Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BP1068

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
20-000587-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2010:BL2130, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep inzake LJN BL2130. Hof legt 3 jaar en 6 maanden gevangenisstraf op voor een gewapende overval op een supermarkt in Eindhoven. Niet-ontvankelijkheidsverweren en bewijs(uitsluitings)verweren verworpen. Vrijspraak voor heling van laptop.

Het vragen om toestemming voor een doorzoeking is geen vraag aangaande verdachtes betrokkenheid bij een strafbaar feit, zodat te dien aanzien geen sprake is van een verhoor. Verdachte hoefde derhalve voorafgaand aan het vragen om toestemming of het geven van die toestemming voor de doorzoeking niet de gelegenheid te worden geboden om een advocaat te raadplegen. (Salduz-verweer)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000587-10

Uitspraak : 18 januari 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het

gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 5 februari 2010 in de strafzaak met parketnummer 01-839051-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1984],

wonende te [woonplaats], [adres],

verblijvende in HvB PCMI De Corridor te Zeeland,

waarbij:

- verdachte ter zake van ‘diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen’ en ‘opzetheling’ werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht;

- aan verdachte drie schadevergoedingsmaatregelen ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht werden opgelegd;

- de vorderingen van drie in het vonnis nader genoemde benadeelde partijen werden toegewezen;

- een aantal in het vonnis nader genoemde in beslag genomen voorwerpen werd onttrokken aan het verkeer;

- een aantal in het vonnis nader genoemde in beslag genomen voorwerpen verbeurd werd verklaard;

- een aantal in het vonnis nader genoemde in beslag genomen voorwerpen werd teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- de verdachte voor de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 6 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- aan de verdachte zal opleggen de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van EUR 1.607,00 subsidiair 26 dagen hechtenis;

- aan de verdachte zal opleggen de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van EUR 2.152,80 subsidiair 31 dagen hechtenis;

- aan de verdachte zal opleggen de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van EUR 1.148,64 subsidiair 21 dagen hechtenis;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal toewijzen tot een bedrag van EUR 1.607,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] zal toewijzen tot een bedrag van EUR 2.152,80, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] zal toewijzen tot een bedrag van EUR 1.148,64, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- zal beslissen op de in beslag genomen voorwerpen conform de beslissing van de rechtbank.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit:

- primair dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vervolging;

- subsidiair dat de verdachte van de gehele tenlastelegging zal worden vrijgesproken;

- meer subsidiair dat indien het hof enkel tot een veroordeling ter zake het onder 2. ten laste gelegde zou komen, aan verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd;

- dat de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard;

- dat alle in beslag genomen goederen van verdachte aan hem zullen worden teruggegeven.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 08 november 2008 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van (ongeveer) 17.000,- euro, althans enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of C1000, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [benadeelde 3] en/of [slachtoffer 2] en/of [benadeelde 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [benadeelde 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met (een) pisto(o)l(en), althans (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend voorwerp(en), en/of (een) mes(sen), die zij bij zich droegen en/of toonden, en/of met (deels) bedekte gezichten/hoofden voor openingstijd het C1000-filiaal binnen is/zijn gegaan en/of daar

- [slachtoffer 1] en/of [benadeelde 3] en/of [slachtoffer 2] en/of [benadeelde 1] en/of [slachtoffer 3] (personeelsleden) heeft/hebben gedwongen op de grond te gaan liggen en/of (vervolgens) de handen/polsen/enkels heeft/hebben vastgebonden/getapet en/of

- [slachtoffer 1] heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of

- [benadeelde 1] heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of gestoten en/of

- [benadeelde 2] (bedrijfsleider) heeft/hebben gedwongen op de grond te gaan liggen en/of die [benadeelde 2] heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of (vervolgens) mee heeft/hebben genomen naar de kluis en/of heeft/hebben geduwd en/of getikt tegen het lichaam van die [benadeelde 2] en/of die [benadeelde 2] heeft/hebben vastgepakt en/of die [benadeelde 2] (nogmaals) heeft/hebben gedwongen op de grond te gaan liggen en/of (vervolgens) de handen/polsen van die [benadeelde 2] heeft/hebben vastgebonden/getapet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 25 december 2007 tot en met 9 februari 2009 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, een laptop (Acer) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die laptop wist, althans redelijkerwijze had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

A.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging, omdat er sprake is van een doelbewuste schending en grove veronachtzaming van de belangen van verdachte.

Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

1. verdachte geen advocaat heeft kunnen consulteren voor het eerste verhoor;

2. er een onrechtmatige doorzoeking heeft plaatsgevonden in de woning van verdachte;

3. de inbeslagneming van de Nike-schoenen onrechtmatig was;

4. er DNA van verdachte is afgenomen zonder dat tegen hem ernstige bezwaren bestonden;

5. er geen sprake is van ‘equality of arms’ doordat het openbaar ministerie rapporten van een wetenschappelijk bureau in het geding heeft gebracht, terwijl de verdediging deze mogelijkheden niet heeft gehad;

6. verbalisant [verbalisant 2] een grof onzorgvuldig proces-verbaal heeft opgesteld;

7. de verdediging stukken zijn onthouden;

8. een deskundige een rapport heeft opgesteld aan de hand van een grof onzorgvuldig proces-verbaal en aan de hand van stukken waarover de verdediging niet beschikt;

9. op de aangetroffen panty meerdere op haren gelijkende sporen zijn gevonden die niet zijn onderzocht en ook niet zijn veiliggesteld voor haaronderzoek;

10. er geen enkele confrontatie heeft plaatsgevonden;

11. in strijd met de artikelen 126nd en 126nf van het Wetboek van Strafvordering de politie de pasfoto en de gegevens van de lengte van verdachte heeft opgevraagd bij de gemeentelijke reisdocumentenadministratie.

Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

B.1

Met betrekking tot het hiervoor onder A. 1. gestelde:

B.1.1

Aan het verweer is ten grondslag gelegd dat de politie verdachte heeft verhoord zonder dat hij de mogelijkheid heeft gehad om contact met zijn raadsman op te nemen, terwijl de politie voorts heeft nagelaten verdachte te informeren over de mogelijkheid om een advocaat te raadplegen voorafgaande aan het eerste politieverhoor. Eerst na het verhoor van 10 februari 2009, aangevangen te 08.30 uur, heeft verdachte zijn raadsman kunnen consulteren.

Voorts is aangevoerd dat verdachte recht had op bijstand van een raadsman tijdens de politieverhoren, hetgeen zou volgen uit de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens inzake Brusco vs. Frankrijk (EHRM 14 oktober 2010).

B.1.2

Verdachte is op 9 februari 2009 aangehouden. Uit het onderzoek ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat verdachte eerst na de verhoren van 9 februari 2009 en 10 februari 2009, aangevangen te 08.30 uur, door zijn raadsman is bezocht.

B.1.3

Het hof is van oordeel dat een aangehouden verdachte vóór het eerste verhoor moet worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Vervolgens zal hem binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid moeten worden geboden dat recht te verwezenlijken, behoudens in het geval dat hij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen.

B.1.4

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat verdachte is gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat voorafgaand aan het eerste politieverhoor. Evenmin is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat verdachte de gelegenheid is geboden van dat recht gebruik te maken, terwijl niet is gebleken dat hij van dat recht afstand heeft gedaan of dat er dwingende redenen bestonden op grond waarvan de komst van de advocaat niet kon worden afgewacht. Bijgevolg is in zoverre sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

Er kan evenwel bezwaarlijk staande gehouden worden dat dit vormverzuim zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Daarvoor is alleen plaats ingeval met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Zulks is uit het onderzoek ter terechtzitting geenszins aannemelijk geworden.

B.1.5

De stelling van de raadsman dat verdachte recht had op bijstand van een raadsman tijdens de politieverhoren vindt geen steun in het recht. Zulks kan in het bijzonder niet worden afgeleid uit de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens inzake Brusco vs. Frankrijk. Deze uitspraak houdt immers enkel in – voor zover hier van belang – dat een verdachte die in hechtenis wordt genomen de gelegenheid moet hebben zich met een advocaat te verstaan (te consulteren) vóór en tijdens het eerste verhoor en volgende verhoren, hetgeen nog niet met zich brengt dat een aangehouden verdachte het recht heeft om tijdens het politieverhoor een advocaat aanwezig te laten zijn.

Van een vormverzuim is bijgevolg geen sprake. Het bepaalde bij artikel 359a Sv mist derhalve toepassing, zodat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging niet aan de orde is.

B.2

Met betrekking tot het hiervoor onder A. 2. gestelde:

B.2.1

Aan het verweer dat een onrechtmatige doorzoeking heeft plaatsgevonden in de woning van verdachte is allereerst ten grondslag gelegd dat verdachte niet de gelegenheid is geboden om een advocaat te raadplegen voordat hij toestemming gaf voor een doorzoeking van de woning aan de [adres] te [woonplaats], zo er al toestemming gegeven is door verdachte. De toestemming moet derhalve worden beschouwd als niet gegeven, zodat de doorzoeking – bij gebreke van een machtiging in de zin van artikel 97 Sv alsmede van een machtiging als bedoeld in de Algemene wet op het binnentreden – onrechtmatig was.

Voorts is aan het verweer ten grondslag gelegd dat verdachte toestemming heeft gegeven tot de doorzoeking, doch onder een voorwaarde. Ook omdat aan deze voorwaarde niet is voldaan, is door verdachte geen toestemming tot de doorzoeking gegeven. Bijgevolg was de doorzoeking – bij gebreke van een machtiging in de zin van artikel 97 Sv alsmede van een machtiging als bedoeld in de Algemene wet op het binnentreden – onrechtmatig. Immers, verdachte heeft ‘toestemming’ gegeven onder de voorwaarde dat zijn zus, die eigenaresse was van de woning, op haar beurt toestemming zou geven om de woning te doorzoeken. Door de politie is evenwel aan de verkeerde zus van verdachte om toestemming gevraagd.

B.2.2

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep blijkt omtrent de doorzoeking van de woning aan de [adres] te [woonplaats] het volgende.

i.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 9 februari 2009 houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:

“In de auto heb je nadat wij aan jou de cautie hadden medegedeeld, verklaard over het feit dat je vanaf gisteren, vanaf het weekend, verhuisd bent naar het adres in de [adres] in [woonplaats]. Dit huis zou op naam staan van je zus [betrokkene 2]. Je woont daar samen met je vriendin [betrokkene 1]. Alleen jouw zus en jouw vriendin hebben een sleutel van deze woning. In deze woning ligt alleen jouw kleding. Jullie hebben je nog niet officieel laten inschrijven op dit adres maar waren dat wel van plan.

Vraag: Klopt dit?

Antwoord: Dit klopt.

Vraag: Geef jij ons vrijwillig toestemming om in de woning een zoeking te doen naar goederen die betrekking hebben op ons onderzoek. Hierbij wordt medegedeeld dat ik hiertoe niet verplicht ben.

Antwoord: Ik vind het geen probleem, maar het huis is van mijn zus, dus zij moet wel toestemming daarvoor geven, want ik wil geen problemen met mijn zus.”

ii.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:

“Tijdens diens overbrenging naar Breda en tijdens diens verhoor verklaarde verdachte [verdachte] dat hij de afgelopen dagen had verbleven op een adres aan de [adres] te [woonplaats] en dat daar kleding van hem lag. [verdachte] verklaarde vrijwillig toestemming te geven voor een doorzoeking op zijn verblijfplaats aan de [adres] te [woonplaats] mits zijn zus [betrokkene 2] daar eveneens toestemming voor zou geven.

Op 9 februari 2009, omstreeks 16.00 uur, werd door verbalisant [verbalisant 4] telefonisch contact opgenomen met [betrokkene 2]. Zij gaf aan dat de woning van haar zus was, dat ze die niet wilde benaderen, dat ze in het bezit was van de huissleutel en naar de woning aan de [adres] te [woonplaats] zou komen om deze te openen.

Omstreeks 16.15 uur verschenen twee vrouwen en een man bij het pand [adres] te [woonplaats]. De vrouwen gaven op te zijn [betrokkene 2], de zus van verdachte, en [betrokkene 1], de vriendin van verdachte.

[betrokkene 2] was in het bezit van de sleutel van de woning aan de [adres] te [woonplaats] en liet ons verbalisanten in de woning.

Aansluitend aan het opnemen van de verklaring van [betrokkene 2] werd na de verleende vrijwillige toestemming een doorzoeking verricht in de woning aan de [adres] te [woonplaats]. Op aanwijzing van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] werd alleen gekeken naar goederen waarvan zij aangaven dat deze het eigendom van [verdachte] waren.

Op de tweede verdieping van de woning werd een tas aangetroffen waar diverse schoenen in zaten. In deze tas werden twee paar Nike schoenen aangetroffen waarvan [betrokkene 1] aangaf dat deze schoenen van [verdachte] waren.”

iii.

Het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 2] houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:

“De woning [adres] wordt gehuurd door mijn zus [betrokkene 3]. Zij betaalt de huur maar zit vaak bij haar vriend. Mijn broer [verdachte] overnacht hier met zijn vriendin [betrokkene 1]. Ik geef hierbij toestemming om in de woning te zoeken. Ik wil mijn zus voor dit afschermen en wil haar hier buiten houden. Ik begrijp dat ik geen toestemming hoef te geven.”

iv.

