd.

In de twee gesprekscontacten ontstaat bij onderzoeker een indruk van de persoonlijkheid van onderzochte die aansluit bij hetgeen eerder, door de verslavingsreclassering en door mevr. Zászlós werd beschreven. Waar echter mevr. Zászlós spreekt van een gedragsstoornis, gedeeltelijk in remissie, is onderzoeker van mening dat van remissie op dit moment geen sprake meer lijkt te zijn. Tevens lijkt de stoornis zoals die in januari 2007 werd beschreven door mevr. Zászlós, zich inmiddels te hebben ontwikkeld tot een persoonlijkheidsstoornis met cluster B kenmerken. Met name antisociale trekken lijken bepalend te zijn in het ontstaan van het probleemgedrag van onderzochte.”

Voorts heeft het hof in aanmerking genomen het de verdachte betreffend rapport, d.d.

18 maart 2009, opgemaakt door J.R. Nijdam, psychiater, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven- als conclusies en adviezen:

“Betrokkene weigert aan het onderzoek mee te werken en de psychiater heeft dan ook geen enkel contact met hem gehad.

Uit de rapportages komt het beeld naar voren van een man met een zich ontwikkelende persoonlijkheidsstoornis, van jongs af aan bestaande gedragsproblemen, al van zeer jonge leeftijd optredende justitiecontacten en een langdurig instituutsverleden, die de laatste jaren ook alcohol en drugs, met name cocaïne, is gaan gebruiken.

Uit de beschrijvingen in het proces-verbaal van betrokkenes gedragingen ten tijde dat het tenlastegelegde plaatsvond lijkt het aannemelijk dat betrokkene paranoïde psychotisch heeft gereageerd op het gebruik van cocaïne. Paranoïde reacties zijn bij cocaïnegebruik, en zeker wanneer dit wordt gebased, frequent.”

Tevens heeft het hof in aanmerking genomen het de verdachte betreffend rapport van het Pieter Baan Centrum, d.d. 19 november 2009, opgemaakt door J.B. Seinen, psycholoog,

D. Harari, psychiater, en T.A. Wouters, psychiater, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven- als conclusies en adviezen:

“Psychologisch onderzoek

Betrokkene heeft zijn medewerking aan het onderzoek consequent en stellig geweigerd.

Vanaf zijn 3e jaar vertoont betrokkene gedragsproblemen, aanvankelijk met een overwegend opstandige kleuring, later – vanaf zijn 12e jaar – zijn de gedragsproblemen opvallend antisociaal van aard. Er is sprake van (zeer) agressief en dreigend gedrag jegens moeder, veel ruzie, eigenwijs en agressief gedrag op school, spijbelen, manipuleren en domineren van anderen inclusief moeder en broertje en op zijn 12e komt betrokkene tot ernstiger gedragsontsporingen als diefstal door middel van braak en brandstichting, uiteindelijk, op zijn 13e, leidend tot jeugddetentie. Tijdens deze periode pleegt betrokkene een mishandeling en wordt hij beschreven als “enorm agressief”. Het bovenstaande biedt duidelijke aanwijzingen voor een gedragsstoornis, die in de PJ-rapportage van 2001 ook inderdaad wordt gediagnosticeerd. Deze gedragsstoornis kan, naar mijn mening op grond van de ernst van de beschreven gedragsontsporingen, nader worden geclassificeerd als een antisociale gedragsstoornis, beginnend in de kindertijd.

Betrokkenes verdere ontwikkeling, zoals beschreven in het milieurapport, is zorgelijk.

Het PJ-rapport uit 2001 spreekt behalve van de al genoemde ‘gedragsstoornis’ van een ‘bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling’, psychiater Masthoff in zijn consultbrief d.d.

12 oktober 2006 (betrokkene is dan bijna 18 jaar) van ‘een oppositionele gedragsstoornis waarbij ook psychopathiforme tendensen zichtbaar lijken’, psychiater Van der Steen in zijn consultbrief d.d. 3 maart 2008 (betrokkene is dan 19 jaar) van ‘aanwijzingen voor persoonlijkheidsproblematiek met cluster B-kenmerken (hieronder vallen onder andere kenmerken van de antisociale persoonlijkheidsstoornis, rapporteur)’. Kennelijk delen de genoemde rapporteurs de bezorgdheid over betrokkenes persoonlijkheidsontwikkeling en stemmen zij overeen als het gaat om de aard van de persoonlijkheidsproblematiek, namelijk liggend in het oppositionele c.q. antisociale c.q. psychopathiforme spectrum.