Het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:

“Ik heb de afgelopen dagen in [adres] te [woonplaats] geslapen. De afgelopen twee nachten heb ik hier samen met [verdachte] geslapen.

U heeft op zolder in een tas twee paar sportschoenen aangetroffen van het merk Nike. De schoenen zijn niet van mij maar van [verdachte].

Ik heb geen bezwaar tegen het feit dat u in de woning hebt gezocht.”

B.2.3

Een aangehouden verdachte kan aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens een aanspraak op rechtsbijstand ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Onder een ‘verhoor’ dient te worden verstaan het vragen naar verdachtes betrokkenheid bij een strafbaar feit.

In aanmerking genomen dat het vragen om toestemming voor een doorzoeking niet valt aan te merken als een vraag aangaande verdachtes betrokkenheid bij een strafbaar feit is te dien aanzien geen sprake van een verhoor. Daaraan kan niet afdoen dat de toestemming is gevraagd gedurende een verhoor. Verdachte hoefde derhalve voorafgaand aan het vragen om toestemming of het geven van die toestemming voor de doorzoeking niet de gelegenheid te worden geboden om een advocaat te raadplegen, zodat in zoverre het verweer reeds faalt.

B.2.4

Uit het hiervoor onder B.2.2 weergegevene leidt het hof af dat verdachte, die als bewoner van de woning aan de [adres] te [woonplaats] kan worden aangemerkt, toestemming heeft gegeven tot doorzoeking van deze woning. Voorts leidt het hof daaruit af dat alleen is gezocht en gekeken naar voorwerpen die eigendom waren van verdachte. Ten slotte is ook door een medebewoner, te weten: [betrokkene 1], onmiddellijk na de doorzoeking verklaard dat zij daartegen geen bezwaar had en heeft zij kennelijk ook bij de aanvang van het onderzoek in de woning geen bezwaar gemaakt tegen het betreden ervan.

Bij deze doorzoeking is voorts het huisrecht van eventuele medebewoners gerespecteerd, in aanmerking genomen dat alleen is gekeken naar voorwerpen die eigendom waren van verdachte.

Aldus is de woning met toestemming van verdachte doorzocht, zodat geen machtiging in de zin van artikel 97 Sv en/of een machtiging als bedoeld in de Algemene wet op het binnentreden vereist was.

Aan het voorgaande kan niet afdoen dat verdachte heeft gezegd dat zijn zus [betrokkene 2] tevens toestemming moest geven, omdat hij geen problemen met haar wilde, terwijl later bleek dat de woning op naam van zijn andere zus [betrokkene 3] werd gehuurd. Evenmin kan daaraan afdoen dat [betrokkene 3], op advies van [betrokkene 2] niet is benaderd.

B.2.5

Gelet op het hiervoor overwogene is er geen sprake van een vormverzuim, zodat het bepaalde bij artikel 359a Sv toepassing mist.

De niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging is daarom niet aan de orde.

Ten overvloede overweegt het hof dat indien geconcludeerd zou worden dat vormen waren verzuimd als gevolg waarvan het huisrecht van [betrokkene 3] was geschonden, zulks verdachte niet aangaat. Alsdan zou immers niet kunnen worden gesteld dat het verdachte was die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen.

B.3

Met betrekking tot het hiervoor onder A. 3. gestelde:

B.3.1

Aan het verweer dat de inbeslagneming van de Nike-schoenen onrechtmatig was, is allereerst ten grondslag gelegd dat de doorzoeking van de woning onrechtmatig was. Voorts is aan het verweer ten grondslag gelegd dat de schoenen in strijd met artikel 99 Sv in beslag zijn genomen. Immers, verdachte noch [betrokkene 1] is uitgenodigd de schoenen vrijwillig af te geven ter inbeslagneming.

B.3.2

Voor zover het verweer uitgaat van de stelling dat de doorzoeking onrechtmatig was, faalt het reeds op grond van het hiervoor onder B.2 overwogene.

B.3.3

Op grond van artikel 99 Sv wordt tot inbeslagneming in een woning niet overgegaan dan nadat de bewoner of een van zijn aanwezige huisgenoten is gehoord en vruchteloos uitgenodigd het voorwerp vrijwillig af te geven ter inbeslagneming, behoudens indien het belang van het onderzoek dit vordert.

Een bewoner of diens huisgenoot kan evenwel slechts worden uitgenodigd een voorwerp vrijwillig ter inbeslagneming af te geven indien reeds op voorhand duidelijk is wat in een woning kan worden aangetroffen. In aanmerking genomen dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat reeds voor de doorzoeking duidelijk was dat men de onderhavige schoenen in de woning kon aantreffen of dat men specifiek op zoek was naar alleen (bepaalde) schoenen van verdachte, kon verdachte noch [betrokkene 1] worden uitgenodigd deze vrijwillig af te geven.

Bijgevolg is artikel 99 Sv niet geschonden en is geen sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. De niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging is alleen al daarom niet aan de orde.

B.4

Met betrekking tot het hiervoor onder A. 4. gestelde:

B.4.1

Aan het verweer dat er DNA is afgenomen van verdachte zonder dat tegen hem ernstige bezwaren bestonden, is ten grondslag gelegd dat de ernstige bezwaren enkel gevonden zouden kunnen worden in de resultaten van het DNA-onderzoek op de Nike-schoenen die onrechtmatig in beslag waren genomen, als gevolg waarvan deze resultaten van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

B.4.2

Voor zover het verweer berust op de stelling dat de inbeslagneming van de schoenen onrechtmatig was, faalt het reeds op grond van het hiervoor onder B.3 overwogene.

B.4.3

Naar het oordeel van het hof waren ten tijde van het op grond van artikel 151b, eerste lid, Sv gegeven bevel reeds ernstige bezwaren tegen verdachte aanwezig. Daarbij heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de resultaten van het DNA-onderzoek aan de aan verdachte toebehorende sportschoenen, te weten – zakelijk weergegeven – dat in twee bemonsteringen van deze sportschoenen DNA is aangetroffen waarvan het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van het celmateriaal aangetroffen op een pantykous die is aangetroffen in de nabijheid van de vluchtroute van een van de daders van de onder 1. ten laste gelegde overval.

Van een vormverzuim is bijgevolg geen sprake. Het bepaalde bij artikel 359a Sv mist derhalve toepassing, zodat de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging niet aan de orde is.

B.5

Met betrekking tot het hiervoor onder A. 5. gestelde:

B.5.1

Aan het verweer dat er geen sprake is van ‘equality of arms’ is ten grondslag gelegd dat de officier van justitie in haar appelmemorie verwijst naar een uiteenzetting van het wetenschappelijk bureau van het openbaar ministerie om haar standpunten kracht bij te zetten, terwijl de verdediging geen mogelijkheid heeft om juridische vraagstukken te laten beoordelen door een door haar aangewezen wetenschappelijk bureau om dan vervolgens te bepalen of zij die stukken al dan niet in het geding brengt.

B.5.2

Het hof stelt voorop dat het zowel het openbaar ministerie als de verdediging vrij staat zich door wetenschappelijke bureaus te laten bijstaan. De enkele omstandigheid dat het openbaar ministerie de bijstand van een intern wetenschappelijk bureau heeft ingeroepen, levert daarom naar het oordeel van het hof nog niet een schending van het beginsel van ‘equality of arms’ op.

Bijgevolg is van een vormverzuim geen sprake, zodat het bepaalde bij artikel 359a Sv toepassing mist. De niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging is mitsdien niet aan de orde.

B.6

Met betrekking tot het hiervoor onder A. 6. gestelde:

B.6.1

Aan het verweer dat door verbalisant [verbalisant 2] een grof onzorgvuldig proces-verbaal is opgesteld, is ten grondslag gelegd dat – zakelijk weergegeven –:

- de verbalisant heeft gerelateerd dat hij zag dat de panty droog was, terwijl dat gelet op het verhandelde ter terechtzitting niet geloofwaardig is;

- de verbalisant heeft gerelateerd dat de complete omgeving nat was door de regen, terwijl het op 7 en 8 november 2008 niet heeft geregend;

- de verbalisant aannames heeft gedaan met betrekking tot de vluchtroute van de dader die niet zijn gebaseerd op feiten en omstandigheden;

- de verbalisant heeft gerelateerd dat de pantykous vermoedelijk door de vluchtende overvaller is achtergelaten, terwijl hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij niet weet of de panty is gebruikt bij de overval.

B.6.2

Ten aanzien van de waarnemingen van de verbalisant met betrekking tot de panty en de omgeving overweegt het hof dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan aan de geloofwaardigheid van deze waarnemingen zou moeten worden getwijfeld. Bovendien vinden deze waarnemingen ondersteuning in de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] die eveneens aangeven dat de kous droog was terwijl het op dat moment buiten vochtig was en overal condens op zat. Het hof ziet dan ook geen aanleiding het proces-verbaal in zoverre als onzorgvuldig aan te merken.

B.6.3

Met betrekking tot de vluchtroute van de overvaller is uit het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk geworden dat verbalisant [verbalisant 2] aan de hand van zijn eigen waarnemingen alsmede de gegevens aangedragen door verbalisant [verbalisant 7], de leider plaats delict [verbalisant 9] en een hondengeleider heeft getracht de vluchtroute van de dader te reconstrueren. Vervolgens heeft verbalisant [verbalisant 2] deze reconstructie op chronologische volgorde gerelateerd in het proces-verbaal. Zulks kan naar het oordeel van het hof niet als onzorgvuldig worden aangemerkt, zelfs niet als daarbij door verbalisant [verbalisant 2] aannames zijn gedaan.

B.6.4

Evenmin brengt de omstandigheid dat verbalisant [verbalisant 2] in het proces-verbaal het vermoeden uit dat de panty is achtergelaten door de vluchtende overvaller met zich dat het proces-verbaal als onzorgvuldig zou moeten worden aangemerkt. Op grond van de feiten en omstandigheden zoals die blijken uit het betwiste proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1], in onderlinge samenhang bezien, kon verbalisant [verbalisant 2] redelijkerwijs vermoeden dat de pantykous was achtergelaten door de vluchtende overvaller van wie immers bekend was dat hij (aanvankelijk) een panty over zijn gelaat had.

B.6.5

Gelet op het vorenstaande acht het hof het proces-verbaal niet onzorgvuldig en is geen sprake van een vormverzuim. Het bepaalde bij artikel 359a Sv mist mitsdien toepassing, zodat de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging niet aan de orde is.

B.7

Met betrekking tot het hiervoor onder A. 7. gestelde:

B.7.1

Aan het verweer dat aan de verdediging stukken zijn onthouden, is ten grondslag gelegd dat aan de deskundige stukken ter hand zijn gesteld die de verdediging niet heeft ontvangen, te weten: foto’s van een paskop met panty alsmede het proces-verbaal technisch onderzoek d.d. 26 oktober 2009.

B.7.2

Het hof stelt voorop dat de door de raadsman genoemde stukken zich reeds in het dossier bevonden. Voorts is op 14 december 2010 aan de raadsman een kopie verstrekt van een faxbericht d.d. 10 december 2010 met bijlagen, welk faxbericht was gericht aan de raadsman en afkomstig was van het ressortsparket. De door de raadsman genoemde foto’s alsmede het door hem genoemde proces-verbaal maakten deel uit van de bijlagen bij voormeld faxbericht. Voor zover er al sprake was van een vormverzuim is dat aldus hersteld, zodat het bepaalde bij artikel 359a Sv toepassing mist.

De niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging is derhalve niet aan de orde.

B.8

Met betrekking tot het hiervoor onder A. 8. gestelde:

B.8.1

Aan het verweer is allereerst ten grondslag gelegd dat aan de deskundige het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] is verstrekt, welk proces-verbaal grof onzorgvuldig is. Daarnaast is aan het verweer ten grondslag gelegd dat aan de deskundige foto’s van een paskop met panty alsmede het proces-verbaal technisch onderzoek d.d. 26 oktober 2009 ter hand zijn gesteld, terwijl de verdediging deze niet heeft ontvangen.

B.8.2

Het verweer faalt reeds op grond van het hiervoor onder B.6 en B.7 overwogene.

B.9

Met betrekking tot het hiervoor onder A. 9. gestelde:

B.9.1

Met betrekking tot de op haren gelijkende sporen aangetroffen op de panty is aangevoerd dat het openbaar ministerie deze sporen had moeten onderzoeken. Immers, verdachte heeft ontkend dat hij een overval heeft gepleegd, dat hij de panty voorhanden heeft gehad en dat hij zich heeft opgehouden bij de plaats waar de panty is aangetroffen. Daarbij heeft de raadsman erop gewezen dat op de panty DNA-kenmerken zichtbaar waren die kunnen duiden op de aanwezigheid van celmateriaal van minimaal één andere persoon.

B.9.2

Aangezien er naar het oordeel van het hof geen sprake is van het niet naleven van strafprocesrechtelijke geschreven of ongeschreven vormvoorschriften, is geen sprake van een vormverzuim. Geen rechtsregel verplicht het openbaar ministerie om alle op een in beslag genomen voorwerp aanwezige sporen te (doen) onderzoeken. Het bepaalde bij artikel 359a Sv mist derhalve toepassing, zodat de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging niet aan de orde is.

B.10

Met betrekking tot het hiervoor onder A. 10. gestelde:

Aangezien er met betrekking tot het al dan niet uitvoeren van (een) confrontatie(s) er geen sprake is van het niet naleven van strafprocesrechtelijke geschreven of ongeschreven vormvoorschriften, is geen sprake van een vormverzuim. Het bepaalde bij artikel 359a Sv mist derhalve toepassing. De niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging is derhalve niet aan de orde.

B.11

Met betrekking tot het hiervoor onder A. 11. gestelde:

B.11.1

Aan het verweer dat in strijd met de artikelen 126nd en 126nf van het Wetboek van Strafvordering is verzocht om de pasfoto en de gegevens van de lengte van verdachte, zich bevindende in de gemeentelijke reisdocumentenadministratie, is ten grondslag gelegd dat zich in het dossier niet een vordering van de officier van justitie noch een machtiging van de rechter-commissaris bevindt. Omdat de verbalisant op zoek was naar de pasfoto van verdachte, was volgens de raadsman artikel 126nf Sv van toepassing, omdat de pasfoto informatie met betrekking tot het ras van verdachte bevat.

Subsidiair heeft de raadsman, mocht het hof niet tot het oordeel komen dat dit vormverzuim moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging, zich op het standpunt gesteld dat het vormverzuim op een andere wijze gecompenseerd dient te worden.

B.11.2

Uit het dossier blijkt dat verbalisant [verbalisant 4] op 6 februari 2009 bij de reisdocumentenadministratie heeft verzocht in het bezit te worden gesteld van een afdruk van de pasfoto(‘s) en de gegevens van de lengte van verdachte. Daarbij heeft de verbalisant gewezen op artikel 73 onder c van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001. In het dossier bevindt zich vervolgens een ‘Kopie Aanvraag Reisdocument’ met betrekking tot een paspoort van verdachte, inhoudende onder meer de lengte van verdachte alsmede bevattende zijn pasfoto.

B.11.3

Op grond van artikel 72 juncto artikel 73, aanhef en onder c, Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 wordt de verstrekking van gegevens uit de reisdocumentenadministratie, waartoe onder meer de lengte en een pasfoto van de aanvrager van een reisdocument behoren, toegestaan aan opsporingsambtenaren bedoeld in art. 141 en 142 Sv, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de opsporing van strafbare feiten in het kader van het onderzoek waarbij zij zijn betrokken.

Deze regeling biedt, niettegenstaande het feit dat een pasfoto onder omstandigheden ‘gevoelige gegevens’ als bedoeld in o.a. art. 126nf Sv kan bevatten, naar het oordeel van het hof een voldoende wettelijke basis voor het opvragen van de pasfoto en de gegevens van de lengte van verdachte uit de reisdocumentenadministratie. Anders dan de raadsman heeft betoogd, is derhalve op de verkrijging van deze gegevens niet de regeling van artikel 126nd Sv dan wel artikel 126nf Sv van toepassing. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat ook na de invoering van de Wet bevoegdheden vorderen gegevens (Stb. 2005,390), waartoe de artikelen 126nd en 126nf behoren, de onderhavige bepalingen van de Paspoortuitvoeringsregeling nog een aantal malen door de wetgever zijn aangepast waarbij de litigieuze verstrekkingregeling voor zover hier relevant echter ongewijzigd is gebleven.

Gelet op het vorenstaande is er geen sprake van het niet naleven van strafprocesrechtelijke geschreven of ongeschreven vormvoorschriften, zodat geen sprake is van een vormverzuim. Het bepaalde bij artikel 359a Sv mist derhalve toepassing, zodat het verweer faalt.

C.

Naar ’s-hofs oordeel kunnen op grond van het bovenoverwogene de stellingen van de verdediging op zich, noch in samenhang met elkaar bezien, leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging. Evenmin zijn overigens gronden daartoe aannemelijk geworden.

Bijgevolg wordt het verweer in al zijn onderdelen verworpen.

Vrijspraak

Anders dan de rechtbank is het hof ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde van oordeel dat uit het voorhanden bewijs niet kan worden afgeleid dat de dagwaarde van de laptop (aanmerkelijk) hoger was dan hetgeen verdachte voor deze laptop heeft betaald. Ook overigens zijn uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende aanwijzingen naar voren gekomen dat verdachte wist of redelijkerwijze had moeten vermoeden dat de laptop een door misdrijf verkregen goed was.

Bijgevolg zal het hof de verdachte van het hem onder 2. ten laste gelegde feit vrijspreken.

Het bewijs

D. Door het hof vastgestelde feiten

Het hof stelt op grond van de wettige bewijsmiddelen, waarnaar in de hieronder opgenomen noten wordt verwezen, het volgende vast.

Op 8 november 2008 vond een overval plaats in de supermarkt C1000 aan het Kastelenplein 86 te Eindhoven. Uit de supermarkt is een geldbedrag van ongeveer 17.000 euro weggenomen. Dit geld behoorde toe aan [slachtoffer 4].

E. Overige bewijsmiddelen

i.

Op 8 november 2008 heeft [slachtoffer 1] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

‘Ik ben werkzaam in de functie van chef slager bij het C1000 filiaal gelegen aan het Kastelenplein 86 in Eindhoven.

Ik hoorde plotseling geschreeuw vanuit het magazijn. Toen ik het geschreeuw hoorde, heb ik de toegangsdeur naar het magazijn geopend. Ik zag toen twee mij onbekende gemaskerde mannen in het magazijn staan. Eén van deze mannen noem ik ‘man 1’. De tweede gemaskerde man noem ik ‘man 2’.

‘Man 1’ zei tegen mij dat ik op de grond moest gaan liggen. Ik ben hierna direct met mijn buik op de grond gaan liggen. Er kwam toen een andere man, ook gemaskerd, die mijn handen met tape vastbond. Toen de man klaar was met tapen zei ‘man 1’ tegen mij: ‘rustig blijven, en hier blijven liggen’. Vervolgens voelde en zag ik dat deze man mij een trap tegen mijn rug gaf. Ik zag dat enkelen van mijn collega's op de grond lagen waaronder in elk geval [benadeelde 3] (het hof begrijpt: [benadeelde 3]), [slachtoffer 3] (het hof begrijpt: [slachtoffer 3]) en [benadeelde 1] (het hof begrijpt: [benadeelde 1]).

Ik hoorde dat één van de overvallers aan [benadeelde 2] (het hof begrijpt: [benadeelde 2]) vroeg om de kluissleutel. Vervolgens zag ik dat één of twee overvallers met [benadeelde 2] in de richting van de rolluikdeur liepen. Via deze rolluikdeur heb je toegang tot de winkel. In de winkel bevindt zich het kassakantoor. In het kassakantoor staat de kluis.

Na enkele minuten werd mijn collega [benadeelde 1] door één van de overvallers meegenomen. Met behulp van [benadeelde 1] kon de kantinedeur geopend worden en werd [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2]) uit de kantine gehaald. [slachtoffer 2] werd vervolgens het magazijn ingebracht en moest naast mij gaan liggen. Ook hij werd getaped door één van de overvallers. [benadeelde 1] moest weer gaan liggen.

Op enig moment hoorde ik dat de overvallers tegen elkaar zeiden ‘politie, politie’. De overvallers zijn vervolgens met spoed via de achterdeur vertrokken.

Ik heb gezien dat ‘man 1’ in het bezit was van een soort slagersmes. Van ‘man 2’ kan ik zeggen dat hij een pistool vasthield. ‘Man 1’ droeg een zwarte bivakmuts.”

ii.

Op 8 november 2008 heeft [benadeelde 2] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

‘Ik ben werkzaam als bedrijfsleider van de C1000-[naam] supermarkt op het Kastelenplein 86 te Eindhoven. Op 8 november 2008 ben ik naar mijn werk gegaan in de supermarkt op het Kastelenplein te Eindhoven.

[benadeelde 1] (het hof begrijpt: [benadeelde 1]) heeft op mijn verzoek de emballage naar buiten gereden. Dit was omstreeks 05.45 tot 05.50 uur. Toen [benadeelde 1] de emballage naar buiten begon te rijden ben ik nog even naar de kantine gelopen. Ik hoorde toen wat geluiden en ben weer onmiddellijk naar beneden gegaan. Toen ik naar beneden liep zag ik vier mannen binnen stormen. Ik hoorde dat ze tegen mij riepen: ‘Op de grond liggen, op de grond liggen. Handen achter je rug.’. Ik zag dat [benadeelde 1] al op de grond lag.

Volgens mij was een van de overvallers een Nederlander, een van hen had een donkere huid en twee van hen waren vermoedelijk van Marokkaanse afkomst.

De man met de donkere huid heeft mij toen ik op de grond lag een trap in mijn gezicht gegeven en een trap in mijn linkerzijde gegeven. Van deze trappen ondervond ik erge pijn. Deze man zei ook tegen mij dat ik op de grond moest gaan liggen.

Toen ik op de grond lag, kwam een andere overvaller erbij die vroeg of ik de manager was. Ik bevestigde dat tegenover hem. Ik ben toen met hem mee gegaan naar de kluis. Toen wij bij de kluis kwamen, bleek dat deze niet geopend kon worden, waarop deze overvaller kwaad werd. Ik voelde dat ik van hem een tik op mijn rug kreeg.

Wij zijn toen weer terug gegaan om de kluissleutel te halen. Terug bij de kluis heb ik deze geopend. Toen ik de kluis open had, moest ik op mijn knieën voor de kluis bukken.

De overvaller begon de kluis leeg te halen en stopte alles in een tas die hij zelf had meegebracht. Hij zette deze tas op mijn rug zodat ik voelde dat hij al het muntgeld erin stopte want de tas werd behoorlijk zwaar.

Intussen was er een andere overvaller bij. Ze hebben het geld in C-1000 tassen gedaan.

De overvaller die de hele tijd bij mij was had op zijn hoofd een capuchon die met een koord was dichtgesnoerd. Hij had een pistool in zijn hand. Verder heb ik een van de andere overvallers gezien met een mes in zijn hand.

Toen ze klaar waren zijn we weer terug naar het magazijn gegaan, waar de anderen waren. Ik zag dat behalve de slager (het hof begrijpt: [slachtoffer 1]), [benadeelde 3] (het hof begrijpt: [benadeelde 3]), [benadeelde 1], [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2]) en [slachtoffer 3] (het hof begrijpt: [slachtoffer 3]) op de grond lagen. Ik zag dat ze allemaal plat op de grond lagen op de buik en dat de handen op de rug gebonden waren met zwarte tape. Ik moest ook gaan liggen en mijn handen werden ook met tape op mijn rug gebonden.

Vervolgens zijn de overvallers allemaal naar personeelsingang gelopen om naar buiten te gaan en te vluchten. Ik hoorde, op dat moment, dat ze riepen: ‘Politie, politie.’

Ik voelde me zwaar bedreigd door de overvallers en het geweld dat ze tegen mij en mijn personeelsleden hebben aangewend. Ik kon niet anders dan op hun eisen ingaan omdat ik anders vreesde voor het leven van mijn personeelsleden en mijzelf.”

iii.

Op 8 november 2008 heeft [benadeelde 3] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

‘Ik ben als vaste kracht werkzaam bij C-1000 [naam] gevestigd op het Kastelenplein te Eindhoven.

Ik ben vanmorgen (het hof begrijpt: op 8 november 2008) omstreeks 05.30 uur bij de C-1000 aan het Kastelenplein aangekomen. Ik ben naar de voorzijde van de winkel gegaan.

Ik zag [benadeelde 2] (het hof begrijpt: [benadeelde 2]) uit het kassakantoortje komen. Bij hem was een persoon die ik niet kende. Het was een man. Deze persoon droeg een zwarte bivakmuts. Ik zag dat [benadeelde 2] en deze persoon in de richting van het magazijn liepen.

Ik werd opgemerkt door één overvaller. Alle personen die ik tijdens de overval heb waargenomen, droegen bivakmutsen of iets anders waardoor ze niet te herkennen waren. Ik werd door deze persoon aangesproken. De persoon die mij aansprak had een mes in zijn rechterhand. Het mes werd in mijn richting gewezen. De persoon die mij ontdekte was ook gekleed in zwarte kleding (zwarte jas, zwarte broek en een zwarte bivakmuts waarin alleen 2 gaten zaten voor de ogen). Deze persoon zei onder andere: ‘Dit is een overval. Als je gewoon meewerkt gebeurt er niks. Blijf maar gewoon rustig.’ en meer van dit soort opmerkingen.

Ik moest vervolgens met deze persoon meelopen naar het magazijn van de winkel. Toen ik met deze persoon in het magazijn aankwam moest ik van hem op de grond gaan liggen.

Ik zag dat mijn collega's [slachtoffer 1] (slager) (het hof begrijpt: [slachtoffer 1]) en [benadeelde 1] (het hof begrijpt: [benadeelde 1]) ook al op de grond lagen in het magazijn. [slachtoffer 1] en [benadeelde 1] lagen op hun buik en hadden hun handen op hun rug. Hun handen waren kennelijk vastgebonden met zwarte tape. Ik ben vervolgens ergens in het magazijn op de grond gaan liggen. Dit was een plaats die door de overvallers werd aangegeven. Ik moest ook op mijn buik gaan liggen en ook ik werd met de handen op mijn rug gekneveld.

In het magazijn heb ik in totaal vier daders gezien. Deze personen waren niet allemaal op elkaar gelijkend.

Dader 1:

Dit is de persoon die mij in de winkel had ontdekt en die een mes bij zich had. Het mes was een relatief groot slagers/vleesmes. Deze persoon had een zwarte stoffen c.q. katoenachtige bivakmuts op met twee gaten voor de ogen.