Uit de processen-verbaal komt naar voren dat betrokkene ten tijde van de feiten d.d.

9 november 2008 en 22 december 2008 onder invloed zou zijn geweest van onder andere grote hoeveelheden cocaïne. Op grond van de uit de processen-verbaal blijkende informatie is het waarschijnlijk dat betrokkene ten tijde van deze feiten verkeerde in een door cocaïne geïnduceerde (tijdelijke) paranoïde psychotische toestand.

Psychiatrisch onderzoek

Er zijn meerdere rapportages over betrokkene opgesteld, waarin gesproken wordt van een gedragsstoornis, al dan niet in gedeeltelijke remissie, en van ontwikkeling in de richting van een persoonlijkheidsstoornis cluster B.

Het thema van een imponerende presentatie, die mogelijk kwetsbaarheid moet maskeren, is als rode lijn in de beschikbare rapportages en in de onderzoekscontacten aanwezig.

In grote lijnen kan worden gesteld dat in de vroegere rapportages meer nadruk ligt op de ernstige verwaarlozing, dat dan ook actueler is, en dat in deze rapportages betrokkenes kwetsbaarheid nog zichtbaar is. In latere rapporten stelt betrokkene zich zonder uitzondering bagatelliserend en sociaal wenselijk op. De eerder gesignaleerde ingezette emotionele verharding lijkt zich dan te hebben voortgezet. Betrokkenes voortdurend bagatelliserende en aangepaste presentatie is zorgwekkend te noemen, daar het geheel los lijkt te staan van de realiteit, waarin betrokkene toch meerdere ernstige geweldsdelicten heeft gepleegd. Waar betrokkene zich gemotiveerd voor behandeling noemt, is dan ook geen enkele reden hier vertrouwen in te hebben.

Het is niet goed mogelijk de diagnose middelenafhankelijkheid te stellen, hoewel deze allerminst onwaarschijnlijk is. Evenmin is het mogelijk de diagnose middelenmisbruik te stellen, hoewel ook hiervoor – zelfs a fortiori – geldt dat deze niet onwaarschijnlijk is, zeker gelet op de schade die betrokkenes middelengebruik aan hemzelf en aan derden berokkend heeft.

Het is goed voorstelbaar dat betrokkene bij de ten laste gelegde geweldsmisdrijven d.d.

9 november 2008 en 22 december 2008 een kortdurende psychotische reactie op cocaïnegebruik heeft gehad.

Bij betrokkene wordt weinig lijdensdruk waargenomen. Hij heeft zijn manier gevonden om de onderzoeksperiode door te komen en vaart daar naar omstandigheden wel bij, naar zijn zeggen. Juist dit ontbreken van de lijdensdruk, gepaard aan het onverminderd bagatelliseren, is mogelijk een aanwijzing voor de emotionele verharding passend bij een antisociale persoonlijkheidsstoornis.

Conclusie

Door betrokkenes standvastige weigering mee te werken aan gedragskundig onderzoek, is het huidig onderzoek grotendeels gebaseerd op schriftelijke informatie over betrokkene.

In de uitgebreide beschikbare schriftelijke informatie over betrokkene, de eerdergenoemde rapportages en behandelverslagen wordt bij herhaling over een zwakke impulsregulatie gesproken.

Ten aanzien van de ten laste gelegde feiten d.d. 9 november 2008 en 22 december 2008 is het goed mogelijk dat betrokkene een kortdurende psychotische reactie op cocaïne heeft gehad.

Ten aanzien van toekomstig gedrag merken onderzoekers op dat de kans op herhaald cocaïnegebruik als reëel moet worden ingeschat, gezien het feit dat betrokkene ondanks een zeer beangstigende en voor hemzelf en anderen schadelijke ervaring, binnen korte tijd weer cocaïne gebruikte. Hierbij is overigens van belang dat wanneer iemand een psychotische reactie op cocaïne heeft gehad, de kans op herhaling hiervan bij herhaald cocaïnegebruik groter is en toeneemt met het aantal keren dat iemand psychotisch gereageerd heeft op cocaïne.”