Dader 2:

Deze persoon had als enige geen bivakmuts op zijn hoofd. Het was een soort van panty of iets dergelijks. Er zaten ook geen gaten in voor de ogen en dergelijke. Deze ‘panty’ was donkerbruin of zwart van kleur. Door die ‘panty’ heen was echter wel goed zichtbaar dat de huidskleur van deze persoon ook echt donker c.q. nagenoeg zwart was.

Deze persoon was het meest agressief in de wijze waarop hij sprak. Hij was aan het schreeuwen tegen ons en deed dit op een agressieve toon.

Dader 3:

Deze persoon droeg een bivakmuts (gebreid) met twee gaten voor de ogen en één voor de mond.

Dader 4 was een man.

Toen ik gekneveld werd en op de grond lag, waren drie van de vier daders in het magazijn aanwezig. Door de daders is toen van [benadeelde 1] de tape los gemaakt en een van de daders is samen met [benadeelde 1] naar de kantine gegaan. Ik heb gezien dat korte tijd nadat [benadeelde 1] met een van die daders naar de kantine was gegaan, er samen met [benadeelde 1] nog een andere collega van mij genaamd [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2]) vanaf de trap van de kantine naar beneden kwam gelopen. [benadeelde 1] en [slachtoffer 2] moesten toen op de grond gaan liggen en werden gekneveld met tape.

Nadat ook [slachtoffer 2] en [benadeelde 1] weer gekneveld waren, is op enig moment [benadeelde 2] samen met een van de daders in het magazijn gekomen. Ik zag dat deze dader die met [benadeelde 2] het magazijn binnenkwam, een tas in zijn handen had. Dit was een zilverkleurige diepvriestas vanuit de winkel.

Op het moment dat [benadeelde 2] met die dader het magazijn binnenkwam, moest [benadeelde 2] direct op zijn buik op de grond gaan liggen en werd hij ook gekneveld met tape. Ik zag toen ook dat [benadeelde 2] door een van die daders tegen zijn ribbenkast werd geschopt.

Na enige tijd gezamenlijk in het magazijn op de grond te hebben gelegen, ging op enig moment de bel van de personeelsingang. Het bleek toen dat er door een andere collega van ons was aangebeld. Dit was [slachtoffer 3] (het hof begrijpt: [slachtoffer 3]). De deur van de personeelsingang werd toen geopend door een van die vier daders. Ook [slachtoffer 3] moest toen in het magazijn, naast mij, op de grond gaan liggen en werd eveneens gekneveld met tape.

[slachtoffer 3] lag volgens mij nog maar net op de grond toen er plotseling door een van de daders werd geroepen dat er politie aankwam. De vier daders zijn toen meteen vanuit het magazijn en via de personeelsingang naar buiten gegaan.”

iv.

Op 8 november 2008 heeft [slachtoffer 3] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Ik ben getuige geweest van een gewapende overval op de supermarkt C1000 gelegen aan het Kastelenplein 86 te Eindhoven. Ik ben bij supermarkt C1000 werkzaam als bakker op de broodafdeling.

Op 8 november 2008 liep ik naar de achteringang van de C1000. Ik belde vervolgens aan. Ik zag vervolgens dat de deur werd opengedaan door een jongen die een masker over zijn gezicht had. Ik zag dat de jongen een groot mes in zijn rechterhand vasthield. Ik zag dat de jongen de punt van het mes in mijn richting wees. Ik voelde vervolgens dat de jongen het mes op mijn linkerschouder ter hoogte van mijn nek drukte. Toen ik binnenkwam zag ik nog een overvaller. Deze was ook gemaskerd.

Ik liep vervolgens met de jongen door de ingang naar binnen en wij kwamen vervolgens in het magazijn uit. Ik keek het magazijn in en ik zag vervolgens mijn bedrijfsleider ‘[benadeelde 2]’ (het hof begrijpt: [benadeelde 2]). Mijn bedrijfsleider kwam door de magazijndeur die toegang geeft tot de winkel het magazijn in gelopen. Ik zag dat er achter mijn bedrijfsleider een andere jongen liep die ook iets van een masker over zijn hoofd had.

Ik keek vervolgens rechts het magazijn in en ik zag mijn vrouwelijk collega [benadeelde 3] (het hof begrijpt: [benadeelde 3]) ook op de grond liggen. Ik zag dat er een mannelijke collega op de grond lag. Ik zag dat die mannelijke collega op zijn buik op de grond lag en ik zag dat hij zijn handen bij elkaar op de rug had.

Ik hoorde vervolgens dat de jongen met het mes tegen mij zei: ‘ga liggen.’ Ik hoorde vervolgens dat [benadeelde 3] zei: ‘[slachtoffer 3] kom hier maar liggen.’ Toen ik naar [benadeelde 3] liep, zag ik dat zij ook op haar buik op de grond lag en dat zij ook haar handen op de rug had. Ik zag dat de handen van [benadeelde 3] vast waren gebonden met hele dikke zwart kleurige tape. Ik ben vervolgens op de grond rechts naast [benadeelde 3] gaan liggen.

Ik hoorde dat de jongen met het mes tegen mij zei: ‘handen op je rug’. Ik hoorde vervolgens dat er iets in de trant van: ‘god verdomme doe je handen op je rug’ werd geroepen. Ik deed mijn handen vervolgens op mijn rug en ik voelde dat mijn handen vastgepakt werden. Ik werd vervolgens vastgebonden.

Ik zag dat de jongen met het mes aan mijn rechterzijde stond. Ik zag vervolgens dat de jongen het mes naar de grond bracht. Ik hoorde vervolgens getik op de grond. Ik zag dat de jongen met het mes op de grond aan te tikken was. Ik hoorde dat de jongen zei: ‘zie jij het mes, heb jij het mes gezien’ of woorden van gelijke strekking. Ik had het gevoel dat de jongen dat zei om mij en [benadeelde 3] bang te maken.

Ik hoorde vervolgens dat een van de twee jongens tegen ons zei: ‘blijf stil liggen, wij gaan zo weg en komen over 10 minuten weer terug. Als jullie dan op zijn gestaan dan doen wij jullie iets aan’ of woorden van gelijke strekking. Vervolgens zijn de jongens vertrokken.

Tijdens de overval voelde ik mij echt ernstig bedreigd en was ik erg bang. Ik had echt het gevoel dat als ik niet zou luisteren dat ze mij iets ergs aan zouden doen.”

v.

Op 8 november 2008 heeft [slachtoffer 2] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Ik ben getuige geweest van de overval op de C1000 die gevestigd is op het Kastelenplein te Eindhoven. Ik ben werkzaam bij de C1000 op het Kastelenplein.

Op 8 november 2008 omstreeks 5.45 uur kwam ik de C1000 binnen. Ik ben de trap naar de kantine opgelopen. Ik ben de kantine ingelopen. Ik hoorde en zag dat de bedrijfsleider achter mij ook de kantine binnengelopen kwam. [benadeelde 2] (het hof begrijpt: [benadeelde 2]) en ik zaten tegenover elkaar in de rokersruimte. Ik hoorde toen [benadeelde 1] (het hof begrijpt: [benadeelde 1]) heel hard roepen. Ik hoorde dat [benadeelde 1] de naam [benadeelde 2] diverse malen hard riep. Ik hoorde aan de stem van [benadeelde 1] dat er echt iets mis was. Ik hoorde tevens ook een andere mannenstem. Ik hoorde deze schreeuwen.

[benadeelde 2] liep voor mij uit naar de magazijnruimte. Ik zag dat [benadeelde 2] voor mij de trap af liep. Toen [benadeelde 2] bijna beneden was zag ik dat hij met een flinke kracht naar beneden werd geduwd of geslagen. Ik zag een man om de hoek komen. Toen ik deze man zag, heb ik snel de deur van de kantine gesloten.

Ik hoorde de deur van de kantine opengaan en zie een man de kantine binnen lopen. Ik zal deze aanduiden als verdachte 2. Op het moment dat de man mijn richting in komt gelopen hoor ik hem zeggen dat ik mee moest lopen. Ik zag dat deze man een mes in zijn hand had. Ik zag dat het een groot mes was, een soort slagersmes.

De man drong aan dat ik mee moest lopen naar beneden. Hierbij was het mes goed zichtbaar. De man dwong me om mee te lopen naar beneden en ik heb hieraan gehoor gegeven.

Op het moment dat ik vanuit de trap linksom het brede gedeelte van het magazijn in loop zie ik dat de slager, [slachtoffer 1] genaamd (het hof begrijpt: [slachtoffer 1]), op de grond ligt. Ik zie dat zijn handen op zijn rug zijn vastgebonden. Ik zie dat dat gebeurd is met zwartkleurige tape. Bij [benadeelde 1] zie ik verdachte 1 staan. Vervolgens zag ik ook dat [benadeelde 1] op de grond lag. Ook hij was door middel zwarte tape geboeid met zijn handen op zijn rug.

Ik hoor op dat moment dat verdachte 2 tegen mij zegt dat ik ook op de grond moet gaan liggen. Ik hoorde hem zeggen: ‘Gewoon op de grond liggen!’ of woorden van gelijke strekking. Ik ben vervolgens op de grond gaan liggen en zag en voelde dat ook ik met mijn handen op mijn rug werd geboeid. Ik zag dat verdachte 1 naar mij kwam gelopen. Ik zag dat verdachte 1 een vuurwapen in zijn hand had. Ik zag dat dit een zwart vuurwapen was. Toen verdachte 1 bij mij was, zag ik dat hij zijn vuurwapen in zijn voorste broekzak stopte. Vervolgens voelde ik dat hij mij ook boeide door middel van de tape.

Toen ik in de richting van [benadeelde 1] keek, zag ik drie verdachten staan waaronder de persoon met het mes, dus verdachte 2, de persoon die mij geboeid heeft, dus verdachte 1, en nog een andere man. Deze zal ik aanduiden als verdachte 3. Ik zag tevens dat verdachte 3 een vuurwapen in zijn broekzak had. Ik zag dat het handvat van het wapen boven zijn rechterbroekzak uit stak.

Vervolgens hoorde ik dat de bel ging. Ik zie vervolgens dat verdachte 2, degene met het mes, naar de deur loopt en hoor dat deze wordt geopend. Ik hoor de man zeggen: ‘Meelopen!’. Ik zag vervolgens dat mijn collega [slachtoffer 3] (het hof begrijpt: [slachtoffer 3]) met verdachte 2 in de richting van ons kwam gelopen. Ook zij werd gedwongen te gaan liggen en haar handen op haar rug te doen. Uiteindelijk doet zij haar handen ook op haar rug en wordt ze door verdachte 1 geboeid door middel van tape.

Vrijwel meteen daarna zie en hoor ik dat [benadeelde 2] vanuit de winkel komt gelopen met een verdachte. Verdachte 4 zal ik zeggen. Ik hoor dat ze de sleutels van het kantoor nodig hebben. Ik zag dat verdachte 4 een bivakmuts droeg, een soortgelijke als verdachte 2.

Nadat de sleutels bij [slachtoffer 1] uit zijn broekzak worden gepakt, zie ik zowel [benadeelde 2] als verdachte 4 terug de gang inlopen welke naar de winkel leidt.

Ondertussen dat [benadeelde 2] en verdachte 4 weg zijn, zie en hoor ik verdachte 2 rondlopen. Ik hoor hem zeggen dat we rustig moeten blijven en dat er dan niets zal gebeuren. Dan zouden er geen gewonden vallen.

Op een gegeven moment zag ik dat [benadeelde 2] en verdachte 4 terug kwamen gelopen, het magazijn in. Ik hoorde en zag dat ook [benadeelde 2] op de grond moest gaan liggen en dat hij geboeid werd door middel van tape.

Vervolgens zie ik dat alle vier de verdachten weg lopen naar de deur. Ik hoor vervolgens de deur open gaan. Ik hoorde een mannenstem roepen: ‘Politie!! Politie!!’.”

vi.

Op 8 november 2008 heeft [benadeelde 1] een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Ik ben als weekendhulp werkzaam bij de supermarkt de C1000, gevestigd op het Kastelenplein 86 te Eindhoven.

Op 8 november 2008, om 05.45 uur, ben ik begonnen met mijn werkzaamheden bij genoemde C1000. Om 05.50 uur was ik bezig om lege containers buiten te plaatsen. Nadat door mij een stuk of vijf containers naar buiten waren gereden wilde ik weer naar binnen lopen. Beide klapdeuren waren op dat moment geopend. Op dat moment zag ik in een flits iemand aan komen rennen. Op datzelfde moment voelde ik dat deze jongen mij bij een van mijn armen pakte en met een hand in mijn nek. Deze jongen deelde mij mede dat ik mee naar binnen moest lopen en dat dit een overval was. Ik ben vervolgens naar binnen gelopen. Ik had op het moment dat ik naar binnen liep gezien dat er meerdere personen bij deze jongen waren gekomen. Voor zover ik het kon zien, zag ik in totaal vier personen die met mij naar binnen liepen. In het magazijn werd ik gesommeerd om op de grond te gaan liggen. Dit werd mij verteld door degene die mij vasthad alsmede door een tweede persoon waarvan ik met 100 % kan verklaren dat dit een neger was. Omdat ik niet meteen op de grond ging liggen toen mij dit gevraagd, werd ik door de neger met een tot vuist gebalde hand en met kracht vol op mijn mond geslagen. Op datzelfde moment zag ik een onbekende man staan die in een van zijn handen een pistool had. Ik had de indruk dat het pistool vermoedelijk nep was. Omdat ik geslagen was, ben ik dat moment op de grond gaan liggen. Ik lag op mijn buik. Degene die mij als eerste pakte en die mij sommeerde om naar binnen te gaan, was bezig om mijn handen aan elkaar te binden. Ik zag dat hij met zwarte tape mijn handen wilde binden. Door hem is enkele malen tape om mijn handen gebonden om vervolgens de tape op zeer eenvoudige wijze vast te zetten. Ik lette alleen op de negroïde man. Op uw vraag hoe ik weet dat de man een negroïde man was, kan ik verklaren dat ik het gezicht van deze man heb gezien. Dit gezicht was het gezicht van een negroïde man.

Ik zag dat [benadeelde 2] (het hof begrijpt: [benadeelde 2]) door één persoon werd meegenomen de winkel in. Op dat moment was de man die [benadeelde 2] mee de winkel innam voor mij een derde overvaller. Deze man is degene die ik had gezien met een pistool in zijn handen.

Op het moment dat [benadeelde 2] de winkel inliep met deze derde overvaller hoorde ik de negroïde man zeggen dat mijn handen niet goed gebonden zijn. Voor de tweede keer werden mijn handen vervolgens met zwarte tape geboeid.

Even nadien zag ik [benadeelde 3], het meisje van de broodafdeling (het hof begrijpt: [benadeelde 3]), het magazijn binnen komen lopen met een voor mij op dat moment onbekend persoon. Deze persoon was op dat moment de vierde overvaller. Deze man hield een slagersmes vast in zijn rechterhand. [benadeelde 3] werd vervolgens langs mij op de grond gelegd. Ik zag vervolgens dat de jongen die mij had geboeid, [benadeelde 3] begon te boeien. Ik zag dat [benadeelde 3] op dat moment werd geboeid met dezelfde tape als waarmee ik was geboeid. De overvaller die [benadeelde 3] het magazijn had binnengebracht stond met het slagersmes bij ons. Ik hoorde hem enkele keren de volgende zin herhalen: ‘Zie je dit mes, zie je dit mes’. Ik zag vervolgens dat deze overvaller het mes op een afstand van ongeveer 10 centimeter van ons beider gezicht hield.

Op het moment dat [benadeelde 3] werd geboeid hoorde ik de bel van het magazijn. Vervolgens werd door een van de overvallers de deur van het magazijn geopend. Ik zag even nadien dat [slachtoffer 3] (het hof begrijpt: [slachtoffer 3]) het magazijn binnen werd gebracht. Ik zag vervolgens dat [slachtoffer 3], naast [benadeelde 3] op de grond werd gelegd.

Een van de overvallers is de trap opgelopen richting de deur van de kantine doch kreeg de deur niet open. Ik moest vervolgens opstaan en ben via de trap naar de deur van de kantine gelopen. Ik heb vervolgens de deur van de kantine geopend. Ik werd vervolgens door een van de overvallers teruggebracht, naar de plaats waar ik op de grond had gelegen.

Ik hoorde op een gegeven moment iemand tegen [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2]) zeggen dat hij moest gaan liggen.

Op het moment dat wij op de grond lagen, zag ik dat een van de overvaller mijn reistas pakte. Deze tas was een wit met blauwe reistas.

Nadat ik de kantinedeur had geopend en weer op de grond was gaan liggen, kwam na ongeveer één minuut [benadeelde 2] het magazijn ingelopen. Ik zag dat de overvaller met het pistool achter [benadeelde 2] liep. Ik zag dat deze overvaller een diepvriestas van de C1000 in een van zijn handen vasthad. Deze diepvriestas is afkomstig uit de winkel.

Ik hoorde dat [benadeelde 2] gesommeerd werd om op de grond te gaan liggen. [benadeelde 2] is achter mij ergens op de grond is gaan liggen.

Ik hoorde vervolgens een van de overvaller het volgende zeggen. ‘Als jullie binnen 10 minuten opstaan, dan komen wij terug en dan komen wij jullie pakken.’ Ik zag dat deze woorden kracht werden bijgezet door de overvaller met het mes door met dit mes op en neer te zwaaien.

Ik zag dat de man met het mes en de negroïde man naar buiten renden. Nadat ik zag dat de buitendeur werd geopend hoorde ik op dat moment meerdere mensen het woord ‘Politie’ roepen.

Ik heb in mijn verklaring gesproken over vier overvallers. Eén overvaller was met 100 % zekerheid een negroïde man. Alle vier de overvallers droegen mutsjes.

Over de negroïde man kan ik het volgende nog verklaren. Deze man was zeer agressief zowel in taal als fysiek. Ik was op de momenten dat deze man bij mij stond bang dat hij mij naast de door hem gegeven klap, ook nog een schop in mijn gezicht zou geven.

Hedenmorgen was ik zo geschrokken dat ik alles heb laten gebeuren. Ik heb gezien dat er fysiek geweld werd gebruikt. Ik heb gezien dat er een pistool en een mes gebruikt werden.”

vii.

Op 12 november 2008 heeft [verbalisant 10] een proces-verbaal bevindingen opgemaakt dat – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 11 november 2008 werden door mij de videobeelden van CD 3 van de overval op het filiaal van de C1000 gevestigd aan het Kastelenplein 86 te Eindhoven uitgelezen/bekeken.

De tijd op de videoband waarop de beelden werden vastgelegd, loopt 20 minuten voor op de werkelijke tijd.

Binnenkomst in het kassakantoor:

8 november 2008 te 06.09:50 uur.

Op de videobeelden is te zien dat een man gekleed in een bruin jasje, c.q. colbert en een donkere broek met een stropdas en beide armen op zijn rug houdend (het hof begrijpt: [benadeelde 2]) het kassakantoor binnen komt. De man wordt aan de achterzijde vastgehouden door een onbekende man. De onbekende man draagt een muts op zijn hoofd. Terwijl hij aan de achterzijde wordt vastgehouden maakt de voorste man nabij enige deuren eigenlijk meteen na binnenkomst een draaiende beweging en men loopt weer het kassakantoor uit. De tweede onbekende man houdt daarbij zijn voorganger steeds vast.

Overzicht van magazijn:

Op 8 november 2008, te 06.08:43 uur, komen er vier onbekende mannen deze magazijnruimte binnen. Een van deze vier mannen draagt een witte muts met horizontale strepen op zijn hoofd. De man wordt bij binnenkomst in de ruimte vergezeld van drie andere onbekende mannen en door een van die mannen vastgehouden. De man die vasthoudt draagt een donkere jas en een blauwe spijkerbroek. De man heeft een capuchon op zijn hoofd en draagt verder donkere sportschoenen. Een van de twee overige mannen draagt een donkere driekwart jas met capuchon die hij op zijn hoofd heeft. Het gezicht van de man is bedekt zodat het niet kenbaar is. De andere man draagt een opvallende blauwe jas met, naar later zou blijken, op de rug in witte letters het opschrift “OPEL”. Ook deze man draagt een donkerkleurige muts op zijn hoofd. De man met het mutsje met horizontale strepen blijft in de ruimte en hij wordt vastgehouden door een van de drie onbekende mannen. De man die vasthoudt heeft een donkere jas en draagt ook iets op het hoofd. De man heeft in zijn rechterhand een op een pistool gelijkend voorwerp dat hij op sommige momenten gericht houdt op de man met de muts met strepen. Met zijn linkerhand houdt hij de man verder ook nog vast.

Vervolgens is op de videobeelden een man te zien die gekleed is in een bruin jasje (het hof begrijpt: [benadeelde 2]) die met enig geweld door een andere nog niet eerder aanwezige onbekende man deze ruimte binnen gebracht wordt.

Vervolgens wordt de man met de muts met strepen door een van de mannen gedwongen om op zijn buik op de grond te gaan liggen in de magazijnruimte. Bij de man met muts die op de grond is gaan liggen, worden diens handen op zijn rug aan elkaar vastgebonden. Vervolgens is op de videobeelden te zien dat de man gekleed in het bruine jasje door de ruimte geduwd wordt door een van de daders. Met zijn linkerhand houdt deze dader de man die hij voortduwt vast ter hoogte van zijn nek.

Nadat de handen van de man die op zijn buik op de grond van de magazijnruimte ligt aan elkaar vastgemaakt zijn, staat de dader die dit uitvoerde vanuit gebogen houding op. Deze dader is gekleed in een donkerkleurige driekwart jas met capuchon, spijkerbroek en draagt verder donkere sportschoenen. De dader draagt lichtkleurige handschoenen.

Vervolgens komt de dader weer in beeld die een blauwe driekwart jas draagt. Duidelijk is te zien dat er aan de achterzijde met witte letters het opschrift “OPEL” op de blauwe jas staat. Deze dader draagt verder een donkere muts op zijn hoofd. Later is verder ook nog te zien dat de man gekleed in deze blauwe jas een groot blinkend voorwerp in zijn rechterhand vasthoudt gedurende de hele overval.

Vervolgens is te zien dat de man gekleed in het bruine jasje door een van de daders onder enige dwang de magazijnruimte verlaat.

Daarna is op de videobeelden te zien dat de man met het bruine jasje opnieuw onder dwang de magazijnruimte ingebracht wordt. Verder is te zien dat de man met de muts op zijn hoofd gekneveld op de grond van de magazijnruimte ligt.

Ook is te zien dat de dader gekleed in een donkere driekwart jas en spijkerbroek in zijn rechterhand een donkerkleurig voorwerp vasthoudt. Iets verder op de videobeelden is te zien dat het zich hier vermoedelijk om een rol tape gaat. De dader draagt witte handschoenen.

De dader gekleed in de blauwe jas met het opschrift OPEL brengt vervolgens een ander slachtoffer in de magazijnruimte. Nadat de dader in de blauwe jas dat slachtoffer naar de grond heeft gebracht draagt hij dat slachtoffer over aan een van de andere daders. Deze buigt zichzelf over het slachtoffer om haar te knevelen.

De dader in de blauwe jas met opschrift maakt diverse keren allerlei zwaaiende bewegingen met beide armen waarin hij in zijn rechterhand een groot blinkend voorwerp vasthoudt.

Het slachtoffer (man met muts) dat gekneveld op de grond in de magazijnruimte ligt moet overeind komen en gaat onder begeleiding van twee daders waaronder die met de blauwe jas de magazijnruimte uit. Korte tijd later wordt het slachtoffer weer de magazijnruimte binnen gebracht en moet opnieuw op de grond gaan liggen.

Nadat het slachtoffer in het magazijn op de grond ligt, worden zijn handen door een van de daders die geheel in het donker gekleed is aan de achterzijde op zijn rug bij elkaar vastgemaakt.

Kort hierop, terwijl een van de daders nog doende is om het slachtoffer dat op zijn buik op de grond ligt te knevelen, komt de dader gekleed in de blauwe jas met het opschrift OPEL met een ander slachtoffer de magazijnruimte binnen.

Vervolgens is te zien hoe de man met het bruine jasje opnieuw het magazijn binnen gebracht wordt. Een van de daders (degene die zich achter hem bevindt) houdt lijfelijk contact met het slachtoffer door hem op zijn rug bij zijn jas vast te houden.

Gelijktijdig met de binnenkomst van het slachtoffer gekleed in het bruine jasje wordt er een nieuw vrouwelijk slachtoffer het magazijn binnen gebracht. Deze vrouw wordt kennelijk gesommeerd om ook op de grond in het magazijn te gaan liggen naast een reeds aldaar liggend slachtoffer.

Op de achtergrond is een van de daders bezig het op haar buik liggende slachtoffer op haar rug te knevelen.

Alle daders verlaten de magazijnruimte en alvorens dit te doen maakt de dader gekleed in de blauwe jas nog enige zwaaiende bewegingen met het grote blinkende voorwerp dat hij in zijn rechterhand houdt.

Openen en leegmaken van de kluis:

De man gekleed in het bruine jasje wordt door een van de daders onder bedreiging van een (vuur)wapen de kluisruimte binnen gebracht. Hier is te zien dat de kluisdeur van de kluis onder bedreiging van een (vuur)wapen geopend wordt.

De dader die de man gekleed in het bruine jasje tot aan de kluis brengt, haalt zaken uit de geopende kluis.

Een tweede dader komt aan bij de kluis. Deze dader heeft een op een pistool gelijkend voorwerp in zijn rechterhand vast.

De overvaller die als eerste met de man gekleed in het bruine jasje bij de kluis komt, gaat weg met een tas met onbekende inhoud. De andere dader blijft bij de man in het bruine jasje.

De dader die even uit het beeld van de camera is geweest, komt terug en samen met de tweede dader alsmede de man met het bruine jasje verlaat men de kluisruimte.”

viii.

Op 11 november 2008 heeft [verbalisant 10] een proces-verbaal bevindingen opgemaakt dat – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 10 november 2008 werden door mij de videobeelden van CD 1 van de overval op het filiaal van de C1000 aan het Kastelenplein 86 te Eindhoven uitgelezen/bekeken.

De tijd op de videoband waarop de opnames van de overval werden vastgelegd wijkt af van de werkelijke tijd.