Het hof volgt deze conclusies en adviezen van de deskundigen en legt die ten grondslag aan zijn beslissing.

B.2

Voorts heeft het hof de inhoud van de overige adviezen en rapporten die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht, in aanmerking genomen, in het bijzonder:

- het voorlichtingsrapport van Novadic-Kentron, verslavingsreclassering, d.d.

10 augustus 2009, opgemaakt door F. van Gendt, reclasseringswerker;

- het voorlichtingsrapport van Novadic-Kentron, verslavingsreclassering, d.d.

11 december 2008, opgemaakt door F. van Gendt, reclasseringswerker;

- de brief, d.d. 12 november 2008, opgemaakt door dr. A.J.W.M. Trompenaars, justitieel forensisch psychiater;

- de brief, d.d. 3 maart 2008, opgemaakt door D.H.J. van der Steen, psychiater i.o., en

dr. E.D.M. Masthoff, justitieel forensisch psychiater;

- het rapport, d.d. 2 januari 2007, opgemaakt door drs. K.T.E. Zászlós, GZ-psycholoog.

B.3

Ten slotte heeft hof in aanmerking genomen de veelvuldigheid van voorafgegane veroordelingen wegens misdrijf zoals deze naar voren komt uit het de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 8 september 2010. Daaruit blijkt dat hij reeds eerder is veroordeeld, onder meer ter zake van poging tot zware mishandeling en vernieling.

C.

Uit de inhoud van de hiervoor onder B.1 weergegeven rapporten volgt dat verdachte heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het advies door de deskundigen moest worden verricht. Het hof stelt evenwel op grond van deze rapporten vast dat bij verdachte tijdens het begaan van de bewezen verklaarde feite een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, te weten: een door cocaïne geïnduceerde (tijdelijke) paranoïde psychotische toestand alsmede een persoonlijkheidsstoornis. Anders dan de raadsman heeft betoogd, acht het hof voormelde rapporten daartoe toereikend.

D.

Op grond van het vorenstaande is het hof overtuigd geraakt van de noodzaak tot een behandeling binnen het kader van een terbeschikkingstelling als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht.

Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de door verdachte begane feiten zoals bewezen verklaard bij parketnummer 01-845624-08 onder 1., 2. en 3. misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving meer dan vier jaren is gesteld, terwijl het door verdachte begane feit zoals bewezen verklaard bij parketnummer 01-845565-08 onder 1. een misdrijf is dat wordt genoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 1., van het Wetboek van Strafrecht. Voorts is uit voornoemde rapporten en adviezen gebleken dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.

Het hof zal daarnaast tevens bevelen dat de ter beschikking te stellen verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, nu het van oordeel is dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist.

E.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de mate waarin door de bij parketnummer 01-845624-08 onder 1. en 3. en bij parketnummer 01-845565-08 onder 2. bewezen verklaarde feiten pijn en/of lichamelijk letsel is toegebracht aan de slachtoffers;

- het gewelddadig karakter van de bij parketnummer 01-845624-08 onder 1., 2. en 3. en bij parketnummer 01-845565-08 onder 2. bewezen verklaarde feiten;

- de omstandigheid dat slachtoffers als gevolg van feiten als de bij parketnummer

01-845624-08 onder 1., 2. en 3. en bij parketnummer 01-845565-08 onder 2. bewezen verklaarde – naast de lichamelijk gevolgen – nog langdurig last kunnen hebben van nadelige psychische gevolgen, zoals gevoelens van angst en onveiligheid;

- de mate waarin een feit als het bij parketnummer 01-845565-08 onder 1. bewezen verklaarde in het algemeen schade teweeg brengt aan de eigenaar van het goed dan wel diens verzekeraar, alsmede de mate van overlast en ergernis die door dergelijke delicten wordt veroorzaakt aan de gedupeerde.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.

16 december 2010, waaruit blijkt dat hij ter zake soortgelijke feiten eerder door de strafrechter is veroordeeld;

- de inhoud van de hiervoor genoemde deskundigenrapporten;

- de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan op grond van het vorenstaande niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het hof heeft wat betreft de duur van deze straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met het onderhavige worden opgelegd. In verband daarmee heeft het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden tot uitgangspunt genomen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet van feiten en omstandigheden gebleken die aanleiding geven om van dit uitgangspunt af te wijken. Gelet daarop kan niet worden volstaan met een straf als opgelegd door de eerste rechter en door de advocaat-generaal in hoger beroep gevorderd.