Binnengaan:

Op 8 november 2008 te 05.44:05 uur is te zien dat er een persoon die een witkleurige muts met groene horizontale strepen op zijn hoofd draagt vanaf een plaats waar enige goederen staan opgeslagen via een dubbele geopende deur met daarop een grote sticker met het logo van de Cl000 met daaronder de tekst “hoofduitgang” deze deur binnen gaat.

Verder is er op de videobeelden te zien dat er nog een ander persoon achter de man die de muts met strepen draagt naar binnen gaat. Vervolgens is op de videobeelden te zien dat er daarna nog een persoon is die de vorige omschreven mannen achterna gaat. Daarna is te zien dat er nog twee andere personen zijn die via dezelfde omschreven deur eveneens het filiaal van de C1000 aan het Kastelenplein 86 te Eindhoven binnen gaan.

Deur openen:

Op 8 november 2008 te 05.45:32 uur is op de videobeelden te zien dat er een man gekleed in een donkere broek en een korte bruine jas, c.q. colbert en een rode stropdas en met diepe inhammen in het haar op zijn voorhoofd (het hof begrijpt: [benadeelde 2]) in de richting van de toegangspoortjes gelopen komt. Achter de man bevindt zich een tweede man. Deze tweede man houdt de man die gekleed is in de donkere broek en met de bruine jas c.q. colbert aan de achterzijde met een van zijn handen vast. De man wordt vastgehouden ter hoogte van zijn schouder. Verder is op de videobeelden te zien dat de man die vasthoudt iets op zijn hoofd draagt waardoor zijn gezicht niet zichtbaar is. Verder is te zien dat de voorste man een deur in het filiaal van de C1000 opent en dat beide mannen de ruimte achter de deur binnen gaan. Na ongeveer 5 vijf seconden komen beide mannen via dezelfde deur weer naar buiten. De volgorde van de mannen is nog steeds hetzelfde. De tweede man heeft de voorste man nog steeds vast aan zijn jas, c.q. colbert.

Op 8 november 2008 te 05.45:10 uur is op de videobeelden een gangpad van het filiaal van de C1000 aan het Kastelenplein 86 te Eindhoven te zien. Verder is te zien dat er een man gekleed in een bruine jas c.q. colbert en een donkere broek in het gangpad in de winkel loopt. De man houdt beide handen op de rug. De vooromschreven man wordt vastgehouden door een onbekende man. Deze man houdt met zijn linkerhand de jas van de man voor hem vast ter hoogte van zijn nek tussen zijn schouders. Verder lijkt het erop alsof hij met zijn rechterhand ook nog contact heeft met de man voor hem. De tweede man draagt iets op zijn hoofd.

8 november 2008, te 05.45:31 uur. Op de videobeelden is te zien dat een man gekleed in een donkere broek en een bruine jas c.q. colbert en met rode stropdas in het gangpad van het filiaal van de C1000 aan het Kastelenplein 86 te Eindhoven loopt. Achter de man loopt een onbekende man. De tweede man houdt de man in het bruine jasje duidelijk vast achter op zijn rug.

Op 8 november 2008 te 05.46:35 uur is op de videobeelden is te zien dat er een man gekleed in een korte bruine jas, c.q. colbert door het gangpad in het filiaal van de C1000 aan het Kastelenplein 86 te Eindhoven loopt. De man wordt aan de achterzijde tussen zijn schouders aan zijn jas vastgehouden door de onbekende man die achter hem loopt.”

ix.

Op 17 december 2008 heeft [verbalisant 7] een proces-verbaal bevindingen opgemaakt dat – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 8 november 2008 omstreeks 05.53 kreeg ik samen met mijn collega [verbalisant 8] een melding van een overval op de winkel C1000 gelegen aan het Kastelenplein te Eindhoven. Hierop ben ik samen met mijn collega [verbalisant 8] ter plaatse gegaan.

Op het Kastelenplein ter hoogte van de achteringang van de winkel C1000, net voorbij de ingang van de aldaar gelegen sauna, reden wij met ons surveillancevoertuig. Op het moment dat we de sauna voorbij reden zag ik plotseling een man voor ons dienstvoertuig al rennend de weg oversteken. Ik zag dat deze persoon in de richting van ons dienstvoertuig keek. Ik zag dat hij een draagtas (blauw-wit) over zijn linkerschouder droeg. Ik zag dat hij bij het zien van ons de voornoemde draagtas midden op de weg liet vallen. Ik hoorde dat de persoon met luidde stem het volgende riep: ‘Politie Politie’. Ik zag dat hij hierbij in de richting van de achteringang van de winkel C1000 keek. Op dat moment keek ik ook in de richting van de achteringang van de C1000. Ik zag dat een deur van de achteringang van de C1000 open stond. Ik zag dat er een man ter hoogte van de openstaande deur stond. Ik liep in de richting van deze man. Ik zag dat deze man vervolgens de winkel uit kwam lopen. Op dat moment zag ik dat hij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn rechterhand vasthield. De verdachte stond inmiddels bij/tegen een muur ter hoogte van de deur van de achteringang van de C1000. Ik zag dat de verdachte iets ‘wits’ ter hoogte van zijn handen had. Ik heb het vermoeden dat deze verdachte handschoenen droeg. Ik riep met luidde stem in de richting van de verdachte: ‘politie, stop of ik schiet!’. Hierop zag ik dat de verdachte begon te rennen. Ik heb hierop direct te voet de achtervolging ingezet. Ik zag dat hij steeds het vuurwapen in zijn rechterhand vast hield. Ik zag dat de verdachte wegrende. Hij liep de ingang van een aldaar gelegen sauna voorbij. Vervolgens zag ik dat hij in de richting van een trap liep. Deze trap gaat naar beneden en komt uit op een fietspad. Dit fietspad is lager gelegen en loopt onder het winkelcentrum Kastelenplein door.

Ik ben de verdachte gevolgd. Op dit moment riep ik met luide stem in de richting van de verdachte dat hij moest stoppen en dat ik anders zou gaan schieten. Ik zag dat de verdachte gewoon doorrende. Hierop heb ik met mijn dienstpistool een waarschuwingsschot gegeven.

Ik zag vervolgens dat de verdachte via de trap naar beneden rende. Hij liep de trap af richting het hierboven omschreven fiets/voetpad. Ik ben de verdachte te voet gevolgd en ben hem achterna gerend de trap af. Op het moment dat ik op de trap liep zag ik dat de verdachte onderaan de trap gekomen was en in de fiets/voetgangerstunnel linksaf onder het winkelcentrum door rende. Ik ben de verdachte achterna gerend.

Op het moment dat ik de verdachte op een afstand van ongeveer 10 meter genaderd was, riep ik: ‘Stop of ik schiet’. Ik zag dat de verdachte geen reactie gaf op het aanroepen en in een zelfde tempo door bleef rennen. Hierop loste ik een tweede schot gericht op de benen.

Ik zag dat de verdachte vervolgens via een trap gelegen tussen de fietserstunnel en het winkelcentrum Kastelenplein, zijde Meerveldhovenseweg naar boven rende. Ik ben achter de verdachte aan via deze trap naar boven gerend. Op het moment dat ik boven aan de trap gekomen was, zag ik dat de verdachte inmiddels de rijbaan van de Meerveldhovenseweg overgestoken was. Ik ben de verdachte blijven volgen. Ik zag dat de verdachte aan de overzijde van de Meerveldhovenseweg de trap naar beneden nam. Deze trap komt weer uit op eerder genoemd fietspad. Ik zag dat de verdachte over dit fietspad bleef rennen en vervolgens de aldaar gelegen bosschages in liep. Vanaf dat moment had ik geen zicht meer op de verdachte. Deze bosschages waren gelegen in de nabijheid van een school gelegen aan de Keverberg.

De verdachte waar ik op had geschoten, had een breed postuur en was gekleed in een blauwe jas met capuchon.

Tijdens de gehele achtervolging heb ik het gezicht van de verdachte niet goed kunnen zien. Het gezicht van de overvaller was vermoedelijk bedekt met een panty.”

x.

Op 17 maart 2009 heeft [verbalisant 7] een proces-verbaal bevindingen opgemaakt dat – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 8 november 2008 werd de winkel genaamd C1000 gevestigd aan het Kastelenplein 86 te Eindhoven overvallen door een viertal personen. Door bewakingscamera's van C1000 werd de overval op video vastgelegd.

Op de beelden zag ik dat een viertal personen de overval pleegden. Ik zag onder andere dat een van de overvallers fors van postuur was, gekleed in een donkere jas met capuchon en dat hij opvallend witte/lichtkleurige handschoenen droeg. Op de videobeelden zag ik dat deze overvaller ook degene was die een aantal medewerkers van voornoemde winkel vastbond middels zwart plakband dat hij in zijn hand vast hield.

Ik kan verklaren dat de overvaller met fors postuur die witte dan wel lichtkleurige handschoenen droeg en die een aantal medewerkers vastgebonden heeft, degene is op wie ik op 8 november 2008 heb geschoten. Ik herken deze overvaller aan de hand van de videobeelden, kleding (donkere jas met capuchon, witte handschoenen) en aan zijn postuur (fors van postuur) terug.”

xi.

Op 11 november 2008 heeft [verbalisant 8] een proces-verbaal bevindingen opgemaakt dat – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

‘Op 8 november 2008 omstreeks 06:53 uur (het hof begrijpt: 05:53 uur) kregen mijn collega [verbalisant 7] en ik de melding dat er mogelijk een overval werd gepleegd op de C1000, gelegen op het Kastelenplein te Eindhoven.

Ter hoogte van de sauna en de nooduitgang van de C1000 zag ik dat er een persoon uit de nooduitgang van de C1000 kwam rennen en voor onze auto langs rende.

Ik hoorde een persoon roepen: ‘Politie, politie’. Vervolgens zag ik nog een persoon uit de C1000 rennen. Ik zag dat mijn collega [verbalisant 7] achter die persoon aan rende. Ik rende ook achter die persoon aan.

Ik zag dat mijn collega [verbalisant 7] zijn vuurwapen uit zijn holster had gehaald en riep: ‘Blijf staan of er wordt geschoten’ of woorden van gelijke strekking. Dit riep hij tegen de persoon die als tweede uit de C1000 kwam gerend. Ik zag dat die persoon een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn rechterhand had.

Ik hoorde en zag dat mijn collega [verbalisant 7] zijn wapen omhoog hield met de loop de lucht in en een patroon afvuurde. Ik zag dat de persoon de trap af rende, rechts gelegen van de sauna, de fietstunnel in. Ik zag dat de persoon in de richting van de Keverberg rende.

Ik zag en hoorde dat mijn collega [verbalisant 7] stopte met rennen en zijn vuurwapen op de persoon richtte en een schot loste.

Ik zag dat de persoon een trap op rende gelegen aan de rechterzijde van de fietstunnel. Deze trap komt uit bij de Meerveldhovenseweg. Ik zag dat mij collega [verbalisant 7] ook die trap op rende en ik rende ook die trap op. Ik zag dat de persoon over een hekje klom bovenaan die trap en de Meerveldhovenseweg overstak.

Vervolgens zag ik dat de persoon weer de helling afrende het fietspad op aan het eind van de fietstunnel. Vervolgens zag ik dat hij het bosschage aan de linkerkant van het fietspad in liep aan de achterzijde van de school op de Keverberg. Op dat moment hoorde ik mijn collega [verbalisant 7] zeggen: ‘Stop, want hij is de bosjes in’ of woorden van gelijke strekking.”

xii.

Op 8 november 2008 hebben [verbalisant 5] en [verbalisant 6] een proces-verbaal bevindingen opgemaakt dat – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 8 november 2008, omstreeks 05:53 uur, kregen wij de melding van de meldkamer te gaan naar het adres Kastelenplein te Eindhoven. Wij hoorden van de meldkamer dat er op dat moment een overval gaande was in de winkel de C1000, gelegen aan het Kastelenplein 86 te Eindhoven. Wij zijn onmiddellijk ter plaatse gegaan.

Wij werden door de collega's geroepen naar de Keverberg te Eindhoven. Aldaar zou een collega geschoten hebben op een van de verdachten. Wij zagen nabij de fietstunnel, gelegen tussen de Sterkenburg en de Keverberg te Eindhoven een school liggen. Wij zagen dat dit schoolterrein omheind was middels een stalen hekwerk. Wij zagen langs het hekwerk, wat grenst aan de voornoemde fietstunnel, een bosschage liggen.

Wij hoorden van collega [verbalisant 7] dat hij een verdachte in het betreffende bosschage had zien wegvluchten. Wij zagen dat collega [verbalisant 7] ons de plek aanwees waar dit gebeurd was. Ik, [verbalisant 6], ben vervolgens met mijn diensthond het betreffende bosschage ingelopen. Nadat ik enkele meters het bosschage in was gelopen, zag ik dat mijn diensthond zijn neus aan de grond zette. Ik zag dat mijn diensthond richting het hekwerk van de school liep. Ik zag dat mijn diensthond ‘tekende’ bij een boom die bij het hekwerk van voornoemde school stond. Ik zag dat mijn diensthond vervolgens omhoog keek. Ik zag dat deze boom op een soort van pad stond waar geen begroeiing was. Ik zag en voelde dat de diensthond vervolgens hard aan de lijn trok en daarbij zijn neus aan de grond hield. Voor mij is dit een teken dat mijn diensthond op dat moment verse menselijke lucht waarneemt.