Maatregelen ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

1. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [benadeelde 1] (gemachtigde:

[benadeelde 3], wonende te [woonplaats], [adres]), als gevolg van het bij parketnummer 01-845565-08 onder 2. bewezen verklaarde feit, schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer een bedrag van EUR 300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

2. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [benadeelde 2] (gemachtigde: [gemachtigde], wonende te [woonplaats], [adres]), als gevolg van het bij parketnummer 01-845624-08 onder 1. bewezen verklaarde feit, schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 905,86, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer een bedrag van EUR 905,86, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Vorderingen van de benadeelde partijen

1. De benadeelde partij [benadeelde 1] (gemachtigde: [benadeelde 3], wonende te [woonplaats], [adres]) heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage van EUR 300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is door de eerste rechter toegewezen.

De voeging duurt van rechtswege voort in hoger beroep.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

De vordering is niet betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder art. 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op het gevorderde bedrag van

EUR 300,00. De vordering zal tot dat beloop worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het bij parketnummer 01-845565-08 onder 2. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

2. De benadeelde partij [benadeelde 2] (gemachtigde:

[gemachtigde], wonende te [woonplaats], [adres]) heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage van EUR 905,86, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is door de eerste rechter toegewezen.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg gedane vordering.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

De vordering is niet betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder art. 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op het gevorderde bedrag van

EUR 875,00.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde handelen materiële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van EUR 30,86. De vordering dient ook in zoverre te worden toegewezen.

Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

En ten aanzien van elk van de evenvermelde schadevergoedingsmaatregelen en vorderingen:

Het hof zal bepalen dat indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer komt daarmede zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre te vervallen).

3. De benadeelde partij [benadeelde 3], wonende te [woonplaats], [adres], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage van EUR 216,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij is door de eerste rechter in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg gedane vordering.

Het hof zal de vordering van de benadeelde partij afwijzen. Daartoe overweegt het hof dat het door de benadeelde partij geleden nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, gelet op artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, niet voor vergoeding in aanmerking komt. Immers, op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek heeft een benadeelde – kort gezegd – recht op een immateriële schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Daarvan is in het onderhavige geval naar het oordeel van het hof in civielrechtelijke zin geen sprake.

Het hof zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van het geding door de verdachte ten behoeve van zijn verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 282, 300, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder parketnummer 01-841280-08 en het bij parketnummer 01-845624-08 onder 1. primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het bij parketnummer 01-845565-08 onder 1. en 2. en het bij parketnummer 01-845624-08 onder 1. subsidiair, 2. en 3. primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte bij parketnummer 01-845565-08 onder 1. en 2. en het bij parketnummer 01-845624-08 onder 1. subsidiair, 2. en 3. primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Parketnummer 01-845565-08

1. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd.

en

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

2. Mishandeling.

Parketnummer 01-845624-08

1. Poging tot zware mishandeling.

2. Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

3. Poging tot zware mishandeling.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde 1] (gemachtigde: [benadeelde 3], wonende te [adres] [woonplaats], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 300,00 (driehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het bij parketnummer 01-845565-08 onder 2. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde 2] (gemachtigde: [gemachtigde], wonende te [woonplaats], [adres]), aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 905,86 (negenhonderdvijf euro en zesentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het bij parketnummer 01-845624-08 onder 1. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 18 (achttien) dagen hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, een bedrag te betalen van EUR 300,00 (driehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het bij parketnummer 01-845565-08 onder 2. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [benadeelde 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voor zover deze aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, heeft voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voor zover deze aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, heeft voldaan.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, een bedrag te betalen van EUR 905,86 (negenhonderdvijf euro en zesentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het bij parketnummer 01-845624-08 onder 1. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij

[benadeelde 2] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voor zover deze aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, heeft voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voor zover deze aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, heeft voldaan.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] af.

Veroordeelt de benadeelde partij, [benadeelde 3], in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. K. van der Meijde, voorzitter,

mr. H. Harmsen en mr. P.A.G.M. Cools,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 18 januari 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. P.A.G.M. Cools is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.