Vervolgens hebben wij tezamen met de Leider Plaats Delict (LPD) de plaats delict bekeken. Wij hebben met hem het schoolterrein bekeken binnen de omheining. Bij de omheining, nabij de plek waar de diensthond eerder verse menselijke lucht waarnam, zagen wij dat het prikkeldraad niet meer intact was zoals dat behoort te zijn. De omheining bestond uit een stalen hekwerk van ongeveer 1,20 meter hoog met daarop twee rijen prikkeldraad. Enkele meters van deze plek vandaan zagen wij aan een takje van onkruid een zwarte nylon pantykous hangen. Wij zagen dat deze kous droog was, terwijl het op dat moment buiten vochtig was en overal condens op zat.”

xiii.

Op 20 november 2008 hebben [verbalisant 2] en [verbalisant 1] een proces-verbaal technisch onderzoek opgemaakt dat – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 8 november 2008 omstreeks 05.44 uur werd de supermarkt genaamd C1000, gelegen aan het Kastelenplein te Eindhoven overvallen door meerdere gemaskerde en met (vuur)wapens bewapende daders.

Door ons werden op de stoep voor de personeelingang van de C1000 sporen aangetroffen. Dit waren de sporen:

- Sp01 was een sporttas met daarin een C1000 tas waarvan de handvatten waren afgescheurd. Wij zagen dat zich in deze tas een kleinere zwarte sporttas bevond. Deze tas was gevuld met een hoeveelheid kleingeld in rolletjes verpakt en een hoeveelheid papiergeld.

- Sp03 was een houder. Wij zagen dat deze houder afkomstig was uit een zogenaamde ‘BBGun’.

- Sp04 was een vleesmes.

- Sp05 was een pistool. Wij zagen dat dit pistool een zogenaamde ‘BBGun’ was, een ‘softair Spring Pistool’, zwart. Het pistool kwam wat betreft zijn uiterlijk overeen met een pistool (werkelijk vuurwapen) van het merk Sig Sauer type P226.

Ter hoogte van een school gelegen aan de Keverberg, vluchtte één van de daders weg over het schoolterrein. Op de vluchtroute werd vervolgens een zwarte pantykous aangetroffen. Ik, verbalisant [verbalisant 2], werd door [verbalisant 9], leider plaats delict, gewezen op de aanwezigheid en locatie van dit spoor. Ik zag dat de voornoemde pantykous zich op het schoolterrein bevond, langs een onverhard en met bladeren bedekt looppad. Ik zag dat de kous droog was, terwijl de complete omgeving nat was door regen en dauw. De kous werd door mij veiliggesteld en voorzien van het spoornummer Sp11 en de Sin-code AAAV3274NL.”

xiv.

Een deskundigenrapport d.d. 10 februari 2009 van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

“Onderzoeksmateriaal

TR-nummer SIN Omschrijving

Sp11 AAAV3274NL een pantykous.

De pantykous [AAAV3274NL] is aan de gehele binnen- en buitenzijde bemonsterd, omdat hier zich biologische contactsporen kunnen bevinden van degene(n) die de pantykous heeft/hebben gebruikt als hoofd- en gezichtsbedekking en/of de pantykous heeft gedragen.

De bemonsteringen zijn als [AAAV3274NL]#1 (buitenzijde bij aantreffen) en [AAAV3274NL]#2 (binnenzijde bij aantreffen) veiliggesteld voor een DNA-onderzoek.

De volgende bemonsteringen zijn onderworpen aan een DNA-onderzoek:

- [AAAV3274NL]#1; van de pantykous;

- [AAAV3274NL]#2 van de pantykous.

Van het DNA in de bemonsteringen [AAAV3274NL]#1 en [AAAV3274NL]#2 van de pantykous zijn DNA-profielen verkregen die afkomstig zijn van een man. Deze twee DNA-profielen matchen met elkaar.”

xv.

Een deskundigenrapport d.d. 12 mei 2009 van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

“Aan het referentiemonster wangslijmvlies RAAI7664NL van de verdachte [verdachte] is DNA-onderzoek verricht.

Van het DNA in het referentiemonster wangslijmvlies RAAI7664NL is een DNA-profiel verkregen.”

xvi.

Een deskundigenrapport d.d. 12 mei 2009 van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

“Het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] [RAAI7664NL] matcht met de DNA-profielen van het celmateriaal in de bemonsteringen [AAAV3274NL]#1 en [AAAV3274NL]#2 van de pantykous. Dit betekent dat het celmateriaal in deze twee bemonsteringen afkomstig kan zijn van de verdachte [verdachte]. De berekende frequentie van elk van deze DNA-profielen is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met deze DNA-profielen is kleiner dan één op één miljard.”

F.

Door de inhoud van de hierboven onder D. en E. aangeduide, onderscheidenlijk weergegeven, bewijsmiddelen heeft het hof de overtuiging bekomen dat de verdachte één van de personen is, die de ten laste gelegde overval heeft gepleegd; te weten: de overvaller die door [benadeelde 2] werd omschreven als de overvaller met een donkere huid, door [benadeelde 3] werd aangeduid als dader 2, door [benadeelde 1] werd aangeduid als de negroïde dader en die door verbalisant [verbalisant 7] werd achtervolgd.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

G. Met betrekking tot de verweren strekkende tot bewijsuitsluiting

G.1

i.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat de verklaringen van verdachte van 9 februari 2009 en van 10 februari 2009 aangevangen te 08.30 uur alsmede het rechtstreeks gevolg van die verklaringen, waaronder in ieder geval elk bewijs dat is verkregen ten tijde van de doorzoeking in de [adres] te [woonplaats], van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

- de politie verdachte heeft verhoord zonder dat hij de mogelijkheid heeft gehad om contact met zijn raadsman op te nemen, terwijl de politie voorts heeft nagelaten verdachte te informeren over de mogelijkheid om een advocaat te raadplegen voorafgaande aan het eerste politieverhoor;

- verdachte eerst na het verhoor van 10 februari 2009, aangevangen te 08.30 uur, zijn raadsman heeft kunnen consulteren.

Ten aanzien van de doorzoeking heeft de raadsman erop gewezen dat de doorzoeking een rechtstreeks gevolg is van de verklaring van 9 februari 2009, althans van de toestemming tot doorzoeking die is verkregen in dezelfde verklaring.

Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

ii.

Zoals het hof hiervoor onder B.1.5 heeft overwogen, is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv, omdat – kort weergegeven – niet is gebleken dat verdachte is gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat voorafgaand aan het eerste politieverhoor of dat hem de gelegenheid is geboden van dat recht gebruik te maken. In aanmerking genomen dat uit het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk is geworden dat verdachte eerst na het verhoor van 10 februari 2009, aangevangen te 08.30 uur, een advocaat heeft kunnen raadplegen, sluit het hof de door verdachte op 9 februari 2009 en op 10 februari 2009 aangevangen te 08.30 uur afgelegde verklaringen uit van het bewijs. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

iii.

Voor zover het verweer rust op de stelling dat al hetgeen het gevolg is geweest van de door verdachte gegeven toestemming voor de doorzoeking van het bewijs dient te worden uitgesloten, faalt het reeds op grond van het hiervoor onder B.2.3. overwogene.

iv.

Het hof stelt ten aanzien van de stelling van de raadsman dat de doorzoeking een rechtstreeks gevolg is van de verklaring van 9 februari 2009 voorop dat zelfs als alle onderzoeksresultaten voortvloeien uit onrechtmatig handelen, later verkregen bewijsmateriaal blijkens de wetsgeschiedenis alsmede op grond van staande jurisprudentie niet behoeft te worden uitgesloten wanneer aannemelijk is dat er ook andere factoren aan die latere verkrijging van bewijsmateriaal hebben bijgedragen.

De doorzoeking van de woning aan de [adres] te [woonplaats] is naar het oordeel van het hof niet enkel een rechtstreeks gevolg van de verklaring van verdachte op

9 februari 2009. Uit het hiervoor onder 2.2 overwogene en de aldaar aangehaalde ambtsedige processen-verbaal leidt het hof af dat verdachte in de auto, tijdens de overbrenging naar het politiebureau te Breda, onder meer heeft verklaard dat hij verhuisd was naar de [adres] in [woonplaats] en dat het huis op naam zou staan van zijn zus [betrokkene 2]. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat op dat moment door een opsporingsambtenaar aan verdachte vragen werden gesteld omtrent diens betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit. Van een verhoor was op dat moment derhalve geen sprake, zodat – anders dan hiervoor onder ii. overwogen – ten aanzien van deze verklaring van verdachte geen sprake is van een vormverzuim.

In aanmerking genomen dat gelet op het vorenstaande niet enkel de van het bewijs uitgesloten verklaring van 9 februari 2009 heeft bijgedragen aan de verkrijging van de resultaten van de doorzoeking van de woning aan de [adres] te [woonplaats], ziet het hof geen aanleiding om deze resultaten uit te sluiten van het bewijs.

G.2

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat sprake is van een vormverzuim aangezien verdachte recht had op bijstand van een raadsman tijdens de verhoren bij de politie en dat het bewijs dat direct of indirect verkregen is door dit vormverzuim van het bewijs dient te worden uitgesloten.

Het hof verwerpt dit verweer op dezelfde gronden als gehanteerd bij de verwerping van het ontvankelijkheidsverweer onder B.1.3.

G.3

Op grond van de argumenten die ten grondslag lagen aan het ontvankelijkheidsverweer met betrekking tot de doorzoeking, de inbeslagneming van de schoenen en het afnemen van DNA van verdachte, zoals weergegeven onder B.2.1, B.3.1 en B.4.1, heeft de verdediging betoogd dat bewijsuitsluiting dient te volgen. Het hof verwerpt dit verweer op dezelfde gronden als gehanteerd bij de verwerping van deze onderdelen van het ontvankelijkheidsverweer onder B.2, B.3 en B.4.

H.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij van het hem onder 1. ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan deze overval. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

1. niet bewezen kan worden dat de panty bij de overval is gebruikt en door de vluchtende dader is achtergelaten;

2. uit de enkele omstandigheid dat op de panty DNA-sporen van verdachte zijn aangetroffen nog niet volgt dat verdachte de C1000 heeft overvallen dan wel anderszins daarbij betrokken is geweest;

3. uit de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde een blessure had, volgt dat verdachte niet betrokken was bij die overval;

4. onaannemelijk is dat verdachte is gevlucht met een panty over zijn hoofd, omdat hij de details van de omgeving in het begroeide gebied bij het schoolterrein onvoldoende zou hebben kunnen waarnemen;

5. verdachte een alibi had op de dag van de overval, aangezien [betrokkene 1] heeft verklaard dat verdachte in het weekend ten tijde van de enkelkwetsuur niet weg is geweest en dat zij niet beter weet dan dat [verdachte] constant thuis is gebleven.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

I.1

Het hof trekt uit de hiervoor onder E. weergegeven bewijsmiddelen het gevolg dat de onderhavige pantykous door één van de overvallers is gebruikt en vervolgens is achtergelaten op het schoolterrein. Daarbij heeft het hof in het bijzonder gewicht toegekend aan de navolgende omstandigheden:

- door getuige [benadeelde 3] werd gezien dat een van de overvallers een panty of iets dergelijks droeg;

- door verbalisant [verbalisant 7] is gerelateerd dat het gezicht van de door hem achtervolgde overvaller vermoedelijk bedekt was met een panty;

- de door verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] achtervolgde overvaller werd voor het laatst gezien in een bosschage aan de achterzijde van een school op de Keverberg, terwijl de pantykous op het terrein van deze school is aangetroffen;

- het prikkeldraad van de omheining van het schoolterrein nabij de plek waar door een politiehond in het bosschage verse menselijke lucht was waargenomen, was niet meer intact;

- de pantykous is aangetroffen op enkele meters van de plek waar het prikkeldraad van het schoolterrein niet meer intact was;

- de pantykous droog was, terwijl het ten tijde van het aantreffen van de panty buiten vochtig was en de omgeving nat was.

I.2.1

Aan het verweer dat uit de enkele omstandigheid dat op de panty DNA-sporen van verdachte zijn aangetroffen nog niet volgt dat verdachte de C1000 heeft overvallen dan wel anderszins daarbij betrokken is geweest, is ten grondslag gelegd dat het celmateriaal van verdachte op de panty terecht kan zijn gekomen door een handeling die niets met het ten laste gelegde feit te maken heeft. Daartoe is aangevoerd dat het mogelijk is dat een derde verdachtes DNA op de panty heeft overgebracht, opzettelijk, via een handdruk van verdachte dan wel via aanraking van een voorwerp dat verdachte heeft aangeraakt.

I.2.2

Ter onderbouwing van de stelling dat celmateriaal van verdachte op de panty terecht kan zijn gekomen door een handeling die niets met het ten laste gelegde feit te maken heeft, zijn door de verdediging slechts verschillende mogelijke scenario’s opgeworpen. Het hof is van oordeel dat de stelling van de verdediging aldus onvoldoende met feiten en omstandigheden is onderbouwd en zelfs geen begin van aannemelijkheid bevat.

Ook overigens is uit het onderzoek ter terechtzitting niet van feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan de mogelijkheid dat celmateriaal van verdachte op de panty terecht kan zijn gekomen door een handeling die niets met het ten laste gelegde feit te maken heeft aannemelijk zou moeten worden geacht.

Voorts heeft verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat een pantykous met zijn DNA daar in de bosschages is aangetroffen en wel op een plek in die bosschages waar kort tevoren een met een pantykous vermomde overvaller was gevlucht.

I.2.3

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen trekt het hof de conclusie dat verdachte de overvaller is geweest wiens gezicht bedekt was door een pantykous. Namens de verdachte is voor het aantreffen van celmateriaal in de bemonsteringen van de binnenzijde en de buitenzijde van de pantykous waarvan het DNA-profiel matcht met zijn DNA-profiel geen andere reden gegeven kunnen worden. Van dergelijke redenen is anderszins evenmin gebleken.

I.3.1

Aan het verweer dat uit de omstandigheid, dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde een blessure had, volgt dat verdachte niet betrokken was bij die overval, is ten grondslag gelegd dat hij als gevolg van een blessure aan zijn enkel nauwelijks kon lopen ten tijde van het onder 1. ten laste gelegde feit.

Voorts is aan het verweer ten grondslag gelegd dat op 6 en 7 november 2008 is waargenomen dat verdachte een blessure had en dat deze blessure tot uiting kwam in verdachtes loopgedrag. De getuigen noch verbalisant [verbalisant 7] hebben evenwel verklaard dat de vluchtende dader slecht ter been was, terwijl voorts op de videobeelden de man waarvan door het openbaar ministerie gezegd wordt dat het verdachte zou zijn niet mank loopt of trekkende bewegingen maakt met zijn been.

I.3.2

Uit het onderzoek ter terechtzitting is, voor zover al sprake was van een blessure bij verdachte ten tijde van het onder 1. ten laste gelegde feit, niet aannemelijk geworden dat verdachte niet had kunnen vluchten op een wijze als omschreven door verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] of dat verdachtes loopgedrag door deze blessure beïnvloed moet zijn geweest.

Bij dit oordeel heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de ten overstaan van de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 4].

I.3.3

Gelet op het vorenstaande sluiten de zich in het dossier bevindende verklaringen met betrekking tot een enkelblessure bij verdachte niet uit dat verdachte het onder 1. ten laste gelegde feit heeft begaan.

I.4

Naar het oordeel van het hof kan uit de bevindingen van deskundige Van der Pol, zoals neergelegd in diens rapporten d.d. 21 december 2009 en 23 november 2010, niet het gevolg worden getrokken dat verdachte in het begroeide gebied bij het schoolterrein de gedetailleerde omgeving onvoldoende zou hebben kunnen waarnemen. Evenmin brengen deze rapporten anderszins mee dat onaannemelijk is dat verdachte de vluchtende overvaller is geweest. Voormelde rapporten sluiten derhalve geenszins uit dat verdachte het onder 1. ten laste gelegde feit heeft begaan.

I.5

Het hof acht de verklaring van [betrokkene 1] onvoldoende betrouwbaar om daaraan de conclusie te verbinden dat verdachte ten tijde van het onder 1. ten laste gelegde bij haar in de woning verbleef, nog daargelaten de vraag of uit die verklaring wel kan volgen dat verdachte ten tijde van het onder 1. ten laste gelegde daadwerkelijk bij haar in de woning verbleef. Daartoe overweegt het hof dat [betrokkene 1] inconsistent verklaard heeft, gelet op haar verklaring zoals afgelegd op 6 mei 2009 tegenover de politie en haar verklaring zoals afgelegd op 11 november 2009 ten overstaan van de rechter-commissaris.

J.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, zoals die naar voren komen uit de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (genoemd in de voetnoten), alsmede hetgeen onder E. en F. is weergegeven, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof het aan verdachte onder 1. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat hij:

op 08 november 2008 te Eindhoven tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 17.000,- euro, toebehorende aan [slachtoffer 4], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [benadeelde 3] en [slachtoffer 2] en [benadeelde 1] en [slachtoffer 3] en [benadeelde 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en zijn mededaders met op vuurwapens gelijkende voorwerpen en een mes, die zij bij zich droegen en toonden, en met (deels) bedekte gezichten/hoofden het C1000-filiaal binnen zijn gegaan en daar

- [slachtoffer 1] en [benadeelde 3] en [slachtoffer 2] en [benadeelde 1] en [slachtoffer 3] (personeelsleden) hebben gedwongen op de grond te gaan liggen en (vervolgens) de handen hebben vastgebonden/getapet en

- [slachtoffer 1] hebben getrapt en

- [benadeelde 1] hebben geslagen en

- [benadeelde 2] (bedrijfsleider) hebben gedwongen op de grond te gaan liggen en die [benadeelde 2] hebben getrapt en mee hebben genomen naar de kluis en hebben getikt tegen het lichaam van die [benadeelde 2] en die [benadeelde 2] hebben vastgepakt en die [benadeelde 2] (nogmaals) hebben gedwongen op de grond te gaan liggen en (vervolgens) de handen van die [benadeelde 2] hebben vastgebonden/getapet.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1. is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 312, eerste lid, juncto artikel 310 en artikel 312, tweede lid, aanhef en onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ‘Diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen’.

De eerste rechter heeft de verdachte ter zake van dat feit alsmede ter zake van opzetheling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 6 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van de onder 2. ten laste gelegde opzetheling en komt aldus tot een bewezenverklaring van minder feiten dan de eerste rechter en van minder feiten dan waarvan de advocaat-generaal bij het bepalen van zijn vordering is uitgegaan.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat het hier gaat om een brutale overval op een supermarkt, waarbij personeelsleden zijn vastgebonden met tape, zijn geslagen en getrapt en zijn bedreigd met op vuurwapens gelijkende voorwerpen, alsmede met een mes;

- de omstandigheid dat slachtoffers als gevolg van dergelijke feiten -naast de lichamelijke gevolgen- nog langdurig last kunnen hebben van nadelige psychische gevolgen, zoals gevoelens van angst en onveiligheid;

- de omstandigheid dat door een gewelddadig feit als het onderhavige de rechtsorde ernstig is geschokt en dat een dergelijk feit in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg brengt;

- de mate waarin het bewezen verklaarde feit heeft geleid tot financiële schade;

- de omstandigheid dat verdachte en zijn mededaders zich van bovenstaande gevolgen geen enkele rekenschap hebben gegeven en slechts hebben gehandeld met het oog op eigen financieel gewin.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op:

- de omstandigheid dat verdachte, blijkens het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 25 oktober 2010, niet eerder door een strafrechter is veroordeeld;

- de inhoud van het hem betreffend voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland d.d. 21 augustus 2009;

- de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft het hof aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Aan de hand daarvan heeft het hof een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren tot uitgangspunt genomen.

In het onderhavige geval is echter sprake van een aantal strafverhogende omstandigheden, te weten:

- de omstandigheid dat, zoals uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt, verdachte bij de uitvoering van het feit een zeer agressieve houding tegenover de personeelsleden van de supermarkt heeft aangenomen en enkele van hen heeft getrapt terwijl zij machteloos op de grond lagen;

- de omstandigheid dat de verdachte er geen enkele blijk van heeft gegeven de laakbaarheid van zijn handelen in te zien. Integendeel, verdachte heeft zich aan het hof als slachtoffer gepresenteerd.

Gelet daarop is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een gevangenisstraf van voormelde duur; een verhoging daarvan ligt in de rede. Het hof zal daarom de door de advocaat-generaal gevorderde straf opleggen.

Maatregelen ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

1. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [benadeelde 1], wonende te [woonplaats], [adres], als gevolg van het onder 1. bewezen verklaarde feit, schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 1.607,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte en zijn mededaders zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer een bedrag van EUR 1.607,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

2. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [benadeelde 2], wonende te [woonplaats], [adres], als gevolg van het onder 1. bewezen verklaarde feit, schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 2.152,80, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte en zijn mededaders zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer een bedrag van EUR 2.152,80, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

3. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [benadeelde 3], wonende te [woonplaats], [adres], als gevolg van het onder 1. bewezen verklaarde feit, schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 1.148,64, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte en zijn mededaders zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer een bedrag van EUR 1.148,64, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Vorderingen van de benadeelde partijen

1. De benadeelde partij [benadeelde 1], wonende te [woonplaats], [adres], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage van EUR 1.607,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is door de eerste rechter toegewezen.

De voeging duurt van rechtswege voort in hoger beroep.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

De vordering is betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen ook al zouden ook andere daders daarbij zijn betrokken. Aan de wettelijke vereisten, waaronder art. 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op het gevorderde bedrag van EUR 1.607,00. De vordering zal tot dat beloop worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 1. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

2. De benadeelde partij [benadeelde 2], wonende te [woonplaats], [adres], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage van EUR 2.152,80, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is door de eerste rechter toegewezen.

De voeging duurt van rechtswege voort in hoger beroep.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

De vordering is betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen ook al zouden ook andere daders daarbij zijn betrokken. Aan de wettelijke vereisten, waaronder art. 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op het gevorderde bedrag van EUR 1.800,00.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde handelen materiële schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 352,80. De vordering dient ook in zoverre te worden toegewezen.

Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

3. De benadeelde partij [benadeelde 3], wonende te [woonplaats], [adres], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage van EUR 1.148,64, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is door de eerste rechter toegewezen.

De voeging duurt van rechtswege voort in hoger beroep.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

De vordering is betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen ook al zouden ook andere daders daarbij zijn betrokken. Aan de wettelijke vereisten, waaronder art. 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op het gevorderde bedrag van EUR 1.000,00.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde handelen materiële schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 148,64. De vordering dient ook in zoverre te worden toegewezen.

Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

En ten aanzien van elk van de bovenvermelde schadevergoedingsmaatregelen en vorderingen:

Het hof zal bepalen dat indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer komt daarmede zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre te vervallen).

Het hof zal bepalen dat indien en voor zover een mededader van verdachte het slachtoffer schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Voorts zal het hof bepalen dat indien en voor zover een mededader van verdachte de benadeelde partij schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Beslag

De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het onder 1. bewezen verklaarde misdrijf is begaan, terwijl niet is kunnen worden vastgesteld aan wie deze voorwerpen toebehoren.

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met behulp waarvan het onder 1. bewezen verklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven computer zal worden teruggegeven aan [betrokkene 5], zijnde degene die blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven pantoffels zullen worden teruggegeven aan [betrokkene 6], zijnde degene die blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven paar Nike-sportschoenen zal worden teruggegeven aan verdachte, zijnde degene die blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Ten aanzien van de in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen kan geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt en daarvan zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Met betrekking tot de overige op de lijst van in beslag genomen goederen genoemde voorwerpen zal het hof geen beslissing nemen. Naar het oordeel van het hof zijn deze voorwerpen ten gevolge van een administratieve fout op deze lijst terecht gekomen, in aanmerking genomen dat uit het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk is geworden dat deze voorwerpen onder anderen dan verdachte in beslag zijn genomen en/of in verband met strafbare feiten die niet aan verdachte zijn ten laste gelegd. Bovendien is uit het onderzoek ter terechtzitting ten aanzien van deze voorwerpen niet gebleken dat verdachte redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2. ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren en 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde 1], wonende te [woonplaats], [adres], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 1.607,00 (duizend zeshonderdzeven euro), te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 1. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 (zesentwintig) dagen hechtenis.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde 2], wonende te [woonplaats], [adres], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 2.152,80 (tweeduizend honderdtweeënvijftig euro en tachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 1. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 (eenendertig) dagen hechtenis.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde 3], wonende te [woonplaats], [adres], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 1.148,64 (duizend honderdachtenveertig euro en vierenzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 1. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 (eenentwintig) dagen hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, een bedrag te betalen van EUR 1.607,00 (duizend zeshonderdzeven euro), te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 1. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] vervalt, indien en voor zover deze aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, heeft voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] vervalt, indien en voor zover deze aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, heeft voldaan.

Bepaalt dat indien en voor zover een mededader van verdachte dit slachtoffer schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat indien en voor zover een mededader van verdachte deze benadeelde partij schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, een bedrag te betalen van EUR 2.152,80 (tweeduizend honderdtweeënvijftig euro en tachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 1. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] vervalt, indien en voor zover deze aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, heeft voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] vervalt, indien en voor zover deze aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, heeft voldaan.

Bepaalt dat indien en voor zover een mededader van verdachte dit slachtoffer schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat indien en voor zover een mededader van verdachte deze benadeelde partij schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, een bedrag te betalen van EUR 1.148,64 (duizend honderdachtenveertig euro en vierenzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 1. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3] vervalt, indien en voor zover deze aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, heeft voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] vervalt, indien en voor zover deze aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, heeft voldaan.

Bepaalt dat indien en voor zover een mededader van verdachte dit slachtoffer schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat indien en voor zover een mededader van verdachte deze benadeelde partij schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Verklaart verbeurd:

- één sporttas, Sp01;

- één slidingbroek, Sp02;

- één vleesmes, Sp04;

- één set hengsels van C1000 tas, Sp06;

- zwarte duct tape;

- één pantykous.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van:

- één patroonhouder, Sp03;

- één pistool, Bbgun, Sp05.

Gelast de teruggave aan [betrokkene 5] van: één computer, ACER laptop met oplader,

H09-1200-1.

Gelast de teruggave aan [betrokkene 6] van: twee pantoffels.

Gelast de teruggave aan verdachte van: één paar rood/witte sportschoenen, NIKE,

H02-9000.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

- één houtje met daarop schoenspoor;

- één plastic tas met daarop schoenspoor;

- één stuk duct tape.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. F.P.E. Wiemans,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 18 januari 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.